Toelichting Bijlage 6 QuickScan flora- en fauna.
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Zonnepark de Ruif te Berkelaar Rapportnummer 20-0395
www.starobv.nl
Quickscan flora en fauna
Zonnepark de Ruif te Berkelaar 14 december 2020
Rapportnummer: Versie:
P20-0395 2; revisiedatum 25 maart 2021
Opdrachtgever:
Pouderoyen Tonnaer
Uitgevoerd door:
Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 fax. 0492-450162 www.starobv.nl
Veldonderzoek:
I. Lustenhouwer
Auteur:
M.A. den Otter
Kwaliteitscontrole: N. Arts-Smits
Inhoud 1
Inleiding ............................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................3 1.2 Doel ..........................................................................................................................................3 1.3 Geldigheid onderzoek ...............................................................................................................3 1.4 Zorgplicht ..................................................................................................................................4 1.5 Leeswijzer .................................................................................................................................4
2
Plangebied .......................................................................................................................................5 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ..........................................................................................5 2.2 Voorgenomen plannen .............................................................................................................7
3
Methode ............................................................................................................................................8
4
Beschermde gebieden ....................................................................................................................9 4.1 Voortoets Wet natuurbescherming ...........................................................................................9 4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) .......................................................................................... 11
5
Beschermde soorten.................................................................................................................... 13 4.1 Flora ....................................................................................................................................... 13 4.2 Vlinders en libellen ................................................................................................................ 13 4.3 Kevers en weekdieren ........................................................................................................... 14 4.4 Vissen .................................................................................................................................... 15 4.5 Amfibieën en reptielen ........................................................................................................... 15 4.6 Vogels .................................................................................................................................... 16 4.7 Zoogdieren............................................................................................................................. 18
6
Biodiversiteit ................................................................................................................................. 21
7
Conclusies .................................................................................................................................... 24 7.1 Beschermde gebieden ........................................................................................................... 24 7.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 24 7.3 Advies .................................................................................................................................... 26
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................................... 27
Bijlage 1 Wet- en regelgeving Bijlage 2 Lijst bomen en struiken voor kleine marters Bijlage 3. Waardplanten lokale vlindersoorten omgeving Berkelaar Bijlage 4. Landschapsschets Zonnepark De Ruif
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren op de locatie de Ruif te Berkelaar. Ten behoeve van de planologische procedure is het noodzakelijk een natuurtoets uit te voeren met daarin een quickscan flora en fauna. Door middel van de natuurtoets wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden.
1.2
Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Tevens heeft het onderzoek tot doel vast te stellen op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen ontwikkelingen effect hebben op de beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden. Daarnaast worden de potenties van het gebied en de randvoorwaarden beschreven om de biodiversiteit in de plannen te betrekken en voor de locatie te vergroten.
1.3
Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
3
1.4
Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt de gebruikte onderzoeksmethode besproken. De effecten van de plannen op in de omgeving aanwezige beschermde natuurgebieden wordt beschreven in de hoofdstuk 4, dit betreft de voortoets N2000 en een toets aan het NNN. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in de hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. De potenties voor het vergroten van de biodiversiteit en de randvoorwaarden voor het ontwerp zijn beschreven in hoofdstuk 6 In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies uiteengezet.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
4
2
Plangebied
2.1
Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied ligt tussen de Maasbrachterweg en langs het Julianakanaal ten noorden van de bebouwde kom van Berkelaar, gemeente Echt-Susteren. Het plangebied bestaat uit weiland, dat is opgedeeld in vijf paardenweiden met schrikdraad. Rond het gebied staan hagen en bomenrijen. In het gebied zelf staan twee bomen en een hoogspanningsmast. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in figuur 1. De globale begrenzing van het onderzoeksgebied is weergegeven in figuur 2. Op pagina 6 is een foto-impressie van het plangebied opgenomen.
Figuur 1. Ligging plangebied (gele lijn) (bron: PDOK Viewer)
Figuur 2. Globale begrenzing plangebied (gele lijn) (bron: PDOK Viewer)
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
5
Foto 1. Noordoosten van het plangebied
Foto 2. Noordwesten van het plangebied
Foto 3. Midden van het plangebied
Foto 4. Midden van het plangebied
Foto 5. Westen van het plangebied
Foto 6. Oosten van het plangebied
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
6
2.2
Voorgenomen plannen De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark aan te leggen op locatie de Ruif te Berkelaar. Hiervoor is een voorlopige schets voorhanden, zie figuur 3. In bijlage 4 is de volledige schets opgenomen. Bij de landschapsschets is een aantal aandachtspunten: 1. De geplande fruitboomgaard (G) in de noordoosthoek van circa 1.500 m² wordt specifiek als voedselbos uitgewerkt in ingericht door CNME; 2. De hoogte en de dikte van de hagen en struwelen worden aangepast aan de wensen van de omwonenden en de kwaliteitscommissie LKM van de gemeente; 3. De situering van het geplande wandelpad, als (ecologische) verbinding tussen het Julianakanaal en de Maasbrachterweg staat nog ter discussie.
Figuur 3. Landschapsschets zonnepark De Ruif (bron Pouderoyen Tonnaer)
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
7
3
Methode
In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de websites Vlinderstichting.nl, Waarneming.nl, EIS-nederland.nl, Zoogdiervereniging.nl en Verspreidingsatlas.nl en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie aanwezige habitats zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten.
Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is gekeken of binnen het plangebied invasieve exoten voorkomen. Tevens is bij het veld- en bureauonderzoek in de omgeving van het plangebied gekeken naar de aanwezige flora en fauna en de potenties van het gebied om in het zonnepark een bijdrage te kunnen leveren aan de lokale biodiversiteit. Een veldbezoek voor een quickscan flora en fauna is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van het veldbezoek het voorkomen van beschermde soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 3 december 2020 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: zwaar bewolkt, droog, windkracht 3 en circa 6˚C.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
8
4
Beschermde gebieden
4.1
Voortoets Wet natuurbescherming Uit de kaarten van de provincie Limburg blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied op circa 1,6 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied ligt, zie figuur 4. Dit betreft Natura 2000-gebied Grensmaas. Het dichtstbijzijnde natura 2000gebied in België ligt op circa 1,9 kilometer afstand van het plangebied, zie figuur 5. Dit betreft het gebied Maasvallei.
Figuur 4. Ligging plangebied (zwarte lijn) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (roze gearceerd) (bron: polviewer.nl)
Figuur 5. Ligging plangebied (zwarte lijn) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden in België (geel gearceerd) (bron: www.natura2000.vlaanderen.be/natura-2000-gebieden)
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
9
Effectbeoordeling Uit de effectenindicator op de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (bijlage 2) blijkt dat op het Natura 2000-gebied Grensmaas bij de activiteiten “Bedrijventerrein” mogelijk de volgende storingsfactoren kunnen optreden: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten. De effecten van zonnepanelen is in de effectenindicator nog niet in beeld gebracht, maar dat zal voor een groot deel overeenkomen met deze activiteiten. Voor de Maasvallei in België worden vergelijkbare effecten verwacht. Aangezien de voorgenomen plannen niet plaatsvinden in een Natura 2000-gebied, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Dit betekent dat de storingsfactoren oppervlakteverlies en versnippering op voorhand zijn uit te sluiten. Het plangebied vervult namelijk ook geen belangrijke rol in het leefgebied van soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Vanwege de relatief grote afstand tot de Natura 2000-gebieden en de aard van de voorgenomen plannen zijn tevens negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door verontreiniging, verdroging, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling veroorzaakt door de voorgenomen plannen uit te sluiten.
Deze effecten zijn ook uit te sluiten voor Belgische Natura 2000-gebieden. Om te beoordelen of en zo ja in welk mate het voorgenomen initiatief effecten heeft op Natura 2000-gebieden op het gebied van stikstof is door Pouderoyen Tonnaer een stikstofberekening uitgevoerd met Aerius-Calculator (Scheijen 2021). Om te beoordelen of en zo ja in welk mate het voorgenomen initiatief effecten heeft op de Natura 2000-gebieden ‘Grensmaas’ in Nederland en ‘Maasvallei’ in België zijn zowel de aanlegfase èn gebruiksfase voor hetzelfde jaar doorgerekend met de Aerius-Calculator. Dit is een worstcase benadering omdat 1) in het jaar van de tijdelijke aanlegfase de hoogste stikstofemissie plaatsvindt en 2) géén rekening wordt gehouden met eventuele interne saldering met de stikstof door het huidige landbouwkundige gebruik van het perceel (NOx en/of NH3). Uit de Aerius-berekeningen kan geconcludeerd dat bij de aanlegfase en gebruiksfase in 2021 voor beide Natura 2000-gebieden geen depositieresultaten opleveren boven 0,00 mol/ha/jr. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie (NO x en NH3) kunnen met zekerheid worden uitgesloten.
Conclusie Vanwege de relatief grote afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten door oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling veroorzaakt door de voorgenomen plannen uit te sluiten. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden in Nederland en België ten gevolge van stikstofdepositie (NOx en NH3) kunnen op basis van de stikstofberekening met zekerheid worden uitgesloten.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
10
4.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; in provincie Limburg bestaande uit de goudgroene natuurzone) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. Uit de kaart Natuur op de website van de provincie Limburg, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN ligt op circa 350 meter ten westen van het plangebied, aan de overzijde van het Julianakanaal. De ligging van het NNN in de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 6.
Figuur 6. Ligging plangebied (zwarte lijn) ten opzichte van het NNN (felgroene vlakken) (bron: polviewer.nl)
In figuur 7 is een kaart opgenomen met de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone nabij het plangebied. Deze zones behoren niet tot het NNN, maar zijn wel gebieden met landschappelijke- en natuurwaarden. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal. De zilvergroene natuurzone maakt echter geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk, maar ondersteunt wel de functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone. De bronsgroene landschapszone, omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d. Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas. Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is er op gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
11
De afstand van het plangebied tot de zilvergroene natuurzone ten noordwesten is 510 meter. De afstand van het plangebied tot de bronsgroene landschapszone ten zuidwesten is circa 15 meter.
Figuur 7. Ligging plangebied (zwarte lijn) ten opzichte van de zilvergroene en bronsgroene zone (bron: polviewer.nl)
Effectbeoordeling Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gezien de relatief grote afstand tussen het plangebied en het NNN (goudgroene natuurzone), het tussenliggende Julianakanaal en de kleinschalige, lokale aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een (significant) negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op de zilvergroene natuurzone vanwege de aard van de plannen en de relatief grote afstand tot het plangebied. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op de bronsgroene landschapszone vanwege de aard van de voorgenomen plannen. Het zonnepark zal daarnaast met de groene hagen en struwelen aan de zuidwestzijde aansluiten bij de bronsgroene zone. Conclusie De voorgenomen plannen hebben door de relatief grote afstand en de kleinschalige, lokale aard van de werkzaamheden geen (significant) negatief effect op de kernkwaliteiten van het NNN, de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
12
5
Beschermde soorten
Dit hoofdstuk beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is. Tevens wordt beoordeeld wat de potenties van het te ontwikkelen zonnepark zijn voor de soortgroep.
