Toelichting BP_T_Bijlage 7
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Paardenhouderij Berkelaar, Echt 2014
Bureau Meervelt, Ecologisch onderzoek en advies
Quickscan flora en fauna Paardenhouderij Berkelaar, Echt
Status: definitief, 5 januari 2015 In opdracht van: Dhr. J. van den Heuvel
Bureau Meervelt, Ecologisch onderzoek en advies
Ing. R.A.J. Pahlplatz Projectnummer: 14-065 Foto omslag: Zicht op plangebied
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING ...................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ................................................................................................................................................. 4 1.2 Beschrijving plangebied ............................................................................................................................ 4 1.3 Voorgenomen ontwikkeling ....................................................................................................................... 5 1.4 Opzet van de rapportage .......................................................................................................................... 6
2.
ANALYSE GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................................ 7 2.1 Inleiding..................................................................................................................................................... 7 2.2 Afwegingskader Natuurbeschermingswet (voortoets) ............................................................................... 7 2.3 Afwegingskader Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en beleid Provincie Limburg ................ 10
3.
ANALYSE SOORTBESCHERMING ............................................................................................................. 11 3.1 Inleiding................................................................................................................................................... 11 3.2 Flora ........................................................................................................................................................ 11 3.3 Zoogdieren .............................................................................................................................................. 11 3.4 Vogels ..................................................................................................................................................... 12 3.5 Amfibieën en reptielen ............................................................................................................................ 12 3.6 Overige diergroepen ............................................................................................................................... 13
4.
CONCLUSIES ............................................................................................................................................... 14 4.1 Conclusies gebiedsbescherming............................................................................................................. 14 4.2 Conclusies soortbescherming ................................................................................................................. 14
5.
LITERATUURLIJST EN WEBSITES ............................................................................................................. 15
Bijlage 1 Relevante kaders natuurwetgeving en - beleid Bijlage 2 Gegevens NDFF Bijlage 3 Effectenindicator Natura 2000 gebied Grensmaas Bijlage 4 Effectenindicator Natura 2000 gebied Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop Bijlage 5 Effectenindicator Natura 2000 gebied RoerdalBijlage 6 Kritische depositiewaarden habitattypen (van Dobben et al., 2012)
Bureau Meervelt
1.
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
INLEIDING
1.1 Aanleiding Op de locatie Oude Stevensweerterweg ongenummerd te Echt (buurtschap Berkelaar), gemeente Echt-Susteren is dhr. J. van den Heuvel voornemens over te gaan tot het oprichten van een paardenhouderij met bedrijfswoning. De paardenhouderij biedt plaats aan maximaal 20 paarden. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd ten behoeve van een juridisch-planologische procedure. Om na te gaan of beschermde natuurwaarden in het gebied aanwezig zijn, heeft initiatiefnemer aan Bureau Meervelt gevraagd een quickscan flora en fauna op te stellen. In deze quickscan wordt inzichtelijk gemaakt of beschermde natuurwaarden ter plaatse van de op te richten paardenhouderij aanwezig zijn en welke betekenis de oprichting heeft voor de verdere uitvoering. Tevens wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ontwikkeling negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden en welke stappen eventueel doorlopen dienen te worden.
Figuur 1: Ligging van de op te richten paardenhouderij in Berkelaar (rood aangegeven) (Luchtfoto 2013, Provincie Limburg, 2014).
1.2 Beschrijving plangebied De paardenhouderij wordt opgericht aan de oostkant van de Oude Stevensweerterweg en ten zuiden van de Breulderweg. In de huidige situatie (december 2014) bestaat het plangebied uit een schuur en grasland. In onderstaande foto's wordt een impressie gegeven van de huidige situatie.
4
Bureau Meervelt
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
Figuur 2 en 3: Impressie locatie Oude Stevensweerterweg.
B
1.3 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft het oprichten van een paardenhouderij voor maximaal 20 paarden. Hiertoe wordt de bestaande schuur gesloopt, een woonhuis gebouwd, een rijbak aangelegd en een paardenstal gebouwd. Het eindbeeld is weergegeven in figuur 4. Het geheel wordt landschappelijk ingepast.
Figuur 4: Eindbeeld paardenhouderij.
5
Bureau Meervelt
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
1.4 Opzet van de rapportage De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten: gebiedsbescherming en soortbescherming. In deze nadere analyse worden beide aspecten nader onderzocht. In hoofdstuk 2 wordt de gebiedsbescherming uitgewerkt. Een voortoets maakt onderdeel uit van de toetsing. In hoofdstuk 3 wordt de soortbescherming uitgewerkt. In hoofdstuk 4 worden de conclusies op een rij gezet en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen beschreven. In bijlage 1 wordt relevante achtergrondinformatie op het gebied van natuurwetgeving en beleid weergegeven. In bijlage 2 zijn de gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna opgenomen.
6
Bureau Meervelt
2.
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
ANALYSE GEBIEDSBESCHERMING
2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt per afwegingskader aangegeven of het plangebied deel uitmaakt van een beschermd gebied en wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ingreep een mogelijk negatieve invloed te verwachten is op aanwezige beschermde gebieden in de omgeving. Ten aanzien van gebiedsbescherming is een aantal afwegingskaders relevant: • Afwegingskader Natuurbeschermingswet (Natura 2000 en Beschermde natuurmonumenten); • Afwegingskader Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Ecologische hoofdstructuur). Aanvullend daarop worden mogelijke implicaties van de voorgenomen ontwikkeling op grond van de Boswet in beeld gebracht. Voor meer informatie over deze afwegingskaders en/of de Boswet wordt verwezen naar bijlage 1. Bij onbekendheid met deze afwegingskaders wordt geadviseerd deze bijlage eerst door te nemen.
2.2 Afwegingskader Natuurbeschermingswet (voortoets) De op te richten paardenhouderij wordt aangelegd aan de oude Stevenweerterweg. De locatie van de paardenhouderij ligt op een afstand van ongeveer 2,2 kilometer van het Natura 2000 gebied Grensmaas. Natura 2000 gebieden op grotere afstand zijn Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop, op een afstand van 5,1 kilometer en Roerdal op een afstand van 8,7 kilometer. Andere beschermde gebieden liggen op een afstand van ruim 10 kilometer. Storingsfactoren Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling kunnen storingsfactoren optreden. Deze blijven echter grotendeels beperkt tot het plangebied en directe omgeving. Voor een overzicht van mogelijke storingsfactoren en de gevoeligheid daarvoor van de verschillende habitattypen, -soorten en vogelsoorten per gebied wordt verwezen naar bijlagen 3,4 en 5. Het optreden van de storingsfactoren oppervlakteverlies, versnippering, verzoeting, verzilting, verontreiniging, verdroging, vernatting, verandering van stroomsnelheid, overstromingsfrequentie of dynamiek substraat, verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring, mechanische effecten, populatiedynamiek en verandering van soortensamenstelling zijn niet aan de orde of niet van betekenis gezien de afstand van het plangebied tot de Natura 2000 gebieden.
