CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP_T_Bijlage 6

Gemeenteraad 2 maart 2023, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Breulderweg 614.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK OUDE STEVENSWEERTERWEG TE ECHT GEMEENTE ECHT-SUSTEREN

Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Oude Stevensweerterweg te Echt in de gemeente Echt-Susteren Opdrachtgever

Plangroep Heggen Postbus 44 6120 AA Born

Project Rapportnummer Status Versienummer Datum

Vestiging Auteur

ECH.HEG.ARC 14051496 Definitieve rapportage D2 5 januari 2015

Swalmen Drs. M. Stiekema

Paraaf

Autorisatie

Drs. A.H. Schutte (Senior KNA-Archeoloog)

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode en nummer

14051496 ECH.HEG.ARC

Toponiem

Oude Stevensweerterweg

Opdrachtgever

Plangroep Heggen

Gemeente

Echt-Susteren

Plaats

Echt

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Echt, sectie R, nummers 149 en 150

Omvang plangebied

circa 3.625 m2

Kaartblad

60 A

Coördinaten centrum plangebied

X:188.617 / Y: 348.041

Bevoegde overheid

Gemeente Echt-Susteren Algemeen Bestuur Servicecentrum MER Mevr. Mariëlle Stokbroekx Tel: 0475 - 478 478

ARCHIS2

Bureauonderzoek 63.514 n.v.t. 52.085

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Vondstmeldingsnummer Onderzoeksnummer

Booronderzoek 63.515 n.v.t. 52.086

Archeoregio NOaA

Limburgs zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg

Uitvoerders

Econsultancy, Drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy beschikt over een eigen opgravingsvergunning, afgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De opgravingsvergunning geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Plangroep Heggen een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. In het plangebied zal een paardenhouderij met bedrijfswoning worden gerealiseerd. Het plangebied is gelegen aan de Oude Stevensweerterweg te Echt in de gemeente Echt-Susteren. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 5). Doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden, om daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is erop gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied.

Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek en/of planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting Uit de landschappelijke ligging op de rand van een dalvlakteterras in de buurt van de Maas blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. In het bijzonder de ligging op een terrasrand boven een voormalige restgeul maakte het plangebied een zeer geschikte locatie voor zowel jagers-verzamelaars als landbouwers. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor alle archeologische perioden. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw toont dat het gehele plangebied op een relatief hooggelegen dalvlakteterras ligt.

De verwachte oude Maasgeul in het westen van het plangebied is niet aangetroffen. Vermoedelijk bevindt deze zich nog iets verder naar het westen. In het plangebied is duidelijk waarneembaar dat dat gebied beduidend lager ligt. Op basis van de grotendeels intacte bodemprofielen in het plangebied blijft de gespecificeerde archeologische verwachting zoals opgesteld in het bureauonderzoek gehandhaafd. Op basis van het behoud van de hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om bij een toekomstige bodemverstoring van meer dan 40 cm -mv het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Bij een dergelijke verstoring is behoud van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats, gezien de verwachte geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, niet mogelijk. Verder is een karterend onderzoek door middel van karterende boringen geen geschikte onderzoeksoptie vanwege de vele archeologische waarnemingen in de directe omgeving, waaronder een Merovingisch grafveld.

Indien door middel van planaanpassing (archeologievriendelijk bouwen) voorkomen kan worden dat de bodem en daarmee het bodemarchief tot minder dan 40 cm -mv verstoord wordt, is een aanvul14051496 ECH.HEG.ARC

lend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan fundering middels platen of het ophogen van het terrein. Dit kan als voorwaarde aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van de toekomstige paardenhouderij en bedrijfswoning worden verbonden. Voor de gebruiker van de grond betekent dit wel dat de archeologische verwachtingswaarde (zoals ook vastgelegd in de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Echt – Susteren’) gehandhaafd blijft. Bovengenoemde maatregel zou ook genomen kunnen worden indien na uitvoering van een proefsleuvenonderzoek zou blijken dat zich in het plangebied archeologische waarden bevinden.

14051496 ECH.HEG.ARC

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1

3

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11

4

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 15 4.1 4.2 4.3

5

Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 2 Huidige situatie ................................................................................................................. 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Aanvullende informatie ................................................................................................... 10 Korte bewoningsgeschiedenis van de streek ................................................................. 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 13 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek ....................................................