4.1
Flora Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde plantensoorten zijn waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen beschermde planten aangetroffen, de tijd van het veldbezoek was echter ook niet helemaal geschikt voor het uitvoeren van onderzoek naar planten. Ondanks dat het tijdens het veldbezoek niet is uitgevoerd in de juiste periode voor het aantreffen van beschermde vaatplanten, kan op basis van de aanwezige habitat in het plangebied worden uitgesloten dat beschermde planten hier aanwezig zijn. Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit voedselrijk weiland en aan de randen zijn struiken aanwezig; dit zijn voor beschermde planten geen geschikte groeiplaatsen. Het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied is zodoende uit te sluiten.
4.2
Vlinders en libellen Vlinders Volgens gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied teunisbloempijlstaart (§3.2 Wnb) is waargenomen. Op een afstand van één tot twee kilometer is grote vos (§3.3 Wnb) waargenomen. Op een afstand van twee tot vijf kilometer van het plangebied zijn grote parelmoervlinder en kleine ijsvogelvlinder (beide §3.3 Wnb) waargenomen.
+ Teunisbloempijlstaart is een zeldzame soort die voorkomt in open plekken in +
+ +
vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten zijn wilgenroosje, teunisbloem, bastaardwederik en kattenstaart. Grote vos is een zeldzame en kwetsbare soort die voorkomt in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplanten van deze soort zijn vooral iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Grote parelmoervlinder heeft een groot leefgebied nodig met viooltjes en ruige plekken, en komt vooral nog voor op de Hoge Veluwe en de Waddeneilanden. De waardplanten voor de rupsen zijn diverse soorten viooltjes. Kleine ijsvogelvlinder is een kwetsbare standvlinder die in het zuidwesten van Nederland voorkomt in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. De waardplanten van deze soort is wilde kamperfoelie; soms rode kamperfoelie of gecultiveerde kamperfoelie.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
13
In het plangebied ontbreken het geschikte habitat en de geschikte waardplanten voor bovengenoemde beschermde vlindersoorten. Hiermee is het voorkomen van beschermde vlindersoorten in het plangebied uitgesloten. Potentie Het zonnepark kan door het nemen van maatregelen wel leefgebied gaan vormen van (algemene) vlindersoorten en afhankelijk van de gekozen plantensoorten/kruiden mogelijk zelfs voor teunisbloempijlstaart. Libellen Uit de gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat op een afstand van twee tot vijf kilometer van het plangebied beekrombout, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel (alle §3.3 Wnb), gaffellibel en gevlekte witsnuitlibel (beide §3.2 Wnb) zijn waargenomen. Binnen het plangebied is geen permanent oppervlaktewater aanwezig en daardoor ontbreekt geschikt voortplantingshabitat voor libellen. Het voorkomen van essentieel habitat van (beschermde) libellen in het plangebied is uit te sluiten.
4.3
Kevers en weekdieren Volgens de gegevens van de NDFF en EIS Nederland komen geen beschermde kevers en weekdieren voor in de omgeving van het plangebied. Voor de beschermde kevers en weekdieren zijn weinig verspreidingsgegevens bekend, daarom wordt in deze paragraaf van alle beschermde kevers en weekdieren beoordeeld of ze in het plangebied kunnen voorkomen.
+ Vliegend hert (§3.3 Wnb) komt voor in (oude) eikenbossen, dit habitat is binnen +
+
+
het plangebied niet aanwezig. Het voorkomen van deze soort in het plangebied is uit te sluiten. De beschermde houtkevers; vermiljoenkever, heldenbok en juchtleerkever (alle §3.2 Wnb) zijn afhankelijk van oude, holle of vrijstaande bomen of (natte) gebieden met veel dood hout. Deze habitattypen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van deze beschermde houtkevers in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. De beschermde waterkevers brede geelrandwaterroofkever en gestreepte waterroofkever (beide §3.2 Wnb) zijn voor het voorkomen afhankelijk van grote wateren. Het ontbreekt binnen het plangebied aan permanent oppervlaktewater en daarom is het voorkomen van beschermde waterkevers in het plangebied uitgesloten. De aquatische slakkensoort platte schijfhoren (§3.2 Wnb) is afhankelijk van de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten. Bataafse stroommossel (§3.2 Wnb) is een soort die voorkomt in stromend water (rivieren of beken). Deze soort is al 50 jaar niet meer waargenomen in Nederland. Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van platte schijfhoren en Bataafse stroommossel uitgesloten.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
14
In het plangebied ontbreken geschikte habitats voor de beschermde soorten kevers en weekdieren. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied is derhalve uit te sluiten.
4.4
Vissen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde vissoorten zijn waargenomen. Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater is het voorkomen van (beschermde) vissoorten in het plangebied uit te sluiten.
4.5
Amfibieën en reptielen Amfibieën Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander (alle §3.3 Wnb) zijn waargenomen. Op een afstand van één tot twee kilometer van het plangebied zijn Alpenwatersalamander, bruine kikker, meerkikker (alle §3.3 Wnb) en rugstreeppad (§3.2 Wnb) waargenomen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, maar de sloot op de grens van het plangebied wel; deze sloot lijkt niet jaarrond watervoerend, maar tijdens het veldbezoek stond er wel water in de sloot. De sloot kan dienen als voortplantingshabitat voor algemene amfibieën. Het korte weiland in het plangebied is voor amfibieën niet geschikt als land- en overwinteringshabitat door het ontbreken van voldoende dekking en door het gebruik als paardenweide. De randen van het plangebied met struiken en hagen kunnen wel worden gebruikt als land- en overwinteringshabitat door bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, Alpenwatersalamander en bruine kikker. Voor rugstreeppad biedt het plangebied geen optimaal habitat, het is een pionierssoort die voorkomt in hoog-dynamische omstandigheden.
