Toelichting
Tekst van het document
In boring 2 werd de C-horizont op 10 cmmv aangetroffen. Deze boring is op een slootbodem van een (nu) droogstaande sloot gezet, en ook hier lag het maaiveld dus aanzienlijk lager. De restgeulafzettingen komen met uitzondering van boring 17 en 29 voor langs de westelijke grens van het plangebied. Boring 17 en 29 staan in het centrale deel van het plangebied, in een zone waar voornamelijk terrasafzettingen aangetroffen zijn. Een volledig beeld kan echter niet verkregen worden, omdat veel boringen in dit gebied vastgelopen zijn in grind en puin. Boring 12, gezet in een restgeul, staat ten oosten van de locatie waar op de geomorfologische kaart sprake is van een restgeul. Omdat de boringen ten noorden en zuiden van boring 12 vastgelopen zijn in grind en puin, kunnen geen uitspraken gedaan worden over het verloop van de restgeul. 23 24
Hamalandadvies PvA Verkennend boren Distributiecentrum De Loop, Echt, projectnummer 213292, d.d. 23 augustus 2021 Hamalandadvies bureauonderzoek en Verkennend booronderzoek Distributiecentrum De Loop, Echt, projectnummer 213292, d.d. 9 november 2021
Hoofdstuk 4
47
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Archeologie Slagmolen Voor de uitbreiding van het plangebied ter plaatse van de Slagmolen is een nader bureauonderzoek én verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het onduidelijk is in hoeverre het archeologisch niveau ter plaatse nog intact is. Zodoende is tevens een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Verkennend booronderzoek In geen enkele boring is een intact bodemprofiel aangetroffen. De bodem is door ontgrondingswerkzaamheden verstoord tot in de natuurlijke ondergrond die bestaat uit terrasafzettingen. De verstoringsdiepte varieert van 45 cm-mv tot 170 cm-mv. Daarbij dient opgemerkt te worden dat als gevolg van kunstmatige ophoging het maaiveld ter plaatse van boring 1 een stuk hoger lag dan in de rest van het plangebied. In de boringen is onder andere slakafval van hoogovens, betonpuin, plastic, leisteen en baksteenpuin aangetroffen. Dit duidt erop dat het roeren van de grond (sub)recentelijk heeft plaatsgevonden. Conclusie Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt de kans gering geacht dat er in het plangebied nog archeologische waarden aanwezig zijn. In het gehele plangebied hebben ontgrondingen plaatsgevonden tot in de top van de natuurlijke afzettingen.
Ter plaatse van de slagmolen is vanwege het ontbreken van intacte bodems en de diepe bodemverstoring tot maximaal 170 cm-mv is de kans nihil dat er nog intacte en behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Een vervolgonderzoek ter plaatse van de slagmolen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Hamaland Advies adviseert tevens om het overige plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen. Het bevoegd gezag stemt in met het advies om het plangebied vrij te geven. De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 5’, zoals opgenomen in het huidige bestemmingsplan ‘De Loop 2012, 1 herziening’ zijn derhalve in dit bestemmingsplan niet meer opgenomen. Cultuurhistorie Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen monumenten aanwezig. De woningen aan de slagmolen die gesloopt zullen worden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling hebben ingevolge de provinciale cultuurhistorische waarden kaart geen cultuurhistorische waarde. De Oude Lakerweg is aangemerkt als ‘andere weg ouder dan 1806’. Deze weg wordt omgelegd binnen het plangebied om de ruimte optimaal benutten. Centraal door het plangebied is de Molenbeek gelegen. Deze beek is aangemerkt als ‘natuurlijke waterloop getrokken’. De effecten op de beek zijn beperkt.
De gemeente Echt-Susteren heeft op 22 september 2016 het bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie EchtSusteren’ vastgesteld. Ingevolge dit bestemmingsplan is rondom de Molenbeek en ter plaatse van de woningen aan de Slagmolen de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ van toepassing. Daarnaast is ter plaatse van de woningen aan de Slagmolen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – cultuurhistorische ensemble berkelaar’ van toepassing. Ten behoeve van het planvoornemen worden onder andere de woningen aan de Slagmolen gesloopt en worden er kleine ingrepen gedaan aan de Molenbeek.
Hoofdstuk 4
48
Op basis van het bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’ is gebleken dat er geen sloopvergunning noodzakelijk is voor de woningen. De woning aan de Slagmolen 1 is weliswaar van vóór 1940, maar is niet aangemerkt als ‘karakteristiek. De woning aan de Slagmolen 2 is van 1964 en is te jong voor een cultuurhistorische waarde. Zodoende worden de woningen niet als bijzonder en niet als cultuurhistorisch waardevol object beschouwd. Zo worden er met de sloop ook geen cutluurhistorische waarden aangetast. In dit bestemmingsplan is alleen nog de bescherming van de Molenbeek beoogd en daarom is aan de bestemming ‘Water’ tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ toegekend. De ingreep aan de Molenbeek blijft beperkt tot het realiseren van een drietal ontsluitingen van het bedrijventerrein over de Molenbeek. De Molenbeek zal ter plaatse middels een duiker onder de ontsluitingsweg komen te liggen. Voor het overige blijft de Molenbeek onaangetast. Voor een nadere onderbouwing is de Memo ‘Cultuurhistorie De Loop, Echt’25 opgesteld. Conclusie Het aspect cultuurhistorie is alleen nog relevant voor de Molenbeek. Door het opnemen van een dubbelbestemming zijn de cultuurhistorische waarden geborgd.
4.4 Leidingen en infrastructuur In de omgeving van het plangebied bevindt zich een tweetal hogedruk aardgasbuisleidingen. Dit betreft de volgende aardgasbuisleidingen: Aardgasbuisleiding Z-540-01 van de Gasunie Aardgasbuisleiding Z-540-27 van de Gasunie.
Z-540-27
Z-540-01
Uitsnede risicokaart met ligging buisleidingen (plangebied blauw omlijnd)
25
Memo Cultuurhistorie De Loop, Echt d.d. 7 april 2022
Hoofdstuk 4
49
Aangezien de beoogde ontwikkeling, te weten de realisatie van beperkt kwetsbare objecten, binnen het invloedsgebied van één van bovenstaande aardgasbuisleidingen is gelegen dienen, conform het Bevt, de externe veiligheidsrisico’s nader inzichtelijk gemaakt te worden middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Uit de QRA is gebleken dat de beoogde bebouwing buiten de belemmeringsstrook van de buisleiding wordt gerealiseerd. Daarnaast is de beoogde ontwikkeling niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour 106 per jaar, aangezien voor de beschouwde aardgasbuisleidingen geen sprake is van een risicocontour van 106 per jaar. Aan deze grenswaarde wordt aldus voldaan. Tot slot overschrijdt het groepsrisico van de beschouwde buisleiding de oriëntatiewaarde niet. Daarnaast is geen sprake van een significante toename (>10%) van het groepsrisico. Oplegnotitie Uit het reeds uitgevoerde onderzoek naar externe veiligheid volgde dat het groepsrisico de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Daarnaast bleek dat geen sprake was van een significante toename (>10%) van het groepsrisico. Naar alle verwachting zal ook de zeer beperkte wijziging van het aantal personen ter plaatse van het plangebied niet leiden tot een wijziging van de conclusies uit deze QRA. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde is in ieder geval niet te verwachten.