14 Methoden ........................................................................................................................ 15 Resultaten ....................................................................................................................... 16 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek ........................................................ 16

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 17 5.1 5.2

Conclusie ........................................................................................................................ 17 Advies ............................................................................................................................. 17

14051496 ECH.HEG.ARC

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Overzicht AMK-terreinen Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-waarnemingen Overzicht ARCHIS-vondstmeldingen Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Literatuur Bronnen Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen

14051496 ECH.HEG.ARC

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Plangroep Heggen een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Oude Stevensweerterweg te Echt in de gemeente Echt-Susteren (zie figuur 1 en figuur 2). In het plangebied zal een paardenhouderij met bedrijfswoning worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 5). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de Bouwverordening. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 5). Dit advies dient te worden getoetst door het bevoegd gezag, de gemeente Echt-Susteren, waarna een besluit zal worden genomen of het plangebied kan worden vrijgegeven of dat vervolgstappen nodig zijn. 2

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN

Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de archeologische waarden van het plangebied. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel van het plangebied op te stellen. Het verwachtingsmodel is gebaseerd op bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden in en om het plangebied. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: t t t

Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid, die vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of -rug, nabij een veengebied, een beekdal)? Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied?

Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is er op gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn. Het veldonderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: t t t

Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied.

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 1 van 17

Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 7 en 8 oktober 2014 door drs. M. Stiekema (senior prospector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 14 oktober 2014 door drs. M. Stiekema (senior prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/kwaliteitscontroleur). 3 3.1

BUREAUONDERZOEK Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.3, december 2013), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 1 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: t t t t t

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: t t t t t t t t t t t t t 3.2

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Echt-Susteren; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening van het plangebied

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het 1

Beschikbaar via www.sikb.nl.

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 2 van 17

huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 0,5 kilometer rondom het plangebied. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.625 m² en ligt aan de Oude Stevensweerterweg, circa 1 kilometer ten noorden van Echt in de gemeente Echt-Susteren (zie figuur 1 en figuur 2). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) heeft het maaiveld een hoogte van circa 27 m +NAP. 3.3

Huidige situatie

Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als grasland. Verder liggen er op het oostelijk deel van het plangebied een rijbak en een paardenstal (zie figuur 3). Het bodemgebruik van de omliggende percelen is als volgt: € € €

aan de noordzijde en westzijde bevinden zich aangrenzende akkerpercelen; aan de oostzijde bevindt zich de Oude Stevensweerterweg; aan de zuidzijde bevindt zich een aangrenzend weiland.

Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 14051494). De aangetoonde lichte verontreinigingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De manier waarop het plangebied wordt ingericht kan tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden (deels of geheel) onverstoord (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting zo aan te passen dat archeologische waarden alsnog onverstoord kunnen blijven liggen. In het plangebied is de bouw van paardenhouderij met bedrijfswoning gepland. De woning zal aan de 2 oostelijke rand van het perceel worden gebouwd en een oppervlakte van maximaal 750 m krijgen. Direct ten westen van de (reeds bestaande) rijbak zullen een stapmolen en een longeercirkel, beide met een doorsnede van 14 meter, worden gerealiseerd. Ten noorden hiervan zullen een opslagruimte 2 2 en een mestvaalt met een oppervlakte van respectievelijk 42 m en 32 m worden gebouwd. Aan de 2 westrand van het plangebied komt een paardenstal met een oppervlakte van circa 900 m . De stal zal niet worden onderkelderd (zie bijlage 6). De aanlegdiepte van de funderingen is echter nog niet bekend. 3.5

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 3 van 17

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal2

Tabel I. Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Tranchot und v. Müffling kaart

1804-1805

54

1:25.000

akkerland

Oude Stevensweerterweg reeds aanwezig (onverhard)

Militaire topografische kaart (nettekening)

1830-1850

60_1rd

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1895

749

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1924

749

1:50.000

-

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1936

749

1:50.000

-

Oude Stevensweerterweg half verhard

Topografische kaart

1952

60 A

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1979

60 A

1:25.000

-

-

Topografische kaart

1988

60 A

1:25.000

-

-

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied begin e 19 eeuw al onderdeel was van een agrarisch gebied ten noorden van Echt, op ongeveer 150 meter ten zuiden van het gehucht Berkelaar. De Oude Stevensweerterweg was destijds al aanwezig als e onverharde weg. Sindsdien is er in de omgeving weinig veranderd. Tot in ieder geval eind 20 eeuw is het plangebied onbebouwd en in agrarisch gebruik gebleven. De Oude Stevensweerterweg is in de e jaren ’30 van de 20 eeuw half verhard. Dit is sindsdien ongewijzigd gebleven (zie figuur 4). Rijks- en gemeentemonumenten binnen het onderzoeksgebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten (AWG categorie 1) als gemeentelijke monumenten (AWG categorie 4 gemeentelijk monument (gebouwd). Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Echt-Susteren is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd, wat geen aanvullende relevante informatie heeft opgeleverd. Er zijn bij de gemeente geen bouwdossiers van het plangebied bekend. 3.6

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon van de mens. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen.

2

www.watwaswaar.nl.

