CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting-Bijlage 5a (proefsleuven)

Gemeenteraad 24 april 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Stedelijk gebied, partiële herziening Kasteel Ter Borchstraat Roosteren’15.382 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

49 Beurden, 2008; Stouthamer, Cohen & Hoek, 2023.

D1 versie 1

25 / 38

Figuur 17

Figuur 18

D1 versie 1

Vlakfoto met grondsporen met spoornummer 998 in werkput 2.

Individuele spoorfoto grondspoor met spoornummer 998 in werkput 2.

26 / 38

Figuur 19

Figuur 20

D1 versie 1

Coupefoto kuil met spoornummer 998 in werkput 3.

Detailfoto zijaanzicht coupe kuil met spoornummer 998 in werkput 3.

27 / 38

Om tot een zo goed mogelijke duiding van het sporenbestand te komen is ervoor gekozen om een klein representatief deel van de recente antropogene verstoringen (± 16,7%) te couperen. In het kader daarvan is een coupe gezet op een van de recente antropogene verstoringen bij het documenteren van profiel 3 in werkput 2 (Figuur 14) en is een coupe gezet op een recente antropogene verstoring in werkput 3 (Figuren 20 en 21). Beide recente antropogene verstoringen reiken tot een diepte van 106 cm beneden het maaiveld. In coupe zijn beide sporen komvormig. De sporen zijn uitermate gelijkend. Derhalve is enkel de recente antropogene verstoring ter plaatse van profiel 3 in werkput 2 in coupe getekend. Na couperen zijn de kuilen op grond van hun spoorvulling, met recente brokstukken van moderne materialen (zoals plastic en cementbrokjes) en resten van niet vergane boomwortels, eenduidig te dateren als recente antropogene verstoringen.

8.3 Vondsten Tijdens het archeologisch onderzoek zijn geen vondstnummers geregistreerd. Het materiaal is van dien aard dat in het veld is gekozen voor onmiddellijke deselectie. Het gaat om recent afval-, dump- en puinmateriaal, buiten behoudenswaardige gesloten context.

8.4 Monsters Er zijn geen monsters genomen. Monstername is enkel aan de orde voor specifiek daterende doeleinden van een vindplaats in het paleolandschap.

8.5 Waardering Een eventueel aanwezige vindplaats wordt aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt om hierbij ook de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit.50 Er is geen sprake van een vindplaats. Tevens zijn geen vondsten en monsters gedocumenteerd. Een waardestelling is hier dan ook niet van toepassing.

9

RECAPITULATIE DOELSTELLINGEN EN ONDERZOEKSVRAGEN

Op basis van de gegevens van het uitgevoerde archeologisch gravend onderzoek worden de in het Programma van Eisen opgenomen onderzoeksvragen beantwoord. 51 In aanvulling op de onderzoeksvragen van het Programma van Eisen hoeven geen nieuwe onderzoeksvragen geformuleerd te worden.

50 SIKB. 51 Mientjes, 2023.

D1 versie 1

28 / 38

9.1 Recapitulatie doelstellingen en onderzoeksvragen 1.1.1 Algemeen 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zijn er bijvoorbeeld nog archeologische resten aanwezig van de historische bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied zoals de carréboerderij weergegeven op het Kadastrale Minuutplan uit het begin van de 19 e eeuw? Er zijn geen relevante, archeologische resten aanwezig. Het bodemarchief bevat uitsluitend recente antropogene verstoringen (kuilen). Het zuidelijke deel zal worden onderzocht zodra de sloop van de bestaande bebouwing plaatsvindt. 2.

Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)?

Irrelevant, zie supra beantwoording vraag 1. De 12 geregistreerde grondsporen in werkputten 2 en 3 (spoornummer 998) zijn allen kuilen van recente datum (na 1945). Ze bevinden zich in de alluviale pseudo-briklaag (2Btw-horizont). 3.

Zijn meerdere archeologische niveaus aanwezig?

Stricto sensu zijn 2 archeologische niveaus aanwezig. Niveau 1 in de top van de alluviale pseudo-briklaag (2Btw-horizont). Niveau 2 in de top van de alluviale briklaag (3Bt-horizont). 4.

Op welke diepte ligt/liggen het/de archeologische niveau(s)?

Het archeologisch niveau van vlak 1 is gelegen op 58-112 cm beneden maaiveld, op gemiddeld plusminus 27,80 m NAP. 5.