Conclusie Op basis van de reeds uitgevoerde QRA en de aanvullende oplegnotitie kan geconcludeerd worden dat de buisleiding geen negatieve invloed heeft op de beoogde ontwikkeling.
4.5 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014).
De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch)
Hoofdstuk 4
50
natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Toetsing Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt op circa 3,3 kilometer ten noordwesten van het Natura 2000-gebied ‘Abdij Lilbosch & Voormalig klooster Mariahoop’ en op circa 3,5 kilometer ten noordoosten van het Natura-2000 gebied ‘Grensmaas’. Op grotere afstand liggen de gebieden ‘Roerdal’, ‘Meinweg’ en ‘Leudal’. Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Directe effecten zoals ruimtebeslag op het Natura 2000-gebied zijn hierdoor niet aan de orde. De planologische uitgifte van bedrijfskavels zelf leidt niet tot significant negatieve effecten op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied. Voor werkzaamheden uitgevoerd door initiatiefnemers die gebruik maken van de bedrijfskavels kan dit wel gelden. De bouw van bedrijfshallen kan leiden tot verhoogde stikstofuitstoot, waardoor de mogelijke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van voorgenomen plannen dient te worden onderzocht. Een specifieke toetsing van deze werkzaamheden dient in een later stadium door gebruikers van de terreinen te worden uitgevoerd.
Met de komst van de nieuwe wet ‘Wet stikstofreductie en natuurverbetering’ is het niet meer noodzakelijk om een berekening uit te voeren voor de aanlegfase omdat tijdens de aanlegfase enkel sprake is van een ‘tijdelijke’ en ‘beperkte’ depositie. Mede vanwege het feit dat niet iedere kavel gelijk na oplevering ingevuld zal worden, is een effect op de Natura-2000 gebieden, tijdens de aanlegfase, te verwaarlozen. Zodoende is enkel een berekening voor de gebruiksfase uitgevoerd.26 De berekeningen en bijbehorende notitie zijn als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd. De conclusie als volgt. Als gevolge van de beoogde ontwikkeling vinden de volgende relevante activiteiten met stikstofemissies plaats: verkeersbewegingen van vrachtwagens met emissies van stikstofoxiden (NOx) en fijnstof (PM10, PM2,5); 26
Peutz, Onderzoek stikstofdepositie, Bedrijventerrein De loop te Echt, projectnummer F 22232-3-RA-003, d.d. 26 januari 2022
Hoofdstuk 4
51
verkeersbewegingen van personenwagens met emissies van stikstofoxiden (NO x) en fijnstof (PM10, PM2,5). Overige activiteiten welke gepaard gaan met een relevante stikstofemissies vinden naar verwachting niet plaats. De bedrijven zullen niet op aardgas worden aangesloten, zodat voor de verwarming van de gebouwen gebruik zal worden gemaakt van duurzame alternatieven. Voor de werkzaamheden binnen de inrichting zal eveneens grotendeels gebruik worden gemaakt van elektrisch materieel. In het onderzoek stikstofdepositie zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. In dit onderzoek is de stikstofdepositie beoordeeld ten opzichte van de feitelijke planologische legale situatie (referentie situatie). Uit de rekenresultaten blijkt dat als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling geen stikstofdepositie bijdrage berekend wordt in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Oplegnotitie stikstofdepositie27 Uit de voorgaande stikstofdepositieberekening is gebleken dat er geen stikstofdepositiebijdrage berekend wordt in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Als gevolg van de beoogde uitbreiding van het plangebied is een aangepaste verschilberekening uitgevoerd.
Uit deze verschilberekening volgt dat ook uitgaande van 15,07 ha bruto distributieterrein geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden in Nederland. Uit de verschilberekening kan derhalve wederom worden geconcludeerd dat inzake stikstofdepositie significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in Nederland zijn uitgesloten. Dat laatste geldt ook voor de Natura 2000- gebieden in België, aangezien de planbijdrage ruim minder dan 1% van de KDW bedraagt zoals gesteld in de "Praktische wegwijzer Eutrofiering via de lucht". Voortoets Natura 200028 Voor de ontwikkeling is een voortoets in het kader van Natura 2000 opgesteld. De locatie ligt dusdanig dicht bij Natura 2000 gebieden dat de komst van dit distributiecentrum mogelijk gevolgen heeft voor de doelsoorten en habitattypen in deze Natura 2000 gebieden. Deze voortoets geeft inzicht in deze mogelijke effecten. Op basis van de uitkomsten van deze voortoets kan nader onderzoek noodzakelijk blijken om tot een goede beoordeling te kunnen komen. Enkele effecten die mogelijk van invloed zijn moeten nader worden beken. Dit is afgelopen jaar uitgevoerd waardoor de mogelijke effecten hier nader kunnen worden beschouwd.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Beide effecten: verzuring (3) en vermesting (4), worden veroorzaakt door de uitstoot van stikstofoxiden. Om aan te tonen wat het effect is op de Natura 2000 gebieden is een Aerius berekening gemaakt. De berekening laat zien dat er geen toename is op de stikstofdepositie in de Natura 2000 gebieden. Dit betekent dat de in de voortoets genoemde prioritaire soorten en habitattypen geen risico lopen als gevolg van deze ontwikkeling. Aanwezigheid ingekorven vleermuis Indien de ingekorven vleermuis binnen het plangebied wordt aangetroffen dan kunnen effecten optreden ten aanzien van: 1 Oppervlakteverlies;
27
Peutz, Oplegnotitie milieuonderzoeken, projectnummer: 22232-8-NO, d.d. 11 oktober 2022 Foreest Groen Consult B.V. Voortoets Natura 2000, d.d. 4 oktober 2022
28
Hoofdstuk 4
52
2 Versnippering; 14 Verstoring door licht.
Vanaf het najaar 2021 tot en met het najaar 2022 is nader onderzoek uitgevoerd op 7 verschillende locaties binnen het plangebied. Bij alle 27 in dit kader uitgevoerde onderzoeken is de ingekorven vleermuis niet aangetroffen. Dit betekent dat de komst van het distributiecentrum geen invloed heeft op deze prioritaire soort en dat de mogelijke effecten, als aangegeven in hoofdstuk 4, hier niet optreden. Ten aanzien van effect 14, verstoring door licht, zijn in de ontheffingsaanvraag soortenbescherming wel enkele aandachtspunten vermeld. Maar dit heeft geen gevolgen voor de doelstellingen van de Natura 2000 gebieden waarvoor deze voortoets is opgesteld. Dit is een ander traject dat inmiddels ingang is gezet. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied zelf maakt geen deel uit van het NNN. Directe effecten zoals ruimtebeslag op het NNN-gebied zijn hierdoor niet aan de orde. Het meest dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNN is op circa 100 meter, aan de andere kant van het Julianakanaal, gelegen. Aantasting van het NNN-gebied door externe ontwikkelingen zijn in deze fase niet aan de orde. De planologische uitgifte van bedrijfskavels leidt niet tot significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebied. Voor initiatiefnemers die gebruik willen maken van de bedrijfskavels kan dit wel gelden.
