CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting-Bijlage 5a (proefsleuven)

Commissie Omgeving 8 april 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Stedelijk gebied, partiële herziening Kasteel Ter Borchstraat Roosteren’15.382 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE EVALUATIEMEMO Proefsleuvenonderzoek Herberg de Tramhalte aan de Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren in de gemeente Echt-Susteren

RAPPORTAGE EVALUATIEMEMO Proefsleuvenonderzoek Herberg de Tramhalte aan de Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren in de gemeente Echt-Susteren Opdrachtgever

FIRE Ter Borch Parklaan 48 5613 BG Eindhoven

Rapportnummer

D1

Versienummer

1

Datum

11 augustus 2023

Opsteller1

De heer M.J.V. Plitscher, MA

Goedkeuring conform KNA

De heer dr. P.M.M.A. Bringmans

1 AVG.

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving en richtlijnen die zijn opgesteld in het Programma van Eisen.

Naast de eisen zoals omschreven in het PvE is het archeologisch onderzoek uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4003), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. RECHTEN © Econsultancy bv Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

19834.002

Toponiem

Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5

Opdrachtgever

FIRE Ter Borch

Gemeente

Echt-Susteren

Plaats

Roosteren

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Roosteren, sectie G, perceelnummers 3 (ged.), 12, 627, 693 en 694

Omvang plangebied

± 4.650 m2

Omvang onderzoeksgebied

± 4.650 m2

Kaartblad

68 B (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied (X, Y)

185.157, 343.634

Bevoegde overheid

Gemeente Echt-Susteren

Servicecentrum MER Mevrouw M. (Mariëlle) Stokbroekx

Deskundige namens de bevoegde overheid

ArchAeO

De heer F. (Fokko) Kortlang

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

5334355100

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer vooronderzoek (BO)

5209089100

Monumentnummers

N.v.t.

Vondstnummers

N.v.t.

Archeoregio NOaA

5: Limburgs zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het Limburgs provinciaal depot

Uitvoerders

Econsultancy bv, de heer dr. P.M.M.A. Bringmans, de heer M.J.V. Plitscher, MA en de heer C. Dohms

Grondverzet

Leenaerts BV

Uitvoertermijn

8 maart 2023 en 17 maart 2023

SAMENVATTING Op woensdag 8 maart 2023 en vrijdag 17 maart 2023 heeft Econsultancy in opdracht van FIRE Ter Borch een archeologisch gravend onderzoek (IVO-P) uitgevoerd op de percelen van Herberg de Tramhalte aan de Kasteel ter Borchstraat te Roosteren in de gemeente Echt-Susteren. In het plangebied zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Het archeologisch gravend onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Tijdens het onderzoek zijn geen behoudenswaardige sporen en vondsten aangetroffen. Het gedocumenteerde sporenbestand bestaat uit recente kuilen c.q. verstoringen, respectievelijk dumpkuilen, waaronder één recente waterput die gedempt is met recent puinmateriaal (o.a. blad bats). Aangetoond is dat er voorafgaande de recente antropogene activiteiten geen bewoning in het plangebied aanwezig is geweest. In deze evaluatiememo zullen de resultaten behandeld worden. De bevoegde overheid kan op grond van dit document reeds tot een selectiebesluit komen om (verdere) vertraging te gaan. Selectieadvies Tijdens het archeologisch gravend onderzoek zijn geen relevante, archeologische resten gevonden. De aanwezige grondsporen zijn te dateren als recent. Het betreft afvalkuilen dan wel dumpkuilen van na 1945. Met het proefsleuvenonderzoek is dan ook geen vindplaats aangetroffen.

Op grond van de bevindingen uit dit archeologisch gravend onderzoek kan worden vastgesteld dat het gehele plangebied al sinds de Steentijd (periodiek) moet worden gekenmerkt als een gebiedsdeel met natte gronden die overstromingsgevoelig zijn. Het gehele plangebied kan hiermee als ‘archeologisch en landschappelijk kansarm’ worden getypeerd. Econsultancy adviseert daarom om in elk geval het middels proefsleuven onderzochte gebiedsdeel binnen het plangebied vrij te geven voor ontwikkeling wat betreft archeologie en de dubbelbestemming te laten vervallen. Om in het onderzochte gebiedsdeel meer structureel en permanent te kunnen wonen kan op grond van de toe te passen bouwconstructies en -technieken pas vanaf de Midden-Nieuwe tijd sprake zijn geweest van structurele, permanente bewoning in gedegen steenbouw, al dan niet in combinatie met het gebruik van ankergebinten (deels houtbouw). De gronden aan de rand van de oude/historische kern zijn minder geschikt voor zwaardere steenbouw door hun beperking in draagkracht en algehele instabiliteit. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de kans op het treffen van archeologische waarden onder de boerderij, alsmede funderingen van een eventueel ouder gebouw, laag is.

Derhalve luidt het advies van Econsultancy om de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing niet uit te voeren door middel van een opgraving, variant archeologische begeleiding (DO), maar af te schalen naar een terreininspectie (IVO-O, verkennende fase). Bovendien is de eventueel te behalen kenniswinst minimaal. Met een aanvullende terreininspectie tijdens de ondergrondse sloopwerkzaamheden en graafwerkzaamheden in het zuidelijke deel van het plangebied kan alsnog middels een minder intensieve onderzoeksmethode worden vastgesteld of oudere funderingen van een gebouw onder de bestaande te slopen boerderij in de grond rusten.

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 5 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

LOCATIEGEGEVENS .................................................................................................................................... 2

3

AANLEIDING .............................................................................................................................................. 4

4

ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED .............................................................................. 5

5

HISTORISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ...................................................................................... 6

6

AARDKUNDIGE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ................................................................................... 8

7

METHODIEK VELDONDERZOEK................................................................................................................ 13 Inleiding ........................................................................................................................................ 13 Doel .............................................................................................................................................. 14 Veldwerkmethodiek ..................................................................................................................... 15

8

RESULTATEN VELDWERK ......................................................................................................................... 19 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

9

Pedogenese .................................................................................................................................. 19 Sporen .......................................................................................................................................... 25 Recente antropogene verstoringen ............................................................................................. 25 Vondsten ...................................................................................................................................... 28 Monsters ...................................................................................................................................... 28 Waardering .................................................................................................................................. 28

RECAPITULATIE DOELSTELLINGEN EN ONDERZOEKSVRAGEN ................................................................. 28 9.1

Recapitulatie doelstellingen en onderzoeksvragen ..................................................................... 29 1.1.1 Algemeen ...................................................................................................................... 29 1.1.2 Gaafheid en conservering van de vindplaats(en) ......................................................... 31 1.1.3 Periode en sites ............................................................................................................ 32 1.1.4 Landschap en bodem.................................................................................................... 33 1.1.5 Vraagstelling specialistisch onderzoek ......................................................................... 34 1.1.6 Beleidsplatform Limburg .............................................................................................. 35

10

ADVIES ..................................................................................................................................................... 35

11

LITERATUUR EN BRONNEN ...................................................................................................................... 36 Literatuur ..................................................................................................................................... 36 Bronnen ........................................................................................................................................ 37

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1 Figuur 2 Figuur 3 Figuur 4 Figuur 5 Figuur 6 Figuur 7 Figuur 8 Figuur 9 Figuur 10 Figuur 11 Figuur 12 Figuur 13 Figuur 14 Figuur 15 Figuur 16 Figuur 17 Figuur 18 Figuur 19 Figuur 20

Situering van het plangebied binnen Nederland. Detailkaart van het plangebied Plangebied op actuele ortho HR luchtfoto. Kaart met archeologische waarden en onderzoeken. Plangebied op de Bodemkaart van Nederland. Plangebied op de Geomorfologische kaart van Nederland. Plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland. Detailkaart met plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland. Overzichtsfoto maaiveld plangebied. Overzichtsfoto boerderij plangebied. Bodemprofiel 1 in werkput 1. Bodemprofiel 2 in werkput 1. Bodemprofiel 3 in werkput 2. Bodemprofiel 4 in werkput 2. Bodemprofiel 5 in werkput 3. Bodemprofiel 6 in werkput 3. Vlakfoto met grondsporen met spoornummer 998 in werkput 2. Individuele spoorfoto grondspoor met spoornummer 998 in werkput 2. Coupefoto kuil met spoornummer 998 in werkput 3. Detailfoto zijaanzicht coupe kuil met spoornummer 998 in werkput 3.