Hebben de archeologische resten een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat?

Nee. Tegelijk niet aan de orde aangezien geen relevante, archeologische resten zijn aangetroffen binnen het plangebied. 6.

Welke gegevens over de aangetroffen vindplaats kunnen de archeologische kennis van de regio en Roosteren aanscherpen?

Er is geen vindplaats aangetroffen. 7.

Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats (licht dit toe)?

D1 versie 1

29 / 38

Nee, want er zijn geen behoudenswaardige, relevante, archeologische resten aangetroffen. Er is dan ook geen vindplaats aanwezig. 8.

Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving?

Er is geen vindplaats aangetroffen. 9.

Is er een verwachting dat buiten de te onderzoeken zones nog resten van de vindplaats aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysieke en inhoudelijke kwaliteit daarvan?

Er is geen vindplaats aangetroffen. Op grond van de bevindingen uit dit archeologisch gravend onderzoek kan worden vastgesteld dat het gehele plangebied al sinds de Steentijd (periodiek) moet worden gekenmerkt als een gebiedsdeel met natte gronden die overstromingsgevoelig zijn. Het gehele plangebied kan hiermee als ‘archeologisch en landschappelijk kansarm’ worden getypeerd. 10. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? Vergelijkbare terreinen met een landschappelijke ligging op een lage overwal (bij komgronden) kunnen in beginsel in 1 vlak worden onderzocht met een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek wanneer de in het archeologisch vooronderzoek gespecificeerde archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum t/m de Midden-Bronstijd is gewaardeerd als laag. Er kan na documentatie van vlak 1 immer nog voor worden gekozen om, al dan niet plaatselijk, een controlevlak (tweede vlak) aan te leggen in de top van de ‘echte’ alluviale briklaag (Bt-horizont). Een tweede vlak kan onmiddellijk aangelegd worden wanneer toch archeologische resten uit die ‘afgeschreven’ periodes worden aangetroffen tijdens de aanleg van het eerste vlak. Bij het voorkomen van een archeologische site c.q. vindplaats zullen door erosie (o.a. verspoeling) in beginsel al archeologische resten (i.c.

vondsten) uit die periodes aan de oppervlakte verschijnen bij de aanleg van het eerste vlak in een alluviale pseudo-briklaag (Btw-horizont), de bodemlaag boven de ‘echte’ (alluviale) Bt-horizont, aangezien deze bestaat uit geërodeerde, verspoelde oeverafzettingen van de ‘echte’ alluviale briklaag (Bt-horizont). Deze werkwijze is efficiënter in vondstarme gebieden en heeft tegelijk geen verhoogd risico op het missen van grondsporen zonder vondsten. Bovendien zijn de ondiepe grondsporen door de onthoofding van de ‘echte’ alluviale briklaag (Bt-horizont) sowieso al verdwenen, die maken letterlijk onderdeel uit van het ‘verpulverde’ sediment van de alluviale pseudo-briklaag (Btw-horizont). Als inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, kan de werkelijke complexiteit van de bodemprofielen op zulke gronden eigenlijk enkel goed worden waargenomen middels het graven van profielputten. Er is een micro-lithogenetisch profiel nodig en niet enkel een boorstaal of boorkolom. 11. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Nee, want er is geen vindplaats (behoudenswaardige archeologie) aangetroffen.

D1 versie 1

30 / 38

12. Kunnen eventueel dieper liggende archeologische niveaus in situ bewaard blijven, of worden deze verstoord door de geplande civieltechnische sloop- en graafwerkzaamheden? Ter plekke van werkput 1 zal niveau 2 (3Bt-horizont) geraakt kunnen worden door de geplande civieltechnische sloop- en graafwerkzaamheden. Dit bevindt zich namelijk op ongeveer 66 tot 84 cm beneden maaiveld en dit is binnen de standaard aan te houden ontgravingsdiepte voor funderingen (80-100 cm beneden maaiveld). Ter plaatse van werkput 2 ligt niveau 2 (3Bt-horizont) dieper. Hier bevindt die zich op ongeveer 106 tot 113 cm beneden maaiveld. Deze diepte valt ook nog steeds net binnen een 30 cm aan te houden bufferzone om een eventueel archeologisch niveau te beschermen. Ter plekke van werkput 3 ligt niveau 2 (3Bt-horizont) weer minder diep. Niveau 2 begint daar op ongeveer 56 tot 98 cm beneden maaiveld. In de regel kan dit archeologisch niveau met het oog op de geplande werkzaamheden niet in situ bewaard blijven. Dit archeologisch niveau bevat hier echter geen archeologische potentie. Daarvoor geldt een lage archeologische verwachting. Tevens zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op oudere menselijke activiteiten in het plangebied, terwijl vlak 1 is aangelegd in de 2Btw-horizont (overstromingsafzettingen 2 met alluviale pseudo-briklaag in geërodeerde, verspoelde oeverafzettingen).

