Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Bovenste Eind” Gemeente Echt-Susteren Vastgesteld
Bestemmingsplan “Bovenste Eind” Gemeente Echt-Susteren Vastgesteld
Rapportnummer BRO:
P04938
Identificatienummer:
NL.IMRO.1711.BP20220951-VG01
Datum:
juli 2023
Opdrachtgever:
Ruimte voor Ruimte Limburg C.V.
Projectleider BRO:
IMo
Ontwerp:
februari 2023
Vaststelling:
9 november 2023
Trefwoorden:
Woningbouwkavel, Ruimte voor Ruimte, Bovenste Eind, Echt, gemeente Echt
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 4
Beknopte inhoud:
Nieuw bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte kavel aan het Bovenste Eind in Echt, in het buitengebied van de gemeente Echt.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING
3
2. BESTAANDE SITUATIE
5
3. PLANBESCHRIJVING
9
4. UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
14 14 16 21 22
5. ONDERZOEK 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Milieuaspecten
27 27 27
5.2.1 Bodem 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Externe veiligheid 5.2.5 Milieuzonering 5.2.6 Geur 5.3 Archeologie en cultuurhistorie 5.4 Ecologie 5.5 Leidingen en infrastructuur 5.6 Verkeerskundige aspecten 5.7 Duurzaamheid 5.8 Waterparagraaf 5.9 M.e.r.-beoordeling
27 28 29 30 34 35 36 37 39 39 39 40 42
6. PLANSTUKKEN 6.1 Planstukken 6.2 Toelichting op de verbeelding 6.3 Toelichting op de regels
43 43 43 43
Inhoudsopgave
1
7. PROCEDURE
46
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: AERIUS-berekening Bijlage 5: Infiltratieonderzoek
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte kavel voor de bouw van één woning aan het Bovenste Eind, in het buitengebied grenzend aan de kern Echt, in de gemeente Echt-Susteren. Het plangebied betreft het perceel, kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie M, nummers 2928 en 2929. Middels de Ruimte voor Ruimte regeling wordt de mogelijkheid geboden om, in ruil voor de beëindiging van intensieve veehouderijbedrijven of –takken en sloop van de opstallen, woningen te realiseren. Deze sloop heeft begin jaren 2000 plaatsgevonden. Met de bouw van woningen worden de kosten hiervan terugverdiend.
Topografische kaart met globale ligging plangebied (rode pijl)
Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de gewenste ontwikkeling niet mogelijk. De gemeente Echt-Susteren heeft bij brief van 21 juli 2021 kenbaar gemaakt in principe medewerking te willen verlenen aan deze ontwikkeling, middels een herziening van het bestemmingsplan. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de gronden planologischjuridisch vastgelegd, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en gaat vergezeld van voorliggende toelichting met bijlagen.
Hoofdstuk 1
3
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt de bestaande situatie rond het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie. In hoofdstuk 5 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 6 worden de planstukken en de juridische opzet van de regels beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de procedure beschreven.
Hoofdstuk 1
4
2.
BESTAANDE SITUATIE
Het plangebied is ten zuiden van de kern Echt gelegen en bestaat uit twee deelgebieden. Deelgebied 1 is gelegen aan het Bovenste Eind, direct grenzend aan de zuidwestzijde van de kern Echt. Deelgebied 2 is verder naar het zuiden gelegen, aan de Doorderweg. Deelgebied 1 In de huidige situatie zijn de percelen M 2928 en 2929 (deelgebied 1) voorzien van een agrarische bestemming en in gebruik als grasland met een aantal solitaire bomen. Het perceel (2929) heeft een oppervlakte van 1.000 m 2 en wordt herbestemd naar ‘Wonen’. Het overige gedeelte heeft een oppervlakte van circa 1.700 m 2 en behoudt de bestemming ‘Agrarsich met waarden – landschapswaarden’.
Luchtfoto met projectie kadastrale kaart en begrenzing deelgebied 1 (rood omlijnd)
Dit deelgebied betreft een grasveld met daarachter een paardenweide. Op het grasveld zijn enkele kleine gebouwtjes aanwezig zoals een overkapping voor de opslag van spullen en hout en een kippenhok. Over het gehele terrein staan een aantal solitaire bomen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door bestaande houtopstanden, aan de oostzijde (bezijden tussenliggende
Hoofdstuk 2
5
agrarisch perceel 1052 met stal) wordt het begrensd door reeds bestaande bebouwing in de kern van Echt. Aan de zuid- en westzijde van het deelgebied liggen agrarische percelen. Het deelgebied wordt ontsloten via de weg Bovenste Eind, die in oostelijke richting aansluit op de Doorderweg. In noordelijke richting leidt de Bovenste Eind naar het centrum van Echt en de weg Zuiderpoort. Laatstgenoemde weg vormt de verbindingsroute met de rijksweg A2. Op de volgende afbeeldingen is de huidige situatie weergegeven van deelgebied 1.
Foto huidige situatie plangebied (foto westelijke richting)
Foto omliggende bebouwing (ten oosten van het deelgebied 1)
Hoofdstuk 2
6
Deelgebied 2: Deelgebied 2 heeft een oppervlakte van circa 1.680 m 2. Het betreft een bestaande groenstrook die zal worden aangevuld met verschillende soorten beplanting. Ter plaatse van dit deelgebied zal verder geen verandering plaatsvinden.