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Sporenlijst Allesporenkaart

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van FIRE Ter Borch een karterend en waarderend archeologisch gravend onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied ‘Herberg de Tramhalte’ aan de Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren in de gemeente Echt-Susteren (Figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouwwoningen op de planlocatie te realiseren.

Figuur 1

D1 versie 1

Situering van het plangebied binnen Nederland.

1 / 38

Figuur 2

2

Detailkaart van het plangebied

LOCATIEGEGEVENS

Het plangebied heeft een oppervlakte van ± 4.650 m². Volgens de Topografische kaart van Nederland, kaartblad 68 B (schaal 1:25.000), ligt de onderzoekslocatie aan de Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 aan de zuidrand van de bebouwde kom en historische dorpskern van Roosteren, voorheen Schetterseind, direct ten noorden van de provinciale weg (N296), in de gemeente Echt-Susteren (Figuur 1). De coördinaten van de onderzoekslocatie zijn 185.157, 343.634 (x, y) en staat kadastraal bekend als gemeente Echt-Susteren, sectie G, perceelnummers 12, 627, 693 en 694 (Figuur 2). Het maaiveld ligt op een hoogte van 28,70-30,24 m NAP.

D1 versie 1

2 / 38

De onderzoeksplichtige locatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de Echt-Susteren binnen een AMK-terrein en een gebied met een hoge archeologische verwachting. Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld.2 Dit is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied (onherroepelijk vastgesteld op 26-05-2016)’. De in ontwikkeling te nemen grond heeft een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’.3

Figuur 3

Plangebied op actuele ortho HR luchtfoto.

Langs de zuidelijke rooilijn geldt een hoge archeologische verwachting op historische funderingen uit de LateMiddeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Voor het centrale en noordelijke gedeelte van het plangebied 2 Peeters, 2009; Verhoeven, Ellenkamp & Keijers, 2010a; Verhoeven, Ellenkamp & Keijers, 2010b. 3 Portaal voor ruimtelijke plannen.

D1 versie 1

3 / 38

(Figuur 3) geldt een middelhoge tot hoge verwachting op historische erfstructuren als bijgebouwen en waterputten uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. In het zuidelijke deel van het plangebied is als horecagelegenheid bestempelde bebouwing (‘Herberg de Tramhalte’) aanwezig. Het centrale en noordelijke deel van het plangebied bestaat uit braakliggende tuin met enkele bomen en struwelen (Figuur 3).4 De Kasteel ter Borchstraat is een historische uitvalsweg van het dorp Roosteren richting Maaseik in het westen en Susteren en Echt in het oosten. Op historisch kaartmateriaal valt te zien dat het zuiden van het plangebied in het begin van de 19e eeuw in elk geval bebouwd is met een vierkantshoeve, ook wel carréboerderij genoemd. Hierbij kan niet worden uitgesloten dat niet al vóór deze 19e-eeuwse vierkantshoeve eerdere bebouwing is geweest. In het zuiden van het plangebied hebben in het verleden thans bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. Hierbij is vermoedelijk al verstoring van de (natuurlijke) ondergrond opgetreden. Het noorden van het plangebied is bovenal in gebruik geweest als boomgaard. Afhankelijk van de soort beplanting kan de bodem daar lokaal verstoord zijn geraakt door boomgaten.

Op grond van de KLICmelding kan worden geconstateerd dat in het zuiden van het plangebied enkele kabels/leidingen gegraven zijn die daar voor een verstoring van de bodem hebben gezorgd.5

3

AANLEIDING

Met het oog op de door te voeren bestemmingsplanwijziging is archeologisch vervolgonderzoek binnen de kaders van de AMZ-cyclus (bijlage 3) noodzakelijk. Het archeologisch gravend onderzoek komt voort uit het gemeentelijk selectiebesluit om in te stemmen met het door Aeres Milieu B.V. in het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-Overig, verkennende fase) uitgesproken selectieadvies om een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO-Proefsleuven) binnen het onbebouwde gebiedsdeel en een opgraving, variant archeologische begeleiding binnen het bebouwde gebiedsdeel plaats te laten vinden.6 Ter plaatse van de te slopen bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied dienen in beginsel alle sloopwerkzaamheden en graafwerkzaamheden beneden het maaiveld archeologisch begeleid te worden. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op het moment van uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek onbekend. Op grond van de planontwikkeling kan worden uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering met een bodemverstoring van tenminste 80-100 cm beneden maaiveld.

Uitgaande van de aanleg van de bouwput(ten) voor de voorgenomen nieuwbouw zal de bodem tot in het archeologische niveau worden verstoord.7 De verwachte effecten van de vergunningplichtige activiteit(en) op het archeologisch bodemarchief zijn dat, daar waar de bodem wordt geroerd, de op basis van het vooronderzoek te verwachten archeologische waarden verloren kunnen gaan.

4 Kruithof & van den Blink, 2022. 5 Kruithof & van den Blink, 2022. 6 Kruithof & van den Blink, 2022. 7 Kruithof & van den Blink, 2022; Mientjes 2023.

D1 versie 1

4 / 38

4

ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED

Middels het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten uit het (Laat)Paleolithicum en Mesolithicum laag en hoog voor de perioden van het Neolithicum t/m de Nieuwe tijd.8

Figuur 4

Kaart met archeologische waarden en onderzoeken.

8 Kruithof & van den Blink, 2022.

D1 versie 1

5 / 38

Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-Overig, verkennende fase) blijkt dat over het algemeen de bodem bestaat uit een bouwvoor op sterk zandige klei (oude rivierklei) op grof zandige en grindige Maasafzettingen. De oude rivierklei is waarschijnlijk tussen ca. 8.000 en 2.950 jaar geleden afgezet. De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de archeologische verwachting zoals deze in het bureauonderzoek is opgesteld deels bijgesteld is. Na het verkennend booronderzoek is een lage archeologische verwachting toegekend aan het (Laat-)Paleolithicum t/m de Midden-Bronstijd en een hoge archeologische verwachting aan de perioden van de Late-Bronstijd t/m de Nieuwe tijd.9 Het plangebied is grotendeels onderdeel van een AMK-terrein van hoge archeologische waarde (Figuur 4). Hierbij gaat het om de historische kern van Roosteren, waarbinnen archeologische resten uit de LateMiddeleeuwen t/m de Nieuwe tijd worden verwacht. Eventuele (vroege) Middeleeuwse resten zijn mogelijk al vanaf ongeveer de 8e eeuw te dateren. Vanaf de 13e eeuw wordt Roosteren met zekerheid vermeld in historische bronnen uit de Late-Middeleeuwen. In het landelijke Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS) staan binnen een straal van ± 500 m rondom het plangebied 13 vindplaatsen geregistreerd (Figuur 4).