Dit betreffen erosieve afzettingen (colluviaal alluvium) van de aanwezige ‘echte’ alluviale briklaag (3Bt-horizont). Hiermee dient normaalgesproken dan al vondstmateriaal te worden aangetroffen in de afzettingen van de alluviale pseudo-briklaag (2Btw-horizont), wat hier niet het geval is. 13. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? Het gebied wordt gekenmerkt door veelal te natte gronden voor structurele menselijke activiteit. Ook de binnen het plangebied aanwezige lage oeverwal heeft in elk geval periodiek onderdeel uitgemaakt van het geactiveerd riviernetwerk van de Maas. Zo’n lage ruggen (oeverwalletjes) zijn vanwege hun overstromingsgevoeligheid bij de kleine dalletjes als ongeschikt voor bewoning te beschouwen. 1.1.2 Gaafheid en conservering van de vindplaats(en) 14. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? De archeologische resten vanaf de Late-Bronstijd dienen zich te bevinden op de lage oeverwallen in de alluviale pseudo-briklaag (2Btw-horizont). Archeologische resten van het Laat-Paleolithicum t/m de Midden-Bronstijd bevinden zich eventueel op de lage oeverwallen in de alluviale briklaag (3Bt-horizont). 15.

Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? De archeologische grondsporen van recente datum zijn scherp afgelijnd en goed bewaard. De graad van conservering en gaafheid van de recente grondsporen is te waarderen als redelijk tot goed. De vondsten van recente datum (na 1945) zijn sterk gefragmenteerd en slecht bewaard gebleven. Met betrekking tot het metaal is de ijzerrot en corrosie van de in het veld aangetroffen en meteen gedeselecteerde ijzeren restanten of voorwerpen al in een vergevorderd stadium. De anorganische materialen kenmerken zich door een slechte staat van conservering en lage graad van gaafheid. Het bouwmateriaal, zoals stukken vloertegel en cementbrokken, is in

D1 versie 1

31 / 38

sterk gefragmenteerde staat bewaard gebleven. Het organische materiaal, hout, is eveneens in slechte staat van bewaring. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het om snoei- en kaphout dat mee is gedumpt in de recent uitgegraven afvalkuilen. 16. In welke mate is het onderzoeksgebied verstoord? In de onderzochte gebiedsdelen zijn geen grootschalige/vlakdekkende bodemkundige verstoringen aangetroffen. De natuurlijke bodem is deels intact en deels afgetopt, getuige het voorkomen van de alluviale briklaag (3Bt-horizont). 1.1.3 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaats.52 Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 17. Welke en hoeveel sites zijn ter plekke van het plangebied te herkennen? Geen. 18. Wat is per archeologische site: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? Niet aan de orde. 19. Wat is, indien aanwezig: o de ouderdom van de cultuurlaag o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering en typochronologische classificatie? Niet aan de orde. Voor de stratigrafie binnen het onderzochte gebiedsdeel, zie antwoord vraag 25.

52 De volgende definities worden gehanteerd: een vindplaats is een gebied, waarvan de grenzen zowel door archeologische als niet-

archeologische factoren bepaald kunnen zijn, waarbinnen archeologische fenomenen, ongeacht datering of complextype, zijn waargenomen. Een site is een ruimtelijk af te grenzen, specifiek te omschrijven archeologisch functioneel complex met een specifieke datering. Binnen een vindplaats kunnen zich meerdere sites bevinden.

D1 versie 1

32 / 38

20. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, perceelindeling, akkers, grondstofwinning, etc.? Nee. 21. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat? Nee. 22. Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? Nee, er is geen vindplaats aangetroffen. 23. Kunnen meerdere gebruiksfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? Nee, er is geen vindplaats aangetroffen. 24. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? Nee, er is geen vindplaats aangetroffen. 1.1.4 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaats in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 25.

Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Bodemkundig kan worden gesproken van een 1Ap-horizont op een 1AC-horizont in overstromingsafzettingen 1, al dan niet op een 1C-horizont bestaande uit overstromingsafzettingen 1, op een 2Btw-horizont in overstromingsafzettingen 2 (alluviale pseudo-briklaag in geërodeerde, verspoelde oeverafzettingen) op een 3Bthorizont in oeverafzettingen op een 3BCw-horizont in oeverafzettingen, al dan niet op een 3C-horizont bestaande uit oeverafzettingen in oude (gerijpte) rivierklei, op een 4C-horizont bestaande uit beddingafzettingen op een 5C-horizont bestaande uit beddingafzettingen. De bodemstratigrafie bestaat uit jongere overstromingsafzettingen (1) op oudere overstromingsafzettingen (2) met ‘nieuwe’ bodemvorming in de vorm van een kleiinspoelingshorizont met verbruiningsverschijnselen (alluviale pseudo-briklaag in geërodeerde, verspoelde oeverafzettingen) op oeverafzettingen met een kleiinspoelingshorizont (alluviale briklaag), op oeverafzettingen met daarin een tot ontwikkeling gekomen overgangshorizont met verweringsverschijnselen in (gerijpte) oude rivierklei, al dan niet op ‘schone’ oeverafzettingen, op beddingafzettingen van de Maas. Lithostratigrafisch gezien behoren de uit grind met zand opgebouwde, gepakte beddingafzettingen van het aanwezige Maasterras tot de Formatie van Beegden, Laagpakket van Oost-Maarland.

De bovenliggende Maasafzettingen kunnen allen worden geïnterpreteerd als ongedifferentieerde afzettingen die behoren tot de Formatie van Beegden.

D1 versie 1

33 / 38

26. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. verschil in erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaats? Er is geen vindplaats aangetroffen. Het onderzochte gebiedsdeel is gelegen op een lage oeverwal met komgronden. De lage oeverwal is naar alle waarschijnlijkheid vanaf de Late-Bronstijd vrij frequent aan meer ingrijpende, erosieve processen onderhevig geraakt en door meerdere overstromingen van de Maas uiteindelijk bedekt geraakt. Concreet toewijzen van bepaalde periodes of ‘events’ aan de diverse bodemlagen- of horizonten is hier niet mogelijk zonder inzet van natuurwetenschappelijke dateringstechnieken (bv. OSLdatering). Er zijn geen aanwijzingen voor stratigrafische hiaten in de landschappelijke vorming ter plaatse van het onderzochte gebiedsdeel. 27. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? De vegetatieve begroeiing van de lage oeverwal met aanpalende komgronden zal hebben bestaan uit boomsoorten die horen bij de meer dynamische delen van een hardhoutooibos met de daarin gangbaar voorkomende boomsoorten es, els en iep.

Mogelijk is er voorafgaande de door sedimentatie veroorzaakte ophoging van het land binnen het onderzochte gebiedsdeel een zachthoutooibos geweest met de daarin gangbaar voorkomende boomsoorten wilg en populier. Dit heeft zich nadien dan ontwikkeld in de richting van een hardhoutooibos. De aanwezige beperkte restanten van de lage oeverwal tonen aan dat deze na een herhaling van overstromingen is overspoeld en deels weggespoeld. Over de paleo-ecologische reconstructie van het landschap ter plekke van het onderzochte gebiedsdeel in het plangebied kan hier verder niets worden medegedeeld. 28. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? In aanmerking voor palynologische bemonstering en analyse komen normaliter onder meer natuurlijke bodemlagen van begraven bodems, akkerlagen, veenpakketten, met sediment opgevulde greppels of geulen, poelen, waterputten en/of kuilen. In de aanwezige context zijn geen sporen, lagen en/of sedimenten aanwezig die geschikt worden geacht voor palynologische bemonstering en analyse. 1.1.5 Vraagstelling specialistisch onderzoek 29.

Is specialistisch onderzoek nodig? Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het vaststellen van de geschiktheid van de vindplaats voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden tijdens de evaluatiefase, na uitvoering van het proefsleuvenonderzoek en de opgraving - variant archeologische begeleiding. Er is geen specialistisch onderzoek nodig, want er is geen vindplaats aangetroffen.