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 4 van 17

De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel II.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens Geologie

3

Formatie van Beegden (rivierzand en -grind) (Be3)

Geomorfologie

Bodemkunde

Gegevensomschrijving

4

5

Grotendeels: dalvlakteterras (4E9), westelijke rand: geul van meanderend afwateringsstelsel (2R11) Ooivaaggronden, lichte zavel (KRd1)

Geologie Het terrassenlandschap langs de Maas is ontstaan gedurende de verschillende koude en warme perioden van het Kwartair. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meanderen, waarbij de rivier zich concentreerde in één geul en er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden werden afgezet. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere lager. Vanaf hun ontstaan zijn de Maasterrassen aantrekkelijk geweest voor de mens. In eerste instantie voor tijdelijke kampementen van jagers en verzamelaars en later voor permanente agrarische nederzettingen. Mensen vestigden zich op de hoogste delen van het terras, met name op oeverwallen en 6 rivierduintjes. Het plangebied ligt op een terras dat is ontstaan gedurende het Weichselien7 Pleniglaciaal (circa 73.000 - 14.500 BP). Direct ten westen van het plangebied ligt een lager gelegen terras dat is gevormd gedurende de laatste fase van het Weichselien, de Jonge Dryas (12.850-11.650 8 BP). Gedurende het einde van het Laat-Weichselien en het Vroeg-Holoceen stonden de droogvallende verwilderde terrasvlakten bloot aan winderosie.

Hierdoor zijn er plaatselijk rivierduinen afgezet 9 op met name de hoger gelegen Maasterrassen. Op ongeveer 2,5 kilometer ten oosten van het plangebied ligt een rand van rivierduinen die van de jongere en laaggelegen terrassen (waaronder het terras waarop het plangebied ligt) is opgewaaid en op de terrasrand van het hoger liggende Saalien10 terras is afgezet. 11

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn geen boringen bekend binnen een straal van 300 meter rond het plangebied. Er zijn daarom geen boorprofielen uit het Dinoloket meegenomen.

3

De Mulder et al., 2003. Alterra, 2003. 5 Stichting voor Bodemkartering, 1970. 6 Berendsen, 2008 7 Broek & Maarleveld, 1963. 8 Van den Berg, 1996 9 Berendsen, 2008 10 Berendsen, 2008 11 www.dinoloket.nl. 4

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 5 van 17

Geomorfologie De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) ligt het plangebied op de overgang van een dalvlakteterras in het oosten naar een geul van meanderend afwateringsstelsel in het westen. De oostelijke rand van de geul ligt volgens de geomorfologische kaart net binnen het uiterste westen van het plangebied (zie figuur 5). Deze geul bevindt zich op het jongere Jonge Dryas terras dat verder ten westen van het plangebied ligt. Het is niet bekend tot wanneer deze geul watervoerend is geweest. 12

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op het AHN is de ligging van het plangebied op de rand van het hoger gelegen Weichselien terras duidelijk herkenbaar, net als het lager gelegen Jonge Dryas terras ten westen van het plangebied. Het hoogteverschil tussen de twee terrassen bedraagt circa 3,5 meter (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als een ooivaaggrond, bestaande uit lichte zavel (zie figuur 7). De ooivaaggronden worden voornamelijk op de oude riviergronden van de hoger gelegen terrassen aangetroffen. Ze kenmerken zich door het voorkomen 13 van roestvlekken (gleyverschijnselen) dieper dan 50 cm. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald.

Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel III geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel III.

Grondwatertrappenindeling14

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

GHG (cm -mv)

-

-

<40

>40

<40

40-80

>80

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Het plan12 13 14

www.ahn.nl. Stichting voor Bodemkartering, 1970. W.P. Locher & H. de Bakker, 1990.

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 6 van 17

gebied heeft grondwatertrap VII. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden. 3.7

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden staan afgebeeld op figuur 8, een kaart met daarop, binnen een straal van 0,5 kilometer rondom het plangebied, de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen. Indicatieve archeologische waarde De IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) geeft voor heel Nederland de trefkans aan op het voorkomen van archeologische resten. Die trefkans is aangegeven in vier categorieën (per landen waterbodem): een hoge, middelhoge, lage en zeer lage verwachting. Bebouwde gebieden, waarvan geen bodemkundige of geologische gegevens bekend zijn, zijn niet gekarteerd. De IKAW is voornamelijk gebaseerd op de relatie die er bestaat tussen de bodemkundige of geologische kwalificaties en de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een punt van aandacht daarbij is dat de IKAW grotendeels is gebaseerd op kaarten met een schaal van 1:50.000.