Luchtfoto met projectie kadastrale kaart en begrenzing deelgebied 2 (rood omlijnd)
Foto huidige situatie (deelgebied 2)
Hoofdstuk 2
7
Vigerend bestemmingsplan Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, dat op 14 december 2017 door de gemeenteraad van Echt-Susteren is vastgesteld. Daarnaast is het ‘Facetbestemmingsplan Deregulering’ van toepassing op het plangebied. Dit facetbestemmingsplan bevat o.a. enkele gewijzigde begripsbepalingen, regels omtrent bedrijven en beroepen aan huis, schuilgelegenheden en aanvullende bouwregels. Het plangebied kent in het huidige bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ van toepassing en is voor het merendeel van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘overige zone – landschapselementen’ opgenomen. ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor agrarisch grondgebruik, behoud en bescherming van onverharde en halfverharde wegen, de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven en recreatief medegebruik. Verder zijn er de nodige aanduidingen opgenomen in het bestemmingsplan, waarmee locatiespecifiek gebruik mogelijk wordt gemaakt. Deze aanduidingen zijn niet van toepassing op het plangebied. Het bouwen van een woning en het beoogde gebruik voor woondoeleinden past niet binnen deze agrarische bestemming voor deze locatie.
‘Waarde – Archeologie 3’ De voor 'Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde; danwel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte van 500 m² of meer en een diepteverstoring van 40 centimeter of meer, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie bij het voorliggende plan. ‘overige zone – landschapselementen’ Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – landschapselementen’ zijn de gronden tevens bestemd voor behoud, bescherming en herstel van de in het buitengebied aanwezige kleinschalige landschapselementen en de daarmee samenhangende landschappelijke en natuurlijke waarden. Ter plaatse geldt een omgevingsvergunningplicht voor diverse werkzaamheden waardoor landschapselementen beschadigd kunnen worden. De gronden zijn als zodanig aangeduid vanwege het feit dat het voorheen een bosperceel betrof. De bosschage is illegaal gekapt en zodoende is een compensatieplan opgesteld. Het compensatieplan is in hoofdstuk 3 nader beschouwd.
Hoofdstuk 2
8
3.
PLANBESCHRIJVING
In dit hoofdstuk wordt het beoogde project beschreven en worden de stedenbouwkundige- en ruimtelijke effecten hiervan weergegeven. De ontwikkeling Op delen van de percelen, kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie M, nummers 2928 en 2929 wordt één Ruimte voor Ruimte kavel mogelijk gemaakt met een oppervlakte van 1.000 m². Aan het zuidelijke deel van het plangebied wordt de bestemming ‘Wonen’ toegekend. Ten noorden daarvan blijft de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ gehandhaafd. De begrenzing van de kavel en het bouwvlak waarbinnen de woning mag worden gebouwd zijn op de navolgende afbeelding weergegeven. Zoals reeds omschreven bestaat het huidige plangebied uit weides en een aantal solitaire bomen. Voorheen was op deze percelen sprake van een bosschage. Deze bosschage is inmiddels voor het grootste deel illegaal gekapt. Zodoende zal er naast de woningbouwontwikkeling tevens een compensatie plaats vinden voor de bomenkap. Het compensatieplan is na overleg met verschillende partijen tot stand gekomen, waaronder de provincie Limburg, die in deze kwestie het bevoegd gezag is. Ten noorden van de woningbouwlocatie is een aanduiding opgenomen voor het compensatieplan. Tevens
Verbeelding met ligging woonkavel, bouwvlak en compensatieplan (links) en de andere locatie van het compensatieplan (rechts)
Hoofdstuk 3
9
is de andere locatie (perceel ECH00-AC-629, aan de Doorderweg ten zuidoosten van het RvR kavel) waar de compensatie plaatsvind opgenomen in de verbeelding en regels. Voor wat betreft de bouw- en gebruiksregels wordt overwegend aangesloten bij de regels van de bestemming ‘Wonen’ van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Zo mag een hoofdgebouw uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6,6 en 11 meter. De inhoud van de woning mag maximaal 1.000 m³ bedragen. Deze maat is in overeenstemming met de maximum inhoudsmaat voor woningen op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Deregulering’. Voor de maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is in het voorliggende bestemmingsplan een afwijkende oppervlakte opgenomen, namelijk 150 m 2 in plaats van 100 m2. Deze oppervlakte komt overeen met de maximale oppervlakte aan bijgebouwen die vergunningvrij gerealiseerd mag worden. Stedenbouwkundige- en ruimtelijke effecten De Ruimte voor Ruimte kavel is gesitueerd op een perceel aansluitend aan op de kern Echt, en past hiermee vanuit functioneel oogpunt in de omgeving. In de omgeving zijn voornamelijk vrijstaande woningen op ruime percelen aanwezig. De nieuwe woning betreft eveneens een ruime, vrijstaande woning op een perceel van 1.000 m 2.