N-emissie (storingsfactor verzuring en vermesting) ten gevolge van het in gebruik hebben van de paardenhouderij kan wel tot op grotere afstand een effect tot gevolg hebben. Gezien de lage waarden binnen de 10 kilometer en de onnauwkeurigheid van het rekenmodel Aagro-Stacks voor de depositieberekening voor natuurgebieden gelegen op een grotere afstand dan 10 kilometer, worden deze gebieden verder buiten beschouwing gelaten. Door Agrifirm Exlan zijn berekeningen uitgevoerd met het programma ‘Agrostacks’ en is de depositiewaarde voor de drie Natura 2000 gebieden binnen een straal van 10 kilometer in beeld gebracht voor het houden van 20 paarden De resultaten zijn opgenomen in de tabel op de volgende pagina.
7
Bureau Meervelt
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
Natura 2000 gebied Grensmaas Het enige stikstofgevoelige habitat in Grensmaas betreft het habitattype H6430A ‘Ruigten en Zomen’. Momenteel komt dit type slechts lokaal voor rond Koningssteen op een afstand van circa 2,8 kilometer. Uitbreidingskansen voor dit type liggen vooral buiten het Natura 2000 gebied Grensmaas (Rijkswaterstaat, 2009). In het profieldocument van dit habitattype wordt het volgende vermeld: ‘Het subtype komt voor op zeer vochtige en natte standplaatsen, vaak in de vorm van zomen langs greppels en sloten, maar ook op percelen die niet meer of slechts incidenteel worden gemaaid. In vergelijking met het subtype met Harig wilgenroosje (H6430B) komt het voor op wat armere en vaak ook wat zuurdere standplaatsen, op laagveen, op zand- en leemgrond in de beekdalen, en op kalkarme komkleigronden in het rivierengebied. Maar het kan ook op niet bemeste kalkhoudende rivierkleigronden voorkomen. Vanwege de gevoeligheid voor (zware) bemesting ligt het zwaartepunt in extensief beheerde landbouwgebieden en in natuurgebieden (…) Grootste bedreiging van het type vormt een te rationeel landgebruik, waarbij overhoekjes en zomen verdwijnen door een te intensief beheer, of dichtgroeien met houtgewassen door het volledig wegvallen van beheer. Ook verdroging en te sterke bemesting door inspoeling van meststoffen uit aangrenzende akkers en weilanden kunnen een bedreiging vormen.
Bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/profielen/habitattypen/Profiel_habitattype_6430.pdf De afstand van de paardenhouderij tot het habitattype is groter dan de afstand tot de meetpunten. Aangenomen mag worden dat de depositie ter plekke van het habitattype < 0,12 mol/ha/jr is. De kritische depositiewaarde van het habitattype is > 2400 mol/ha/jr (van Dobben et al., 2012, zie ook bijlage 6). In de omgeving van Koningssteen is sprake van een achtergronddepositie van <1000 tot 1500 mol/ha/jr (Grootschalige Concentratie en depositiekaarten Nederland, N-totaal 2013, www.geodata.rivm.nl). Een verslechterend effect op het habitattype als gevolg van de depositie veroorzaakt door de paardenhouderij kan dan ook uitgesloten worden.
8
Bureau Meervelt
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
3 2 1
Figuur 5: Afstand van op te richten paardenhouderij tot het dichtstbijzijnd gelegen Natura 2000 gebied Grensmaas (Provincie Limburg, 2014). Natura 2000 gebied Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop Dit Natura 2000 gebied is aangewezen voor Ingekorven vleermuis. Deze soort is niet gevoelig voor N-depositie (zie ook bijlage 4. Een negatief effect op dit gebied kan worden uitgesloten. Natura 2000 gebied Roerdal Dit Natura 2000 gebied is aangewezen voor vier habitattypen en tien habitatsoorten. De volgende typen en soorten zijn stikstofgevoelig: Glanshaver- en vossenstaarthooilanden, Hoogveenbossen, Beekprik, Bittervoorn, Donker pimpernelblauwtje, Kamsalamander en Zeggekorfslak. Op de meetpunten in Roerdal vindt een berekende depositie plaats van 0,02 mol/ha/jr als gevolg van de ingebruikname van de paardenhouderij. In de omgeving van Roerdal is sprake van een achtergronddeposite van <1000 tot 2000 mol/ha/jr (Grootschalige Concentratie en depositiekaarten Nederland, N-totaal 2013, www.geodata.rivm.nl). De kritische depositiewaarde van Glanshaver- en vossenstaarthooilanden van het stikstofgevoelige habitat is 1429 mol/ha/jr (van Dobben et al., 2012, zie ook bijlage 6).
Een zeer beperkte toename (0,02 mol/ha/jr) leidt niet tot een zodanige aantasting van de kwaliteit van het habitattype en de kwaliteit van de stikstofgevoelige leefgebieden dat sprake is van een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit habitattype en deze habitatsoorten. Afweging en conclusie Uit de voortoets blijkt dat er sprake is van depositie op drie Natura 2000 gebieden in de omgeving van de paardenhouderij. Voor Grensmaas, waar sprake is van een berekende depositie van 0,14 mol/ha/jr geldt dat de kritische depositiewaarde voor het stikstofgevoelige habitattype hoger ligt dan de aanwezige achtergronddepositie.
9
Bureau Meervelt
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
Een zeer beperkte toename heeft geen verslechtering tot gevolg van de kwaliteit van dit habitattype. Ten aanzien van Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop geldt dat het gebied niet is aangewezen voor stikstofgevoelige natuurwaarden. Roerdal is daarentegen wel aangewezen voor een aantal stikstofgevoelige habitattypen en habitatsoorten. De toename van N-depositie is hier echter zo minimaal (0,02 mol/ha/jr) dat deze depositie niet leidt tot een zodanig aantasting dat sprake is van een effect op de instandhoudingsdoelstellingen.