De grenzen op de kaart zijn in werkelijkheid globale overgangen, abrupte overgangen zijn het gevolg van bodemkundige of geologische kwalificaties. Op lokaal schaalniveau is de kaart daarom minder betrouwbaar. Omdat de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg In aanvulling op de IKAW hebben veel provincies een eigen verwachtingskaart vervaardigd, waarin veel lokale gebiedskennis is opgenomen. De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Limburg geeft inzicht in de archeologische waarden van de regio. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. Archeologische verwachtingskaart Gemeente Echt-Susteren Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden.

De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Echt-Susteren ligt het plangebied grotendeels binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting voor droge landschappen. De westelijke rand van het plangebied valt binnen een zone met een middelhoge verwachting voor natte landschappen (zie figuur 9). Binnen deze gebieden dient, bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv en een onderzoekslocatie groter dan 2.500 m², vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 7 van 17

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische terreinen in Nederland, welke ook wel worden aangeduid als monumenten. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn de terreinen ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het plangebied liggen geen AMK-terreinen. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (zie Tabel IV en figuur 8). Tabel IV. AMK nr. 16575

Overzicht AMK-terreinen Situering t.o.v. plangebied 150 meter ten noordoosten

Datering

Waarde en omschrijving

LateMiddeleeuwen Nieuwe tijd

Toponiem: Echt, Berkelaar Complex: nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Het gaat om de oude dorpskern van Berkelaar. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal drie archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken en booronderzoeken (verkennend/karterend) (zie Tabel V en figuur 8). Tabel V. Onderzoeksmeldingsnr. 62100 en 62101

11404

Overzicht onderzoeksmeldingen Situering t.o.v. plangebied 500 meter ten noordoosten

500 meter ten zuidoosten

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: bureauonderzoek en booronderzoek Toponiem: Echt, Maasbrachterweg (ong.) Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 17-06-2014 Resultaat: Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw, met uitzondering van de bouwvoor, niet dieper verstoord is dan gebruikelijk bij dit soort terreinen. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een karterend onderzoek gericht op het opsporen van vindplaatsen uit alle perioden. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Niet Van Toepassing, Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 01-12-2001 Resultaat: Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) uitgevoerd in het tracé van de geplande Rijksweg 73Zuid. (baanvakken G en H, Roermond-Echt). Literatuur: Demey, D. en A.J. Borsboom, 2003: Rijksweg 73-Zuid, wegvak G en wegvak H; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI). RAAP-rapport 689.

Waarnemingen binnen het onderzoeksgebied

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 8 van 17

In ARCHIS staan alle bekende archeologische waarnemingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan acht waarnemingen geregistreerd (zie Tabel VI en figuur 8). Tabel VI. Waarnemingsnr. 422481 434501

Overzicht ARCHIS-waarnemingen Situering t.o.v. plangebied 25 meter ten zuiden 25 meter ten zuiden

432198

25 meter ten zuidoosten

422331

75 meter ten zuiden 110 meter ten zuiden

33901

34808

250 meter ten zuiden

421556

250 meter ten zuidoosten

432035

250 meter ten noordoosten

422751

350 meter ten zuiden

Aard van de melding Mesolithicum - Neolithicum : afslagen, schrabbers, gevonden bij veldkartering De vondsten zijn tijdens een oppervlaktekartering op een akker verzameld. De vondstdatum is onbekend. Hier zijn ook vondsten uit het Neolithicum verzameld (zie waarneming 422481). Romeinse tijd - Nieuwe tijd : dolia/voorraadvaten, gedraaid aardewerk, Brunssum-Schinveld geelwit aardewerk, proto-steengoed, steengoed, dakpannen, gevonden bij veldkartering Vondsten uit voormalige collectie van dhr. W. Vranken. Volgens schetsen van dhr. Vranken was er een vindplaats zuidelijk van Berkelaar, waarvan de huidige coördinaat de centrumcoördinaat is. De grootte van de vindplaats is niet te bepalen, maar over het algemeen ligt op de hele terrasrand zuidelijk van Berkelaar archeologie daterend van het Mesolithicum tot de Nieuwe tijd, praktisch alle perioden. De vondsten zijn genummerd, de nummers liggen tussen 1219 en 1379. Nummers 1262, 1321 en 1372 ontbreken of zijn onleesbaar. Negen genummerde vondsten zijn van natuurlijke oorsprong en zijn derhalve niet opgenomen in de melding. De vondsten zijn gedaan in de periode 1969 tot 1989.