Voor wat betreft de maatvoering voor de woning en bijbehorende bouwwerken en de bijgebouwen is aangesloten bij de omliggende woningen. Hierdoor past de nieuwe woning goed in de omgeving. Er ligt echter nog geen uitgewerkt bouwplan voor de nieuwe woonkavel. De stedenbouwkundige kwaliteit wordt in het kader van de vergunningprocedure voor bouwen nader afgestemd met de gemeente Echt-Susteren. Voor zover bestaat er geen negatief stedenbouwkundig effect op de omgeving. Zoals reeds omschreven heeft er op dit perceel een illegale bomenkap van een bosschage plaatsgevonden. Om dit te compenseren is een compensatieplan opgesteld, dat zal worden uitgevoerd op het naastgelegen perceel ten noorden van de beoogde woning en tevens op het nabijgelegen perceel (ECH00-AC-629). Het compensatieplan zal in navolgende paragraaf worden toegelicht. Compensatieplan Bovenste Eind Vanwege de bomenkap die heeft plaats gevonden op het perceel van de beoogde ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte woning, is een compensatieplan opgesteld. In de bestaande situatie was er namelijk sprake van een houtopstand. Initiatiefnemer heeft, ten behoeve van de woningbouwontwikkeling, de houtopstand zonder overleg en vergunning voor een groot deel gekapt. Om de illegale kap van deze houtopstand te compenseren is een compensatieplan opgesteld.
De compensatie zal voor een deel op het naastgelegen perceel (perceelnummer 2928) van de beoogde woning worden gerealiseerd en voor het overige deel op het perceel (ECH00-AC-629).
Hoofdstuk 3
10
Onderstaand wordt inzicht geboden in de soort beplanting die zal worden gerealiseerd. De Provincie Limburg heeft als bevoegd gezag ingestemd met dit compensatieplan. Het compensatieplan is als bijlage bij de regels toegevoegd. De beschikking is als onderdeel aan het compensatieplan toegevoegd. Algemeen Kwaliteit plantsoen: maat struikvormers 0.6 / 1 mtr o maat opgaand bosplantsoen 0.8 / 1.2 mtr o maat veren 2mtr / + Het plantsoen voldoet aan de herkomst van de Nederlandse rassenlijst met autochtone herkomst uit de regio. De soorten plantsoen zijn afgestemd op de grondsoort ( oude maas afzetting) en optimale inpassing in omgevingsbegroeiing ( gemengd loofhout). Gekozen is voor een zo goed mogelijk autochtone herkomst uit de omgeving. Zowel voor de struikvormers als het opgaand bosplantsoen is een dichtheid van 4000 stuks per hectare opgesteld. Het plantsoen wordt iets dieper ingeplant dan de wortelhals. Geplant wordt in handkracht. Er wordt per plant ± 15 gr gelkorrels toegediend. De veren krijgen elk ± 20 gr gelkorrels. Deze korrels regulieren de vochtverdeling. Mocht dat nodig zijn dan wordt er gedurende het groeiseizoen nog extra water gegeven. De te beplanten oppervlakte wordt intensief gefreesd, perceel 629 wordt eerst geploegd. Beide percelen worden ingezaaid met tarwe.
Het inzaaien gebeurd om de onkruiddruk en de uitdroging van de bodem gedurende het eerste groeiseizoen te beperken. (Ad 1) PERCEEL 2928, oppervlakte aanplant 32 x 34 m = 1.088 m2 De aanplant bestaat uit een zes meter brede rand rondom van struikvormers. Er wordt geplant tussen de bestaande bomen (eik en es). De overige oppervlakte wordt met bosplantsoen en veren beplant. De struikvormers worden in groepen van 5 tot 8 stuks per soort geplant. Het opgaand bosplantsoen wordt in groepen van 20 stuks per soort geplant. De eik en de haagbeuk worden samen gemengd geplant. De haagbeuk begeleidt de eik in takafstoting. De veren worden zo goed mogelijk verdeeld over de oppervlakte ingeplant. Soorten struikvormers menging in gelijke delen van: Hazelaar Kardinaalsmuts Meidoorn Inlandse Vogelkers Vuilboom Soorten bosplantsoen menging in gelijke delen van: Haagbeuk Zomereik Klein bladige Linde Fladder iep Limburgse kers 10 st veren, soorten: Limburgse kers Tamme kastanje Klein bladige Linde
Hoofdstuk 3
11
Haagbeuk
Uitsnede deel 1 van het compensatieplan (perceel 2928)
(Ad 2) Perceel 629, oppervlakte aanplant 140 x 12 m = 1.680 m2 De struikvormers worden in groepen van ± 10 stuks per soort geplant. De veren worden in de singel als zogenaamde 2de laan geplant op die plaatsen waar ze ten opzichte van de bestaande laan het beste tot ontwikkeling kunnen komen. Om het doorzicht op de achterliggende steilrand te behouden worden enkele openingen in de groensingel gelaten. Soorten struikvormers menging in gelijke delen van: Hazelaar Kardinaalsmuts Meidoorn Inlandse Vogelkers Vuilboom 15 st veren, soorten Limburgse kers Tamme Kastanje Haagbeuk Klein bladige Linde Het compensatieplan is reeds uitgevoerd. De beplanting is, in tegenstelling tot het kaartbeeld op pagina 12, in overleg met de provincie aaneengesloten aangebracht.