Werkzaamheden van deze initiatiefnemers kunnen leiden tot negatieve invloeden op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Toetsing dient specifiek plaats te vinden met betrekking tot natuurdoelen- en kwaliteit, kwaliteit van bodem, lucht, rust, stilte, donkerte en geslotenheid van de landschapsstructuur. Daar de plannen van toekomstige initiatiefnemers nog niet bekend zijn, dienen deze effecten in een later stadium te worden getoetst zodra deze plannen verder zijn uitgekristalliseerd. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); Andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toetsing Om de (potentieel) aanwezige soorten in beeld te brengen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd29. Uit de quickscan volgt dat potentieel de navolgende beschermde soorten in het plangebied aanwezig kunnen zijn: de das, grote vos en teunisbloempijlstaart (ongewervelden), roofvogels en grote gele kwikstraat (broedvogels) en vleermuizen.
29
Foreest Groen Consult B.V. Quickscan natuuronderzoek Havenweg te Echt, d.d. 19 augustus 2021
Hoofdstuk 4
53
Das (zoogdieren) Tijdens het veldonderzoek is een dassenburcht aangetroffen in het essen-eikenbos ten noordwesten van de planlocatie. De das is een beschermde diersoort en zodoende is een vervolgonderzoek naar de das noodzakelijk geacht. Het vervolgonderzoek is ingepland en de toelichtingen zullen verder in deze paragraaf worden toegelicht. Grote vos en teunisbloempijlstaart (ongewervelden) In de verspreidingsgegevens komen twee vlindersoorten naar voren die beschermd zijn. Dit zijn de grote vos en teunisbloempijlstaart. De grote vos komt vooral voor op iep, maar ook op zoete kers en verschillende soorten wilgen. De teunisbloempijlstaart komt voor op teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart. Binnen de planlocatie zijn de waardplanten voor deze twee beschermde vlindersoorten veelvuldig aanwezig. Door de ontwikkeling kan leefgebied van deze twee vlindersoorten worden aangetast. De Wet natuurbescherming wordt voor de soortgroep vlinders mogelijk overtreden. Het vervolgonderzoek is ingepland en de toelichtingen zullen verder in deze paragraaf worden toegelicht. Roofvogels en grote gele kwikstaart (broedvogels) Bij de veldinspectie is geconstateerd dat onder andere de boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer en zwarte wouw wel als broedvogel in het plangebied kunnen worden aangetroffen.
Meerdere van deze genoemde soorten maken gebruik van oude nesten van de zwarte kraai of bouwen zelfstandig nesten in solitaire bomen of kleine bosjes. De nesten van de buizerd en sperwer zijn niet beschermd maar er moet wel worden vastgesteld of de soorten over voldoende leefgebied blijven beschikken. Bij de veldinspectie is de grote gele kwikstaat waargenomen. Onderzocht moet worden of het plangebied van belang is als broedlocatie voor deze soort. Het vervolgonderzoek is ingepland en de toelichtingen zullen verder in deze paragraaf worden toegelicht. Vleermuizen In de verspreidingsgegevens zijn de rosse vleermuis en gewone dwergvleermuis vermeld. Ter plaatse van het plangebied zijn potentiële rust- en verblijfplaatsen aanwezig in de vorm toegang tot de gebouwen en holtes, kieren en losse schorsdelen van dode bomen. In 2019 is door FF advies een vleermuisonderzoek uitgevoerd. Op de hoek Oude Lakerweg en de Slagmolen is onderzoek uitgevoerd naar passerende vleermuizen. Dit onderzoek is destijds uitgevoerd onder het regime van het vleermuisprotocol 2017. De gegevens zijn echter op dit moment ook nog bruikbaar. De onderzoeksopzet van destijds voldoet voor wat betreft een vliegroute aan het huidige vleermuisprotocol. Resultaat van het onderzoek was dat er geen vliegroute langs de Lakerweg is vastgesteld. De weg Slagmolen is wel een vliegroute voor vleermuizen.
De weg Slagmolen ligt echter buiten het plangebied en wordt door de plannen niet aangetast. Aan de zijde van de Slagmolen komt een robuuste groenzone te liggen. De gegevens uit het in 2019 uitgevoerde onderzoek zijn nog te gebruiken tot en met 2022. Indien de realisatie van deze plannen na 2022 plaatsvinden, dan is een actualisatie van dit onderzoek noodzakelijk. Vervolgonderzoek Naar aanleiding van de quickscan wordt vervolgonderzoek uitgevoerd op de navolgende wijze:
Hoofdstuk 4
54
Roofvogels
Controle van de bomen op aanwezigheid van roofvogelnesten voorjaar 2022.
Grote gele kwikstaart
Controle van het gebied op territoriale grote gele kwikstaart voorjaar 2022.
Vleermuizen verblijfplaatsen en vliegroute
Controle van één vliegroute van vleermuizen en vier potentiële verblijfplaatsen conform vleermuisprotocol 2021.
Das
Onderzoek burcht en functionele omgeving met behulp van cameravallen. Deze camera’s blijven in de periode april – augustus 2022 gedurende 6 weken in het plangebied aanwezig.
Grote vos
2 inventarisatieronden volwassen dieren zomer 2022.
Teunisbloempijlstaart
2 inventarisatieronden volwassen dieren voorjaar 2022.
Thans is een memo stand van zaken onderzoeken opgesteld. 30 Daaruit volgt welke onderzoeken reeds zijn uitgevoerd en welke nog moeten worden uitgevoerd. In deze memo zijn tevens de resultaten van het onderzoek naar de das opgenomen. In elke fase zullen de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken telkens in deze toelichting aangevuld worden. In deze memo zijn reeds de resultaten opgenomen van het onderzoeken naar de das en naar vleermuizen. De memo is vooralsnog opgenomen in de bijlagen. Vervolgonderzoek das Het onderzoek naar de das heeft plaatsgevonden middels cameravallen in de periode vanaf 27 augustus 2021 t/m 23 december 2021. De op 2 en 15 september 2021 op de cameravallen vastgelegde das is een exemplaar dat een nieuw territorium aan het zoeken is. Nergens zijn door dit dier veroorzaakte sporen aangetroffen. Dit betekent dat het dier slechts korte tijd in dit gebied aanwezig is geweest. In de openbare verspreidingsgegevens is, tussen 2011 en nu, één waarneming bekend van een das uit 2015 (waarneming.nl gebied Berkelaar). In september van dat jaar (2015) is de das met een cameraval vastgelegd op de akker naast het bosje waar in september dit jaar de das is aangetroffen. Incidenteel zoekt een das dus dit gebied op, opzoek naar een geschikt territorium. Wordt het gebied bekeken dan ligt dit gebied zeer geïsoleerd.