Deze vindplaatsen zijn hoofdzakelijk aangetroffen bij vondstmeldingen, respectievelijk niet-archeologische bodemingrepen. In de directe omgeving van het plangebied zijn in het verleden slechts enkele archeologische vooronderzoeken (bureauonderzoek, veldkartering en karterend booronderzoek) uitgevoerd. De vondsten kunnen worden gedateerd in de perioden van het Mesolithicum t/m de Nieuwe tijd. Meer specifiek gaat het om vuurstenen vondsten uit het Mesolithicum en Neolithicum, bronzen kokers (kokerbijlen) uit de Bronstijd, glazen kralen, een La-Tène armband en aardewerk uit de IJzertijd, aardewerk en een brandgraf uit de Romeinse tijd aan de Echterstraat, een vroegmiddeleeuws graf, en aardewerkfragmenten uit de (Late-)Middeleeuwen en Nieuwe tijd.10

5

HISTORISCHE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED

Als aanvullende informatie wordt in Bijlage 2 een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. De eerste schriftelijke vermeldingen van de nederzetting Roosteren dateren uit de Late-Middeleeuwen. Het gaat om de namen Rustern (1201), Rosusterne (1233), Rosusteren (1247), villa Rususteren (1277) en Roestere (1300). Deze benamingen verwijzen naar de oude benaming voor de Rode Beek (Susteren) met een toevoeging Ro- of Ru-.11 Tot ongeveer 1795 behoorde het dorp tot het Ambt Monfort binnen het Gelders Overkwartier. De naam Roosteren behoorde eerst tot een nederzetting meer richting het oosten van de huidige dorpskern. In de 19 e eeuw is de naam overgedragen naar het voormalige Schettereind. Hier werd in 1843 een nieuwe parochiekerk ge-

9 Kruithof & van den Blink, 2022. 10 Kruithof & van den Blink, 2022; Archeologisch Informatiesysteem ARCHIS3. 11 Kruithof & van den Blink, 2022.

D1 versie 1

6 / 38

realiseerd. De oorspronkelijke nederzetting draagt nu de naam Oud-Roosteren. Onderhavig plangebied ligt aan de zuidgrens van de dorpskern van het voormalige Schettereind.12 Binnen het werk van Van Blankenstein zijn enige gegevens bekend over enige oorlogsvernielingen in de Tweede Wereldoorlog. Er werden nul tot vijftig woningen beschadigd of vernield. Ook zijn de Maasbrug en de sluizen in het Julianakanaal gebombardeerd geweest. In de jaren 1940 is een Duits vliegtuig neergestort ten hoogte van de Maasbrug. Het is niet bekend of binnen of in de onmiddellijke omgeving van het plangebied aan de oorlog gerelateerde verwoestingen of crashes hebben plaatsgevonden. Echter, tot heden ten dage zijn geen oorlogsresten en munitie aangetroffen ter plaatse van het plangebied.13 In het kader van het archeologisch onderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. De Tranchotkaart geeft weer dat het plangebied onderdeel is van de historische kern van Roosteren. Deze is aan de zuidzijde bebouwd met een vierkantshoeve, ook wel een zogenaamde carréboerderij, bestaande uit meerdere gebouwen met een binnenplaats. De noordzijde is in gebruik als bos of boomgaard. Op het Minuutplan uit het begin van de 19e eeuw is de situatie op kadastraal niveau te zien. Het plangebied is aan de rooilijn met de huidige Kasteel ter Borchstraat bebouwd. Centraal staat een klein gebouw.

Van de vierkantshoeve kan het zuidwestelijke hoekgebouw van de voorgevel en de (centrale) noordelijke vleugel nog worden gelokaliseerd ter plekke van de bestaande (te slopen) bebouwing. Verder is het plangebied onbebouwd. Het plangebied is onderdeel van het toponiem ‘De Borg’. Dit toponiem verwijst naar het Kasteel ter Borch, welke op een afstand van ± 180 m ten zuiden van het plangebied is gelegen. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT), behorende bij het Minuutplan, zijn de percelen in gebruik als huis, tuin, boomgaard en gebouw. 14 De bebouwing uit het begin van de 19e eeuw is op de Topografische kaart van Nederland uit 1900 grotendeels vervangen. Op de Topografische kaart uit 1950 is de bebouwing verder aangepast. De huidige bebouwing dateert uit om en nabij 1932 (huisnummer 3), 1885 (huisnummer 3a) en 1900 (huisnummer 5). Op de Topografische kaart uit 2000 valt af te lezen dat de bebouwing tussen 1950 en 2000 nog eens is aangepast.15 De Kasteel ter Borchstraat verwijst naar het Renaissancekasteel 180 m ten zuiden van het plangebied. Kasteel ter Borch dateert uit de 16e eeuw. De huidige bebouwing van kasteel ter Borch is grotendeels het product van een restauratie uit het midden van de 19e eeuw. In 1632 is het originele kasteel namelijk verwoest. Een tweede kasteel in de omgeving van het plangebied is Kasteel Eykholt.

Dit kasteel ligt op een afstand van ± 335 m ten westen van het plangebied. Kasteel Eykholt is gebouwd na het verlaten van Kasteel ter Borch.16 De huidige bebouwing was onderdeel van de oude tramhalte in Roosteren. In 1922 werd een zijtak van de tramlijn Sittard- Roermond door het dorp gelegd. In 1937 is de tramlijn weer opgeheven. 17

12 Kruithof & van den Blink, 2022. 13 Kruithof & van den Blink, 2022. 14 Kruithof & van den Blink, 2022. 15 Kruithof & van den Blink, 2022. 16 Kruithof & van den Blink, 2022. 17 Kruithof & van den Blink, 2022.

D1 versie 1

7 / 38

6

AARDKUNDIGE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED

Een overzicht van de geologische en archeologische tijdvakken van Nederland is opgenomen in Bijlage 1. Het terrassenlandschap van de Maas heeft een lange ontwikkelingsgeschiedenis. Er zijn 31 fluviatiele terrassen te onderscheiden.18 De oudste terrassen (hoogterras) worden in het einde van het Midden-Mioceen tot en met het Vroege-Pleistoceen (circa 11,62 miljoen jaar oud-781.000 jaar oud)19 of in het Late-Plioceen en het begin van het Vroege-Pleistoceen (circa 2,70-2,40 miljoen jaar oud)20 gedateerd. De eerstvolgende terrassen (middenterras), gevormd onder de toenemende invloed van de Maas, liggen circa 25 m lager. Deze insnijdingsterrassen zijn gevormd in de koudere perioden van het Midden-Pleistoceen (circa 781.000 jaar oud) tot en met de voorlaatste ijstijd, respectievelijk het Saalien (circa 128.000 jaar oud). De jongste Maasterrassen (laagterras) zijn gevormd tijdens de laatste ijstijd, respectievelijk het Weichselien (circa 116.000 jaar geleden), en het Holoceen (circa 11.650 gekalibreerde jaren vóór 1950). Met name tijdens het Midden-Weichselien (Pleniglaciaal, circa 73.000-14.650 gekalibreerde jaren vóór 1950) is het koud. In deze periode zal hoogstwaarschijnlijk het zwaartepunt van de nieuwe laagterrasvorming hebben gelegen.21 In de omgeving van het plangebied hebben de Maas en de Rijn vrij grove grindhoudende zanden afgezet op de Midden-Pleistocene riviervlakte.

Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Onder invloed van tektonische opheffing verplaatste de Rijn zich. Door de opheffing in de omgeving heeft de Maas een vrij diep stroomdal gevormd. Fluviatiele afzettingen ouder dan Laat-Pleistoceen (code FG) komen voor als veelal roestige en iets minder afgeronde grindkoppen. Hierbij is sprake van een grove zandbijmenging. De aardkundige waardenkaart van de gemeente Echt-Susteren geeft aan dat het plangebied is gelegen op een hoger gelegen vlakte van het Holocene Maasdal. Volgens de Geologische kaart van Nederland komen ter plaatse van het plangebied in de bodem zandige tot grindige stroomgordelafzettingen (Be1) voor. De fluviatiele afzettingen behoren tot de Formatie van Beegden, Laagpakket van Oost-Maarland.22 Deze laagterrasafzettingen zijn te dateren in het Weichselien (circa 116.000 jaar geleden) en Vroeg-Holoceen (circa 11.650-8.800 jaar geleden).23 Tijdens de korte warmere periode van het Allerød-Interstadiaal (circa 13.900 - 12.900 jaar geleden) ontwikkelde zich de vegetatie, waardoor de sedimentatie en watertoevoer veranderde. Als gevolg hiervan vormde zich een hoofdgeul die zich meanderend in het tweede terras sneed. Hieruit ontstond een volgend terras dat ook wel bekend is als Allerød-terras, circa vier meter lager gelegen dan het vorige terras.

De laatste fase voor de opwarming van het Holoceen omvat de Jonge-Dryas (circa 12.900-11.700 jaar geleden). Tijdens de Jonge-Dryas daalt de temperatuur weer waardoor de aanvoer van het sediment weer toeneemt. In deze periode neemt de 18 Berg, 1996; Jongmans, e.a., 2018. 19 Jongmans, e.a., 2018. 20 Berg, 1996. 21 Jongmans, e.a., 2018. 22 Kruithof & van den Blink, 2022. 23 Rensink, e.a., 2019; DINOloket.

D1 versie 1

8 / 38

rivier weer een vlechtend patroon aan. Dit vlechtende patroon stroomde met name aan de oostoever en erodeerde daar een groot deel van het Allerød-terras en zette hier matig fijne tot grove zanden af. De tweede helft van de Jonge-Dryas was aanzienlijk droger; verstuivingen vanuit de rivierbedding zorgden voor afzettingen op het Allerød-terras en tweede terrasniveau. De verstuivingen vormden in de omgeving een dekzandpakket. Met de intrede van het Holoceen veranderde het klimaat sterk waardoor de aanvoer van sediment en water constanter werd. De Maas trok zich als meanderende rivier terug in het huidige Holocene dal. Hier hebben zich ook zandverstuivingen voorgedaan, echter is hier niet met zekerheid te zeggen of het om een natuurlijk fenomeen gaat.24

Figuur 5

Plangebied op de Bodemkaart van Nederland.

24 Kruithof & van den Blink, 2022.

D1 versie 1

9 / 38

Ooivaaggronden zijn hoger gelegen gronden in het oude rivierkleilandschap, bestaande uit in zware zavel en klei (KRd7), langs de Maas (Figuur 5). Bij vaaggronden heeft er nog weinig of geen bodemvorming plaatsgevonden, omdat het sediment jong is. Bij ooivaaggronden heeft de bovenste laag (± 50 - 60 cm) een egaal bruine kleur als gevolg van homogenisatie door verbruining (Fe3+) en bioturbatie. Bij zulk(e) bodemtype(s) is geen sprake van correlatie tussen intactheid van de bodem en intactheid van (eventuele) archeologische vindplaatsen. Deze kunnen zich namelijk op grotere diepte, onder de tot ontwikkeling gekomen vaaggronden, bevinden. De te verwachten gronden worden in de regel gekenmerkt door een zeer lage grondwaterstand (GWT niet gekarteerd door ligging in bebouwd gebied).25

Figuur 6

Plangebied op de Geomorfologische kaart van Nederland.

25 Kruithof & van den Blink, 2022.

D1 versie 1

10 / 38

Op de Geomorfogenetische kaart van de Maasvallei is het plangebied gesitueerd op een onbepaalde terrasvlakte (T) met oeverdek.26 Het plangebied ligt, conform geëxtrapoleerd beeld van de omliggende landeenheden op de Geomorfologische kaart van Nederland, waarschijnlijk op een dalvlakteterras. Ongeveer 315 m ten westen van het plangebied ligt een restgeul van de Maas (Figuur 6). Op het AHN zijn de verschillende restgeulen van de Maas duidelijk zichtbaar. Het plangebied en de direct omringende omgeving liggen hoger in het landschap. Daarbij ligt het dalvlakteterras maar enigszins hoger dan het Holocene rivierdal waarin de Maas zich heeft teruggetrokken (Figuren 7 en 8).27

Figuur 7

Plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland.

26 Isarin, Rensink, Ellenkamp & Heunks, 2015. 27 Kruithof & van den Blink, 2022.

D1 versie 1

11 / 38

Figuur 8

Detailkaart met plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland.

Volgens de Stroomgordelkaart ligt het plangebied op een Maasterras uit het Vroeg-Holoceen (± 10.000 tot 8.000 jaar geleden). Het plangebied ligt op vijf verschillende, over elkaar lopende, stroomgordels (codes 838, 845, 848, 844, 843) die Maasterrassen (her)vormen. De jongste stroomgordelafzettingen van de Maas (binnenbocht, code 843) hebben gedurende het Vroeg-Holoceen (± 10.000 tot 8.000 jaar geleden) een Maasterras gevormd (Formatie van Beegden, Laagpakket van Oost-Maarland).28 Hieruit volgt dat eventuele resten uit het Paleolithicum en (Vroeg-)Mesolithicum binnen het plangebied niet meer hoeven te worden verwacht. Er geldt om deze reden(en) voor het plangebied een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagers en verzamelaars uit het Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. De ligging op een laagterras van de Maas kan voor landbouwende samenlevingen een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest. Het Maasterras lag wat 28 Berendsen & Stouthamer, 2001; Cohen, e.a., 2012.

D1 versie 1

12 / 38

hoger in het landschap nabij een waterloop. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere vindplaatsen uit de Late-Prehistorie tot en met de Vroege-Middeleeuwen bekend. Voor het plangebied geldt daarom een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit de perioden Neolithicum tot en met de IJzertijd als voor nederzettingsresten uit de Romeinse tijd en de Vroege-Middeleeuwen.29 Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat er vanaf het maaiveld een archeologisch niveau kan worden aangetroffen.30 Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden. Ondiep gefundeerde resten, zeker in (ooi)vaaggronden, zijn mogelijk minder goed bewaard gebleven vanwege eerdere bodemwerkzaamheden. Het archeologisch niveau kan dan namelijk al vanaf het maaiveld (in de oorspronkelijke bodem) worden verwacht. Dit niveau zal naar verwachting bestaan uit oude rivierkleiafzettingen waarin archeologische resten vanaf de Late-Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd kunnen worden aangetroffen. Op grond van de te verwachten zeer lage grondwaterstand kunnen organische resten in de regel enkel in dieper, waterhoudende sporen als waterputten bewaard zijn gebleven.31

7

METHODIEK VELDONDERZOEK

Inleiding Voor het proefsleuvenonderzoek en de additionele opgraving, variant archeologisch begeleiding is door Econsultancy een Programma van Eisen opgesteld. In dit document zijn de eisen en richtlijnen vastgelegd waaraan het archeologische onderzoek dient te voldoen. De algemene methodiek en de onderzoeksvragen zijn in dat PvE opgenomen. In het kader van dit archeologisch gravend onderzoek zijn de archeologische proefsleuven, dan wel landschapssleuven, aangelegd en vervolgens conform Programma van Eisen gedocumenteerd.32 Het archeologisch gravend onderzoek is naast de eisen en richtlijnen, zoals omschreven in het Programma van Eisen, uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 (d.d. 24‑05‑2018). Voor de KNA-protocollen 4001 (PvE), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Econsultancy gecertificeerd conform de SIKB BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor Archeologie), die zijn vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en ondergebracht bij het SIKB te Gouda. De additionele opgraving, variant archeologische begeleiding (DO), zoals omschreven in het Programma van Eisen, wordt uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4004 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 (d.d. 24‑05‑2018).