Hoofdstuk 3
12
Uitsnede deel 2 van het compensatieplan (percelen 628 en 629)
Conclusie Zoals eerder is omschreven heeft er op het perceel aan de Bovenste Eind een illegale bomenkap plaatsgevonden. Na overleg met verschillende partijen (gemeente Echt-Susteren, provincie Limburg en Stichting Limburgs Landschap) is besloten dat met de uitvoering van dit compensatieplan in voldoende mate compensatie plaatsvindt en tevens de landschappelijke inpassing van de nieuwe woning is geborgd. Het perceel waar de bomenkap heeft plaatsgevonden heeft een totale oppervlakte van circa 2.753 m2. Beide locaties hebben een totale oppervlakte van 2.768 m 2. Zodoende wordt de totale oppervlakte gecompenseerd. In het compensatieplan wordt gebruik gemaakt van verschillende inheemse plansoorten en worden, ten goede van de biodiversiteit, verschillende soorten bosplantsoenen, struikvormers en veren toegepast. Voor wat betreft de uitvoering van het compensatieplan is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dit houdt in dat de nieuwe woning pas mag worden bebouwd als het compensatieplan is uitgevoerd.
Hoofdstuk 3
13
4.
UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID
In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.
4.1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van een omgevingsvisie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Dit streven naar integraliteit valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Hoofdstuk 4
14
Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en integrale besluitvorming bij ruimtelijke plannen. Nieuwe (ruimtelijke) projecten dienen daarom in lijn te zijn met het beleid zoals dat is opgesteld in de NOVI. Conclusie Het voorliggende planvoornemen betreft een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling, dat er geen belangen uit de NOVI worden geschaad. Bovendien zijn de uitgangspunten van deze ontwikkeling conform de visie zoals geschetst in de NOVI. Ladder voor duurzame verstedelijking In de (voormalige) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht.
Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt met de inwerkingtreding van de aangepaste ladder als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Conclusie De Raad van State heeft in zijn uitspraak 201302867/1/R4 1 aangeven dat kleinschalige woningbouwplannen geen stedelijke ontwikkeling betreffen als bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voorliggende plan voor de realisatie van één Ruimte voor Ruimte woning is een dergelijk klein initiatief. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing. Desondanks dient wel de behoefte aan een ruimtelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
1
ABRS, Uitspraak 201302867/1/R4, ECLI:NL:RVS:2013:2471, 18 december 2013
Hoofdstuk 4
15
AMvB Ruimte De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele aanvullingen/ wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Conclusie Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de ontwikkeling van het plangebied in het geding. De beoogde ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte kavel is kortom niet in strijd met de beleidsregels, zoals deze zijn opgenomen in het Barro.
4.2 Provinciaal beleid Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast is een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze omgevingsverordening wordt besproken in de paragraaf ‘Omgevingsverordening Limburg’. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie.
Hoofdstuk 4
16
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen; een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader.
Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Ruimte voor Ruimte Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning in het buitengebied van de gemeente Echt-Susteren, aansluitend op de kern Echt.
De Ruimte voor Ruimte regeling zorgt ervoor dat overtollige agrarische bebouwing wordt gesaneerd en daarvoor in de plaats kunnen elders in de provincie bouwkavels en bouwtitels worden uitgegeven. Onderhavige ontwikkeling voorziet hier ook in.
Hoofdstuk 4
17
Ten aanzien van het project 'Ruimte voor Ruimte' is de ambitie van de provincie Limburg om de komende jaren samen met gemeenten het project af te ronden door middel van de realisatie van in totaal 900 woningen op planologisch aanvaardbare locaties in het buitengebied. Hiermee worden de in 2001 gemaakte afspraken tussen Provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte Limburg C.V./B.V. niet gewijzigd door de Omgevingsvisie. Voor het overige sluit de woning aan bij bestaand stedelijk gebied. De beoogde vrijstaande woning voldoet niet aan de vraag naar bijvoorbeeld betaalbare woningen. Maar omdat onderhavige ontwikkeling voorziet in een woningbouwontwikkeling conform de Ruimte voor Ruimte regeling, wordt er op een andere manier invulling gegeven aan de doelstellingen zoals deze genoemd zijn in het provinciale beleid. Het plan past daarmee in Provinciale Omgevingsvisie Limburg.
Verbeelding met ligging woonkavel en bouwvlak
Conclusie Conform de kaart ‘Limburgse Principes’ is het plangebied gelegen in het gebied ‘Buitengebied’. In beginsel is het niet mogelijk om woningen te realiseren in het buitengebied. Maar zoals reeds aangege-
Hoofdstuk 4
18
ven zijn er afspraken gemaakt tussen de Provincie Limburg en de Noord- en Midden Limburgse gemeenten over de realisatie van Ruimte voor Ruimte woningen op planologisch aanvaardbare locaties in het buitengebied. Het plan past daarmee in Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het voormalige POL2014 juridische binding te geven. Tot de inwerkingtreding van de nieuwe ‘Omgevingsverordening Limburg’ (voorzien op 1 juli 2022) blijft deze omgevingsverordening uit 2014 van toepassing. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied ligt binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk (niveau I). Het is in het gebied Roerdalslenk verboden een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of te hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.
Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter in zone I tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Gezien het feit dat geen diepe grondboringen zijn voorzien, vormt het initiatief geen belemmering voor de boringsvrije zone Roerdalslenk I. Aangezien er niet wordt voorzien in de mogelijkheid tot het plaatsen van een dergelijk bodemsysteem, wordt voldaan aan de vereisten van de Omgevingsverordening Limburg. Bomenkap Zoals reeds is aangegeven heeft er een onrechtmatige bomenkap plaatsgevonden. Dit is in strijd met het gestelde in ‘artikel 3.3.2 melding van een voorgenomen velling’ van de omgevingsverordening. In artikel 3.3.2, lid 1 is gesteld dat er in ieder geval een melding dient te worden gedaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.
In artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het volgende bepaald: ”Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten.” Conform de Wet natuurbescherming betreft een houtopstand een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 10 are of meer. 10 are staat gelijk aan 1.000 m2. In totaal is er ongeveer aan 2.700 m 2 aan houtopstanden geveld. Hiervoor geldt een meldingsplicht. Deze melding is nooit gedaan en zodoende is er sprake van een onrechtmatige bomenkap. Ter compensatie is er reeds een beplantingsplan opgesteld (zie hoofdstuk 3). Met het beplantingsplan is met terugwerkende kracht de onrechtmatige bomenkap gecompenseerd.
Hoofdstuk 4
19
Conclusie Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen het provinciaal beleid. Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 25 mei 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten het ontwerp van deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze ontwerp-omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en is in december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien, wanneer ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied binnen het gebied ‘Buitengebied’ en de regio Midden-Limburg, en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, recreatie, werklocaties, verstedelijking en wonen. Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende te beschrijven: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.
Conclusie In deze toelichting is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12.1 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Lim-
Hoofdstuk 4
20
burg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. In navolgende paragraaf volgt een onderbouwing met betrekking tot de behoefte en de regionale afspraken. Met de bouw van de woning wordt spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de verleende vergunning. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen.
4.3 Regionaal beleid Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021 geactualiseerd. In de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 (door de gemeente Echt-Susteren vastgesteld in juli 2022) wordt ruimte gemaakt om te bouwen voor de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment. Daarnaast is er aandacht voor transformatie/herstructurering. Zo wordt de leefbaarheid op peil gehouden en wordt een thuis voor (toekomstige) inwoners geboden. De bestaande woningvoorraad in Midden-Limburg bestaat voor 68% uit koopwoningen. Dit percentage ligt in plattelandsgemeenten hoger. De gemeente Echt-Susteren heeft de ambitie om in de periode 2021 tot en met 2025 het woningaanbod zowel kwantitatief als kwalitatief uit te breiden. In kwalitatief opzicht is in het kader van de regionale woonvisie uit 2018 een uitgebreid woningmarktonderzoek uitgevoerd. Wat betreft de kwalitatieve woonbehoeften zijn de uitkomsten van dat onderzoek nog actueel. Er is met name behoefte aan appartementen met lift, grondgebonden seniorenwoningen, woningen voor starters en overige woningen/nichemarkten. Met onderhavige ontwikkeling wordt voorzien in het realiseren van een vrijstaande woning op een Ruimte voor Ruimte kavel.
Zowel kwantitatief als kwalitatief voldoet de woningen niet direct aan het beleid uit de Structuurvisie. In de gemeente is namelijk juist behoefte aan betaalbare woningen voor kleinere huishoudens in het goedkopere segment. Maar het plan is alsnog aanvaardbaar vanwege de reeds gemaakte afspraken in 2001 tussen de Provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte Limburg C.V./B.V. Tevens is hier sprake van een Ruimte voor Ruimte kavel waarvoor in het verleden een kwaliteitsverbetering heeft plaatsgevonden middels het slopen van agrarische bebouwing in Noord- en Midden Limburg waardoor zowel de landschappelijke als de milieu-hygiënische kwaliteit beduidend is verbeterd. Vanuit dit perspectief zijn er derhalve geen belemmeringen voor de onderhavige ontwikkeling. Conclusie Zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt is het realiseren van één Ruimte voor Ruimte kavel aan de Bovenste Eind, aansluitend aan de kern Echt, in overeenstemming met de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025.
Hoofdstuk 4
21
4.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie 2012 – 2025: Ontwikkelen met Kwaliteit Op 12 december 2012 heeft gemeenteraad van Echt-Susteren de 'Structuurvisie Echt-Susteren 2025 Ontwikkelen met kwaliteit' vastgesteld. Voor het stedelijk en het landelijk gebied formuleert de structuurvisie een aantal ambities. Het realiseren van deze ambities draagt bij aan het halen van de algemene gemeentelijke doelstelling om ook in 2025 en lang daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Het plangebied ligt net buiten het stedelijk gebied, aan de rand van de kern Echt. Wat betreft wonen geeft de gemeente de voorkeur aan de realisatie van nieuwe woningen in de (hoofd)kernen boven nieuwe woningen in het buitengebied. Ten aanzien van het buitengebied geldt dat het toevoegen van nieuwe woningen ongewenst is. Incidentele nieuwbouw is enkel nog onder voorwaarden mogelijk.
