Toelichting BP - Bijlage 10
Tekst van het document
Toets flora en fauna Reinoud van Gelderstraat te Susteren Datum
: 5 juli 2018
Projectnummer
: 18-0180
Opdrachtgever
: Dhr. en mevr. Peters
Veldwerk
: E.J.F. Claassen
Opgesteld door
: E.J.F. Claassen
Kwaliteitscontrole
: N. Arts-Smits
1
Inleiding
1.1 Aanleiding In verband met de voorgenomen sloop van de bedrijfsgebouwen tussen de Reinoud van Gelderstraat en Vincentiuslaan te Susteren is het noodzakelijk een toetsing aan de Wet natuurbescherming uit te voeren. Door middel van de toets flora en fauna wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden. 1.2 Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in de soortlijsten van beschermde flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld.
2
Wettelijk kader
In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Deze toets flora en fauna is gericht op soortbescherming. Vanwege de lokale aard van de voorgenomen werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van de beschermde gebieden zijn effecten van de voorgenomen plannen op beschermde gebieden uit te sluiten. Door het ontbreken van houtopstanden in het plangebied is de bescherming hiervan eveneens niet van toepassing. De delen over bescherming van gebieden en houtopstanden uit de Wet natuurbescherming en het beleid voor het NNN worden daarom buiten beschouwing gelaten. 2.1 Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het
Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn, §3.1 Wnb; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt, §3.2 Wnb; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven, §3.3 Wnb. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wnb)
Categorie 2 (§ 3.2 Wnb)
Categorie 3 (§ 3.3 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende
Het is verboden soorten in hun
Het is verboden soorten opzettelijk te
vogels opzettelijk te doden of te
natuurlijke verspreidingsgebied
doden of te vangen
vangen
opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten,
Het is verboden de
Het is verboden de vaste
rustplaatsen en eieren van vogels te
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
vernielen of te beschadigen, of nesten
van dieren te beschadigen of te
van dieren opzettelijk te beschadigen
van vogels weg te nemen
vernielen
of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en
Het is verboden eieren van dieren in de
deze onder zich te hebben
natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te
Het is verboden dieren opzettelijk te
storen, tenzij de storing niet van
verstoren
-
wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun
Het is verboden plantensoorten in hun
natuurlijke verspreidingsgebied
natuurlijke verspreidingsgebied
opzettelijk te plukken en te verzamelen,
opzettelijk te plukken en te verzamelen,
af te snijden, te ontwortelen of te
af te snijden, te ontwortelen of te
vernielen
vernielen
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is;
2 van 9
Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.
3
Beschrijving plangebied
Het plangebied betreft de bedrijfsbebouwing met bijbehorende buitenruimte welke gelegen is tussen de Reinoud van Gelderstraat en de Vincentiuslaan te Susteren. De buitenruimte bestaat uit verharding en een stukje gazon met sierstruiken langs de randen. De bedrijfsgebouwen zijn loodsen van baksteen met golfplaten daken. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Susteren en grenst aan woningen en tuinen. De voorgenomen plannen bestaan uit de sloop van de bedrijfsgebouwen. Hiervoor in de plaats worden zes woningen gebouwd. In figuur 1 op de volgende pagina is de ligging van het plangebied weergegeven. Figuur 2 toont een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving. Op de pagina 5 staan enkele foto’s van het plangebied. In figuur 3 op pagina 5 is het voorlopig stedenbouwkundig ontwerpt voor de nieuwe situatie weergegeven.
3 van 9
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rode cirkel) (bron luchtfoto: Google Maps)
Figuur 2. Globale begrenzing van het plangebied (rode lijn)
4 van 9
Foto 1. Te slopen gebouwen
Foto 2. Te slopen gebouwen
Foto 3. Te slopen loods
Foto 4. Tuin
Figuur 3. Voorlopig stedenbouwkundig ontwerp (bron: Bureau Verkuylen)
5 van 9
4
Natuurwaarden
In het kader van deze toets flora en fauna heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden. Aan de hand van bekende verspreidingsgegevens uit onder andere verspreidingsatlassen is bepaald welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied voorkomen. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens het veldbezoek zijn alle op de locatie aanwezige habitats opgenomen. De aanwezigheid van dit habitat vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. De aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde plant- en diersoorten. Op basis van expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018 in de middag onder de volgende weersomstandigheden: bewolkt, droog, weinig wind en circa 20 ˚C. 4.1 Flora Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. In het plangebied is gazon in de tuin aanwezig. Rond het gazon staan bomen en struiken. Het overige terrein is verhard en bebouwd. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen beschermde plantensoorten waargenomen.