Daarnaast zijn de bekende waarnemingen van rugstreeppad gedaan aan de oostzijde van de A2, het plangebied is daardoor waarschijnlijk onbereikbaar voor deze soort. Het voorkomen van rugstreeppad in het plangebied is uit te sluiten. Meerkikker is een watergebonden soort die voorkomt in gebieden met omvangrijk water of een groot complex van wateren en vrijwel altijd in het water overwintert. Het voorkomen van meerkikker in het plangebied is vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied derhalve uit te sluiten. Reptielen Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat op een afstand van één tot twee kilometer van het plangebied levendbarende hagedis (§3.3 Wnb) en muurhagedis (§3.2 Wnb) zijn waargenomen. De waarnemingen van muurhagedis betreffen ‘niet wilde’ individuen. Levendbarende hagedis komt voor op droge en vochtige heiden en hoogvenen, en
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
15
venoevers. De soort komt daarnaast ook voor in bossen en struwelen. Muurhagedis komt voor in warme stenige plekken zoals rotsen, stadsmuren of spoortrajecten, daarnaast ook in bos en struweel. Vanwege het ontbreken van deze habitats in het plangebied is het uit te sluiten dat bovengenoemde soorten in het plangebied voorkomen. Effectbeoordeling De struiken langs de randen van het plangebied bieden geschikt habitat voor overwinterende amfibieën. Bij het verwijderen van deze struiken verdwijnt tijdelijk land- en overwinteringshabitat voor bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, Alpenwatersalamander en bruine kikker. Na de herinrichting is het plangebied weer geschikt als land- en winterhabitat voor deze soorten. Vooral de landschappelijke inrichting langs de randen en het voedselbos bieden hiervoor geschikte mogelijkheden. Mitigerende maatregelen Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Limburg een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.
Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet. Daarom dient te worden voorkomen dat de voorgenomen plannen een negatief effect hebben op (het leefgebied van) de Alpenwatersalamander. Door de graafwerkzaamheden op locaties waar mogelijk Alpenwatersalamander voorkomt (in ruigtes en onder struiken) uit te voeren buiten de overwinteringsperiode van deze soort, wordt voorkomen dat de werkzaamheden een negatief effect hebben op de Alpenwatersalamander. Dit betekent dat deze graafwerkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd in de periode half maart tot half oktober.
4.6
Vogels Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn waargenomen in de wijde omgeving van het plangebied: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en torenvalk (alle §3.1 Wnb). In het plangebied zijn geen nesten (horsten) aangetroffen die jaarrond beschermd zijn. Het plangebied is ongeschikt als nestgelegenheid voor soorten met een jaarrond beschermd nest. De bomen binnen het plangebied zijn namelijk te klein voor horsten van roofvogels en er zijn geen gebouwen aanwezig voor gebouwbewonende soorten zoals bijvoorbeeld kerkuil, steenuil, huismus en gierzwaluw. In de bomen binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen van algemene vogelsoorten, wel in de bomen op de grens van het plangebied.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
16
Langs de grenzen van het plangebied staan bomen en struiken die wel nestgelegenheid bieden voor algemene vogels. In het grasland kunnen (weide)vogels broeden. Het weiland is geschikt als foerageergebied voor algemene vogels en voor kerkuil, steenuil, torenvalk en buizerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn veel waarnemingen gedaan van steenuil en kerkuil. Ten westen van de Swaantjesweg (bij de Zwaantjeshof) is een territorium van steenuil bekend. Deze locatie ligt binnen 300 meter van het plangebied. Daarnaast is een individu waargenomen ten zuiden van de Kapelstraat. Mogelijk broeden meerdere steenuilparen in de directe omgeving van het plangebied. Het essentieel foerageergebied van steenuil ligt ongeveer binnen een straal van 300 meter van het nest. De steenuil zoekt voedsel op plaatsen waar lange en korte vegetatie elkaar afwisselen, zoals schapen- en paardenweitjes, erven, moestuinen en tuinen. Het plangebied vormt derhalve mogelijk essentieel foerageergebied van de steenuil. Kerkuilen hebben bij een geschikt voedselaanbod voldoende aan een gebied van 500 tot 1.500 meter rond de broedplaats. Als het voedselaanbod kleiner is, heeft de kerkuil een groter gebied nodig. Kerkuilen zoeken voedsel (voornamelijk muizen) in de omgeving van ruige vegetaties, overhoekjes en plekken voor opslag van hooi en stro, houtsingels en hagen.
In de omgeving van het plangebied zijn kerkuilen bekend, bijvoorbeeld op een locatie ten noorden van Heiweg. Het plangebied kan voor de kerkuil dienen als onderdeel van het functioneel leefgebied. Aangezien kerkuilen een groot territorium hebben, in de agrarische omgeving voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar blijft en het plangebied door uitvoeren van de landschappelijke inrichting en het realiseren van het voedselbos ook na de herinrichting ook weer geschikt is als foerageergebied (Montag et al, 2016), is het aannemelijk dat de voorgenomen plannen geen negatief effect hebben op de kerkuil. Effectbeoordeling Bij het verwijderen van de bomen en struiken en bij het herinrichten van het grasland kunnen nesten van algemene (grondbroedende) vogelsoorten worden vernietigd. Gedurende het broedseizoen zijn broedende vogels en hun nesten strikt beschermd. Tijdens de werkzaamheden zal het plangebied tijdelijk niet of minder geschikt zijn als broedplaats en foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Het plangebied wordt na de herinrichting voor verschillende algemene vogelsoorten meer geschikt als foerageergebied en broedgebied. Voor weidevogels zal na het inrichten van het plangebied geen geschikt broedgebied meer aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied blijft echter voldoende geschikt broedgebied aanwezig voor weidevogels.