Kaart 'Plangebied Structuurvisie' met globale ligging plangebied (blauwe pijl)
Conclusie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een Ruimte voor Ruimte kavel voor één vrijstaande woning, gelegen net buiten het bestaand stedelijk gebied van de kern Echt. Op basis van de gemaakte afspraken tussen Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. en de gemeente worden Ruimte voor Ruimte kavels gerealiseerd op geschikte planologisch aanvaardbare locaties, aansluitend op het bestaand stedelijk gebied. Het voorliggende plangebied betreft een dergelijke geschikte locatie, die aansluit op de bestaande kern. De nieuwbouw van één woning op de locatie is daarmee passend binnen de uitgangspunten voor wonen uit de structuurvisie.
Hoofdstuk 4
22
Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) De gemeente Echt-Susteren heeft in haar Structuurvisie 2012-2025 het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) uitgewerkt tot een Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM). In de structuurvisie is het LKM vertaald naar de specifieke gemeentelijke situatie. Het basisprincipe van dit GKM is dat indien bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied en delen van het stedelijk gebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, dit verlies gecompenseerd dient te worden door een kwaliteitsverbeterende maatregel en/ of een financiële bijdrage. De ambitie is dat per saldo de kwaliteit toeneemt. Het GKM is van toepassing op vanuit ruimtelijk-functioneel oogpunt gezien niet-onaanvaardbare ruimtelijke ontwikkelingen die via een projectafwijking, wijziging of herziening van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Kenmerkend voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het veelal nieuwe functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen met daaraan verbonden specifieke ruimtelijke invloeden op de omgeving. Het GKM is met name van toepassing op het buitengebied. Dit betreft het gebied dat gelegen is buiten de (door de provincie getrokken) rode contour. Op onderdelen is het GKM doorgetrokken naar het stedelijk gebied.
Het gaat daarbij met name om ontwikkelingen die ruimtelijk-functioneel toelaatbaar zijn, maar minder gewenst, omdat ze botsen met andere beleids- of projectdoelen. Om die reden wordt er een kwaliteitsbijdrage gevraagd om een investering elders in het stedelijk gebied te kunnen doen ter compensatie. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van één Ruimte voor Ruimte kavel mogelijk, met daarop een vrijstaande woning. In het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling is middels de sloop van verouderde veestallen reeds een kwaliteitsverbetering van het buitengebied bewerkstelligd. In ruil voor deze sloop mogen woningbouwkavels worden uitgegeven. Voor deze woningbouwkavels, waaronder de voorliggende kavel, is daarom geen aanvullende kwaliteitsverbetering of GKM-bijdrage vereist. Wel zal er een compensatie plaatsvinden voor de bomenkap die heeft plaatsgevonden ten behoeve van de realisatie van de woning. Dit is verder toegelicht in hoofdstuk 3. Landschapsvisie ‘Zuidrand Echt’ Zowel het buitengebied als het stedelijk gebied van Echt- Susteren zijn volop in beweging. Vanuit de structuurvisie Echt- Susteren 2012-2025 wordt bescherming en verbetering van het unieke buitengebied benadrukt en wordt gericht gestuurd op het optimaliseren van de leefbaarheid in de kernen.
Voor het buitengebied is in de structuurvisie een aantal ambities geformuleerd die is vertaald in een aantal leidende principes voor ruimtelijke ontwikkelingen: Meer aandacht voor de onderste lagen (bodem, water, landschap, natuur, cultuurhistorie en infrastructuur); Zorgvuldig ruimtegebruik (met oog voor beeldkwaliteit én economie); Grensoverschrijdend denken en handelen; Tegengaan van verdere verstening van het buitengebied; Kwaliteit belangrijker dan kwantiteit;
Hoofdstuk 4
23
Bereikbaarheid belangrijker dan aanwezigheid of nabijheid.