Vastgesteld is dat geschikte habitats voor beschermde plantensoorten in het plangebied ontbreken. Vanwege de kenmerken en het gebruik van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten. 4.2 Amfibieën Mogelijk komen in het plangebied enkele exemplaren voor van de algemene amfibieënsoorten gewone pad en bruine kikker (beide §3.3 Wnb). In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor voortplantingshabitat voor amfibieën ontbreekt. Gezien de kenmerken van het plangebied en de ligging binnen de bebouwde kom is het voorkomen van meer kritische, zeldzamere soorten amfibieën redelijkerwijs uit te sluiten. De voorgenomen ontwikkeling heeft tot gevolg dat individuen van gewone pad en bruine kikker worden verstoord. Deze soorten kunnen weer leefgebied vinden de tuinen bij de nieuwe woningen. Ook in de aan het plangebied grenzende tuinen blijft leefgebied voor deze soorten aanwezig. In provincie Limburg geldt voor gewone pad en bruine kikker bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet nodig mitigerende maatregelen te nemen voor deze soorten. 4.3 Vogels Algemeen voorkomende vogelsoorten kunnen broed- en foerageergebied vinden in de tuin in het plangebied.
In de omgeving blijft foerageer- en broedgebied behouden en in de nieuwe situatie kunnen algemene vogelsoorten weer broed- en foerageergebied vinden in het plangebied. Het is derhalve uit te sluiten dat de voorgenomen plannen negatieve effecten tot gevolg hebben ten aanzien van het foerageer- en broedgebied van algemene vogelsoorten. Gedurende het broedseizoen zijn broedende vogels strikt beschermd. Indien bomen en struiken worden verwijderd als vogels aan het broeden zijn, zal dit tot verstoring leiden. Door bomen en struiken buiten het broedseizoen te verwijderen, kunnen negatieve effecten op broedende vogels worden voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.
6 van 9
Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in de bebouwde kom van Susteren het voorkomen van huismus en gierzwaluw bekend is. Deze vogelsoorten broeden veelal in bebouwing en de nestplekken zijn jaarrond beschermd. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen (sporen van) jaarrond beschermde nestplekken van huismussen, gierzwaluwen en andere vogelsoorten aangetroffen. De potentiële nestlocaties in het plangebied zijn onderzocht op aanwezigheid van nesten of sporen van nesten van huismussen en gierzwaluwen. Daarbij zijn geen nesten of sporen van nesten van huismussen en gierzwaluwen waargenomen. Deze aspecten in ogenschouw genomen is de aanwezigheid van nestplekken van huismussen en gierzwaluwen in het plangebied redelijkerwijs uit te sluiten. 4.4 Zoogdieren Uit het veldbezoek blijkt dat het plangebied kan functioneren als (onderdeel van het) leefgebied van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren van §3.3 Wnb, zoals egel en algemene (spits)muizensoorten. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt het leefgebied van deze dieren verstoord. In de nieuwe situatie kunnen deze algemene soorten grondgebonden zoogdieren weer leefgebied vinden in het plangebied. In de aan het plangebied grenzende tuinen blijft leefgebied voor deze soorten aanwezig.