2.3 Afwegingskader Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en beleid Provincie Limburg Ligging ten opzichte van EHS De op te richten paardenhouderij ligt niet in EHS. Het afwegingskader op grond van de Beleidsregel mitigatie en compensatie natuurwaarden van de provincie Limburg is niet aan de orde.
Figuur 7: Plangebied ten opzichte van de EHS (provincie Limburg, 2014).
10
Bureau Meervelt
3.
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
ANALYSE SOORTBESCHERMING
3.1 Inleiding Ten aanzien van soortbescherming is de Flora- en faunawet (inclusief de Europese Habitatrichtlijn) relevant. Voor meer informatie over dit afwegingskader wordt verwezen naar bijlage 1. Bij onbekendheid met dit wettelijk kader wordt geadviseerd deze bijlage eerst door te nemen. In dit hoofdstuk wordt onderzocht of beschermde soorten ter hoogte van het plangebied en de omgeving daarvan kunnen voorkomen. Daartoe zijn gegevens verzameld van de sites van de provincie Limburg uit de ruime omgeving van het plangebied. De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF quickscanhulp) is eveneens geraadpleegd (zie bijlage 2). Als achtergrondinformatie is informatie geraadpleegd op de site waarneming.nl. De gegevensset is samengesteld in december van 2014 en aangevuld met een oriënterend veldbezoek in dezelfde periode. De resultaten van het veldbezoek zijn in deze rapportage opgenomen. Indien beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn, wordt aangegeven welke eventuele vervolgstappen moeten worden doorlopen. De meeste algemeen voorkomende soorten zijn opgenomen in tabel 1 (lichte bescherming)( AMvB artikel 75). Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor de verbodsbepalingen uit artikel 8 tot en met 12 bij bestendig beheer, bestendig gebruik of bij ruimtelijke ontwikkelingen (waar de oprichting van de paardenhouderij onder valt).
Voor deze soorten zijn dan geen extra maatregelen nodig, anders dan de zorgplicht (zie conclusies). Alleen als soorten binnen het plangebied expliciet bijdragen aan behoud van (lokale of regionale) populaties, worden in de conclusies maatregelen voor deze soorten genoemd; verder worden deze soorten buiten beschouwing gelaten.
3.2 Flora De provincie Limburg (kartering 2007, natuurgegevensprovincielimburg.nl) levert gegevens op met een nauwkeurigheid van circa 10 bij 10 meter. Uit deze verspreidingsgegevens blijkt dat beschermde plantensoorten in het plangebied ontbraken in 2007. Enige bekende soort in de directe omgeving is Grote klaproos (niet beschermd). In de gegevens van de NDFF blijkt dat binnen een straal van een kilometer beschermde plantensoorten aanwezig zijn: Gulden sleutelbloem, Rapunzelklokje, Steenbreekvaren en Wilde marjolein. Tijdens het oriënterend veldbezoek in december 2014 werd een inschatting gemaakt van de kans op voorkomen van beschermde plantensoorten. Door de ligging van het plangebied te midden van intensief bewerkt agrarisch gebied en de inrichting/gebruik als bemeste weide is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten. Nader onderzoek naar flora of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en Faunawet is niet nodig.
3.3 Zoogdieren Tijdens het veldbezoek werd vastgesteld dat het plangebied niet geschikt is als verblijfsplaats voor beschermde soorten zoogdieren. Het grasland en aangrenzende akker worden naar verwachting (incidenteel) gebruikt door soorten als Haas, konijn, Mol en diverse soorten muizen. Al deze zoogdieren zijn onbeschermd of beschermd in tabel 1 van de Flora- en faunawet. In een straal van een kilometer rond het plangebied is de Eekhoorn bekend. Het plangebied is niet van betekenis voor deze soort: geschikt leefgebied is hier niet aanwezig. In een straal van een kilometer rond het plangebied zijn de drie soorten vleermuizen bekend: Gewone dwergvleermuis, Ingekorven vleermuis en Rosse vleermuis. In het plangebied ontbreken vaste rust- en verblijfsplaatsen en lijnvormige structuren (lanen, bosranden). Voor vleermuizen is het plangebied van uiterst geringe betekenis. Door de aanleg van de paardenhouderij worden geen verbodsbepalingen zoals bedoeld in de Flora- en faunawet overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet nodig.
11
Bureau Meervelt
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
3.4 Vogels In de Flora- en faunawet worden alle broedende vogels strikt beschermd. De Flora- en faunawet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. In een aantal gevallen worden ook de nesten van een aantal soorten jaarrond beschermd. Indien nesten door een ruimtelijke ontwikkeling verdwijnen, kan afhankelijk van de soort die het nest gebruikt en de omstandigheden in het plangebied, mitigatie of compensatie noodzakelijk zijn. Tabel 1: Overzicht bescherming broedvogels en nesten van broedvogels. Type A
Omschrijving
Soorten
Ontheffingsaanvraag altijd noodzakelijk
Boomvalk, Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart,
Nest jaarrond beschermd
Havik, Huismus, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar, Ransuil, Roek, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Wespendief en Zwarte wouw.
B
Ontheffingsaanvraag mogelijk noodzakelijk
Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Bonte vliegenvanger,
EZ heeft tevens aangegeven dat “De aangepaste lijst met
Boomklever, Boomkruiper, Bosuil, Brilduiker, Draaihals,
jaarrond beschermde nesten is indicatief en niet uitputtend.
Eidereend, Ekster, Gekraagde roodstaart, Glanskop,
Als aanvulling op de vorige lijst zijn ook vogelsoorten
Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Grote bonte
opgenomen met niet jaarrond beschermde nesten. De
specht, Hop, Huiszwaluw, IJsvogel, Kleine bonte
soorten uit bovenstaande categorie vragen extra onderzoek,
specht, Kleine vliegenvanger, Koolmees, Kortsnavel-
ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-
boomkruiper,
soorten
als
Ruigpootuil, Spreeuw, Tapuit, Torenvalk, Zeearend,
zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat
Zwarte kraai, Zwarte mees, Zwarte roodstaart en
rechtvaardigen (Dienst Regelingen, uitleg flora en faunawet
Zwarte specht
zijn
namelijk
wel
jaarrond
beschermd
Oeverzwaluw,
Pimpelmees,
Raaf,
2009).” C
Ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk
Overige soorten
Nest voor eenmalig gebruik
Uit de broedvogelgegevens van de provincie Limburg blijkt dat in het plangebied geen broedvogels voorkwamen. Dit kan echter jaarlijks wisselen, waardoor ieder jaar kans is op vestiging van territoriale of broedende vogels. Mogelijke broedvogels in het plangebied zijn Veldleeuwerik en Gele kwikstaart. Om overtredingen zoals bedoeld in de Flora- en faunawet te voorkomen dienen eventueel ontstane ruigtes verwijderd te worden voor het broedseizoen en dienen de werkzaamheden bij voorkeur aan te vangen voor de start van het broedseizoen (15 maart). Indien de werkzaamheden starten na aanvang van het broedseizoen, verdient het aanbeveling voor aanvang van de werkzaamheden het plangebied te (laten) inspecteren op het voorkomen van eventuele broedvogels.