Mesolithicum - Nieuwe tijd : afslagen, bijlen, boren, brokken, kernen, klingen, klopstenen, schrabbers, werktuigen, handgevormd aardewerk, kommen/schalen, dakpannen, geverfd aardewerk, terra sigillata, aardewerk, gedraaid aardewerk Mesolithicum – Neolithicum, Late Middeleeuwen : afslagen, kernen, schrabbers, enkele fragmenten aardewerk Complextype: Romeinse villa Deze vondstmelding is aanwezig op Loeb-fiche. In het Correspondentie Archief bevindt zich enige correspondentie m.b.t. bovenstaande vondst (meldingsbrief van Geurts d.d. 3-12-1964; brief met determinatie van Bogaers d.d. 8-12-1964; correspondentie m.b.t. de juiste coördinaten met een bijgevoegde overtrek van de stafkaart).Over de vondst is tevens geschreven in het Bulletin K.N.O.B. (1965, *7-8).Opm.: Volgens bovenstaande brief zijn er op het terrein ook talrijke resten van dakpannen en vloertegels gevonden. De vindplaats wordt aangeduid als"onder de nn van Pannenbakkerij" op stafkaart 749. Op de bewuste topografische kaart (verkend in 1890) komt dit overeen met de lokatie van de onderhavige vindplaats. Oorspronkelijke waren deze vondsten aangegeven onder objectnummer 60BN-15.Opm.: t.s.-scherf is gevonden in de buurt van genoemde dakpannen en vloertegels. Romeinse tijd : dakpannen, tegels, terra sigillata, "talrijke resten van Romeinse dakpannen....", "talrijke resten van .....

vloertegels" CAA: Loeb-fiche waarop vondstmelding, op twee locaties IJzertijd - Vroege-Middeleeuwen : slijpstenen, kralen, knikwandpotten, spinsteentjes Neolithicum - Late-Middeleeuwen : afslagen, kernen, klingen, schrabbers, handgevormd aardewerk, dakpannen, gedraaid aardewerk, bolpotten, ruwwandig gedraaid aardewerk, Brunssum-Schinveld geelwit aardewerk, grijsbakkend gedraaid aardewerk, gevonden bij veldkartering Complextype: huisplaats De put is aangetroffen tijdens het rooien van een perenboom. De volgende informatie is afkomstig van bijschriften bij foto's: "Afmetingen onbekend. Put van mergelblokken is in 1962 gerestaureerd. 4kwadranten bodemprofiel. Gedolven in 1972 wegens verkoop van de woning van dhr. Beckers. Op de bodem van de put is een "16e-eeuwse" kruik aangetroffen. Nieuwe tijd : geglazuurde steengoed kruik, waterputten Neolithicum : afslagen, boren, kernen, klingen, schrabbers, gevonden bij veldkartering

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan vondstmeldingen geregistreerd. Nadat deze zijn gecontroleerd worden het waarnemingen. Tot die tijd staan ze als vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan twee vondstmeldingen geregistreerd (zie Tabel VII en figuur 8). Tabel VII.

14051496 ECH.HEG.ARC

Overzicht ARCHIS-vondstmeldingen

Pagina 9 van 17

Vondstmeldingsnr. 421934

421964

Situering t.o.v. plangebied 30 meter ten noordwesten

200 meter ten noordoosten

Aard van de melding Kort bezoek aan akker. De vondsten werden langs de rand van de akker aangetroffen. Omdat deze ingezaaid was, kon deze niet betreden worden. Neolithicum - IJzertijd : afslagen, handgevormd aardewerk De vondsten zijn in een waterput aangetroffen. Zie waarneming 432035. Nieuwe tijd : steengoed, leisteen dakbedekking, witbakkend geglazuurd aardewerk, botmateriaal, roodbakkend geglazuurd aardewerk, gekleurd glas

NUMIS NUMIS, oftewel het NUMismatisch InformatieSysteem, is een database waarin beschrijvingen zijn te vinden van in Nederland gevonden munten, penningen en andere numismatische voorwerpen. In NUMIS zijn alle bij het Geldmuseum bekende schatvondsten beschreven. Van de losse vondsten is 15 met name materiaal van vóór het jaar 1600 na Christus opgenomen. Aangezien de accuratesse van de gegevens in NUMIS niet toereikend is voor dit onderzoek, is NUMIS niet geraadpleegd. 3.8

Aanvullende informatie

Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Echter Landj. Van het perceel zelf hebben we geen aanvullende informatie. Volgens de heemkundevereniging zou op circa 100 meter ten noorden van het plangebied een Merovingisch grafveld liggen. Op basis waarvan is onbekend, maar gezien de nauwkeurigheid en precisie van de melder (de heer Rene Geurts) zou dit wel kloppen. Verder is er op het perceel direct ten noorden van het plangebied veel middeleeuws aardewerk ge16 zien maar niet verzameld. 3.9

Korte bewoningsgeschiedenis van de streek 17

In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4.