Aan de zuidzijde van Echt hebben zich in de afgelopen jaren meerdere initiatiefnemers gemeld met plannen en enkele plannen zijn ook al in uitvoering of gereed. Als gevolg van deze ontwikkelingen ziet de gemeente Echt-Susteren de noodzaak om te komen tot een integrale visie op de ontwikkeling van het buitengebied aan deze zijde van Echt. Daarmee wordt invulling gegeven aan het leidende principe om uit te gaan van zorgvuldig ruimtegebruik in het buitengebied en van het behoud van samenhang en ruimtelijke kwaliteit. De volgende initiatieven spelen in het buitengebied aan de zuidkant van Echt: Landgoedontwikkeling. Er liggen meerdere initiatieven op tafel Wegreconstructie A2 Het Vonderen – Kerensheide Afronding bedrijventerrein Palmbrugweg/Bellekeweg Provinciaal initiatief voor een zonneweide langs de A2 In de huidige situatie is het zo dat ieder initiatief door de gemeente beoordeeld wordt zonder dat daar een duidelijke ruimtelijke visie aan ten grondslag ligt. Dit is niet goed voor de initiatieven (er is geen neutraal toetsingskader), maar ook niet voor het gebied zelf (ongewenste ontwikkelingen worden wellicht toegestaan). Daarom is behoefte aan een landschapsvisie, waar op basis van de genius loci van
Uitsnede kaart ‘Landschapsvisie Zuidrand Echt’ (plangebied rood omcirkeld)
Hoofdstuk 4
24
het gebied de toekomstige ontwikkeling van de zuidrand wordt geschetst. Hierbij dient bekeken te worden of initiatieven een meerwaarde zijn voor het gebied. Voor de lopende initiatieven dient ook concreet te worden aangegeven of deze (al of niet met aanpassingen) inpasbaar zijn. Zoals ook het landschap zelf uit een opeenstapeling van verschillende lagen is opgebouwd, bestaat ook deze landschapsvisie uit een samenhangende structuur van acht verschillende thema’s en lagen: Nieuwe landgoederen langs de Echter Molenbeek; Routestructuren gericht op landschapsbeleving; Trambaan als verbindend element; Versterken / behouden karakteristiek historische veldwegen; Versterken dorpsranden; Historische ontsluitingswegen Herstel watersysteem Echter Molenbeek Versterken contrasten o Contrast tussen originele en vergraven Oude Ontginningen o Contrast tussen open en (half)besloten landschap Doorkijk naar het plangebied De thema’s die het meest betrekking hebben op het plangebied zijn het thema ‘Versterken contrast open-besloten landschap’ (specifiek de ‘beslotenheid / kleinschaligheid in oude Maasmeander en langs dorpsranden’) en het thema ‘Behouden karakteristieke bomenstructuur Ontsluitingswegen’. Versterken contrast open-besloten landschap Het plangebied is nabij de Molenbeek gelegen en het plangebied is aangemerkt als een landschapselement.
Een speerpunt van dit thema is onder andere het behoud en de ontwikkeling van kleine landschapselementen in de oude Maasmeander door het versterken van beekbegeleidende beplantingsstructuur van de Echter Molenbeek en het stimuleren van het behoud en de aanleg van hagen en houtkanten, poelen en knotbomen tussen Ophoven en Echter Molenbeek. Echter is een groot deel van de houtopstand gekapt. De compensatie van de bomenkap vind deels plaats op het zelfde terrein maar ook iets zuidelijker aan de Doorderweg. Ter plaatse van dit perceel wordt de bomenstructuur versterkt. Behouden karakteristieke bomenstructuur Ontsluitingswegen De speerpunten van dit thema zijn gericht op: Het behoud van de bomenrijen aan de ontsluitingswegen; Het stimuleren van de aanwezigheid van de natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups en; Het bermbeheer gericht op het verhogen van de natuurwaarden en de biodiversiteit Een van de ontsluitingswegen is de Doorderweg. Voor de bomenkap die heeft plaats gevonden in het plangebied is een compensatieplan opgesteld. Het compensatieplan is reeds beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting. De compensatie vind deels plaats in het plangebied aan de Bovenste Eind en op een perceel aan de Doorderweg. Ter plaatse van het perceel aan de Doorderweg blijft de bomenrij behouden en worden struikvormers en veren aangeplant. De struikvormers worden in groepen van ±
Hoofdstuk 4
25
10 stuks per soort geplant. De veren worden in de singel als zogenaamde 2de laan geplant op die plaatsen waar ze ten opzichte van de bestaande laan het beste tot ontwikkeling kunnen komen. Conclusie Conform de Landschapsvisie Zuidrand Echt wordt in beginsel niet voldaan aan de thema’s en speerpunten, omdat een bestaand landschapselement niet behouden is gebleven. Maar daarvoor in de plaats is een compensatieplan opgesteld. In het compensatieplan worden de landschapswaarden terug gebracht en versterkt. Daarmee is per saldo sprake van een verbetering.
Hoofdstuk 4
26
5.
ONDERZOEK
Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer, duurzaamheid en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/of conclusies zijn.
5.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in artikel 6.12, eerste lid, onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van één Ruimte voor Ruimte kavel, waarop een vrijstaande woning gebouwd mag worden. Dit betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder a. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is daarom een exploitatieovereenkomst en een planschadeovereenkomst afgesloten.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bodem Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Middels voorgenomen ontwikkeling wordt een woning mogelijk gemaakt op een perceel met een agrarische bestemming dat is begroeid met gras en enkele bomen. Dit betreft een bestemmingswijziging naar een voor de bodem gevoeliger gebruik. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verken-
Hoofdstuk 5
27
nend bodemonderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport 2. Onderzoeksresultaten Met de onderzoeksstrategie voor “onverdachte locaties” werden 6 boringen tot 0,5 m-mv geplaatst. Twee van de boringen zijn doorgezet tot 2 m-mv. Hiervan zijn monsters van de boven- en ondergrond genomen. Zintuiglijk werden in de grondmonsters geen bijmengingen met bodemvreemde materialen, zoals bv. puin, kolenassen of zinkslakken, aangetroffen. Ook werden geen afwijkingen in geur en / of kleur geconstateerd. In totaal zijn twee mengmonsters samengesteld, te weten één van de bovengrond en één van de ondergrond. Er is op de locatie geen peilbuis geplaatst, omdat de grondwaterspiegel niet werd aangetroffen binnen 5 m-mv. Na analyse van de grond(meng)monsters bleek dat: in de bovengrond de achtergrondwaarde (AW) voor cadmium wordt overschreden; in de ondergrond de AW voor kobalt en nikkel worden overschreden; De verhogingen met zware metalen in de grond zijn te relateren aan de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk.