De waardering van het terrein dient volgens deze richtlijnen van de KNA 4.1 te gebeuren, zodat een gefundeerde onderbouwing van verder beleid met betrekking tot de archeologische resten binnen het terrein mogelijk is.

29 Kruithof & van den Blink, 2022. 30 Kruithof & van den Blink, 2022. 31 Kruithof & van den Blink, 2022. 32 Mientjes, 2023.

D1 versie 1

13 / 38

Doel Doel van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische resten binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van archeologische resten. 33 Doel van de opgraving, variant archeologische begeleiding is een inventarisatie, karakterisering en documentatie van de aan- en afwezigheid van archeologische resten in een door een niet-archeologische bodemverstorende activiteit te verstoren gebied. Hiermee wordt inzicht gekregen in de archeologische betekenis van het gebied en vindt een registratie van de aangetroffen/of afwezige archeologische resten plaats. Er wordt alleen onderzoek gedaan binnen de voor de ondergrondse sloopwerkzaamheden geplande ontgravingsdiepte en oppervlakte.34 De these van het archeologisch gravend onderzoek betreft het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting en het (vervolgens) ex situ veiligstellen van de mogelijk aanwezige archeologische resten.

Bij het karterende en waarderende proefsleuvenonderzoek (IVO-P) en de additioneel uit te voeren opgraving, variant archeologische begeleiding dienen minimaal de in het Programma van Eisen opgenomen onderzoeksvragen een rol te spelen en in zoverre mogelijk te worden beantwoord. Het doel van deze evaluatiememo is een inventarisatie van de tijdens het veldwerk aangetroffen sporen, vondsten en/of monsters en het in kaart brengen van de paleolandschappelijke potentie van het plangebied. Op basis van de aard, hoeveelheid en mate van conservering zijn de aangetroffen sporen, vondsten en/of monsters beoordeeld op hun potentie voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen opgenomen these en onderzoeksvragen. Hierna volgt een eventuele waardering van mogelijke vindplaatsen en wordt een voorstel voor verdere uitwerking geformuleerd in relatie tot de AMZ-cyclus (Bijlage 3), al dan niet in verband met eventueel nog nader uit te voeren archeologisch vervolgonderzoek.35 In dit rapport is het volgende opgenomen: -

-

-

Een eerste globale technische uitwerking van sporen (en eventueel structuren), mits mogelijk voorzien van een onderbouwde interpretatie naargelang complextype; Een eerste overzicht van het aangetroffen vondstmateriaal, de informatie die hieruit voortvloeit op het gebied van een eerste datering van de site en een eerste globaal voorstel voor uitwerking en (de)selectie; Kaartmateriaal met een eerste interpretatie van de ligging, aard en datering van het gedocumenteerde archeologische archief, voor zover bekend met een initiële uitwerking gekoppeld aan het paleolandschap; Een eventuele waarderingstabel ten behoeve van een mogelijke vindplaats;

33 Mientjes, 2023. 34 Mientjes, 2023. 35 Mientjes, 2023.

D1 versie 1

14 / 38

-

Advies over noodzaak en mogelijkheid van uit te voeren vervolgonderzoek, indien noodzakelijk met een voorstel over omvang onderzoeksareaal en opname van relevante onderzoeksvragen.

Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang bestaan drie opties: • • •

behoud in situ; behoud ex situ (opgraven); vrijgeven.

Op basis van de voorgelegde onderzoeksresultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient de bevoegde overheid, de gemeente Echt-Susteren, een selectiebesluit te maken. Veldwerkmethodiek In het niet bebouwde deel van het plangebied met een totale grondoppervlakte (± 4.650 m²) zijn 3 proefsleuven aangelegd (Figuur 9). De lengte van de proefsleuven is ingekort ten aanzien van de 50 x 4 m in het sleuvenplan uit het Programma van Eisen.36 Deze aanpassing is broodnodig gebleken aangezien opstallen richting de aanwezige bebouwing een verdere aanleg belemmeren en de rupskraan (20 ton) niet nog meer grond veilig en vrijelijk kon ontgraven en deponeren. Werkput 1 heeft afmetingen van 35 x 4 m. Werkput 2 is 40 x 4 m. Werkput 3 heeft afmetingen van 45 x 4 m. Het ontgraven areaal heeft een totale oppervlakte van plusminus 480 m². Dit is een dekkingsgraad van ongeveer 10% van het totale oppervlak van het plangebied. Indien nodig geacht dient ook (alsnog) 1 proefsleuf van 40 x 4 m in de zone van de sloopwerkzaamheden en graafwerkzaamheden in het zuidelijke deel van het plangebied te worden aangelegd (Figuur 10). Daarmee heeft het ontgraven areaal een totale oppervlakte van plusminus 160 m². Dit is een dekkingsgraad van ongeveer 3% van het totale oppervlak van het plangebied.

Om te verzekeren dat de archeologische werkzaamheden kwalitatief afdoende worden uitgevoerd ten aanzien van de archeologisch te begeleiden zone van de sloopwerkzaamheden en graafwerkzaamheden in het zuidelijke deel van het plangebied is in het sleuvenplan in het Programma van Eisen nog 1 additionele proefsleuf van 40 x 4 m opgetekend. Deze (vierde) sleuf behoeft enkel aangelegd te worden wanneer de te verstoren zone onder de bebouwing niet in zijn geheel tot het archeologisch niveau wordt ontgraven. Hierbij dient ten alle tijden te worden voorkomen dat zogenaamde vlakken in vakken ontstaan, waardoor een gatenkaas wordt gecreëerd die kwalitatieve dataverwerking en de archeologische interpretatie in de weg staat. De toegepaste methodiek van het proefsleuvenonderzoek in de noordelijke onbebouwde zone van het plangebied is op zichzelf een stippellijnpatroon. De toegepaste methodiek (plangebied met alleen sporen) poogt zo goed mogelijk aan te sluiten op de uitgangspunten die zijn genoteerd in de Proefsleufstrategieën A1/A2 (en deels gebruik configuraties C1 en D1 wanneer archeologisch te begeleiden bebouwde zone inbegrepen) in de KNA-leidraad Proefsleuven. De gekozen methodiek ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek in combinatie

36 Mientjes, 2023.

D1 versie 1

15 / 38

met de additionele sleuf voor de opgraving, variant archeologische begeleiding is een combinatie tussen het stippellijnpatroon en het hagelslag-/kruispatroon.37 In het kader van het proefsleuvenonderzoek zijn de karterende en waarderende fase onmiddellijk gecombineerd om tot een effectieve en efficiënte archeologische waardering van het terrein te komen. Er is geen gebruik gemaakt van een opsplitsing in een karterende en waarderende fase. De 3 sleuven in het noordelijke onbebouwde deel van het plangebied zijn bovenal te interpreteren als landschapssleuven. Hiermee kan worden bepaald waar kansrijke en kansarme paleolandschappelijke zones of zones met archeologische fenomenen (eventuele vindplaatsen) zich bevinden. Het veldwerk van het archeologisch proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd onder leiding van een Senior KNAArcheoloog met ruime ervaring heeft met onderzoek in het Limburgse Maasgebied. Een KNA-Archeoloog met ervaring in het Limburgse Maasgebied en een archeoloog in opleiding complementeren het projectteam dat het veldwerk heeft uitgevoerd.

Figuur 9

Overzichtsfoto maaiveld plangebied.