Midden Paleolithicum (300.000–33.000 jaar voor Chr.): Midden/Laat Pleistoceen Dit is een periode van bijna 300.000 jaar waarin ijstijden (glacialen: Saalien, Weichselien) en tussenijstijden (interglacialen: Eemien) elkaar afwisselden. Deze periode kenmerkt zich door grote veranderingen in klimaat, landschap, flora en fauna. De menselijke bewoning volgde in zekere zin het ritme van de glacialen en interglacialen. Het Midden-Paleolithicum is een bijzondere periode omdat Neanderthalers (Homo neanderthalensis) in onze gebieden leefden. In Nederland dateren de oudste vondsten die op menselijke bewoning wijzen uit de periode vóór de vorming van de stuwwallen in de Saale-ijstijd (ca. 150.000 jaar geleden). Laat Paleolithicum (33.000-8.800 voor Chr.): Laat Weichselien De anatomisch moderne mens (Homo sapiens sapiens) verschijnt omstreeks 40.000 jaar geleden in Europa, in het Midden Pleniglaciaal van het Weichselien. Deze over gang van menstype gaat in grote lijnen gepaard met het gebruik van nieuwe bewerkings technieken van stenen werktuigen en markeert de overgang van het Midden naar het Laat Paleolithicum. Het Laat Paleolithicum betreft het laatste deel van de laatste ijstijd (Weichselien). In eerste instantie overheersten nog koude omstan15

www.geldmuseum.nl/museum/content/zoeken-numis. Mededeling dhr. F. Schreurs, 10 oktober 2014 Samengevat uit: Verhoeven e.a. 2010.

16 17

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 10 van 17

digheden (Pleniglaciaal; tot ca. 13.000 voor Chr.). Er wordt aangenomen dat de mens in deze fase in warmere en beschutte oorden vertoefde ten zuiden van Nederland (zoals in grotten in België) en dat bewoning in het onderzoeksgebied vrijwel onmogelijk was. Toch is het niet uit te sluiten dat tijdens warmere perioden ook in onze streken bewoning mogelijk was. In het Laat Glaciaal (vanaf circa 13.000 tot ca. 10.000 voor Chr.) waren relatief snelle opeenvolgingen van koude en warmere perioden kenmerkend voor de overgang van het Weichselien naar het Holoceen. Tijdens deze warmere perioden zocht de mens veelvuldig onze streken op. De tijdelijke kampementen bevonden zich op gunstige plaatsen in het landschap en werden dan ook herhaaldelijk bezocht. De ligging op hogere dekzandruggen aan de rand van het beekdal was ideaal voor bewoning. Men had vanaf deze hoge en droge locaties een goed uitzicht op het lager gelegen gebied, waar een weelderig bos (hout voor werktuigen, woningen en brandstof) groeide. De aanwezigheid van drinkwater, de mogelijk heden voor visvangst en de grote diversiteit aan planten waren ook een niet te onder schatten reden om zich op zulke plekken te vestigen. Verder vormde het een rijk voedselgebied voor allerlei dieren die konden worden gejaagd.

Mesolithicum (8.800-4.900 voor Chr.): Preboreaal-Boreaal-Atlanticum De aanvang van het Mesolithicum (het Preboreaal: 8.000-7.000 jaar voor Chr.) kenmerkte zich door een sterke klimaatsverbetering. Al vanaf het Preboreaal werd het overgrote deel van het onderzoeksgebied voor de mens toegankelijk. Het verzamelen van planten en vruchten, visvangst en jacht stonden nog altijd centraal. De meer gesloten vegetatie en de kleinere fauna had als gevolg dat de mens geleidelijk andere voedselpatronen ontwikkelde. Binnen de jacht verschoof het accent naar klein standwild (zoals gevogelte). Het veranderende voedselaanbod vereiste andere, veelal kleinere werktuigen. De tijdelijke kampementen bevonden zich nog steeds op gunstige plaatsen in het landschap, op hogere dekzandruggen aan de rand van het beekdal. Neolithicum (4.900-2.000 voor Chr.): Atlanticum-Subboreaal Belangrijk voor de veranderingen van het landschap is dat vanaf het Neolithicum de houding van de mens tegenover de natuur geleidelijk verschoof. De ontwikkeling werd in de loop van het Neolithicum steeds meer bepaald door de introductie van de landbouw, ook wel aangeduid met de term ‘neolithisering’. Met de introductie van de landbouw (meer specifiek de akkerbouw) stelde de mens geleidelijk andere eisen aan de landschappelijke omgeving en kreeg er tegelijkertijd ook meer vat op.