Het gebied wordt aan de westzijde begrensd door het Julianakanaal en aan de oost zijde de A73 en meer naar het noorden de A2. Aan de noordzijde is het gebied door de bebouwde kom van Maasbracht afgesloten. Aan de zuidzijde door industrieterrein de Loop. Midden in het agrarische gebied ligt dan ook nog eens het dorp Berkelaar. Dit dorp knip het gebied in twee delen. Het agrarische gebied tussen de Loop en Berkelaar is ca. 85 hectare groot. Het gebied tussen Berkelaar en Maasbracht is ca 220 hectare groot. Samen ligt er dus een gebied van ca. 300 hectare wat vooral bestaat uit akkerland met verspreid enkele graslanden voor de winning van ruwvoer, bosjes en enkele boomgaarden. Hierdoor is het gebied ook niet kansrijk voor de das om een territorium te vestigen. Dit is zeker geen optimaal leefgebied voor deze soort. De soortenstandaard geeft voor de das, in en marginaal gebied, een oppervlakte van 150 – 600 hectare aan. Het zuidelijke deel waarin het plangebied ligt is veel te klein om als territorium te dienen. Samen
30
Foreest Groen Consult BV, Memo stand van zaken natuuronderzoeken Echt 19-01-2022
Hoofdstuk 4
55
met het noordelijke gebied is het totale gebied is te klein voor de vestiging van een familie groep, laat staan een populatie. Het zal hier gaan om een individu op zoek naar een nieuwe verblijfplaats. Er zijn echter geen aanwijzingen gevonden dat de das zich in het gebied heeft gevestigd. De eigenaar van de gronden heeft ook nog nooit een das waargenomen op zijn terrein. Dit af en toe doorkruisen van het gebied is ook omschreven in een quickscan (Fauna advies Gemeente Echt-Susteren Quickscan flora en fauna voor Bedrijventerrein Sint Joost, Rapportnummer R201908-A, 27 februari 2019) die is opgesteld voor de wijziging van de bestemming naar industrieterrein. Ook hierin wordt aangegeven dat er af en toe op de grote wegen in het gebied dassen worden doodgereden, maar dat er geen burchten aanwezig zijn. Uit de camera beelden blijkt dat er met enige regelmaat mensen in het bosje aanwezig waren. Dit zorgt voor een verstoring in het gebied. Zeker wanneer er ook met een hond wordt gewandeld. De conclusie dat het plangebied voor de das van geen enkele belang is, is hiermee gerechtvaardigd. De ontwikkeling naar een industriegebied leidt hierdoor niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Vervolgonderzoek vleermuizen Het onderzoek in het najaar heeft geen vaste rust- en verblijfplaatsen aangetoond.
De aanwezigheid van een massa winterverblijf en of paarverblijven is hiermee uitgesloten. Het onderzoek wordt in het voorjaar voortgezet. Omgevingscheck reigers31 In het plangebied is een reigerkolonie aanwezig. Op 23 december zijn in drie bomen in totaal 16 nesten aangetroffen. In twee solitaire populieren zijn 5 resp. 6 nesten aanwezig. In een eik in het bosje zijn vijf nesten aanwezig. Reigernesten zijn zogenaamde categorie 4 nesten, conform Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Dit betekent dat een omgevingscheck moet worden uitgevoerd om vast te stellen of de soort zelfstandig een alternatieve locatie kan vinden. Is dit het geval dan is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. De reigers zijn aanwezig in enkele bomen op ca. 100 meter van het Julianakanaal. Het plangebied rondom de kolonie bestaat uit akkerland wat met verschillende gewassen is ingeplant, mais en doperwten. Dit akkerland is als voedselgebied voor de reigers van weinig belang. Langs de Havenweg en aan de overzijde van het Julianakanaal richting Ohé en Laak en Stevensweert staan vele volwassen bomen, solitair en in laanverband. Hier ligt ook het foerageergebied van de reigers rondom de voormalige zandwinningsplassen die als natuurparken zijn ingericht.
Indien de 3 bomen, waarin de reigerkolonie genesteld is, verdwijnen zal dit niet leiden tot een afname van de functionaliteit van het gebied en de plaatselijke populatie reigers. De drie bomen met daarin de reigernesten kunnen hierdoor zonder het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden geveld. De memo is in de bijlagen aan deze toelichting toegevoegd. 31
Foreest Groen Consult BV, Memo reigerkolonie, d.d. 19 januari 2022
Hoofdstuk 4
56
Oplegnotitie Quickscan natuuronderzoek Slagmolen Voor de uitbreiding van het plangebied ter plaatse van de slagmolen is tevens een quickscan uitgevoerd32. Uit deze quickscan volgt dat potentieel de navolgende beschermde soorten in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn: de steenmarter, huismus en boerenzwaluw (broedvogels) en vleermuizen. Steenmarter In tegenstelling tot de akkers en het bedrijventerrein van het voorgaande onderzoek zijn het bosje en de tuinen met dichte vegetatie en schuilmogelijkheden wel van belang voor de steenmarter. Uit onderzoek van het najaar 2021 (nog niet gerapporteerd) blijkt dat de steenmarter aanwezig is in het esseneikenbosje. Sporen van de das zijn niet aangetroffen. De Wet natuurbescherming wordt voor de soortgroep zoogdieren mogelijk overtreden. Nader onderzoek naar steenmarter is noodzakelijk. Huismus De huismus komt in de directe omgeving voor. Waarnemingen zijn bekend vanuit het bebouwde gebied van Echt en Berkelaar (<1 km afstand). Huismussen zijn niet gezien of gehoord tijdens het veldbezoek, maar de nodige elementen voor deze vogels zijn wel aanwezig. Denk daarbij aan struiken, hagen en klimplanten om in te slapen, en foerageer- en drinklocaties. De muldenpannen laten over het algemeen weinig ruimte onder het dak voor nestlocatie, maar op sommige plekken (bijv. hoeken) zijn wel openingen waar dieren tussen kunnen kruipen.
Omdat huismus in de omgeving voorkomt en de nodige elementen aanwezig zijn kan de aanwezigheid van de huismus niet op voorhand worden uitgesloten. Boerenzwaluw In de schuur van Slagmolen 2 zijn enkele nesten van boerenzwaluwen aangetroffen. Deze nesten vallen binnen categorie 2 vaste nesten en zijn jaarrond beschermd in provincie Limburg. De gebouwen worden verder niet door andere zwaluwen bewoond. Het dak van het woonhuis van Slagmolen 2 heeft weliswaar een gunstige hoogte, en aan de bovenrand van de muur zijn vogelpoep strepen gevonden, maar het boeiboord sluit strak aan op het metselwerk en laat nergens openingen voor nestlocatie voor gierzwaluw. De vogelpoep duidt erop dat zwaluwen wel houvast kunnen vinden aan de gootklossen, maar nesten van huiszwaluwen zijn niet aangetroffen. Naast de genoemde broedvogels van het voorgaande onderzoek (grote gele kwikstaart, boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer en zwarte wouw) is nader onderzoek naar huismus en boerenzwaluw noodzakelijk. Vleermuizen De walnootbomen in de tuin van Slagmolen 1 tonen de restanten van afgebroken takken. Hier zijn scheuren en losse schorsdelen te zien die mogelijk benut kunnen worden door vleermuizen zoals rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Het dak van woonhuis Slagmolen 1 is niet lang geleden vernieuwd en heeft boeidelen van Trespa dat te glad is voor vleermuizen.