37 Borsboom, Verhagen & Tol, 2012.

D1 versie 1

16 / 38

De werkzaamheden hebben plaatsgevonden met behulp van een rupskraan (20 ton) uitgerust met een gladde bak. Na iedere laagsgewijze verdieping van de graafmachine is het vlak op vondsten en grondsporen gecontroleerd. Het vlak is waar nodig handmatig opgeschaafd. Het blootgelegde vlak en stort zijn met een metaaldetector onderzocht door de KNA-Archeoloog. De vlakken zijn ingemeten met een DGPS (Rover GPS). De sporen, coupes en bodemprofielen zijn gefotografeerd met een digitale camera en digitaal getekend op een Panasonic Toughbook. De veldwerkdata is verwerkt in het administratieve veldwerkadministratieprogramma Minerva (eigen beheer Econsultancy). Het vlak is in secties gefotografeerd. Alle foto’s van het vlak, sporen, coupes en profielen zijn voorzien van een noordpijl, een schaalstok en een fotobordje met het projectnummer en objectgegevens. De relevante, antropogene archeologische sporen zijn getekend en gefotografeerd in het vlak, gecoupeerd, gefotografeerd in coupe en getekend in coupe op een schaal van 1:20. De sporen zijn niet afgewerkt indien in het veld is vastgesteld dat het gaat om niet-relevante, archeologische sporen (geïsoleerd, zonder clustering) van recente datum. De sleuven zijn niet onderverdeeld in segmenten aangezien de sporendensiteit zeer laag is gebleven en geen behoudenswaardig, relevant archeologisch vondstmateriaal tevoorschijn is gekomen.

Langs iedere proefsleuf is aan één korte en één lange zijde een hoogtemaat genomen van het maaiveld. Dit is gebeurd met een minimale tussenafstand van 5 m tussen de maaiveldhoogtemetingen. Tevens is in iedere proefsleuf een hoogtemaat van het eerste vlak genomen. Dit is gebeurd met een maximale tussenafstand van 4 m tussen deze vlakhoogtemetingen. In iedere proefsleuf zijn aan beide uiteinden van de proefsleuf 2 m brede profielkolommen gedocumenteerd. Hierbij zijn in de regel profielputten aangelegd en is verdiept tot in het (Maas)grind, zolang de grondstabiliteit afdoende veiligheid bood. Alle profielkolommen zijn conform de ASB38 (afgeleide NEN 5104) gedocumenteerd door de Senior KNA-Archeoloog en KNA-Archeoloog. De bodemprofielen zijn sedimentologisch en bodemkundig (pedostratigrafie, lithostratigrafie) geïnterpreteerd. De proefsleuven zijn laagsgewijs ontgraven tot het relevante en te onderzoeken archeologisch vlakniveau met grondsporen is bereikt. De proefsleuven zijn onderzocht in 1 vlak. Het vlak is aangelegd in de top van de alluviale pseudo-briklaag (2Btw-horizont), op een diepte van ongeveer 58-112 cm beneden het maaiveld, op gemiddeld plusminus 27,80 m NAP. Dit is de top van de natuurlijke ondergrond, waarin de grondsporen tevoorschijn zijn gekomen. Recente sporen zijn gedocumenteerd als spoornummer 998.

Hiermee wordt de homogeniteit van het sporenbestand benadrukt en treedt er zo weinig mogelijk tot geen zogenaamde ‘vervuiling’ van het sporenbestand op. Conform geactualiseerde, gespecificeerde archeologische verwachting na het booronderzoek zijn aanwezige grondsporen vanaf dit eerste vlak toe te wijzen aan de perioden van de Late-Bronstijd t/m Nieuwe tijd, met name rekening houdende met clustering van antropogene sporen uit de Late-Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd.39 Eventuele oudere prehistorische grondsporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Bronstijd kunnen in de dieper gelegen onverstoorde, hetzij onthoofde alluviale oeverafzettingen onder de alluviale pseudo-briklaag (2Btw-horizont) aanwezig zijn. Tijdens de aanleg van het eerste vlak (vlak 1) in de top van de alluviale pseudo-briklaag (2Btw-horizont) zijn echter nergens archeologische vondsten, respectievelijk strooiingen van aardewerk, metaal, organisch materiaal, vuursteen en/of andere natuursteen, in de erosieafzettingen van de onthoofde Bt-horizont van de oeverafzettingen aangetroffen.

De structurele aanleg van een tweede vlak is hier niet zinvol aangezien de dikte van het pakket met de erosieafzettingen (alluviale pseudo-briklaag, 2Btw-horizont) reeds wijst op decimeters dikke onthoofding van de daaronder liggende oeverafzettingen met daarin een tot ontwikkeling gekomen alluviale briklaag (3Bt-horizont). De oudere grond38 Bosch, 2008. 39 Kruithof & van den Blink, 2022.

D1 versie 1

17 / 38

sporen en vondsten zullen hier door deze sterk mate van bodemerosie en daarmee samenhangende bodemonthoofding inmiddels dus allang zijn verdwenen. Bovendien zou bij de aanleg van het eerste vlak in een zone met relicten van menselijke activiteit normaalgezien ook wel iets van vondstmateriaal omhoog zijn gekomen uit een ‘tweede archeologisch niveau’. Daarenboven behoeft hier geen tweede vlak te worden aangelegd aangezien de gespecificeerde archeologische verwachting voor de perioden van het Laat-Paleolithicum t/m de Midden-Bronstijd in het archeologisch vooronderzoek is vastgesteld op laag40 en het gravend onderzoek geen redenen gaf om dit beeld bij te stellen. Ter extra controle, om toch zeker te zijn dat geen archeologische resten over het hoofd werden gezien, zijn aan de uiteindes van iedere sleuf zones van 10 x 4 m verdiept tot op de alluviale briklaag (3Bt-horizont). Hierbij zijn geen archeologische waarden (sporen, vondsten) aangetroffen. In totaal is daarmee 240 m² verdiept tot het tweede vlakniveau.

Figuur 10

Overzichtsfoto boerderij plangebied.

40 Kruithof & van den Blink, 2022.

D1 versie 1

18 / 38

8

RESULTATEN VELDWERK

In dit hoofdstuk worden de bevindingen van het veldwerk gepresenteerd. Aangaande het paleolandschap (landschapsgenese) wordt in § 8.1 aandacht besteed aan de bodemprofielopnames (pedogenese). Het sporenbestand wordt uiteengezet in § 8.2. In § 8.3 volgen eventuele vondsten. In § 8.4 worden eventuele monsternames gepresenteerd. Een eventuele waardering wordt uitgesproken in § 8.5.

8.1 Pedogenese De bodemstratigrafie bestaat uit jongere overstromingsafzettingen (1) op oudere overstromingsafzettingen (2) met ‘nieuwe’ bodemvorming in de vorm van een kleiinspoelingshorizont met verbruiningsverschijnselen (alluviale pseudo-briklaag in geërodeerde, verspoelde oeverafzettingen) op oeverafzettingen met een kleiinspoelingshorizont (alluviale briklaag), op oeverafzettingen met daarin een tot ontwikkeling gekomen overgangshorizont met verweringsverschijnselen in (gerijpte) oude rivierklei, al dan niet op ‘schone’ oeverafzettingen, op beddingafzettingen van de Maas (Figuren 12 t/m 17).

DoBr, Ks3h1, 1Ap-horizont, bouwvoor in overstromingsafzettingen 1

Br, Ks3h1, pu1, zwakke compactie, 1AC-horizont, gebioturbeerde overstromingsafzettingen 1

BrRo, Ks2, matige compactie, 2Btw-horizont, overstromingsafzettingen 2, alluviale pseudo-briklaag met verwering en nieuwvorming, geërodeerde oeverafzettingen, RO-psOOI1

BrRo, Ks1, sterke compactie, 3Bt-horizont, oeverafzettingen, RO-BRIK1

LiBr, Ks1, 3BCw-horizont, oeverafzettingen, RO-BRIK1

Figuur 11

D1 versie 1

Bodemprofiel 1 in werkput 1.