Zwarte kraai
Gele kwikstaart
Kneu Grote lijster
Scholekster Zwarte kraai
Figuur 8: Territoria broedvogels rond het plangebied in 2007 (provincie Limburg, 2014).
3.5 Amfibieën en reptielen Het gebied is in gebruik als intensief gebruikt agrarisch gebied waarin open water ontbreekt. Voor amfibieën ontbreken schuilmogelijkheden en voortplantingslocaties. De aanwezigheid van Kamsalamander, Levendbarende hagedis en Muurhagedis (zoals genoemd in bijlage 2, voorkomend binnen een straal van een kilometer rond het plangebied) wordt op basis van het aangetroffen biotoop uitgesloten. Mogelijk wordt het gebied incidenteel gebruikt door algemeen voorkomende soorten als Bruine kikker en Gewone pad (soorten uit tabel 1 van de Flora- en faunawet). Door het oprichten van de paardenhouderij worden geen verbodsbepalingen overtreden zoals bedoeld in de Flora- en faunawet. Nader onderzoek naar amfibieën en reptielen of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. 12
Bureau Meervelt
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
3.6 Overige diergroepen Door de ligging in intensief gebruikt agrarisch gebied (en het ontbreken van permanent open water) is het voorkomen van overige bijzondere natuurwaarden uit te sluiten.
13
Bureau Meervelt
4.
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
CONCLUSIES
4.1 Conclusies gebiedsbescherming •
Het plangebied maakt geen deel uit van Natura 2000 gebieden of Beschermde natuurmonumenten. De meeste storingsfactoren die optreden als gevolg van de bouw en ingebruikname van de paardenhouderij hebben dan ook geen invloed op deze gebieden. Uitzondering is de N-depositie. Uit de voortoets blijkt dat er sprake is van depositie op drie Natura 2000 gebieden in de omgeving van de paardenhouderij. Voor Grensmaas, waar sprake is van een berekende depositie van 0,14 mol/ha/jr geldt dat de kritische depositiewaarde voor het stikstofgevoelige habitattype hoger ligt dan de aanwezige achtergronddepositie. Een zeer beperkte toename heeft geen verslechtering tot gevolg van de kwaliteit van dit habitattype. Ten aanzien van Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop geldt dat het gebied niet is aangewezen voor stikstofgevoelige natuurwaarden. Roerdal is daarentegen wel aangewezen voor een aantal stikstofgevoelige habitattypen en habitatsoorten. De toename van N-depositie is hier echter zo minimaal (0,02 mol/ha/jr) dat deze depositie niet leidt tot een zodanig aantasting dat sprake is van een effect op de instandhoudingsdoelstellingen.
•
Het plangebied ligt niet in de EHS. Wezenlijke waarden en kenmerken worden niet aangetast. De beleidsregel mitigatie en compensatie van natuurwaarden in Limburg is niet van toepassing.
4.2 Conclusies soortbescherming •
Het plangebied maakt naar verwachting deel uit van het leefgebied van beschermde soorten uit tabel 1 Floraen faunawet. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van artikel 8 tot en met 12 bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt de zorgplicht1.
•
In het plangebied kunnen broedende vogels voorkomen. Deze mogen niet verstoord worden. Om overtredingen zoals bedoeld in de Flora- en faunawet te voorkomen dienen eventueel ontstane ruigtes verwijderd te worden voor het broedseizoen en dienen de werkzaamheden bij voorkeur aan te vangen voor de start van het broedseizoen (15 maart). Indien de werkzaamheden starten na aanvang van het broedseizoen, verdient het aanbeveling voor aanvang van de werkzaamheden het plangebied te (laten) inspecteren op het voorkomen van eventuele broedvogels.
•
Door de uitvoering van de werkzaamheden worden geen verbodsbepalingen zoals bedoeld in de Flora- en faunawet overtreden met in acht neming van bovenstaande mitigerende maatregel. Een ontheffingsaanvraag is niet nodig.
1 In de Flora- en faunawet is een zorgplicht opgenomen (artikel 2, lid 1: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het
wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. artikel 2, lid 2: De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken). De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat het lijden zo beperkt mogelijk is.
14
Bureau Meervelt
5.
Quickscan flora en fauna paardenhouderij Berkelaar
LITERATUURLIJST EN WEBSITES
Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998, LNV 2005. Agreement on the conservation of populations of European Bats. Eurobats, 1991. Besluit houdende wijziging van artikel 75 van de Flora- en Faunawet . 2005. Besluit inwerkingtreding Flora- en Faunawet. Vastgesteld d.d. 12 december 2001. Staatsblad 2001, nr. 656. Buggenum H.J.M. van, R.P.G. Geraeds & A.J.W. Lenders, 2009. Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980 - 2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. Dienst Landelijk Gebied, 2006. Handreiking Flora en Faunawet (versie 1.0 – 31 oktober 2006). Dobben van H.F., R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport Europese Gemeenschappen, Richtlijn no. 79-409 inzake het behoud van de Vogelstand. Brussel, 1979. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no. 92-43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Brussel, 1992. Flora- en Faunawet. Vastgesteld d.d. 25 mei 1998. Staatsblad d.d. 14 juli 1998, nr. 402. Huizenga C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen, 2010. Zoogdieren van Limburg, verspreiding en ecologie in de periode 1980 - 2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.