De gevelmuren zijn oud en op sommige plaatsen onregelmatig waardoor toch kieren ontstaan die gebruikt kunnen worden door vleermuizen. De kelder is niet toegankelijk vanaf buiten. De schuren op beide percelen hebben daken met plekken waar vleermuizen weg kunnen kruipen. Het woonhuis van Slagmolen 2 heeft openingen onder de nokvorsten.
32
Foreest Goren Consult, Quickscan natuuronderzoek Slagmolen oplegnotitie, d.d. 22 februari 2022
Hoofdstuk 4
57
Opstaande structuren van gebouwen en bomen zijn veelvuldig aanwezig op de percelen. Onderzoek moet uitwijzen in welke mate deze structuren deel uitmaken van vliegrouten van vleermuizen. Er zijn daarmee geen veranderingen in de conclusie voor deze soortgroep ten opzichte van het voorgaande onderzoek van juli. Het aantal clusters van onderzoek moet met deze twee woningen worden uitgebreid. De Wet natuurbescherming wordt voor de soortgroep vleermuizen mogelijk overtreden. Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen en vliegrouten is noodzakelijk. Memo ‘Kappen van houtopstanden’ Ten behoeve van deze ontwikkeling moeten houtopstanden gekapt worden. De locaties van deze houtopstanden zijn inzichtelijk gemaakt in een apart rapport die is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting33. Alle boombeplantingen, uitgezonderd de erven, vallen onder de provinciale verordening voor het kappen van bomen. Voor deze gebieden dient een kapmelding te worden gedaan bij de provincie Limburg. Dit betekent dat voor de kap van de bomen een melding moet worden gedaan bij de Provincie Limburg. De melding moet 6 weken voor de voorgenomen kap worden ingediend. Voor een deel van de te kappen bomen dient een ontheffing te worden aangevraagd voor de herplantplicht, omdat het herplanten op de bestaande locatie niet mogelijk is.
Ecologische beoordeling twee bosjes Uit de Memo ‘Kappen van houtopstanden’ is gebleken dat ten behoeve van de ontwikkeling een tweetal kleine bosjes moeten worden verwijderd. Voor de bosjes geldt een verschillend regime van bescherming. Het kleinste deel ligt in de groenblauwe zone. Het grootste deel daarbuiten. Een van de bosjes vervult voor veel diersoorten een functie. Een groot deel van de diersoorten heeft geen beschermde status. Maar samenvattend kan worden geconcludeerd dat dit bosje geen zwaarwegende essentiële elementen bevat. Hierbij moet nog een voorbehoud worden gemaakt. Dit geldt ten aanzien van de das. Op het moment dat de dassenwerkgroep Limburg met aanvullende gegevens komt ten aanzien van deze locatie kan de conclusie ten aanzien van de das moeten worden bijgesteld. Met de huidige kennis over de soorten en samenhang geldt, dat dit in lijn ligt met de verwachting voor een landschappelijk element van deze omvang en op deze plaats. De functies die dit bosje vervult kunnen zonder problemen worden overgenomen door een bosje op een ander locatie. Aanvullende notitie natuuronderzoeken34 Voor meerdere soorten in het plangebied zijn, zoals reeds omschreven, vervolgonderzoeken uitgevoerd voor de das, roofvogels en reigers. De overige soorten zijn nader onderzocht 35. Daarbij zijn tevens in het vervolgonderzoek de das, roofvogels en reigers nog eens onderzocht.
Voor de das, roofvogels en reigers zijn de onderzoeken gereed. Hieronder zijn de resultaten samengevat. Das De das is op twee avonden in september 2021 waargenomen en verder zijn er geen sporen van de das aangetroffen. Tevens zijn bij de dassenwerkgroep Limburg geen gegevens bekend. Uit het onderzoek is gebleken dat deze das een ‘zwervend’ exemplaar betreft en dat het niet of nabij het plangebied verblijft. Een ontheffing is niet nodig. Het enige risico betreft de aanwezigheid van een oude 33 34 35
Foreest Groen Consult BV, Memo Kappen van houtopstanden, d.d. 25 maart 2022 Foreest Groen Consult BV, Memo stand van zaken natuuronderzoeken Echt 02-06-2022 Foreest Groen Consult BV, Nader natuuronderzoek naar 10 soorten en 1 soortgroep op de locatie Havenweg in Echt 4 oktober 2022
Hoofdstuk 4
58
burcht. Er zijn geen harde data die aangeven dat deze burcht de afgelopen 5 jaar is onbewoond, maar er zijn ook geen data dat er afgelopen 5 jaar een das heeft verbleven. Op basis van waarnemingen van de ecoloog wordt er uitgegaan dat de burcht niet is bewoond. Vervolg das Er is nader onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van de Das. Uit de camera beelden blijkt dat er met enige regelmaat mensen in het bosje aanwezig waren. Dit zorgt voor een verstoring in het gebied. Zeker wanneer er ook met een hond wordt gewandeld. De conclusie dat het plangebied voor de das van geen essentieel belang is, is hiermee gerechtvaardigd. De ontwikkeling naar een industriegebied leidt hierdoor niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Roofvogels In het onderzoek naar roofvogels is een bewoond nest van een buizerd waargenomen in het bosje. Het nest is een vaste rust- en verblijfplaats categorie 4. Dit betekent dat, als kan worden vastgesteld dat de buizerd over een alternatieve locatie kan beschikken en voldoende leefgebied, de nestlocatie niet beschermd is. Gezien de omgeving kan de buizerd over ruim voldoende alternatieve mogelijkheden beschikken. Het grootste deel van het plangebied is akker en daarmee van minder belang voor de buizerd. Een ontheffing is niet nodig. Voor de volledigheid is ten behoeve van de buizerd een omgevingscheck36 uitgevoerd.
Uit de omgevingscheck is gebleken dat de buizerd een nest heeft gebouwd in een jonge gewone es, vrij centraal in het bosje. Het plangebied rondom de locatie bestaat uit akkerland dat met verschillende gewassen wordt beplant. In 2021 waren de akkers ingeplant met mais en doperwten, in 2022 met gerst. Dit akkerland is als voedselgebied voor de buizerd alleen na de oogst van de gewassen van belang. Op het moment dat de gewassen op het veld staan kan de buizerd hier geen voedsel vinden. Afhankelijk van de hoeveelheid gewasresten kunnen na de oogst op de akker muizen aanwezig zijn. Het gebied ten noorden van de planlocatie richting Berkelaar en Maasbracht maar ook het gebied aan de westzijde van het Wilhelminakanaal richting de grensmaas behoort tot het leefgebied van deze buizerd. Vooral in het gebied ten westen van het Wilhelminakanaal kan de buizerd het jaarrond voedsel vinden. Hier zijn veel jaarrond, met gras begroeide weiden aanwezig in een relatief kleinschaliger landschap. De buizerd wordt, blijkt uit meerdere gesprekken met passanten, veelvuldig waargenomen aan de noordzijde van Berkelaar, bij de Maria kapel. In dit hele gebied staan vele solitaire bomen, kleine bosjes en lanen met volwassen bomen. In veel van deze bomen zijn nesten van zwarte kraaien aanwezig. Deze nesten gebruikt buizerd veelvuldig als basis van het eigen nest.