D1 versie 1

34 / 38

1.1.6 Beleidsplatform Limburg 30. Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017 en het nu beschikbare rapport over de Middeleeuwen en Nieuwe tijd?53 Nee, het onderhavige onderzoek heeft geen toegevoegde bijdrage geleverd aan de kennisstand van de archeologie over de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. 31. Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)? Het onderzoek heeft geen nieuwe, relevante inzichten opgeleverd.

10 ADVIES Tijdens het archeologisch gravend onderzoek zijn geen relevante, archeologische resten gevonden. De aanwezige grondsporen zijn te dateren als recent. Het betreft afvalkuilen dan wel dumpkuilen van na 1945. Met het proefsleuvenonderzoek is dan ook geen vindplaats aangetroffen. Op grond van de bevindingen uit dit archeologisch gravend onderzoek kan worden vastgesteld dat het gehele plangebied al sinds de Steentijd (periodiek) moet worden gekenmerkt als een gebiedsdeel met natte gronden die overstromingsgevoelig zijn. Het gehele plangebied kan hiermee als ‘archeologisch en landschappelijk kansarm’ worden getypeerd. Econsultancy adviseert daarom om in elk geval het middels proefsleuven onderzochte gebiedsdeel binnen het plangebied vrij te geven voor ontwikkeling wat betreft archeologie en de dubbelbestemming te laten vervallen. Om in het onderzochte gebiedsdeel meer structureel en permanent te kunnen wonen kan op grond van de toe te passen bouwconstructies en -technieken pas vanaf de Midden-Nieuwe tijd sprake zijn geweest van structurele, permanente bewoning in gedegen steenbouw, al dan niet in combinatie met het gebruik van ankergebinten (deels houtbouw). De gronden aan de rand van de oude/historische kern zijn minder geschikt voor zwaardere steenbouw door hun beperking in draagkracht en algehele instabiliteit.

Op basis hiervan kan worden gesteld dat de kans op het treffen van archeologische waarden onder de boerderij, alsmede funderingen van een eventueel ouder gebouw, laag is. Derhalve luidt het advies van Econsultancy om de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing niet uit te voeren door middel van een opgraving, variant archeologische begeleiding (DO), maar af te schalen naar een terreininspectie (IVO-O, verkennende fase). Bovendien is de eventueel te behalen kenniswinst minimaal. Met een aanvullende terreininspectie tijdens de ondergrondse sloopwerkzaamheden en graafwerkzaamheden in het zuidelijke deel van het plangebied kan alsnog middels een minder intensieve onderzoeksmethode worden vastgesteld of oudere funderingen van een gebouw onder de bestaande te slopen boerderij in de grond rusten.

53 Water & Schotten, 2017.

D1 versie 1

35 / 38

11 LITERATUUR EN BRONNEN Literatuur Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001: Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Berg, M.W. van den, 1996: Fluvial sequences of the Maas; a 10 Ma record of neotectonics and climate change at various time-scales. Thesis, Landbouw Universiteit Wageningen. Beurden, L. van, 2008: Vegetatie en ontwikkelingen in het rivierengebied in de Bronstijd. BIAXiaal 331. BIAX Consult, Zaandam. Borsboom, A.J., Verhagen, W.H.P. & A. Tol, 2012: KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). SIKB, Gouda. Bosch, J.H.A., 2008: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, versie 1.1. Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2. Deltares-rapport 2008-U-R0881/A. Utrecht, Deltares. Cohen, K.M., e.a., 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Universiteit Utrecht. Isarin, R., E. Rensink, R. Ellenkamp & E. Heunks, 2015: Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden. Amersfoort. Jongmans, A.M., e.a., 2018: Landschappen van Nederland. Geologie, bodem en landgebruik. Wageningen. Kruithof, L. & F.

van den Blink, 2022: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren (gemeente Echt-Susteren). Aeres Milieu AM22100, Roermond. Mientjes, A., 2023: Programma van Eisen Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren in de gemeente Echt-Susteren. Econsultancy rapport 19834.001. Econsultancy, Swalmen. Mulder, E.F.J. de, e.a., 2003 (red.): De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Peeters, M.M., 2009: Archeologie in de gemeente Echt-Susteren. Deelrapport III: Een eerste aanzet voor gemeentelijk archeologiebeleid. RAAP-rapport 1951. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