De locatiekeuze werd steeds meer bepaald door de mate waarin gronden geschikt waren als akkerareaal. Met behulp van dissels en vuurstenen bijlen werden bossen gekapt. Mede door de beweiding van de gekapte bosgronden kunnen jonge zaailingen zich niet ontwikkelen en ontstonden open terreinen. Het proces van neolithisering was lang en complex, waarbij met name in het begin sprake was van het naast elkaar bestaan van gemeenschappen van jager-verzamelaars en landbouwers. Ook vond het proces niet overal gelijktijdig plaats. In het Neolithicum ontstaan ook de eerste grafvelden. De benaming ‘Enkelgraf’ refereert aan het algemene gebruik om per graf één dode bij te zetten, in tegenstelling tot de veronderstelde collectieve begravingen van de voorafgaande Steingroep (Drenth, 2005). Naast vlakgraven werden doden in het laat Neolithicum ook begraven onder grafheuvels. Doorgaans lagen de doden op één zijde met opgetrokken knieën. Sporadisch komen ook crematiegraven voor. Bronstijd (2.000-800 voor Chr.): Subboreaal-begin Subatlanticum De aanvang van de Bronstijd is in principe een voortzetting van het Laat Neolithicum. Kenmerkend voor de Bronstijd is de introductie van bronzen werktuigen die een intensievere landbouw mogelijk maakten. Het natuurlijke bosbestand kwam steeds meer onder druk te staan, omdat in de Bronstijd het areaal landbouwgrond geleidelijk toenam.

Er vond in toenemende mate ontbossing plaats en mogelijk ontstonden in relatie hiermee al de eerste heidevelden. Het laat-neolithische grafritueel zet zich in de Vroege Bronstijd voort. Wel gaat men meer over op gestrekte inhumaties en komen steeds meer crematiegraven voor, vanaf de Midden-Bronstijd zijn crematiegraven gemeengoed. Waarbij de doden in urnen werden begraven, soms met bijgiften.

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 11 van 17

IJzertijd (800-12 voor Chr.): Subatlanticum Door het voortdurend gebruik als akkerland raakten de vruchtbare bodems op den duur uitgeput, waardoor boeren moesten uitwijken naar nieuwe vruchtbare gronden. Vanaf de IJzertijd (en mogelijk al vanaf de Late Bronstijd) ontstond hierdoor een land bouwsysteem dat noodzakelijkerwijs gebruik moest maken van een relatief groot land bouwareaal waarbij voortdurend nieuwe akkers werden aangelegd met achterlating van de uitgeputte gronden. De boerde rijen verhuisden mee naar het nieuwe akkerareaal, waardoor wordt gesproken van ‘zwervende erven’. Uit divers grootschalig onderzoek blijkt dan ook dat de bewoning in Zuid-Nederland gedurende de IJzertijd werd gekenmerkt door ver spreid in het landschap liggende boerderijen. Na verloop van tijd trad er een natuurlijk herstel op van de eerder beakkerde gronden en konden deze opnieuw in gebruik worden genomen. Er ontstonden hierdoor grote akkerarealen (Celtic Fields) die door gaans vele hectaren omvatten. Voorwaarde voor een dergelijk landbouwsysteem is de aanwezigheid van grote en aaneengesloten vruchtbare terrassen die een dergelijk zwervend systeem toelieten. De oudste bewoning in deze periode is dan ook geconcentreerd op de dekzandruggen. De Vroege IJzertijd behoort nog tot de urnenveldenperiode.

Metalen voorwerpen als zwaarden komen nu meer voor in graven, hetgeen een gemeenschap suggereert waar krijgshaftigheid een grote rol speelde. Vanaf de Midden en Late IJzertijd raakten de urnenvelden buiten gebruik. In plaats daarvan worden kleinere (familie-)grafvelden gebruikt. De urn en bijgiften verdwenen langzamerhand, terwijl ook de randstructuren meer en meer achterwege werden gelaten. In de IJzertijd nam de handel ook alsmaar toe. Vanuit de Eifel werden maalstenen van tefriet aangevoerd. Ook werd zout verhandeld met de Nederlandse kuststreek. Romeinse tijd (12 voor-450 na Chr.): Subatlanticum Vlak voor onze jaartelling vestigden de Romeinen hun gezag in Nederland. Met de komst van de Romeinen eindigt de Prehistorie en begint de periode waar zowel archeologische als geschreven bronnen voorhanden zijn. De samenleving in de Romeinse tijd had veel weg van onze huidige samenleving, namelijk een doorgedreven, rationele organisatie en een oplevende handel. Daarnaast bleven echter ook oude gewoonten in gebruik, zeker in de ver van Rome gelegen periferie. De hele Maasvallei speelde een grote rol als militaire en economische verkeersader, door zowel de natuurlijke verkeersader de rivier Maas als door de Romeinse wegen die werden gerealiseerd, en kende dan ook een zeer rijke bewoning. Ook in de Romeinse tijd was de landbouw de basis van het bestaan.