Dit is ook in het bosje binnen het plangebied het geval. In deze gewone es was eerder een kraaiennest aanwezig. Indien de nest verdwijnt dan leidt dit niet tot een afname van de functionaliteit van het gebied, de buizerd kan zelfstandig een nieuwe locatie vinden. Essentiele onderdelen van het foerageergebied gaan niet verloren. Hiermee is vastgesteld dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is voor de soort om zich te kunnen vestigen. Vervolg roofvogels De omgevingscheck toont aan dat de buizerd zelfstandig een nieuwe plek kan vinden en dat er voldoende alternatieve leefomgeving aanwezig is. Het kappen van de bomen met daarin het nest van de buizerd en de herontwikkeling leiden daardoor niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming 36
Foreest Groen Consult BV, Omgevingscheck Buizerd
Hoofdstuk 4
59
voor wat betreft de buizerd op het moment dat de soort niet zelfstandig een nieuwe nestlocatie kan vinden. Reigers In deze toelichting (bladzijde 53) is het onderzoeksresultaat naar de reigers al reeds benoemd. Een ontheffing is niet nodig. Vleermuizen Tijdens het onderzoek naar vleermuizen zijn vijf potentiële verblijfplaatsen gekenmerkt. Uit het onderzoek is gebleken dat deze vijf objecten niet van belang zijn als vaste rust- en verblijfplaats voor veermuizen. Het slopen van de gebouwen en kappen van de bomen leiden niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Tevens zijn er twee locaties onderzocht ten behoeve van de vliegroutes. Een vliegroute langs de Oude Lakerweg en het terrein van de Slagmolen 1 en 2. De Oude Lakerweg zelf vormt een tweede minder belangrijke vliegroute die aansluiting geeft op een veilige oversteek van de A2, via de tunnel van de Molenbeek. Deze route is van een minder groot belang voor vleermuizen. Het verwijderen van de bomen langs de Oude Lakerweg leidt echter wel tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing is noodzakelijk. Nabij de woningen op de Slagmolen zijn eveneens passerende vleermuizen waargenomen. De dieren passeren langs de voorzijde via de bomen langs de Slagmolen.
Wordt deze route aangetast door de kap van bomen die in de Berm van de Slagmolen staan of door het plaatsen van verlichting, dan on staat ook hier een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft deze vliegroute van vleermuizen. Blijven de bomen langs de Slagmolen onaangetast en wordt de locatie niet verlicht dan hebben de plannen geen invloed op deze belangrijke vliegroute en wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Huismus De huismus is niet op de planlocatie aanwezig. Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de huismus. Steenmarter In de tuinen en opstallen van de Slagmolen 1 en 2 bevindt zich een vaste rust en verblijfplaats van de steenmarter. Het onderzoek met de cameravallen bevestigd de eerdere resultaten van het cameraonderzoek in het achtergelegen bosje dat de steenmarter hier aanwezig is. Bij het vleermuisonderzoek op 5 juni 2022 is de steenmarter gezien bij de schuur naast Slagmolen 1. Hierdoor kan worden aangenomen dat de opstallen onderdeel vormen van het netwerk van vaste rusten verblijfplaatsen van de steenmarter. De steenmarter is gedeeltelijk beschermd in Limburg.
Worden de gebouwen gesloopt tussen 15 augustus en februari dan geldt voor de soort een vrijstelling (Bijlage I bij paragraaf 3.8: Bestrijding schadeveroorzakende dieren Omgevingsverordening Limburg 2014). Daarbuiten (maart tot en met 14 augustus) zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen beschermd. Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden afhankelijk van het tijdstip van sloop mogelijk tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.
Hoofdstuk 4
60
Boerenzwaluw De boerenzwaluw blijkt niet (meer) in de schuur aanwezig te zijn. Bij de controle op 1 juli 2022 waren de nesten niet bezet en een van de twee nesten was deels beschadigd. Uit het onderzoek op 1 juli 2022 blijkt dat de nesten dit broedseizoen 2022 niet in gebruik zijn geweest. Hiermee is vastgesteld dat de verblijfplaats minimaal 12 maanden niet meer in gebruik is geweest en is de bescherming van deze nesten komen te vervallen. Het slopen van de schuur en de herontwikkeling leiden niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de boerenzwaluw. Grote vos Gezien het ontbreken van waarnemingen van de grote vos is vastgesteld dat de soort niet in het plangebied aanwezig is. Het kappen van de bomen en het verwijderen van de begroeiing leidt niet tot een overtreding voor wat betreft de grote vos. De wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Teunisbloempijlstaart Gezien het ontbreken van waarnemingen van de teunisbloempijlstaart is vastgesteld dat deze soort niet in het plangebied aanwezig is. Het verwijderen van de begroeiing met teunisbloemen leidt niet tot een overtreding voor wat betreft de teunisbloempijlstaart. De wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Grote gele kwikstaart Onderzoek heeft aangetoond dat de grote gele kwikstaart in het plangebied geen broedterritorium bezit. De soort is bij het gerichte onderzoek niet waargenomen.
De soort blijkt uit de waarneming in de zomer van 2021 wel in de omgeving aanwezig. Het plassengebied maar ook het kanaal aan de westzijde van de planlocatie is zeker geschikt als broedterritorium. Op veel plaatsen kan de grote gele kwikstaart hier obstakels aantreffen om een nest onder te bouwen. De volledig met gras dichtgegroeide Molenbeek en de gebleken, tijdelijke, zeer hoge waterstanden bij veel regenval, maken dat de Molenbeek in de huidige staat volledig ongeschikt is voor deze soort. Het verwijderen van de begroeiing en herontwikkeling van het plangebied leiden niet tot een overtreding voor wat betreft de grote gele kwikstaart. De wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Muurhagedis Onderzoek heeft aangetoond dat deze soort aan de randen van het plangebied aanwezig is. Binnen het plangebied is de soort niet aangetroffen. De muurhagedis bevindt zich op de warme delen van het terrein, de met beton beklede oevers van de Molenbeek. Daarnaast is de soort ook herhaaldelijk waargenomen in de berm langs de Havenweg. De eerste waarneming in de berm is van 23 maart 2022 nabij Baars recycling. De overige waarnemingen zijn van op stamvoeten van de grote essen in de berm langs de Havenweg. Hier is de muurhagedis vrijwel elke keer dat onderzoek is uitgevoerd waargenomen. Op de stapelblokken die bij Baars recycling op het terrein staan is de soort niet aang troffen.
De impact van de plannen op deze soort zijn zeer beperkt en hebben uitsluitend betrekking op twee hele specifieke plaatsen. 1. Door het verlegen van de Oude Lakerweg zal de duiker mogelijk worden verlegd en daarmee wordt ook gewerkt aan de beton beschoeiing op het talud. De huidige plannen gaan op dit moment uit van het handhaven van de bestaande duiker.