De voorgenomen plannen hebben derhalve geen negatief effect op algemene vogels. Het weiland in het plangebied en de vegetatie langs de randen vormen mogelijk een essentieel onderdeel van het leefgebied van steenuil. Het verwijderen van deze vegetatie en het herinrichten van het weiland als zonnepark kan een significant negatief effect hebben op steenuilen.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
17
Kerkuilen hebben een groot territorium en in de omgeving van het plangebied blijft voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar voor de kerkuil. De voorgenomen plannen hebben daardoor geen significant negatief effect op de kerkuil. Ook voor andere roofvogels vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied, omdat in de omgeving voldoende alternatieven beschikbaar zijn en blijven. Mitigerende maatregelen Werkzaamheden aan het grasland en de struiken en bomen dienen buiten het broedseizoen van vogels te worden gestart (half maart t/m 15 juli). De werkzaamheden in het weiland kunnen ook plaatsvinden als is vastgesteld dat geen broedgevallen aanwezig zijn. Als de werkzaamheden, gestart zijn, zal het plangebied geen geschikt broedgebied meer vormen voor (weide)vogels. Op basis van nader onderzoek naar steenuilen (half februari tot april) dienen mogelijke effecten van de voorgenomen plannen in kaart te worden gebracht en kunnen de mitigerende maatregelen worden uitgewerkt. Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode half februari tot half april. Door het inrichten van het plangebied voor steenuil en daardoor het functionele leefgebied van de steenuil te behouden, kan mogelijk worden voorkomen dat de verbodsbepalingen van de Wnb worden overtreden en dat een ontheffing dient te worden aangevraagd.
In hoofdstuk 6 worden uitgebreide maatregelen beschreven om het plangebied geschikt in te richten. Het foerageergebied kan door het nemen van deze maatregelen kwalitatief verbeterd worden ten opzichte van de huidige situatie.
4.7
Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) en gegevens van de NDFF blijkt dat de soorten baardvleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ingekorven vleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis (alle §3.2 Wnb) voorkomen in de wijde omgeving van het plangebied. Het plangebied biedt voor vleermuizen geen verblijfplaatsen of vliegroutes (lijnvormige elementen zoals laanbomen en watergangen). Het plangebied is matig geschikt als foerageergebied doordat er weinig plekken zijn die luwte bieden (tussen bebouwing en tussen bomen). Overige zoogdieren Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende soorten zijn waargenomen: algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, egel, haas, konijn, ree, steenmarter vos (alle §3.3 Wnb) en bever (§3.2 Wnb). Op een afstand van één tot twee kilometer van het plangebied zijn bunzing, das, eekhoorn en wild zwijn (alle §3.3 Wnb) waargenomen. In het grasland kunnen hazen en algemene muizensoorten voorkomen, zoals veldmuis. Deze soorten kunnen tevens verblijfplaatsen hebben in het grasland. Het
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
18
grasland biedt voor de overige grondgebonden zoogdieren geen geschikte verblijfplaatsen door het ontbreken van dekking. Mogelijk zijn op de grenzen van het plangebied waar struiken staan, wel verblijfplaatsen van algemene muizensoorten en egel aanwezig. In de dijk langs het westen van het plangebied zijn konijnenholen aangetroffen. De struiken rondom het plangebied zijn vrij smal en bieden momenteel weinig dekking, hier zijn tijdens het veldbezoek geen verblijfplaatsen van konijn, vos, bunzing of das aangetroffen. Ree, steenmarter, vos, bunzing, das en wild zwijn kunnen incidenteel door het plangebied migreren. Het plangebied vormt voor deze soorten geen essentieel onderdeel van het leefgebied. Steenmarter, vos, bunzing en das kunnen het plangebied gebruiken als onderdeel van het grotere foerageergebied. Van deze soorten zijn tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen. Voor bever en eekhoorn biedt het plangebied niet het juiste habitat. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied is derhalve uit te sluiten. Effectbeoordeling Het aanleggen van het zonnepark heeft op vleermuizen geen significant negatief effect, mits geen extra verlichting wordt geplaatst op het zonnepark.
Het plangebied is als zonnepark even geschikt als foerageergebied; het aanleggen van het voedselbos zal hier een positief effect op hebben, en daarnaast is en blijft in de omgeving van het plangebied is voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Door het herinrichten van het weiland als zonnepark kunnen verblijfplaatsen van algemene muizen worden vernietigd. Door het verwijderen van de struiken op de grenzen van het plangebied kunnen verblijfplaatsen van algemene muizensoorten, haas en egel worden vernietigd. De werkzaamheden in het plangebied zijn echter maar tijdelijk. De meeste grondgebonden zoogdiersoorten (muizensoorten, egel, konijn, haas) zullen leefgebied en verblijfplaatsen vinden in de landschappelijke inrichting rondom het plangebied en in het voedselbos. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op ree, steenmarter, vos, bunzing, das en wild zwijn. Voor ree, steenmarter, vos, bunzing, das en wild zwijn blijven in de directe omgeving van het plangebied voldoende geschikte foerageergebieden aanwezig. Daarnaast zal het zonnepark onderdeel blijven het leefgebied van steenmarter, vos, bunzing, das indien het hekwerk passeerbaar wordt gemaakt voor deze soorten. De landschappelijke inrichting van de randen en het voedselbos in het noordoosten vormen geschikt leefgebied voor deze soorten, met uitzondering van het wild zwijn.