Lange R., P. Twist, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij van de KNNV, VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten, 1994. Limpens, H. 2005. Reader cursus Vleermuizen en planologie, 2005. Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Rijkswaterstaat, 2009. Beheerplan Natura 2000 Grensmaas, 2009-2015. Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke milieu in Europa, 1979. Bern.
www.limburg.nl www.natuurgegevenslimburg.nl www.waarneming.nl
15
Bijlage 1 Relevante kaders natuurwetgeving en - beleid Soortbescherming De in het plangebied aangetroffen soorten worden getoetst aan drie wettelijke beschermingskaders: de Flora- en faunawet en de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vervolgens wordt nagegaan of het plangebied voor deze soorten onderdeel is van het leefgebied. Op grond van de beschermingsstatus wordt onderzocht of er belemmeringen zijn om over te gaan tot de geplande ontwikkeling. Indien belemmeringen aan de orde zijn wordt per onderzochte groep een advies gegeven ten aanzien van de te nemen voorzorgsmaatregelen en/of de te volgen procedures. Achtergronden soortbescherming (juridisch) Soortbeschermingskaders De Flora- en Faunawet (AMvB art. 75) deelt de soorten in drie tabellen in. Voor soorten in tabel 1 geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor soorten in tabel 2 is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk, tenzij men beschikt of de werkzaamheden (aantoonbaar!) uitvoert volgens een door LNV vastgestelde gedragscode. Soorten genoemd in tabel 3 van de Flora- en Faunawet zijn streng beschermd. Afhankelijk van de betekenis van het plangebied en het voorkomen van (streng) beschermde soorten geldt een afwegingskader.
De aanvraag van een ontheffing is alleen noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten/werkzaamheden een schadelijk effect hebben op de aanwezige beschermde soorten of op een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Vaak gaan werkzaamheden en de bescherming van soorten goed samen. Indien het werk zodanig wordt ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan beschermde soorten is een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk. In de Flora- en Faunawet is een zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen dienen te worden getroffen om nadelige gevolgen op flora en fauna voor zover mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt altijd, ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. Verbodsbepalingen uit de Flora en Faunawet Ten aanzien van beschermde planten: Artikel 8:
Het plukken, verzamelen, afsnijden, uitsteken, vernielen, beschadigen, ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.
Artikel 13:
Het vervoeren of onder zich te hebben (in verband met verplaatsen).
Ten aanzien van beschermde dieren is het verboden: Artikel 9:
dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.
Artikel 10: Artikel 11:
dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten. nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.
Artikel 12:
eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.
Artikel 13:
planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort te vervoeren of onder zich te hebben (in verband met verplaatsen) .
De Habitatrichtlijn noemt soorten in bijlagen. Soorten genoemd in bijlage IV genieten een uiterst strikte bescherming. Bij deze soorten geldt ook een afwegingskader. Dit Europees vastgestelde kader is strenger dan het afwegingskader van de Flora- en Faunawet. Voor soorten genoemd op bijlage II geldt dat speciale leefgebieden dienen te worden aangewezen. In deze taak wordt door de landelijke en provinciale overheid voorzien.
Overzicht beschermde soorten In deze bijlage worden de toelichtingen van tabel 1, 2 en 3 weergegeven, inclusief de soorten van tabellen 2 en 3. Toelichting tabel 1 Voor soorten opgenomen in tabel 1 geldt een vrijstelling voor artikel 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet als iemand activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud of bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkelingen. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Voor deze activiteiten hoeft geen ontheffing aangevraagd worden. Toelichting tabel 2 Als iemand activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud of bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkelingen, geldt een vrijstelling voor de soorten in tabel 2 voor artikel 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet, mits activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van EL&I goedgekeurde gedragscode. Hetzelfde geldt voor alle vogelsoorten (*). Een gedragscode moet door een sector of ondernemer zelf opgesteld worden en ingediend voor goedkeuring. Voor andere activiteiten dan hierboven genoemd is voor de soorten in tabel 2 een ontheffing nodig. Een ontheffingaanvraag voor deze soorten wordt getoetst aan het criterium ‘doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort’. Dit is niet van toepassing op alle vogelsoorten (zie toelichting tabel 3) Zoogdieren Damhert
Dama dama
Edelhert
Cervus elaphus
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Grijze zeehond
Halichoerus grypus
Grote bosmuis
Apodemus flavicollis
Steenmarter
Martes foina
Wild zwijn
Sus scrofa Triturus alpestris
Levendbarende hagedis
Lacerta vivipara
Euphydryas aurinia
Vals heideblauwtje
Lycaeides idas
Bermpje
Noemacheilus barbatulus
Kleine modderkruiper
Cobitis taenia
Meerval
Silurus glanis
Rivierdonderpad
Cottus gobio
Aangebrande orchis
Orchis ustulata