Het belang van de vruchtbare Maasgronden wordt in de Romeinse tijd geaccentueerd door het voorkomen van Romeinse villa’s. In de Romeinse tijd bedoelde men daar een grote boerderij mee. Deze complexen vormden de zetels van de rijkere of rijkste boven lagen van de bevolking, de grootgrondbezitters, die goede relaties (zowel economisch als politiek) en ook huizen in de steden bezaten. Tot deze rijkste zullen zowel Romeinen en/of Galliërs behoord hebben, maar ook de inheemse elite. Hun landbouwproducten waren voor een groot deel bestemd voor de grote vestigingen langs de Rijn en de grote steden. De Middeleeuwen (ca. 450–1550 na Chr.): Subatlanticum In het onderzoeksgebied heeft de mens vooral vanaf de Middeleeuwen de grond sla gen gelegd van het huidige cultuurlandschap. Met de val van het Romeinse Rijk en de daarmee gepaard gaande politieke en economische problemen, trad een afname van de bevolkingsdichtheid op. Het bewoonde gebied was ingekrompen tot de meest geschikte plekken, namelijk het Maasdal en de beekdalen. Pas vanaf de Karolingische tijd nam de bevolking weer toe. Het Limburgse Maasdal behoorde in de Vroege Middeleeuwen tot de dichter bevolkte streken van de Nederlanden. Het was een aanlokkelijk gewest door haar vruchtbare gronden, de vlotte toegankelijkheid en de nabijheid van de Maas die perspectieven op handelsactiviteiten bood.

Op de hogere zandgronden aan de rand van het Maasdal ontstonden dorpen en gehuchten. De nederzettingen lagen dikwijls langs de grotere beken, waar goede verbindingen waren met de buitenwereld en van waaruit men gemakkelijk op de groenlanden in het dal en de akkers kon komen. Na de val van het Romeinse Rijk nam in eerste instantie het lande bouwareaal in oppervlakte af. Pas vanaf de 6 eeuw verschenen weer open plekken in het bos en verdween langzaam het natte elzenbroekbos. Landbouw was in de Vroege Middeleeuwen veruit de

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 12 van 17

belang rijkste economische activiteit. Vanaf de Karolingische tijd werd onder invloed van een sterke bevolkingsgroei het landbouwareaal voortdurend uitgebreid. Vanaf de Late Middeleeuwen werd het landschap nog meer dan voorheen en in steeds sterkere mate beïnvloed door de mens. Dit heeft verstrekkende gevolgen gehad voor het landschap en de vegetatie, zoals het ontstaan van stedelijke centra, heidegebieden en gereguleerde waterwerken. Uiteindelijk hebben deze ontwikkelingen geresulteerd in het tegenwoordig zichtbare landschap. Nieuwe tijd (vanaf 1500 na Chr.): Subatlanticum Lokale heren probeerden al vanaf de Late Middeleeuwen hun bezittingen uit te breiden en hun macht te vergroten ten koste van elkaar en de keizer. Hierdoor werden de bestuurlijke eenheden geleidelijk groter. De Nieuwe tijd is een periode dat vooral deze grote mogendheden voortdurend twistten over de controle van het strategisch gelegen Maasdal. Pas vanaf de Franse tijd kreeg het gebied één centrale overheid. Met de komst van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) brak een onrustige periode aan, waarbij zowel door de door de strijdende partijen (de Spanjaarden en de Hollanders) als door de gewone bevolking vele versterkingen en verdedigingswerken werden opgericht.

Vanaf het einde van e e de Late Middeleeuwen tot aan de introductie van de kunst mest (einde 19 -begin 20 eeuw) werd naast de uitbreiding van het akkerareaal de land bouwproductie op de zandgronden vergroot door een intensivering van bemesting. Hierdoor konden de akkers jaarlijks benut worden en hoefden ze niet meer braak te liggen. Naast de intensivering van de landbouw werd in de Nieuwe tijd het cultuure landschap ook nog op diverse plaatsen uitgebreid. Omvangrijke ontginningen vonden in de 16 eeuw plaats. 3.10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VIII.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen

Mesolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen

Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen

IJzertijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool,

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen

14051496 ECH.HEG.ARC

Pagina 13 van 17

botresten en gebruiksvoorwerpen Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op de rand van een dalvlakteterras in de buurt van de Maas blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. In het bijzonder de ligging op een terrasrand boven een voormalige restgeul maakte het plangebied een zeer geschikte locatie voor zowel jagers-verzamelaars als landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied en dan met name op de terrasrand waarop ook het plangebied ligt, blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit alle periodes vanaf het Mesolithicum. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor alle archeologische perioden. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd.

Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, hoeft niet te betekenen dat de eventueel aanwezige archeologische resten ook behoudenswaardig zijn. Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akkerland. Verder bevinden zich een paardrijbak en een kleine stal in het plangebied. Door ploegenwerkzaamheden en graaf- en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 3.11 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is een drietal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het bureauonderzoek de daarvoor benodigde gegevens hebben opgeleverd. t

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=77832e2b-d33f-4806-8cbb-b6251e634ffa