Mitigerende maatregelen Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, haas en egel geldt in provincie Limburg een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Door takken- en bladerhopen buiten de winterperiode te verwijderen, wordt voorkomen dat kwetsbare egels in hun winterslaap worden verstoord.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
19
Door het uitvoeren van de maatregelen genoemd in hoofdstuk 6 wordt het gebied meer geschikt als leefgebied voor algemene muizensoorten, egel, konijn, steenmarter, vos, bunzing en das.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
20
6
Biodiversiteit
Door de ecologie als belangrijke bouwsteen te gebruiken wordt een zonnepark gecreëerd wat bijdraagt aan een grotere lokale biodiversiteit. "Bio" betekent leven "diversiteit" betekent verscheidenheid. Door een grote verscheidenheid aan verschillende dier- en plantensoorten blijft onze leefomgeving in balans. De verschillende plant- en diersoorten zorgen ervoor dat natuurlijke processen, zoals de productie van zuurstof, bestuiving van planten, waterzuivering en het beheersen van plagen (denk bijvoorbeeld aan eikenprocessierups) plaatsvinden. Door de ecologie in het ontwerpproces mee te nemen, kunnen op tijdig optimale keuzes gemaakt worden inzake de (landschappelijke) inrichting van het gebied, maar ook voor het behoud van leefgebied voor aanwezige (bijzondere en beschermde) natuurwaarden in het gebied en het geschikt maken van het terrein voor diersoorten uit de omgeving. Door deze combinatie worden zowel de ecologische als de landschappelijke waarden in het plangebied versterkt. Door verschillende natuurgebieden met elkaar te verbinden wordt gezorgd voor verspreiding van de soorten binnen Nederland en robuustere populaties. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van het NNN, wel sluit het gebied aan op de groenblauwe landschapszone, landbouwgronden, tuinen en een dijk met laanbomen in de omgeving.
Het natuurinclusief inrichten van het terrein van het zonnepark zorgt ervoor dat het een ecologische stapsteen wordt in het buitengebied van Berkelaar. Biodiversiteit binnen het zonnepark Er is een aantal factoren die een effect kunnen hebben op de biodiversiteit in een zonnepark: 1. de positionering van de zonnepanelen; hoeveel ruimte is er tussen de panelen; 2. de inrichting; een natuurlijke inrichting heeft een positief effect; 3. het beheer; extensief beheer heeft een positief effect. Begrazing lijkt zelfs in lage dichtheden al negatieve effecten op biodiversiteit te hebben (Klaassen et al., 2018). 1. Positionering panelen Planten staan aan de basis van een gezonde bodem. Licht en water hebben een grote invloed op de bodemkwaliteit. Een volledig beschaduwde bodem die geen licht krijgt, en die ook niet bewaterd wordt door regenwater, zal ‘afsterven’. Daarnaast zijn voldoende licht en water belangrijk voor de plantengroei. Op plaatsen waar weinig licht en regenwater valt ontwikkelt de vegetatie zich slechter. Dicht bij de bodem aaneengesloten geplaatste zonnepanelen vangen licht en water weg, en daarmee de basisbehoeften voor plantengroei. Uit recent onderzoek (Kok et al., 2017) blijkt dat hoewel de effecten onder de panelen overwegend negatief zijn, de effecten tussen de panelen minder negatief tot neutraal uitpakken.
Effecten van zonnepanelen kunnen positief uitpakken wanneer deze worden geplaatst op sterk verstoorde grond met een zwak ontwikkeld bodemleven, zoals intensieve landbouwgrond. Een oost-west opstelling is efficiënt wat betreft energieopwekking, omdat vrijwel het gehele oppervlak benut wordt voor de opwekking van energie, maar effecten op biodiversiteit en bodem zijn mogelijk buitenproportioneel omdat de bodem vrijwel geheel beschaduwd wordt (Klaassen et al., 2018). Daarom wordt voor de inrichting een zuidopstelling aangeraden. De ruimte tussen de panelen is daardoor twee meter.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
21
2. Landschappelijke inrichting van het zonnepark Uit de toets Wet Natuurbescherming blijkt dat het plangebied onderdeel van het leefgebied vormt van een aantal beschermde soorten. Per soort(groep) wordt aangegeven welke inrichtingsmaatregelen een positief effect hebben op deze soorten. Tevens is beschreven wat de randvoorwaarden zijn voor het leefgebied voor de betreffende diersoorten. Randvoorwaarden uilen Uilen hebben het volgende nodig voor een goed functionerend onderdeel van het foerageergebied: + paaltjes als uitkijkpost en zitplek; + inheemse struiken met bessen, noten of vruchten voor prooidieren; + ruigte/kruidenzomen/bloemrijk grasland om te jagen; + delen extensief beheerd kort grasland; + houtstapels of takkenrillen voor prooidieren; + nestkasten voor zangvogels voor prooidieren + donkerte. Voor steenuil is het nemen van maatregelen essentieel om het overtreden van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Hierbij is ook het beheer van belang. Door het nemen van onderstaande maatregelen blijft het plangebied namelijk geschikt als essentieel foerageergebied voor steenuilen. Indien niet voldoende maatregelen worden genomen om het foerageergebied te behouden, is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Nader onderzoek naar steenuilen dient te worden uitgevoerd om te kunnen bepalen welke maatregelen precies genomen dienen te worden.
Randvoorwaarden marters Marters hebben het volgende nodig voor een goed functionerend onderdeel van het leefgebied: + dichtbegroeide greppels met dichte struiken/hagen voor dekking; + plekken met hoge bloemrijke vegetatie voor prooidieren; + inheemse struiken met bessen, noten of vruchten voor prooidieren, zie bijlage 2; + rommelhoekjes en takkenrillen voor prooidieren en als verblijfplaats; + donkerte Het leefgebied van (kleine) marterachtigen hangt zeer sterk samen met de aanwezigheid van voldoende prooidieren en dekking. Voor marters zijn lijnvormige landschapselementen cruciaal als verbindingsroute, als verblijfplaats en als foerageergebied. Door onder het hek, dat rond het zonnepark komt, een ruimte open te houden van 30 á 40 centimeter of een opening te maken in het hekwerk kunnen marters en andere kleine zoogdieren het terrein betreden. Maatregelen voor andere soorten die voorkomen in de omgeving van het plangebied Daarnaast kan het plangebied ook zo worden ingericht dat het leefgebied gaat vormen voor andere beschermde en niet-beschermde diersoorten die voorkomen in de omgeving van het plangebied. In Tabel 1 is een aantal soorten en soortgroepen opgenomen, waarvoor simpele maatregelen genomen kunnen worden in het plangebied om in het plangebied leefgebied te creëren.