Aapjesorchis
Orchis simia
Beenbreek
Narthecium ossifragum
Bergklokje
Campanula rhomboidalis
Bergnachtorchis
Platanthera chlorantha
Bijenorchis
Ophrys apifera
Blaasvaren
Cystopteris fragilis
Blauwe zeedistel
Eryngium maritimum
Bleek bosvogeltje
Cephalantera damasonium
Bokkenorchis
Himantoglossum hircinum
Brede orchis
Dactylorhiza majalis majalis
Bruinrode wespenorchis
Epipactis atrorubens
Daslook
Allium ursinum
Dennenorchis
Goodyera repens
Duitse gentiaan
Gentianella germanica
Franjegentiaan
Gentianella ciliata
Geelgroene wespenorchis
Epipactis muelleri
Gele helmbloem
Pseudofumaria lutea
Gevlekte orchis
Dactylorhiza maculata
Groene nachtorchis
Coeloglossum viride
Groensteel
Asplenium viride
Grote keverorchis
Listera ovata
Grote muggenorchis
Gymnadenia conopsea
Gulden sleutelbloem
Primula veris
Harlekijn
Orchis morio
Herfstschroeforchis
Spiranthes spiralis
Hondskruid
Anacamptis pyramidalis
Honingorchis
Herminium monorchis
Jeneverbes
Juniperus communis
Klein glaskruid
Parietaria judaica
Kleine keverorchis
Listera cordata
Kleine zonnedauw
Drosera intermedia
Klokjesgentiaan
Gentiana pneumonanthe
Kluwenklokje
Campanula glomerata
Koraalwortel
Corallorhiza trifida
Kruisbladgentiaan
Gentiana cruciata
Lange ereprijs
Veronica longifola
Lange zonnedauw
Drosera anglica
Mannetjesorchis
Orchis mascula
Maretak
Viscum album
Reptielen en amfibieën Alpenwatersalamander Dagvlinders Moerasparelmoervlinder Vissen
Vaatplanten
Moeraswespenorchis
Epipactis palustris
Muurbloem
Erysimum cheiri
Parnassia
Parnassia palustris
Ppijlscheefkelk
Arabis hirsuto sagittata
Poppenorchis
Aceras anthropophorum
Prachtklokje
Campanula persicifolia
Purperorchis
Orchis purpurea
Rapunzelklokje
Campanula rapunculus
Rechte driehoeksvaren
Gymnocarpium robertianum
Rietorchis
Dactylorhiza majalis praetermissa
Ronde zonnedauw
Drosera rotundifolia
Rood bosvogeltje
Cephalanthera rubra
Ruig klokje
Campanula trachelium
Schubvaren
Ceterach officinarum
Slanke gentiaan
Gentianella amarella
Soldaatje
Orchis militaris
Spaanse ruiter
Cirsium dissectum
Steenanjer
Dianthus deltoides
Steenbreekvaren
Asplenium trichomanes
Stengelloze sleutelbloem
Primula vulgaris
Stengelomvattend havikskruid
Hieracium amplexicaule
Stijf hardgras
Catapodium rigidum
Tongvaren
Asplenium scolopendrium
Valkruid
Arnica montana
Veenmosorchis
Hammarbya paludosa
Veldgentiaan
Gentianella campestris
Veldsalie
Salvia pratensis
Vleeskleurige orchis
Dactylorhiza incarnata
Vliegenorchis
Ophrys insectifera
Vogelnestje
Neottia nidus-avis
Voorjaarsadonis
Adonis vernalis
Wantsenorchis
Orchis coriophora
Waterdrieblad
Menyanthes trifoliata
Weideklokje
Campanula patula
Welriekende nachtorchis
Platanthera bifolia
Wilde gagel
Myrica gale
Wilde herfsttijloos
Colchicum autumnale
Wilde kievitsbloem
Fritillaria meleagris
Wilde marjolein
Origanum vulgare
Wit bosvogeltje
Cephalanthera longifolia
Witte muggenorchis
Pseudorchis albida
Zinkviooltje
Viola lutea calaminaria
Zomerklokje
Leucojum aestivum
Zwartsteel
Asplenium adiantum-nigrum
Kevers Vliegend hert
Lucanus cervus
Kreeftachtigen Rivierkreeft
Astacus astacus
* Dienst Regelingen, Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke Ingrepen (26 augustus 2009). Door jurisprudentie (uitspraak Raad van State): bij vogels geen ontheffing belang e en j. Tast u door een ruimtelijke ingreep nesten aan van vogels of het bijbehorende essentiële leefgebied? Dan kunt u voor vogels naast belang j, ook geen ontheffing aanvragen op basis van belang e ‘dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten’. De Raad van State heeft in haar uitspraak bepaald dat u voor vogels alleen nog ontheffing kunt krijgen op grond van een belang dat staat in de Vogelrichtlijn. Belang e en j staan beide niet in de Vogelrichtlijn. Dit betekent dus dat u op basis van deze belangen geen ontheffing meer kunt krijgen voor vogels.
Toelichting tabel 3 Als iemand activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud of bestendig gebruik, geldt een vrijstelling voor de soorten in tabel 3 voor artikel 8 t/m 12 van de Ffwet, mits activiteiten worden uitgevoerd op basis van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Deze vrijstelling is enigszins beperkt; voor activiteiten die zijn te kwalificeren als bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en bosbouw en bestendig gebruik geldt geen vrijstelling voor artikel 10 van de Ffwet. Ook niet op basis van een gedragscode. Een gedragscode moet door een sector of ondernemer zelf opgesteld worden en ingediend voor goedkeuring. • Als iemand activiteiten onderneemt die zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkeling, geldt voor soorten in tabel 3 geen vrijstelling. Ook niet op basis van een gedragscode. Hiervoor is een ontheffing nodig. • Voor activiteiten in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en bosbouw en bestendig gebruik en voor activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling is het niet mogelijk voor artikel 10 voor de soorten in tabel 3 een ontheffing te krijgen. • Voor andere activiteiten dan hierboven genoemd is voor de soorten in tabel 3 een ontheffing nodig.
• Een ontheffingsaanvraag voor de soorten van tabel 3 wordt getoetst aan drie criteria: 1) er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang1, 2) er is geen alternatief, 3) doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort. Deze drie criteria vormen de zgn. uitgebreide toets. De drie criteria staan naast elkaar en niet na elkaar (aan alle drie moet voldaan zijn). • De uitgebreide toets voor ontheffingsverlening geldt ook voor alle vogelsoorten.