De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als multifunctioneel toepasbaar worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Echt-Susteren. Conclusie Geconcludeerd wordt dat op de locatie geen belemmeringen zijn geconstateerd de de realisatie van de woonbestemming tegenhouden. De bodem is aldus geschikt voor woondoeleinden 5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.
2
Verkennend bodemonderzoek Bovenste Eind, rapportnummer 222-EBE-vo-01, datum 17 februari 2022
Hoofdstuk 5
28
Onderhavig planvoornemen van één Ruimte voor Ruimte woning wordt op basis van de Wgh aangemerkt als geluidgevoelig object. Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van enkele omliggende wegen, waardoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd. Hieronder wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport3. Onderzoeksresultaten Middels het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeer berekend op de randen van het perceel waarop de woningbouw is voorzien. Hierbij zijn drie bouwlagen gemodelleerd, het maximaal mogelijke binnen de maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6,6 en 11 meter die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege wegverkeerslawaai de gevelbelastingen onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de Wet geluidhinder zullen blijven. Vanwege wegverkeerslawaai worden geen restricties opgelegd aan het voorliggende plan. Het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen de geluidzone van een spoorweg of een gezoneerd industrieterrein. Nader onderzoek naar spoorweglawaai of industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk. Voor wat betreft hinder van omliggende bedrijven wordt verder verwezen naar paragraaf 5.2.5 Milieuzonering.
Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat vanuit geluid van wegverkeer geen belemmeringen bestaan voor de voorliggende ontwikkeling. In de woning zal derhalve sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. 5.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. c. Een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
3
K+ Adviesgroep, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai RvR woning Bovenste Eind Echt, rapportnummer Rm210834aaA0, 21 december 2021
Hoofdstuk 5
29
Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg
Minimaal 2 ontsluitingswegen
3%-norm
3%-norm
1.500
3.000
Getalsmatige grenzen Regeling NIBM
De realisatie van één Ruimte voor Ruimte woning leidt slechts tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen en daarmee niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder b. Achtergrondwaarden In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM lag de concentratie fijnstof (PM10) ter plaatse in 2020 beneden de 15 µg/m³, de concentratie stikstof (PM2,5) beneden de 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) beneden de 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten ven het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de nieuwe functie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c.
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 5.2.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Hoofdstuk 5
30
Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van één woning mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toetsing Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, lpgtankstations enzovoorts. Risicovolle inrichtingen Uit de Risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De meest dichtbij gelegen inrichting ligt op circa 450 meter ten noorden van het plangebied en betreft een tankstation met LPG, het bedrijf Geurts Beheer B.V. Gezien de grote afstand en de aard van de inrichting ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting, aangezien voor LPG-tankstations een invloedsgebied geldt van 150 meter.
Voor het overige zijn er geen risicovolle inrichtingen in de omgeving gelegen waarvan het invloedsgebied tot het plangebied reikt. Vanuit het Bevi zijn er kortom geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Spoor Op een afstand van circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied loopt de spoorlijn Roermond – Sittard. Over dit spoor vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contour van de spoorlijn. Gezien de grote afstand tussen het plangebied en het spoor en omdat de voorliggende ontwikkeling slechts de toevoeging van één woning betreft, wordt er geen gewijzigde invloed op het groepsrisico uitgeoefend. De ligging ten opzichte van de spoorlijn vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wegverkeer Op een afstand van circa 850 meter ten noordwesten van het plangebied loopt de Rijksweg A2, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contour van deze weg. De ligging ten opzichte van de A2 vormt hierdoor geen directe belemmering. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg vanwege het vervoer van toxische stoffen. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt is daarom een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Aangezien de afstand tussen het plangebied en de A2 meer dan 200 meter bedraagt, kan op basis van het Bevt worden volstaan met een beperkte verantwoording. Hiertoe wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Daarnaast ligt het plangebied op een afstand van circa 1,5 kilometer van de N276, die ten oosten van het plangebied loopt. Over deze weg vindt eveneens transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gezien de grote tussenliggende afstand en de aard van de voorliggende ontwikkeling (toevoeging van slechts
Hoofdstuk 5
31
één woning) wordt er geen gewijzigde invloed op het groepsrisico uitgeoefend. De ligging ten opzichte van deze weg vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Buisleidingen Op een afstand van circa 600 meter ten noordwesten van het plangebied ligt een brandstofleiding van Petrochemical Pipeline Services B.V. Vanwege de afstand van het plangebied ten opzichte van de buisleiding vormt deze leiding geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verder zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen transportleidingen gesitueerd, die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Water Op een afstand van ruim 1 kilometer ten westen van het plangebied ligt het Julianakanaal. Over dit kanaal vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6 contour van deze waterweg reikt niet tot buiten de oeverlijn. Gezien de grote afstand tot het plangebied wordt geen invloed op het groepsrisico uitgeoefend middels de voorliggende ontwikkeling. De ligging ten opzichte van het kanaal vormt daarmee geen belemmering. Verantwoording groepsrisico Zoals hierboven is beschreven is voor de Rijksweg A2 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1.