19 / 38

Lithostratigrafisch gezien behoren de uit grind met zand opgebouwde, gepakte beddingafzettingen van het aanwezige Maasterras tot de Formatie van Beegden, Laagpakket van Oost-Maarland (Figuren 14 t/m 17). Deze afzettingen behoren tot het laagterras van de Westmaas (jongste terras). 41 De bovenliggende Maasafzettingen kunnen allen worden geïnterpreteerd als ongedifferentieerde afzettingen die behoren tot de Formatie van Beegden (Figuren 12 t/m 17).42 Bodemkundig kan worden gesproken van een 1Ap-horizont op een 1AC-horizont in overstromingsafzettingen 1, al dan niet op een 1C-horizont bestaande uit overstromingsafzettingen 1, op een 2Btw-horizont in overstromingsafzettingen 2 (alluviale pseudo-briklaag in geërodeerde, verspoelde oeverafzettingen) op een 3Bthorizont in oeverafzettingen op een 3BCw-horizont in oeverafzettingen, al dan niet op een 3C-horizont bestaande uit oeverafzettingen in oude (gerijpte) rivierklei, op een 4C-horizont bestaande uit beddingafzettingen op een 5C-horizont bestaande uit beddingafzettingen (Figuren 12 t/m 17).

DoBr, Ks3h1, 1Ap-horizont, bouwvoor in overstromingsafzettingen 1

Br, Ks3h1, pu1, 1AC-horizont, gebioturbeerde overstromingsafzettingen 1

BrRo, Ks2, pu1, bioturbatie, 2Btw-horizont, alluvium, overstromingsafzettingen 2, alluviale pseudo-briklaag met verwering en nieuwvorming, geërodeerde oeverafzettingen, RO-psOOI1 BrRo, Ks1, bioturbatie, 3Bt-horizont, alluviale briklaag, oeverafzettingen, RO-BRIK1 LiBrRo, Ks1, bioturbatie, gerijpt, 3BCw-horizont, overgangslaag, oeverafzettingen, RO-BRIK1

LiBrRo, Ks1, bioturbatie, gerijpt, oude rivierklei, uitgangsmateriaal, 3C-horizont, oeverafzettingen, RO-BRIK1

Figuur 12

Bodemprofiel 2 in werkput 1.

41 DINOloket, ‘Stratigrafische Nomenclator/Hiërarchisch/Boven-Noordzee Groep/Formatie van Beegden/Laagpakket van Oost-Maarland’,

11-08-2023. 42 Mulder, e.a., 2003.

D1 versie 1

20 / 38

Sedimentologisch gezien is sprake van zwak humeuze, sterk siltige klei op matig siltige klei op zwak siltige klei, al dan niet op matig en uiterst siltige klei en/of kleiig, matig grof zand, op sterk zandig grind met een fijne grindmediaan (2,0-5,6 mm).43 Dit kan worden geïnterpreteerd als de voor dit plangebied kenmerkende weerspiegeling van jonge(re) rivierklei op geërodeerde, verspoelde oude rivierklei op deels afgedekte, intacte oude rivierklei op rivierbeddingzand en grind dat behoort tot het Maasterras van Oost-Maarland (Figuren 12 t/m 17).

DoBr, Ks3h1, wortels, 1Ap-horizont, bouwvoor in overstromingsafzettingen 1

Br, Ks3h1, pu1, wortels, 1AC-horizont, gebioturbeerde overstromingsafzettingen 1

S998, Br, Ks3, pu2, hk1, cementbrokjes, KL, recente verstoring, dumpkuil opgevuld met overstromingsafzettingen BrRo, Ks2, 2Btw-horizont, kleiinspoeling en verbruining, alluvium, overstromingsafzettingen 2, alluviale pseudo-briklaag met verwering en nieuwvorming, geërodeerde oeverafzettingen, RO-psOOI1

BrRo, Ks1, 3Bt-/3BCw-horizont, alluviale briklaag, oeverafzettingen, RO-BRIK1

BrGrWi, Gz3, 4C-horizont, Maasterras, beddingafzettingen

Figuur 13

Bodemprofiel 3 in werkput 2.

Kijkend naar de Paleogeografische kaarten is de kans op het voorkomen van erosieve bodemactiviteiten, en daarmee de beginnende genese van de alluviale pseudo-briklaag (2Btw-horizont), het grootst geweest rond 500 v. Chr., 250 v. Chr. en 800 n.Chr. Op de Paleogeografische kaart 500 v. Chr. ligt het onderzochte gebiedsdeel in een zone gekarteerd als kwelders en riviervlakten. Op de Paleogeografische kaart 250 v. Chr. ligt het onderzochte gebiedsdeel in een zone gekarteerd als buitenwater (water buiten de gemiddelde hoogwaterlijn). Op de Paleogeografische kaart 800 n. Chr. ligt het onderzochte gebiedsdeel weer in een zone gekarteerd als kwelders en riviervlakten.44 43 Bosch, 2008. 44 Vos, e.a., 2018. Op de Paleogeografische kaart 1250 v. Chr. zijn de kwelders en riviervlakten bedijkt.

D1 versie 1

21 / 38

DoBr, Ks3h1, wortels, 1Ap-horizont, bouwvoor in overstromingsafzettingen 1

Br, Ks3h1, pu1, hk1, bioturbatie, zwakke compactie, 1AC1-horizont, gebioturbeerde overstromingsafzettingen 1

Br, Ks3h1, pu1, hk1, bioturbatie, zwakke compactie, 1AC2-horizont, gebioturbeerde overstromingsafzettingen 1

BrRo, Ks2, bioturbatie, matige compactie, 2Btw-horizont, overstromingsafzettingen 2, alluviale pseudo-briklaag met verwering en nieuwvorming, geërodeerde oeverafzettingen, ROpsOOI1

LiBrRo, Ks1, sterke compactie, 3Bt-horizont, alluviale briklaag, oeverafzettingen, ROBRIK1

LiBrRo, Ks4, 3BCw-horizont, oeverafzettingen, RO-BRIK1

BrGrWi, Gz3, 4C-horizont, Maasterras, opgebouwde beddingafzettingen

Figuur 14

D1 versie 1

Bodemprofiel 4 in werkput 2.

22 / 38

DoBr, Ks3h1, bioturbatie, 1Ap-horizont, bouwvoor in overstromingsafzettingen 1

Br, Ks3h1, pu1, bioturbatie, 1AC-horizont, gebioturbeerde overstromingsafzettingen 1 Br, Ks3, 1C-horizont, overstromingsafzettingen 1

BrRo, Ks2, Mn1, 2Btw-horizont, overstromingsafzettingen 2, alluviale pseudo-briklaag met verwering en nieuwvorming, geërodeerde oeverafzettingen, RO-psOOI1

LiBrRo, Ks1, Mn1, 3Bt1-horizont, alluviale briklaag, oeverafzettingen, RO-BRIK1

LiBrRo, Ks2, 3Bt2-horizont, alluviale briklaag, oeverafzettingen, RO-BRIK1

LiBr, Z4k, Mn1, 4C-horizont, beddingafzettingen

BrGrWi, Gz3, f, 5C-horizont, Maasterras, opgebouwde beddingafzettingen

Figuur 15

Bodemprofiel 5 in werkput 3.