In Bijlage 3 is een lijst met plantensoorten opgenomen die als waardplant fungeren voor een aantal in de omgeving van het plangebied voorkomende vlindersoorten.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
22
Tabel 1. Overige (beschermde) soorten in het plangebied en te nemen inrichtingsmaatregelen
Soort(groep)
Functie leefgebied
Flora
Standplaats
Bijen en zweefvliegen
Vlinders
Amfibieën
Weide- en akkervogels Egel en konijn Vleermuizen
Nesten en foerageergebied Voortplantings- en foerageergebied Land- en overwinteringshabitat
Inrichtingsmaatregelen Niet bemesten, extensief en gefaseerd maaibeheer Stuifmeel- en nectarbloemen, extensief en gefaseerd maaibeheer, plekken met vergraafbare open zandgrond in de zon Inzaaien nectarbloemen en waardplanten op zonnige, warme plaatsen, extensief en gefaseerd maaien Hogere vegetatie, afgevallen blad, vergraafbare grond, takkenhopen of takkenrillen
Nesten en
Kruidenzomen, extensief maaibeheer,
foerageergebied
struiken/hagen, keverbanken
Leefgebied en
Kruidenzomen, extensief maaibeheer,
verblijfplaatsen
struweel, takkenrillen, heggen en hagen
Foerageergebied
Kruidenzomen, struiken/hagen, donkerte
3. Beheer van het zonnepark Het beheer van het zonnepark heeft een groot effect op de aanwezige biodiversiteit op het terrein. Door de volgende maatregelen te nemen, wordt de impact op aanwezige diersoorten geoptimaliseerd. + ruigtekruiden en bloemrijkgras worden maximaal eenmaal per jaar gefaseerd gemaaid; sinusmaaibeheer; + beheer met schapenbeweiding mag niet te intensief worden uitgevoerd; + het struweel dient éénmaal in de 3-8 jaar gefaseerd gesnoeid te worden, zodat het zich niet verder tot bosplantsoen kan ontwikkelen; + hagen en heggen kunnen in verband met aanwezige marters het beste gefaseerd in ruimte en tijd gesnoeid worden tussen 1 september en 15 maart; + door het beheer te faseren in tijd en ruimte worden de overlevingskansen van fauna vergroot. Dus niet alles in een keer maaien, maar hier en daar stukken, randen, stroken overslaan en/of het maaien hier en daar een jaar overslaan.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
23
7
Conclusies
7.1
Beschermde gebieden Vanwege de relatief grote afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten door oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling veroorzaakt door de voorgenomen plannen uit te sluiten. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden in Nederland en België ten gevolge van stikstofdepositie (NOx en NH3) kunnen op basis van de stikstofberekening met zekerheid worden uitgesloten. De voorgenomen plannen hebben door de relatief grote afstand en de kleinschalige, lokale aard van de werkzaamheden geen (significant) negatief effect op de kernkwaliteiten van het NNN, de bronsgroene landschapszone en de zilvergroene natuurzone.
7.2
Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen. Voor alle aanwezige soorten in het plangebied geldt de algemene zorgplicht, zie §1.4 van dit rapport. Tabel 2 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Het grasland is geschikt als foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Ook kunnen steenuil, kerkuil, en andere roofvogels in het plangebied foerageren. Het plangebied blijft als zonnepark geschikt als foerageergebied voor deze soorten. Door de uitvoering van de landschappelijke inrichting, het aanleggen van het voedselbos en met het nemen van de maatregelen in hoofdstuk 6 wordt de benutbaarheid van het plangebied als foerageergebied van struweel en cultuurvolgende vogelsoorten vergroot. Mogelijk is een nest van steenuil aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Om de effecten van de voorgenomen plannen en de voorgestelde maatregelen te kunnen bepalen dient een nader onderzoek naar steenuil te worden uitgevoerd. Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode half februari tot april.
In het plangebied zelf zijn enkele bomen en struiken aanwezig die kunnen dienen als nestgelegenheid. Het grasland kan dienen als nestgelegenheid voor grondbroedende vogels. Het verwijderen van de bomen en struiken dient buiten het broedseizoen van vogels te worden uitgevoerd (half maart t/m juli). De werkzaamheden aan het grasland mogen worden uitgevoerd wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Het grasland in het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Als zonnepark blijft het gebied geschikt om te foerageren; de aanleg van het voedselbos zal hier een positief effect op hebben en ook in de omgeving blijft voldoende
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
24
foerageergebied beschikbaar. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Wel dient rekening te worden gehouden met vleermuizen bij het plaatsen van extra verlichting. Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming De struiken langs de randen van het plangebied bieden geschikt habitat voor overwinterende amfibieën. Bij het verwijderen van deze struiken verdwijnt mogelijk land- en overwinteringshabitat voor bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, Alpenwatersalamander en bruine kikker. Voor bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, bruine kikker en meerkikker geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, voor het verstoren van deze soorten is geen ontheffing noodzakelijk. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet. Werkzaamheden onder en aan de struiken en in ruigtes dient plaats te vinden buiten de overwinteringsperiode van deze soort; werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd in de periode half maart t/m half oktober. Het grasland kan worden gebruikt als verblijfplaats door hazen en algemene muizensoorten. De struiken op de grenzen van het plangebied kunnen als verblijfplaats worden gebruikt door algemene muizensoorten en egel.
Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten, haas, egel geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, voor het verstoren van deze soorten is het werken met een ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Tabel 2. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied Soort(groep)
Bescherming
Functie
Mogelijk
Ontheffing
plangebied
effect
nodig
Maatregelen
Werken buiten §3.1 Wnb Weidevogels
(nest niet jaarrond beschermd)
Nee, mits
Nestgelegenheden in
Ja
grasland
maatregelen worden uitgevoerd
de broedperiode of als geen nesten of broedende vogels aanwezig zijn
§3.1 Wnb Algemene
(nest niet
vogels
jaarrond beschermd)
Nee, mits
Nestgelegenheden in bomen
Ja
en struiken
maatregelen
Werken buiten
worden
de broedperiode
uitgevoerd
§3.1 Wnb Kerkuil
(nest wel
Foerageer-
jaarrond
gebied
Zoals Nee
-
beschreven in hoofdstuk 6
beschermd)
Uitvoeren nader §3.1 Wnb Steenuil
(nest wel
Foerageer-
jaarrond
gebied
Ja,
beschermd)
Nee, mits
onderzoek
maatregelen
Maatregelen
worden
uitvoeren zoals
uitgevoerd
beschreven in hoofdstuk 6
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
25
Soort(groep)
Vleermuizen
Bescherming
§3.2 Wnb
Functie
Mogelijk
Ontheffing
plangebied
effect
nodig
Nee
-
Foerageergebied
Maatregelen
-
bastaardkikker, gewone pad, kleine water-
Land- en §3.3 Wnb
salamander,
overwinterings-
Ja
habitat
Nee, vrijgesteld
-
bruine kikker
Alpenwatersalamander
§3.3 Wnb
§3.3 Wnb
egel Marters (steenmarter, bunzing, das)
7.3
overwinterings-
Ja
habitat
Algemene muizen, haas en
Nee, mits
Land- en
Leefgebied en verblijfplaatsen
maatregelen worden uitgevoerd
Ja
Nee, vrijgesteld
Werken buiten overwinteringsperiode
-
Onderdeel van §3.3 Wnb
een groter
Nee
-
-
leefgebied
Advies Geconcludeerd kan worden dat om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, de volgende maatregelen genomen dienen te worden: 1. Nader onderzoek naar steenuil dient te worden uitgevoerd in de periode half februari tot april. 2. Maatregelen voor steenuil worden genomen om het foerageergebied van de steenuil te behouden. Hiervoor dient kort bloemrijk grasland te worden gerealiseerd met voldoende zit- en uitkijkposten en geschikte maatregelen voor prooidieren, zoals besdragende struiken/struweel en takkentillen. 3. Het bouwrijp maken van de weilanden kan gebeuren buiten het broedseizoen van vogels of als er geen vogels aan het broeden zijn. 4. Het rooien van bomen en struiken en het verwijderen van struwelen dient te gebeuren buiten het broedseizoen van vogels en buiten de overwinteringsperiode van Alpenwatersalamander. De beste periode voor deze werkzaamheden is: augustus t/m half oktober. 5. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. 6. Door takken- en bladerhopen buiten de winterperiode te verwijderen, wordt voorkomen dat kwetsbare egels in hun winterslaap worden verstoord. Daarnaast is het aan te bevelen het zonnepark natuurinclusief te ontwerpen.
Daarvoor kunnen de (meestal simpele) maatregelen uit hoofdstuk 6 van dit rapport in het ontwerp worden meegenomen. Zo wordt voor een groot aantal beschermde en niet beschermde diersoorten leefgebied gecreëerd en tevens een extra stapsteen gemaakt tussen verschillende natuurgebieden in de omgeving.
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
26
Geraadpleegde bronnen
Literatuur
+ BIJ12, Kennisdocument kerkuil, Tyto alba Versie 1.0, juli 2017. + BIJ12, Kennisdocument steenuil, Athene Noctua Versie 1.0, juli 2017. + Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De
+ + +
+ + + + + + +
dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bouwens, S. Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging - rapport 2017.32. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Klaassen, R., T. Schaub, Ottens H-J, Schotman A., Snethlage. J. & G. Mol, 2018. Literatuurstudie en formulering richtlijnen voor een ecologische inrichting van zonneparken in de provincies Groningen en Noord-Holland. In opdracht van de Provincie Groningen en Provincie Noord-Holland Groningen. Kok, L., N. van Eekeren, W. van der Putten, G.J. van den Born, T. Schouten & M. Rutgers, 2017. Zonneparken en bodemafdekking. Bodem nummer 4, augustus 2017 Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging - rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. H. Montag, G Parker & T. Clarkson. 2016. The Effects of Solar Farms on Local Biodiversity; A Comparative Study. Clarkson and Woods and Wychwood Biodiversity. Scheijen, W. Notitie stikstof zonneweide Hoeve de Ruif te Berkelaar, Voerendaal, 11 maart 2021. Westra R.S.M. & Kuiters S.A.B, 2018. Beheerwijzer landschappelijke maatregelen voor kleine marterachtigen Bunzing, wezel & hermelijn, Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Internet
+ + + + + + + + + + +
Natura 2000-gebieden, www.polviewer.nl, 07-12-2020 Natura 2000-gebieden België, www.natura2000.vlaanderen.be/natura-2000-gebieden, 11-12-2020 Natuur Provincie Limburg, www.polviewer.nl, 07-12-2020 NDFF 07-12-2020 16:25:57 www.eis-nederland.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.verspreidingsatlas.nl Informatie meerkikker: https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/meerkikker Informatie bastaardkikker: https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/bastaardkikker
Quickscan flora en fauna en voortoets, Zonnepark de Ruif te Berkelaar, december 2020
27
Bijlage 1 Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2.