D1 versie 1

36 / 38

Rensink, E., e.a., 2019: Archeologische Landschappenkaart van Nederland, versie 3.0. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Stouthamer, E., Cohen, K.M. & W.Z. Hoek, 2023: De vorming van het land. Geologie en geomorfologie (Berendsen – Fysische Geografie van Nederland). Perspectief Uitgevers, Utrecht. Verhoeven, M., G.R. Ellenkamp & D.M.G. Keijers, 2010a: Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Echt-Susteren. Deelrapport I: Samenvatting en aanbevelingen. RAAP-rapport 1951. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Verhoeven, M., G.R. Ellenkamp & D.M.G. Keijers, 2010b: Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Echt-Susteren. Deelrapport II: Landschap en archeologie. RAAP-rapport 1951. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Vos, P., e.a., 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Prometheus, Amsterdam. Water, A. Van de & J. Schotten, 2021: De Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Een actuele kennisstad voor Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2017. Provincie Limburg, Maastricht. Woolderink, H.A.G. & Cohen, K.M., 2018: "Digital Basemap for the Lower Meuse Valley Palaeogeography". DANS Data Station Archaeology, V2. Link: https://doi.org/10.17026/dans-xkk-f29b.

Bronnen Archeologisch Informatiesysteem ARCHIS3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, augustus 2023. https://archis.cultureelerfgoed.nl Atlas Limburg; internetsite, augustus 2023. https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid), 2021: . NGR/Wageningen Environmental Research. Beschikbaar op: https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/757a7c50-540d-4105-913573f09f700743 Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, augustus 2023. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home DINOloket; internetsite, augustus 2023. http://www.dinoloket.nl/

D1 versie 1

37 / 38

Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG); internetsite, augustus 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/1c0dcc64-91aa-4d44a9e3-54355556f5e7 Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, augustus 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a-4d019245-5cf058314ebf Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’; internetsite, augustus 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-8513-7370867ad32e Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021); internetsite, augustus 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58-4761a809-b4c5d90dcd35 Kadaster Topotijdreis; internetsite, augustus 2023. http://www.topotijdreis.nl/ NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, augustus 2023. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6AC7C8A 4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f NGR/Wageningen Environmental Research (2019) ‘BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000’, internetsite, augustus 2023.

https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26-a4447616e1d888f0 Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, augustus 2023. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, augustus 2023. https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, augustus 2023. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F153C906C 9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493 SIKB; internetsite, augustus 2023. https://www.sikb.nl

D1 versie 1

38 / 38

Bijlage 1

Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Formatie van Peelo

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien

Formatie van Sterksel

2.600.000

D1 versie 1

a/5

Cal. jaren v/n Chr. 1950

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

D1 versie 1

b/5

Bijlage 2

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu. Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territorium gebonden klein wild, vogels en vissen.

Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp. Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone Mesolithische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden.

Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden.

Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa

D1 versie 1

c/5

niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr.- 450 n.

Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheemsRomeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen).

De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e-11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In ver-

D1 versie 1

d/5

band met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-1945) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden.

In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

D1 versie 1

e/5

Bijlage 3

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten ▼ ▼ worden over te gaan op het begeleiden van de graafVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek werkzaamheden door archeologen.*** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie met bouwkundige voorwaarden).

Ook kan besloten ▼****** worden over te gaan op het begeleiden van de graafWaarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** werkzaamheden door archeologen.*** (variant begeleiding) ▼ Besluit ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) gie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen ▼ ▼ vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardeOpgraven*** Beschermen ring. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventuVerwijderen van de Bescherming van de eel met bouwkundige voorwaarden). archeologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Werkput Vlak Spooraard codering Spoortype

Kleur

Insluitsels

Materiaal NAP-hoogte (m)

Datering

Gecoupeerd Vorm in coupe

Vorm in vlak

Diepte (cm)

Datum

Ingemeten

Foto

Tekening

Tekeningnummer

Spoornummer

Bijlage 4 Sporenlijst

998 2/3 1 KL KUIL DOBR HT,HK1,PU2,MFe,PLA Ks3 28,17 RECENT (NA 1945) JA KOM OVAAL 106 17-03-2023 JA JA JA 2

Bijlage 5

Allesporenkaart

plangebied open deel bebouwing werkput spoor coupelijn maaiveld

Titel:

Locatieschets

A0

hoogtemeting vlak 1

PROJECT:

hoogtemeting vlak profielput (onder vlak 1)

SCHAAL:

DATUM: 2-8-2023

profielen

GETEKEND: MPl

BIJLAGE: 2a

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=c53add3e-a103-4ceb-8380-2c2c1d63dd1b