Alle bodemprofielen hebben een gelijkende bodemopbouw (Figuren 12 t/m 17). Binnen het plangebied bevinden zich deels intacte alluviale pseudo-ooivaaggronden (RO-psOOI1) op brikgronden (RO-BRIK1). Pedostratigrafisch gezien is daarmee onderscheid te maken in 2 relevante bodemsequenties, te noemen 1) RO-psOOI1 op 2) RO-BRIK1. De term pseudo-ooivaaggronden dient hier te worden toegepast aangezien het een variatie betreft van de zogenaamde (Limburgse) hoge bruine rivierleem- of kleigronden zonder briklaag die behoren tot de bodemgroep van de xerokleivaaggronden. 45 De alluviale pseudo-briklaag met verwering en nieuwvorming (Btw-horizont)46 is gevormd in geërodeerde, verspoelde oeverafzettingen en dat betreft geen ‘echte’ briklaag. De matige compactie van deze bodemhorizont en de verbruingsverschijnselen onderschrijven deze bevindingen (Figuren 12 t/m 17). De overstromingsafzettingen 1 en de gebioturbeerde overstromingsafzettingen 1 vormen geen vervolledigde bodemgenese en daardoor is geen sprake van een te onderscheiden pedosequentie. Hetzelfde geldt voor de beddingafzettingen. Daarin heeft geen uitgesproken bodemvorming plaatsgevonden, waardoor ook daarvoor geen aparte pedosequentie dient te worden onderscheiden. Hiermee is de bodemopbouw complexer dan de geschetste verwachting in het vooronderzoek.

In de onderzochte gebiedsdelen zijn geen grootschalige/vlakdekkende bodemkundige verstoringen aangetroffen. 45 Bakker & Schelling, 1989. 46 Jongmans, e.a., 2018.

D1 versie 1

23 / 38

DoBr, Ks3h1, bioturbatie, 1Ap-horizont, bouwvoor in overstromingsafzettingen 1

Br, Ks3h1, pu1, bioturbatie, 1AC-horizont, gebioturbeerde overstromingsafzettingen 1

Br, Ks3, 1C-horizont, overstromingsafzettingen 1

BrRo, Ks2, bioturbatie, 2Btw-horizont, overstromingsafzettingen 2, alluviale pseudo-briklaag met verwering en nieuwvorming, geërodeerde oeverafzettingen, RO-psOOI1

LiBrRo, Ks1, 3Bt-horizont, alluviale briklaag, oeverafzettingen, RO-BRIK1

LiBr, Z4k, 4C-horizont, beddingafzettingen BrGrWi, Gz3, f, 5C-horizont, Maasterras, opgebouwde beddingafzettingen, Fm. van Beegden, Lp. van Oost-Maarland

Figuur 16

Bodemprofiel 6 in werkput 3.

Inzake het paleolandschap kan op grond van de aangetroffen losse sedimenten en bijbehorende gelaagdheden worden vastgesteld dat het plangebied is gelegen op een lage oeverwal met komgronden. 47 Het ontstaan van de lage oeverwal blijkt uit het plaatselijke voorkomen van de laag matig grof zand, die is bedekt door fijnere kleilagen (met alluviale briklaag), op het Maasterras. Het zwaardere, grovere zand bezinkt namelijk vlak naast de rivier en wordt opgehoogd met lichtere klei door iedere, herhaaldelijke overstroming die plaatsvindt. Hierdoor ontstaat op den duur een oeverwal. De licht(st)e klei slaat op grotere afstand van de rivier neer, waardoor de komgronden bij de oeverwallen ontstaan.48 De vegetatieve begroeiing van de lage oeverwal met aanpalende komgronden zal hebben bestaan uit boomsoorten die horen bij de meer dynamische delen van een hardhoutooibos met de daarin gangbaar voorkomende boomsoorten es, els en iep. Mogelijk is er voorafgaande de door sedimentatie veroorzaakte ophoging van het land binnen het onderzochte gebiedsdeel een zachthoutooibos geweest met de daarin gangbaar voor47 Voor periodenkaarten van de paleogeografie van de Maas, zie Woolderink & Cohen, 2018. Op basis van deze Paleogeografische kaarten

van de Maas kan worden verondersteld dat de hier aanwezige lage oeverwal naar alle waarschijnlijkheid is gevormd tijdens het MiddenHoloceen. 48 Jongmans, e.a., 2018; Stouthamer, Cohen & Hoek, 2023.

D1 versie 1

24 / 38

komende boomsoorten wilg en populier. Dit heeft zich nadien dan ontwikkeld in de richting van een hardhoutooibos.49 De aanwezige beperkte restanten van de lage oeverwal bij komgronden tonen aan dat deze na een herhaling van overstromingen is overspoeld en deels weggespoeld.

8.2 Sporen In de 3 werkputten zijn in totaal 12 archeologische grondsporen geregistreerd. Daarvoor is gedurende het veldwerk 1 spoornummer uitgedeeld, respectievelijk spoornummer 998. Hiermee is sprake van de registratie van 12 recente antropogene verstoringen (Bijlage 4). Conform het opgestelde Programma van Eisen zijn recente sporen (van na 1945) niet verplicht om geregistreerd te worden. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat het gedocumenteerde sporenbestand een weerspiegeling is van archeologisch niet-relevante sporen (Bijlage 5, Allesporenkaart). Het (eerste) vlak is aangelegd in de top van de oeverafzettingen, op ± 0,58-1,12 m beneden maaiveld. Hierin zijn geen relevante, behoudenswaardige sporen aangetroffen. De sporen weerspiegelen recent (na 1945) gebruik van het terrein. Tijdens de werkzaamheden zijn de gedocumenteerde sporen, respectievelijk de genoemde recente antropogene verstoringen, in zoverre nodig, gecoupeerd, afgewerkt, gefotografeerd en getekend. De sporen met nummer 998 bleken al tijdens de vlakaanleg van recente datum te zijn (zie infra). Uit de spoorvullingen staken namelijk structureel puinfragmenten van moderne materialen en de aflijning van de sporen was uiterst scherp (Figuren 18 en 19). Recente antropogene verstoringen Spoornummer 998 bestaat uit 12 kuilen. In het vlak zijn het merendeels ovale kuilen (Figuren 18 en 19).

Een enkele kuil is meer rechthoekig van vorm in het vlak. De vrij homogene vullingen van spoornummer 998 bestaan uit matig puinhoudende, sterk siltige klei. In de vullingen zitten stukken plastic, hout, houtskool, gebroken vloertegels, ijzeren delen van voorwerpen (Figuren 18, 19, 20 en 21). De vulling van de niet in coupe getekende kuil (Figuur 20) toont enige gelaagdheid, respectievelijk 3 opvullagen. De kuil lijkt echter in één en dezelfde fase te zijn opengemaakt en met het vrijgelegde sediment uit dezelfde bodemlagen daarna weer laagsgewijs te zijn dichtgeworpen, hetgeen aansluit bij een werkwijze waarbij de aarde met een verschil in textuur onder het spitten van elkaar wordt gescheiden. Onderin de (diepste) vulling is een onder meer een batsblad aangetroffen (Figuren 20 en 21). De andere gecoupeerde kuil ter plaatse van profiel 3 in werkput 2 bevat geen (duidelijke) gelaagdheid. Overeenkomstig alle in het vlak gedocumenteerde kuilen is de vulling matig puinhoudend (Figuur 14, 18 en 19). De gedocumenteerde grondsporen zijn afvalkuilen c.q. dumpkuilen met materiële overblijfselen die zijn te relateren aan het voormalige verval en de gedeeltelijke huis-tuin-enkeuken sloop (incidentele sloopactiviteiten) van Herberg de Tramhalte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=b2e4d925-ffbb-4a84-87d1-9b539fe79a2a