In provincie Limburg geldt voor deze algemene zoogdiersoorten bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet nodig mitigerende maatregelen te nemen voor deze soorten. Uit het bronnenonderzoek blijkt dat binnen de bebouwde kom van Susteren waarnemingen zijn gedaan van steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn de potentiële locaties voor vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter in de gebouwen onderzocht. Daarbij zijn geen (sporen van) vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter waargenomen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter in het plangebied is zodoende uit te sluiten. Het plangebied maakt waarschijnlijk wel deel uit van het grotere leefgebied van de steenmarter die in de bebouwde kom van Susteren voorkomt. In de nieuwe situatie blijft het plangebied geschikt als leefgebied voor steenmarter. Negatieve effecten op steenmarter zijn zodoende uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) vaste rust- en verblijfplaatsen van meer zeldzame en kritische soorten grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Gezien de kenmerken, het gebruik en de ligging van het plangebied is het voorkomen van meer zeldzame en kritische soorten grondgebonden zoogdieren van §3.2 Wnb en §3.3 Wnb in het plangebied uit te sluiten.
Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (Limpens et al.,1997) en Korsten en Regelink (2010) blijkt dat in de wijdere omgeving van het plangebied de volgende soorten vleermuizen voorkomen: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en ingekorven vleermuis (alle §3.2 Wnb). Gezien de kenmerken van het plangebied is het waarschijnlijk dat er vliegactiviteit van vleermuizen zal zijn in het plangebied. Het plangebied en de aangrenzende tuinen zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. In de nieuwe situatie blijft het plangebied geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Ook de omgeving van het plangebied blijft geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Er zullen zodoende geen negatieve effecten ontstaan op het foerageergebied. De te slopen gebouwen zijn niet geïsoleerd en hebben geen spouwmuur. De daken zijn bedekt met bitumen golfplaten. Aan de binnenzijde zijn hier osb-platen tegenaan gemaakt. De temperatuur tussen de golfplaten en de osb-platen kan hoog oplopen. Tijdens het veldbezoek zijn potentiële invliegopeningen onderzocht op (sporen van) vleermuizen. Daarbij zijn geen (sporen van) vleermuizen aangetroffen.
De gebouwen bieden te weinig mogelijkheden en te veel klimatologische beperkingen om als kraam-, paar- of winterverblijf voor gebouwbewonende soorten vleermuizen te kunnen dienen. De gebouwen hebben derhalve geen belang voor de lokale populaties van de te verwachten soorten
7 van 9
gebouwbewonende vleermuizen. De gebouwen rond het plangebied bieden betere mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De sloop van de gebouwen heeft geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van de te verwachten vleermuissoorten. 4.5 Overige soortgroepen Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat in het plangebied geschikte habitats ontbreken voor beschermde soorten reptielen, vissen, vlinder, libellen, weekdieren en kevers. Het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen is daarom uit te sluiten.
5
Conclusie
Uit het onderzoek is gebleken dat in het plangebied de aanwezigheid van beschermde soorten planten, reptielen, dagvlinders, libellen, vissen, kevers en weekdieren is uit te sluiten. In het plangebied komen mogelijk enkele exemplaren voor van de algemene amfibieënsoorten gewone pad en bruine kikker (beide §3.3 Wnb) en grondgebonden zoogdiersoorten egel en algemene (spits)muizensoorten (alle §3.3 Wnb). De voorgenomen ontwikkeling heeft tot gevolg dat individuen van deze soorten worden verstoord. In provincie Limburg geldt voor deze soorten amfibieën en zoogdieren bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet nodig mitigerende maatregelen te nemen voor deze soorten. Daarnaast zal na de herinrichting van het plangebied weer geschikt zijn als leefgebied voor genoemde diersoorten. Het plangebied is geschikt als broed- en foerageergebied voor algemene vogelsoorten. In de aangrenzende tuinen en in de nieuwe situatie in het plangebied is broed- en foerageergebied voor algemene vogels aanwezig. Zodoende ontstaan geen negatieve effecten op het broed- en foerageergebied. Door bomen en struiken buiten het broedseizoen te verwijderen, kunnen negatieve effecten op broedende vogels worden voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli.
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in het plangebied is uit te sluiten. Het plangebied is geschikt als foerageergebied van vleermuizen. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen. In het plangebied en de omgeving blijft voldoende foerageergebied beschikbaar. De sloop van de gebouwen heeft geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg hebben, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen van algemene vogelsoorten.
8 van 9
Literatuur
Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging- rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
www.vlindernet.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.libellennet.nl www.eis-nederland.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl
9 van 9