Hoofdstuk 4
61
2. De Havenweg gaat fungeren als aan en afrijroute van het distributiecomplex en daardoor wordt de berm langs de havenweg meer intensiever bereden. Hierdoor kan de verbindingszone tussen de locatie van de natuursteenhandel en de meer noordelijk gelegen verblijfsplaatsen in de berm, de stamvoeten van de grote essen, worden doorsneden. Op het moment dat dit gebeurd ontstaat een overtreding van de Wet natuurbescherming en zal een ontheffing voor deze soort moeten worden aangevraagd. Aanbevelingen natuuronderzoeken Intrinsieke waarde Onder de wet natuurbescherming wordt elk in het wild levende dier of inheemse plant beschermd. Ook diersoorten of diergroepen, die niet in de lijsten van de flora en faunawet voorkomen, bezitten deze bescherming. Voorwaarde is wel dat het inheemse dieren betreft. Dit is de intrinsieke waarde van het dier of de plant. Het is daarom aan te bevelen om direct voorafgaande aan de werkzaamheden het plangebied en de omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren. Worden dieren aangetroffen moeten deze de kans krijgen om zich in veiligheid te brengen. Ook tijdens de werkzaamheden dient met de aanwezigheid van dieren rekening te worden gehouden. Treft men een dier aan dan moet deze de kans krijgen om zich in veiligheid te brengen, of moet het dier in veiligheid gebracht worden.
Worden onverhoopt beschermde diersoorten aangetroffen dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en een passende oplossing worden gezocht. Ontheffing aanvragen Geadviseerd word om voor de muurhagedis en de twee vliegroutes van vleermuizen (langs de Slagmolen en Oude Lakerweg) een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Door tijdig een ontheffing aan te vragen kan ook op tijd worden begonnen met de mitigerende maatregelen en kunnen deze soorten langzaam wennen aan de veranderingen in zijn leefgebied. Steenmarter Indien de woningen aan de Slagmolen 1 en 2 tussen 15 augustus en februari worden gesloopt dan is voor de steenmarter geen ontheffing noodzakelijk. Bij sloop buiten deze periode kan de steenmarter jongen hebben en is slopen ontheffingsplichting. De kans is groot dat, indien een ontheffing wordt verleend, er eerst zekerheid moet worden verkregen of er geen vrouwelijk dier met jongen aanwezig is. Dit vergt dan weer aanvullend nader onderzoek. Om deze reden wordt geadviseerd om de gebouwen in de vrijgestelde periode te slopen.
4.6 Verkeer en parkeren Verkeer Ten behoeve van deze ontwikkeling is een verkeersanalyse opgesteld waarin de verwachte verkeersgeneratie en de effecten op het omliggend wegennet zijn weergegeven. 37 De verkeersanalyse is al bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan.
37
Movares, Bedrijventerrein de Loop Echt-Susteren Verkeersanalyse, rapportnr. MN003162 Versie 3.0, d.d. 28 januari 2022
Hoofdstuk 4
62
Het bedrijventerrein ligt aan de A2 bij aansluiting 45 Echt en wordt hierop ontsloten via de Havenweg en Aasterbergerweg. Voor de bereikbaarheid van het bedrijventerrein en de aanliggende ontsluitingsstructuur is een verkeersanalyse opgesteld waarin de verwachte verkeersgeneratie en de effecten op het omliggend wegennet zijn weergegeven. De verkeersanalyse is al bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Voor het maken van de analyse is de toekomstige situatie 2030 gesimuleerd in een dynamisch verkeersmodel. Voor de verkeerssimulatie is gebruik gemaakt van regionaal verkeersmodel en data van INWEVA afkomstig van Rijkswaterstaat (hierna RWS). Het Regionale model gaat uit van een sterke groei die hoger ligt dan de generieke verkeerstoename. Eerst is er een basismodel gebouwd voor de situatie Echt zonder bedrijventerrein. Daarna is de situatie 2030 gesimuleerd, zowel zonder als met het verkeer van en naar het bedrijventerrein. De verkeerssimulatie van Echt 2030 signaleert een capaciteitsprobleem tijdens de avondspits op de rotonde ten oosten van de A2. Deze kan terugslaan tot aan de rotonde Aasterbergerweg – Zuiderpoort – Sint Janskamp. Wanneer het verkeer van het bedrijventerrein hieraan wordt toegevoegd, nemen deze capaciteitsproblemen beperkt toe.
Er wordt geadviseerd om de wijze waarop het toekomstige capaciteitsprobleem opgelost wordt te onderzoeken binnen een grotere samenhang van de aansluiting 45 Echt en in samenhang met de grotere ontwikkelingen in deze omgeving de bijdrage van dit plan is beperkt. Vanuit de verkeerssimulatie wordt geen terugslag gesignaleerd naar de A2 of de andere aansluitingen op de rotondes. Om te voorkomen dat LZV’s (Lange Zware Vrachtvoertuigen) richting de Havenweg de rotondes als nog blokkeren is een rijcurvesimulatie uitgevoerd. De rotondes en de Havenweg worden geschikt gemaakt voor het gebruik door LZV’s. Wel moet voorkomen worden dat een LZV vanaf de rotonde richting de Havenweg moet wachten op verkeer van rechts (Oude Lakerweg) en als nog de rotonde ten westen van de A2 blokkeert. Daarom wordt geadviseerd om de voorrangssituatie op de Havenweg – Oude Lakerweg, met voorrang voor het verkeer op de Havenweg. Oplegnotitie verkeer38 Zoals reeds vermeld wordt het bedrijventerrein in de noordwestzijde (ter plaatse van de Slagmolen) uitgebreid. Om de verkeerseffecten van deze aanvullende hectare bedrijventerrein te bepalen heeft Movares een aanvullende verkeerssimulatie uitgevoerd. Bij de start van de planvorming is uitgegaan van een algemeen gemengd bedrijventerrein.
Nu het bedrijventerrein ook voornamelijk of geheel kan bestaan uit logistiek en opslag is gevraagd om de samenstelling van hete verkeer te actualiseren in het verkeersmodel. Deze concrete invulling heeft namelijk gevolgen voor de verkeersgeneratie en mogelijk ook voor de verkeersafwikkeling. Een concrete invulling met logistiek en opslag heeft tot gevolg dat er een andere CROW-norm voor het berekenen van de verkeersgeneratie van toepassing is. Paragraaf A2.2 van de CROW publicatie 381 kent namelijk ook het type werkmilieu ‘distributieterrein’ (type III). Deze oplegnotitie gaat in op de actualisatie van de verkeersafwikkeling behorende bij de voorgenomen ontwikkeling en is een actualisatie van de “Verkeersanalyse Bedrijventerrein de Loop Echt-Susteren”. Gelet op het voorgaande wordt bij de vaststelling van de verkeersgeneratie uitgegaan van een tweetal ruimtelijke situaties: 38
Movares, Oplegnotitie verkeersanalyse, projectnummer MN003162 d.d. 10 oktober 2022
Hoofdstuk 4
63
Situatie 1 – Ontwikkeling exclusief Slagmolen en inclusief druppel zoals beschreven in de verkeersanalyse van 28 januari 2022; Situatie 2 – Ontwikkeling inclusief Slagmolen en exclusief druppel. Dit vormt het huidige plangebied.