Zoogdieren Baardvleermuis *
Myotis mystacinus
Ingekorven vleermuis *
Myotis emarginatus
Bechstein’s vleermuis *
Myotis bechsteinnii
Kleine dwergvleermuis *
Pipistrellus pygmaeus
Bever *
Castor fiber
Kleine hoefijzerneus *
Rhinolophus hipposideros
Boommarter
Martes martes
Laatvlieger *
Eptesicus serotinus
Bosvleermuis *
Nyctalus leisleri
Meervleermuis *
Myotis dasycneme
Brandt’s vleermuis *
Myotis brandtii
Mopsvleermuis *
Barbastella barbastellus
Bruinvis *
Phocoena phocoena
Nathusius’ vleermuis *
Pipistrellus nathusii
Das
Meles meles
Noordse woelmuis *
Microtus oeconomus
Eikelmuis
Eliomys quercinus
Otter *
Lutra lutra
Euraziatische lynx *
Lynx lynx
Rosse vleermuis *
Nyctalus noctula
Franjestaart *
Myotis nattereri
Tuimelaar *
Tursiops truncatus
Gewone dolfijn *
Delphinus delphis
Tweekleurige vleermuis *
Vespertilio murinus
Gewone dwergvleermuis *
Pipistrellus pipistrellus
Vale vleermuis *
Myotis myotis
Gewone grootoorvleermuis *
Plecotus auritus
Veldspitsmuis
Crocidura leucodon
Gewone zeehond
Phoca vitulina
Waterspitsmuis
Neomys fodiens
Grijze grootoorvleermuis *
Plecotus austriacus
Watervleermuis *
Myotis daubentonii
Grote hoefijzerneus *
Rhinolophus ferrumequinum
Wilde kat *
Felis sylvestris
Hamster *
Cricetus cricetus
Witflankdolfijn *
Lagenorhynchus acutus
Hazelmuis *
Muscardinus avellanarius
Witsnuitdolfijn *
Lagenorhynchus albirostris
Adder
Vipera berus
Muurhagedis *
Podarcis muralis
Boomkikker *
Hyla arborea
Poelkikker *
Rana lessonae
Geelbuikvuurpad *
Bombina variegata
Ringslang
Natrix natrix
Gladde slang *
Coronella austriacus
Rugstreeppad *
Bufo calamita
Hazelworm
Anguis fragilis
Vinpootsalamander
Triturus helveticus
Heikikker *
Rana arvalis
Vroedmeesterpad *
Alytes obstreticans
Kamsalamander *
Triturus cristatus
Vuursalamander
Salamandra salamandra
Knoflookpad *
Pelobates fuscus
Zandhagedis *
Lacerta agilis
Reptielen en amfibieën
Dagvlinders Bruin dikkopje
Erynnis tages
Pimpernelblauwtje *
Maculinea teleius
Donker pimpernelblauwtje *
Maculinea nausithous
Purperstreepparelmoervlinder
Brenthis ino
Dwergblauwtje
Cupido minimus
Rode vuurvlinder
Palaeochrysophanus hippothoe
Dwergdikkopje
Thymelicus acteon
Rouwmantel
Nymphalis antiopa
Groot geaderd witje
Aporia crataegi
Tijmblauwtje *
Maculinea arion
Grote ijsvogelvlinder
Limenitis populi
Tweekleurig hooibeestje
Coenonympha arcania
Grote vuurvlinder *
Lycaena dispar
Veenbesparelmoervlinder
Bolaria aquilonais
Heideblauwtje
Plebejus argus
Veenhooibeestje
Coenonympha tullia
Iepepage
Strymonidia w-album
Veldparelmoervlinder
Meliteae cinxia
Kalkgraslanddikkopje
Spialia sertorius
Woudparelmoervlinder
Melitaea diamina
Keizersmantel
Argynnis paphia
Zilverstreephooibeestje *
Coenonympha hero
Klaverblauwtje
Cyaniris semiargus
Zilvervlek
Clossiana euphrosyne
Nachtvlinders Teunisbloempijlstaart *
Proserpinus proserpina
Libellen Bronslibel *
Oxygastra curtisii
Noordse winterjuffer *
Sympecma paedisca
Gaffellibel *
Ophiogomphus cecilia
Oostelijke witsnuitlibel *
Leucorrhinia
Gevlekte witsnuitlibel *
Leucorrhinia pectoralis
Rivierrombout *
Stylurus flavipes
Groene glazenmaker *
Aeshna viridis
Sierlijke witsnuitlibel *
Leucorrhinia caudalis
Beekprik
Lampetra planeri
Grote modderkruiper
Misgurnus fossilis
Bittervoorn
Rhodeus cericeus
Houting *
Conegonus oxyrrhynchus
Elrits
Phoxinus phoxinus
Rivierprik
Lampetra fluviatilis
Gestippelde alver
Alburnoides bipunctatus
Steur *
Acipenser sturio
Drijvende waterweegbree *
Luronium natans
Kruipend moerasscherm *
Apium repens
Groenknolorchis *
Liparis loeselii
Zomerschroeforchis *
Spiranthes aestivalis
Groot zeegras
Zostera marina
Vissen
Vaatplanten
Kevers Brede geelrandwaterroofkever *
Dytiscus latissimus
Heldenbok *
Cerambyx cerdo
Gestreepte waterroofkever *
Graphoderus bilineatus
Juchtleerkever *
Osmoderma eremita
Unio crassus
Platte schijfhoren *
Anisus vorticulus
Weekdieren Bataafse stroommossel *
* : genoemd in bijlage IV Habitatrichtlijn
Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming VHR-gebieden en Beschermde natuurmonumenten Europese bescherming De Vogel- en Habitatrichtlijn (1979,1992) beschermt gebieden door plannen en projecten rond deze gebieden te toetsen op mogelijk significante effecten. Afhankelijk van de aard van het effect (onderzocht in een ‘voortoets’) dient een verstorings/verslechteringstoets of een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit een passende beoordeling blijkt dat negatieve effecten op beschermde natuurwaarden te verwachten zijn, dient de ingreep te worden getoetst aan het volgend afwegingskader: • •
Alternatieven: (in breedste zin van het woord) zijn niet voorhanden, Belang: voor ingrepen in of bij Vogel- en Habitatrichtlijngebieden geldt een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard,
•
Compensatie: moet altijd vooraf en tijdig worden gerealiseerd.
Nationale bescherming De Natuurbeschermingswet (1998) beschermt VHR-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten door plannen, projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de leefgebieden of habitats kunnen verslechteren, niet toe te staan zonder vergunning. Om inzichtelijk te maken of natuurwaarden verslechteren dient (indien een plan of project in of in de nabijheid van een NB-wet gebied ligt) een habitattoets te worden uitgevoerd. Alle mitigerende en compenserende maatregelen dienen ervoor te zorgen dat de samenhang van Natura 2000 (het netwerk van natuurgebieden in Europa) bewaard blijft.
Bescherming EHS Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De visie van het rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland wordt weergegeven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In deze structuurvisie wordt duidelijk welke waarden overal tenminste gegarandeerd worden (de basiskwaliteit) en voor welke ruimtelijke structuren het rijk een grotere verantwoordelijkheid heeft. Daar streeft het rijk naar meer dan basiskwaliteit. Voor natuur en landschap wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een netwerk van VHR-gebieden, de EHS, NB-wetgebieden en de robuuste ecologische verbindingen. Voor gebieden met een beschermde status geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden en een ’nee, tenzij’ - regime. Ingrepen in of in de onmiddellijke nabijheid van deze gebieden worden niet toegestaan indien wezenlijke kenmerken, waarden of nagestreefde natuurontwikkeling worden aangetast. Indien de ruimtelijke ontwikkeling na toetsing via het afwegingskader door gaat, kan natuurcompensatie noodzakelijk zijn. Van compensatie is pas sprake indien na mitigatie (verzachtende maatregelen) nog sprake is van negatieve effecten. Het afwegingskader van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is verfijnd in provinciale regelgeving. Als een ingreep in de EHS onvermijdelijk is, geldt dat mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Indien de mitigatie niet volstaat, moet voor het resterende effect worden gecompenseerd. Bij compensatie gelden de voorwaarden dat: •
geen nettoverlies aan natuurwaarden (areaal, kwaliteit en samenhang) optreedt,
•
compensatie aansluitend of in de directe omgeving van het gebied is (duurzaamheid),
•
indien kwalitatief gelijkwaardige compensatie aansluitend of nabij de plaats van ingreep niet mogelijk is compensatie op een andere locatie moet plaatsvinden,
• •
indien op een andere locatie compensatie niet mogelijk is, financieel moet worden gecompenseerd, het tijdstip van besluit over de geplande ingreep tevens tijdstip van besluit is over de aard, de wijze, het tijdstip van mitigatie en het tijdstip van compensatie.
Provinciale bescherming De beschermingsformule uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is nader uitgewerkt door de Provincie Limburg. Bij ruimtelijke ingrepen dient het onderstaande afwegingskader te worden doorlopen. 1.
Vindt de ingreep plaats in de EHS, in bos, landschaps- en natuurelementen die in een vigerend bestemmingsplan reeds beschermd zijn of onder de werkingssfeer van de Boswet vallen? Ja
2.
▼
Nee
►
dan is deze beleidsregel niet van toepassing.
Gaan door de ingreep de wezenlijke kenmerken en waarden verloren? Ja
▼
Nee
►
dan is mitigatie en compensatie niet aan de orde.
3.
Is er sprake van een groot openbaar belang?
4.
Kan met een andere activiteit dezelfde doelstelling gerealiseerd worden waarbij minder of geen schade ontstaat
Ja
▼
Nee
►
dan wordt de ingreep niet toegestaan.
aan natuurwaarden? Nee 5.
▼
Ja
►
dan daar uitvoeren, dan 1.
Zijn er andere locaties waar de ingreep gerealiseerd kan worden en waarbij minder of geen schade ontstaat aan natuurwaarden? Nee
6.
▼
Ja
►
dan daar uitvoeren, dan 1.
Kunnen de negatieve effecten op natuurwaarden worden voorkomen? Ja:
dan is geen compensatie, maar mitigatie vereist;
Deels:
naast mitigatie is ook compensatie vereist;
Nee:
compensatie is vereist.
Tabel 1: Afwegingskader Beleidsregel mitigatie en compensatie natuurwaarden (Provincie Limburg, 2005).
Boswet De Boswet heeft de instandhouding van het Nederlandse bosareaal en houtopstanden als doel en biedt bescherming aan bosgebieden buiten de bebouwde kom Boswet. Deze bebouwde kom valt niet altijd samen met de bebouwde kom ingevolge de wegenverkeerswetgeving. De Boswet kent drie belangrijke instrumenten ter instandhouding van bosareaal en houtopstanden buiten de bebouwde kom: -
de meldingsplicht
-
de herbeplantingsplicht
-
het kapverbod
Iedereen, ongeacht of hij eigenaar is volgens de Boswet, die een houtopstand gaat vellen moet deze activiteit vooraf melden (meldingsformulier aan Dienst Regelingen, Ministerie van LNV en eigenaar van de houtopstand). Deze verplichting geldt niet als o.a.: -
de grond nodig is voor de uitvoering van een werk overeenkomstig een goedgekeurd bestemmingsplan,
-
het gaat om houtopstanden die een zelfstandige eenheid vormen, en of geen grotere oppervlakte beslaan dan 10 are, of in geval van rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, niet meer bomen omvatten dan 20 stuks,
-
het gaat om uitdunning van een bos,
-
het gaat om periodiek vellen van griend- en hakhout,
-
houtopstanden op erven en in tuinen, houtopstanden binnen de bebouwde kom, treurwilgen, Italiaanse populieren, lindes, paardenkastanjes, wegbeplantingen en beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren, kerstbomen, vruchtbomen en windschermen om boomgaarden en kweekgoed.
De herbeplantingsplicht houdt in dat het gekapte bos opnieuw moet worden ingeplant of op een andere plek moet worden gecompenseerd. Herbeplanten op andere grond, dan waar de houtopstand is verwijderd, mag alleen indien Dienst Regelingen hiervoor toestemming heeft gegeven, mogelijk met voorschriften en beperkingen. Het kapverbod kan worden opgelegd door de ministers van OCW en LNV ter bewaring van natuur- en landschapsschoon. Indien de bomen vallen binnen de bebouwde kom Boswet, dient een kapvergunning bij B&W van betreffende gemeente te worden aangevraagd. De Boswet zondert bepaalde categorieën bomen uit van gemeentelijke regelgeving. Dit betreft onder andere wilgen en populieren langs landbouwgronden en wegen, bomen van bosbouwondernemingen, fruitbomen en windschermen langs boomgaarden. Op deze bomen is een gemeentelijke kapverordening dus niet van toepassing.
Bijlage 2 Gegevens NDFF
In onderstaande tabel staan de soorten aangegeven die in en binnen een kilometer van het onderzoeksgebied (rode vlak in de hieronder weergegeven figuur), de afgelopen vijf jaar zijn waargenomen. Hierin zijn alleen de soorten weergegeven van tabel II en III van de Flora- en faunawet en de vogels waarvan LNV op een indicatieve lijst aangeeft dat deze jaarrond beschermde nesten hebben. Meer informatie over de waarnemingen die hiervoor gebruik zijn is te vinden op de site van de Gegevensautoriteit Natuur. NB: er wordt niet geselecteerd op type waarnemingen zoals, bijvoorbeeld enkel broedvogeltellingen voor de vogels. Het resultaat in de tabel geeft een overzicht van alle op het moment van opvragen goedgekeurde actuele waarnemingen, dus ook losse waarnemingen, in de NDFF voor bovengenoemde soorten
Bijlage 3 Effectenindicator Natura 2000 gebied Grensmaas
Tabel: Overzicht van storingsfactoren op habitattypen en soorten van Natura 2000 gebied Grensmaas.
Bijlage 4 Effectenindicator Natura 2000 gebied Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop Tabel: Overzicht van storingsfactoren op habitattypen en soorten van Natura 2000 gebied Grensmaas.
Bijlage 5 Effectenindicator Natura 2000 gebied Roerdal
Bijlage 6 Kritische depositiewaarden habitattypen (van Dobben et al., 2012)