Binnen beide situaties is onderscheidt gemaakt in het type bedrijventerrein1: A. Uitgangspunt: gemengd bedrijventerrein; B. Uitgangspunt: distributieterrein. Door van de hoogste verkeersgeneratie (situatie 2B) uit te gaan geldt deze beoordeling als beoordeling van het worst-case-scenario. In deze simulatie is een vergelijking gemaakt van de situaties 2030 tussen: Situatie 1: De oorspronkelijke voorgenomen ontwikkeling Situatie 2: De voorgenomen ontwikkeling t.b.v. warehouse 2b. In onderstaande tabel is per situatie aangeven (1A, 1B, 2A, 2B) wat de maximale wachtrijlengtes zijn op basis van vijf simulatie runs. Onderstaande waardes geven dus de uiterste worst-case situatie weer van de betreffende variant. Ter verduidelijking, op meetpunt 102 komt deze wachtrijlengte van 85 meter (scenario 1b) maar een keer voor in vijf simulatieruns van twee spitsuren. De kans dat deze situatie optreedt komt neer op ca. 0,3%.
Maximale wachtrijlengtes per meetpunt per situatie Intospace De Loop te Echt-Susteren (bron: Movares)
Op basis van de verkeerssimulatie 2030, wordt geconstateerd dat de ochtendspits in alle situaties functioneert. De avondspits laat een drukker verkeersbeeld zien. Gedurende de avondspits wordt de capaciteit op richting 202 (Aasterbergweg vanuit Echt) overschreden. In het rapport van 28-01-2022 is al geconstateerd dat de kans van overschrijding ook ontstaat in de referentie situatie 2030 (dus zonder ontwikkeling van bedrijvenpark de Loop). Deze effecten van de autonome verkeersgroei en de daarmee toenemende verkeersdruk op de Aasterbergerweg is bekend bij de gemeente Echt-Susteren. Hier zijn ook verschillende oplossingsrichtingen voor aangegeven. Toets oversteekbaarheid tellingen 2022 Om het model te toetsen, zijn in september 2022 verkeerstellingen uitgevoerd onderaan de afrit van de A2 vanuit het noorden en op de aansluiting van de Havenweg op de rotonde. De tellingen zijn vergeleken met de prognose. Ook is de oversteekbaarheid van de afrit A2 en de Havenweg uitgevoerd. De verkeerstelling wijst uit dat in de avondspits er in 2022 minder verkeer geteld is dan dat er vanuit het model verwacht mag worden. Bovenstaande berekeningen op basis van het model geven dan ook
Hoofdstuk 4
64
een overschatting van de wachtrijlengtes. De oversteekbaarheid is als goed beoordeeld. Fietsers en voetgangers hebben een gemiddelde wachttijd van drie seconden. De adviesnota van 3 oktober 2022 waarin de resultaten van de verkeertelling en de beoordeling van de oversteekbaarheid zijn verwerkt is als bijlage aan de oplegnotitie gehecht. Conclusie verkeer Ten aanzien van de ontwikkeling bedrijvenpark de Loop wordt geconcludeerd dat buiten het bekende verkeersknelpunt (avondspits 2030, Aasterberg vanuit Echt), geen verkeerskundige afwikkelingsproblemen worden verwacht. Parkeren Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen maakt de gemeente Echt-Susteren in beginsel gebruik van de CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381). In de praktijk is gebleken dat deze normen niet aansluiten op de feitelijke parkeerbehoefte die van dergelijke grootschalige ontwikkelingen uitgaat. Ook niet als wordt uitgegaan van de doorgaans voor distributiecentra gehanteerde norm voor ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. Zodoende leiden de gebruikelijke parkeernormen tot een onevenredige reservering van parkeerruimte, nu de behoefte niet (in die mate) ontstaat. Oorzaak hiervan is gelegen in de wijze waarop het CROW het parkeerkencijfer in haar publicaties vaststelt.
Het CROW zet het aantal arbeidsplaatsen dat een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf genereert om naar een kencijfer per 100 m² bvo bedrijfsruimte. Het uitgangspunt (aantal arbeidsplaatsen) wordt door een veronderstelde oppervlakte bvo per arbeidsplaats omgezet naar een norm (kencijfer) per 100 m2 bvo. Schaalvergroting bij distributiecentra leidt tot een geheel andere verhouding tussen het bvo en het aantal arbeidsplaatsen en niet tot de door het CROW veronderstelde rechtevenredige toename van de parkeervraag bij een groter gebouw. Nu het aantal arbeidsplaatsen niet rechtevenredig meegroeit met het bvo, leidt dit dus tot een (aanzienlijke) overdimensionering van de parkeerruimte. In andere gemeenten, waaronder Maastricht heeft dit reeds geleid tot meer maatwerk en aangepaste normen voor grootschalige extensieve bedrijvigheid. Daarvoor worden normen variëren van 0,3 tot 0,7 parkeerplaats per 100 m 2 bvo gehanteerd. Ook in de gemeente Echt-Susteren is reeds eerder maatwerk verricht en op basis van een concrete ontwikkeling een afwijking van de parkeernorm toegestaan (Dokvast/P3). In dit geval wordt in de regels voor grootschalige ontwikkelingen (groter dan 1,5 ha) een norm opgenomen van 0,7 parkeerplaats per 100 m 2 bvo.
Daarbij wordt de functie als geheel gezien en worden derhalve de oppervlakten voor opslag en voor kantoor, dan wel andere deelfuncties niet afzonderlijk beschouwd. Het bestemmingsplan laat immers geen zelfstandige kantoren en ondergeschikte kantoren (tot maximaal 15% van het bvo per gebouw) zijn een onderdeel van de arbeidsextensieve en bezoekersextensieve functie. Verdergaand maatwerk is mogelijk op basis van concrete bouwplannen en een concrete onderbouwing van een afwijkende parkeerbehoefte op basis van referenties van vergelijkbare gebruikers en/of een berekening op basis van het werkelijk aantal arbeidsplaatsen kan worden onderbouwd. Artikel 12.4 sub c onder 1 van de regels voorziet in deze mogelijkheid. Daarbij bestaat ook de mogelijkheid aan de omgevingsvergunning een voorwaarde te verbinden die ertoe strekt dat in een bepaalde zone ruimte is gereserveerd alwaar uitbreiding van de parkeervoorziening kan plaatsvinden tot de norm conform CROW publicatie 381 dan wel de norm van 0,7 bij een ontwikkeling groter dan 1,5 ha.
Hoofdstuk 4
65
4.7 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in dit plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Gemeentelijk beleid Sinds 2008 zijn gemeenten binnen de bebouwde gebieden verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente Echt-Susteren neemt hierbij deel aan het convenant 'samenwerken in de afvalwaterketen Noord-Limburg'.
Een uitvloeisel van dit convenant is dat de gemeente aansluit bij het samenwerkingsverband Limburgse Peelen en een, overbruggende, gezamenlijk notitie GRP (Gemeentelijk Rioleringsplan) heeft opgesteld met de gemeente Roerdalen en Roermond. Het 'Gemeentelijke rioleringsplan Echt-Susteren 2017-2021' (hierna: GRP) verantwoordt aan de inwoners van de gemeente Echt-Susteren de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht en op het gebied van (grond)water. Het document bevat zowel de geplande activiteiten voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel als maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen en geïnfiltreerd binnen het plangebied. Indien infiltratie niet of onvoldoende mogelijk is, kan alsnog vertraagd worden afgevoerd. Kenmerken van het systeem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en omgeving, kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn.