CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 14 december 2022, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Bedrijvenpark De Loop, Echt'29.389 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan “Bedrijvenpark De Loop, Echt” Gemeente Echt-Susteren Vastgesteld

Bestemmingsplan “Bedrijvenpark De Loop, Echt” Gemeente Echt-Susteren Vastgesteld

Identificatienummer:

NL.IMRO.1711.BP20220819-VG01

Rapportnummer BRO:

P04732

Datum:

oktober 2022

Opdrachtgever:

IntoSpace

Projectteam BRO:

HLe, DAd

Concept:

februari 2022

Ontwerp:

juli 2022

Vaststelling:

oktober 2022

Trefwoorden:

Bestemmingsplan, bedrijvenpark, De Loop, Echt, gemeente Echt-Susteren.

Bron foto kaft:

Abstracte kaft 04

Beknopte inhoud:

Toelichting ten behoeve van de ontwikkeling van bedrijvenpark ‘De Loop’ te Echt-Susteren.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader 1.4 Leeswijzer

4 4 5 5 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

7 7 8 8

2.3.1 Visiedocument De Loop, Echt 2.3.2 Groenplan en Landschappelijk inpassingsplan 2.3.3 Duurzaamheid De Loop, Echt

9 11 13

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

16 16

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

16 17 17 20

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.2.4 Missiegedreven economisch beleidskader 3.3 Regionaal beleid

20 22 25 26 27

3.3.1 Regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg (2019) 3.4 Gemeentelijk beleid

27 29

3.4.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2025

29

4. UITVOERINGSASPECTEN 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten

31 31 32

4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering 4.2.6 Geurhinder 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Ecologie

32 35 38 40 45 45 46 49 50

Inhoudsopgave

1

4.6 Verkeer en parkeren 4.7 Waterhuishouding 4.8 M.e.r.-plicht

62 66 68

4.8.1 Beoordeling directe m.e.r.-plicht

68

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels

70 70 70 70

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

70 71 73 74

6. PROCEDURE 6.1 Procedure 6.2 Communicatie 6.3 Zienswijzen

75 75 75 76

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Visiedocument Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3: Groenplan buitenruimte Bijlage 4: Laddertoets Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Havenweg 30A west Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Havenweg 30A oost Bijlage 7: Aanvullend onderzoek nikkel Bijlage 8: Verkennend bodemonderzoek Percelen Havenweg / Oude Lakerweg Bijlage 9: Verkennend bodemonderzoek Oude Lakerweg Echt Bijlage 10: Verkennend bodemonderzoek Slagmolen 1 Bijlage 11: Verkennend bodemonderzoek Slagmolen 2 Bijlage 12: Oplegnotitie milieuonderzoeken Bijlage 13: Losse AERIUS-berekening Bijlage 14: Akoestisch onderzoek i.h.k.v. een goede ruimtelijke ordening Bijlage 15: Notitie geluidreflectie Bijlage 16: Luchtkwaliteitsonderzoek Bijlage 17: Quickscan Externe Veiligheid Bijlage 18: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 19: Plan van Aanpak Inventariserend verkennend booronderzoek Bijlage 20: Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Bijlage 21: Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Slagmolen Bijlage 22: Memo Cultuurhistorie De Loop Bijlage 23: Stikstofdepositieberekening Bijlage 24: Quickscan natuuronderzoek Havenweg Bijlage 25: Oplegnotitie Quickscan natuuronderzoek Slagmolen Bijlage 26: Houtopstanden plangebied Echt

Inhoudsopgave

2

Bijlage 27: Ecologische beoordeling twee bosjes Bijlage 28: Verkeersanalyse Echt-Susteren Bijlage 29: Oplegnotitie verkeersanalyse Bijlage 30: Stand van zake natuuronderzoeken 19-01-2022 Bijlage 31: Omgevingscheck reigers Bijlage 32: Stand van zake natuuronderzoeken 02-06-2022 Bijlage 33: VO reactie V-regio anoniem Bijlage 34: Reacties VO geanonimiseerd Bijlage 35: ECH01 Reactie De Loop PRV Limburg 09-06-2022 Bijlage 36: P04732 Notitie Regionale waarde Bedrijvenpark De Loop, Echt 20220704 Bijlage 37: Nader Natuuronderzoek soorten Bijlage 38: Voortoets Natura 2000 Bijlage 39: Omgevingscheck Buizerd Bijlage 40: Zienswijzen nota

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel Het voornemen bestaat om het bedrijventerrein ‘De Loop’ ten westen van de kern Echt in noordwaartse richting verder uit te breiden.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

In totaal zijn er twee gebouwen beoogd met daarin zes opslagruimten. De totale netto omvang van de ontwikkeling is circa 15,07 ha. In deze toelichting is een onderscheid gemaakt tussen het bruto- en netto oppervlak van het plangebied. Het bruto-oppervlak betreft het totale plangebied (17,41 ha) en omvat dus meer specifiek het toekomstige bedrijventerrein, het aan te leggen / te behouden groen, de waterloop en het openbaar gebied. Het netto-oppervlak betreft enkel het gedeelte dat bestemd is tot bedrijventerrein (15,07 ha). De vraag naar bedrijfskavels is groot, maar er zijn nagenoeg geen geschikte kavels beschikbaar. Ten behoeve van de inrichting van dit bedrijventerrein is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Op basis van het vigerende bestemmingsplan voor dit gebied zijn de beoogde ontwikkelingen niet mogelijk. De initiatiefnemer wil de ontwikkeling van het bedrijventerrein mogelijk maken door middel van een herziening van het juridisch-planologisch kader. In dit bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de gronden binnen het plangebied wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan en de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

Hoofdstuk 1

4

1.2 Ligging en grens van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van het bestaande bedrijventerrein ‘De Loop’, ten westen van de kern Echt. De rijksweg A2 vormt de grens tussen het plangebied en de kern Echt. Het plangebied wordt verder begrensd door de Slagmolen en agrarische gronden in het noorden, het bestaande bedrijventerrein ‘De Loop’ en de Molenbeek in het zuiden en de Havenweg en het Julianakanaal in het westen.

Luchtfoto van het plangebied (rood omlijnd)

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader Voor het gehele plangebied geldt het bestemmingsplan ‘De Loop 2012, 1e herziening’, dat op 14 december 2016 is vastgesteld door de gemeenteraad van Echt-Susteren. Ter plaatse van het plangebied zijn de gronden bestemd tot ‘Agrarisch’, ‘Bedrijventerrein’, ‘Groen’, ‘Verkeer’, ‘Water’ en ‘Wonen’. Daarnaast zijn op sommige delen de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 5’ en ‘Waterstaat – Waterlopen’ van toepassing. In het oosten van het plangebied zijn de gebiedsaanduidingen ‘Vrijwaringszone – weg 0–50 meter’ en ‘Vrijwaringszone – weg 50–100 meter’ van toepassing. Centraal in het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ van toepassing en ten zuiden van het plangebied is de ‘milieuzone – bodembeschermingsgebied’ van toepassing. Tot slot is ten noorden van de beek de gebiedsaanduiding ‘overige zone – provinciale ontwikkeling groen’ van toepassing.

Hoofdstuk 1

5

Uitsnede vigerend bestemmingsplan

De realisatie van een bedrijventerrein past in functionele zin binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’, maar aan de noordzijde van de Molenbeek is geen bouwvlak opgenomen, waardoor het niet mogelijk is om ter plaatse bedrijfsgebouwen op te richten. Daarnaast is de bedrijfsbebouwing ook voorzien op de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’. Binnen deze bestemming is het gebruik als bedrijventerrein dan ook niet toegestaan.

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van zowel de bestaande situatie als de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van het beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 vindt tot slot een beschrijving van de procedure plaats.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1 Bestaande situatie Het plangebied is, zoals reeds omschreven, ten westen van de kern Echt gelegen en ten noorden van het bestaande bedrijventerrein ‘De Loop’. Het plangebied bestaat momenteel uit voornamelijk agrarische gronden en een deel bedrijventerrein. In het noordwesten van het plangebied zijn twee woningen met een bed & breakfast gelegen. Aan de zuidoostzijde ligt de Rijksweg A2 en het Julianakanaal ligt ten westen van het plangebied. Het gebied wordt momenteel ontsloten via de centraal gelegen Oude Lakerweg, die in het noorden aansluit op de Slagmolen en in het zuiden op het verlengde van de Oude Lakerweg, die uitkomt op een rotonde die het verkeer richting de Rijksweg A2 en de kern Echt leidt.

Hoofdstuk 2

7

2.2 Toekomstige ontwikkeling In het plangebied is de uitbreiding van het bedrijventerrein ‘De Loop’ voorzien. Het totale plangebied bedraagt circa 17,41 ha. De ontwikkeling is noodzakelijk om aan de vraag naar bedrijfskavels te kunnen blijven voldoen. In de navolgende afbeelding is de beoogde ontwikkeling weergegeven.

Inrichtingsplan bedrijventerrein ‘De Loop’

Het terrein wordt ingedeeld in bedrijfskavels. De oppervlakte ten behoeve van de bedrijfsbestemming bedraagt in totaal circa netto 15,07 ha. Dit deel van de ontwikkeling wordt verkaveld door middel van een aantal gebouwen met daarin opslagruimten.

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De gemeente wenst door middel van een gericht uitgiftebeleid toe te werken naar een duidelijkere segmentatie van de bedrijventerreinen. Doel van een dergelijke segmentatie is te komen tot een zo efficiënt mogelijke inrichting van de terreinen, waarbij de milieumogelijkheden zo goed mogelijk worden benut. Tevens draagt het bij aan een scherpere profilering van elk terrein en kan het op die manier bijdragen aan het aantrekken van nieuwe bedrijven en daarmee werkgelegenheid. Deze ontwikkeling draagt daarnaast bij aan een verbetering van de stedenbouwkundige structuur ter plaatse. Het huidige bedrijventerrein “De Loop” heeft aan de noordzijde met name open opslag. Door

Hoofdstuk 2

8

de toevoeging van bebouwing wordt de open opslag aan de noordzijde afgeschermd en ontstaat er een duidelijke grens tussen bebouwd en landelijk gebied. De gebouwen worden landschappelijk ingepast en duurzaam opgeleverd. Een en ander wordt toegelicht in de navolgende paragrafen. 2.3.1 Visiedocument De Loop, Echt Ten behoeve van de bedrijventerreinontwikkeling is een visiedocument opgesteld. 1 Dit visiedocument is opgenomen in de bijlagen. Hierna volgt een samenvatting. Stedenbouwkundige context De locatie ligt ingebed tussen het Julianakanaal en de A2. Naast de korrelgroote van de grotere context zijn er op kleinere schaal ook een aantal karakteristieken die invloed hebben op de locatie. Kenmerkend aan de omgeving van de locatie zijn de groenstructuren rondom de landwegen en het dijklichaam. Naast de snelweg de A2 en het Julianakanaal is ook het watertje de Molenbeek van invloed op de omgeving. Studies inpassing Met het ontwikkelen van een bedrijventerrein aan beide zijden van de Oude Lakerweg, is behoud van de huidige ligging van het tracé niet vanzelfsprekend. De meest wenselijke situatie vanuit verkeersveiligheid is geen menging van functies vrachtverkeer en langzaam verkeer. Daarom is uiteindelijk gekozen voor de verplaatsing van het oude tracé van de Oude Lakerweg naar het oosten.

Om de verplaatsing en het bedrijventerrein juist in te passen zijn er maatregelen opgenomen om kwaliteit toe te voeren aan het gebied. De volgende voor- en nadelen zijn opgesteld ter evaluatie van het model:

1

Mulderblauw architecten, Visiedocument Bedrijvenpark De Loop, 19 april 2022

Hoofdstuk 2

9

Voordelen  Dicht bebouwingscluster geeft ruimte voor grote landschappelijke ingrepen;  Hoge functionele waarde door indeling bebouwing en logistiek;  Oude Lakerweg als recreatieve route zonder inmenging vrachtverkeer;  Gebouwen op grote afstand (deels uit het zichtveld) van de snelweg. Nadelen  Groot schaalverschil tussen noordelijk gebouw en de overgang naar het buitengebied;  Verlies oude tracé Oude Lakerweg. De nieuwe bebouwing zal rondom worden ingepast. De inpassing in onderverdeeld in verschillende deelgebieden:  Verplaatsing Oude Lakerweg;  Het nieuwe voet- en fietspad;  Uitlopers rondom gebouwen;  De noordkant.

Uitwerkingsvariant planvoornemen

De inpassing wordt nader toegelicht in het Visiedocument. Hierna volgen enkele impressies van het planvoornemen. Hieruit volgt dat de bebouwing met hout wordt bekleed en er worden deels groene gevels toegepast. Hierdoor zal de bebouwing goed in de omgeving worden ingepast.

Hoofdstuk 2

10

Impressies planvoornemen

2.3.2 Groenplan en Landschappelijk inpassingsplan Ten behoeve van de inpassing van het bedrijventerrein in het landschap is een groenplan en landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Groenplan Uit het Groenplan2 volgt dat bij de inrichting van de buitenruimte geredeneerd is vanuit het bestaande landschap waarbij tevens is gekeken naar de uitbreidingsplannen van de A2 met een extra rijstrook en toevoeging van een brede watergang. Het concept wat daarbij wordt gehanteerd is het parkway-concept, een structurerend element voor zowel de weggebruiker als de gebruikers van het landschap. De gedachten is om in plaats van het landschap te ontkennen of zich ernaar te voegen een extra dimensie aan het landschap toe te voegen waardoor de kwaliteit wordt verhoogd. Afwisseling van dichte en gesloten beplanting langs de weg of

2

Grasveld, The Urban Jungle Project (Logistics Campus Echt), d.d. 10 oktober 2022

Hoofdstuk 2

11

rijen bomen in het landschap of langs de snelweg creëren interessante doorzichten of verpakken inpassingen zoals het plangebied. De parkway-gedachte biedt kansen om de inpassingsopgaven, zoals de Molenbeek of het verleggen van de Oude Lakerweg, te combineren met verplichtingen voor versterking van natuur en natuurverbindingen (mitigatie en compensatieverplichtingen). Bestaande randen zoals de bomenlaan langs de Slagmolen en de Molenbeek worden opgewaardeerd en het verleggen van de Oude Lakerweg biedt de mogelijkheid om aan te sluiten op de plannen voor verbreding van de Snelweg A2 en de hemelwaterbuffer die hier tegen aan gelegen is. Door een combinatie van kruiden, heesters, en bomen ontstaat er een bosrand situatie waar veel verschillende flora en fauna worden aangetroffen. Ondanks dat er flink wordt ingegrepen in de huidige groenstructuur van het gebied door de geplande bouwwerkzaamheden, is de verwachting dat het plangebied in de toekomst gedomineerd zal worden door het groen met een rijkere biodiversiteit dan nu. Door de gelaagdheid van begroeide gevels, bomen, heesters en kruidenvegetatie en een afwisseling in droge en natte zones, krijgt de buitenruimte meer variatie in flora en fauna in vergelijking tot het huidige agrarische gebruik van het terrein.

Door het plangebied op te stellen volgens de Integrale Beplantingsmethode Ruyten (IBR) kan de vegetatie zich ontwikkelen zonder of met zeer beperkt menselijk ingrijpen. Dit vereenvoudigt het beheer en vergroot daarmee de kans van slagen op de lange termijn. Het groenplan is als bijlage aan de regels toegevoegd. Landschappelijk inpassingsplan In het kader van de herziening van het bestemmingsplan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.3 De in het beleid benoemde ontwikkelingsperspectieven zijn in het inpassingsplan in samenhang met het hiervoor beschreven groen- en beplantingsplan (Grasveld Tuin- en Landschapsarchitecten) uitgewerkt. De belangrijkste noemer binnen het beleid is dat het open landschap wordt gewaarborgd en dat de verdichte randen verder worden aangezet en versterkt. Door de locatie tussen het Julianakanaal, A2, bedrijventerrein en het stedelijk weefsel valt het plangebied duidelijk binnen de kaders van deze verdichte rand. Om de ontwikkeling in de omgeving in te passen, aan de rand van het buitengebied, wordt ingezet op een hoogwaardige landschappelijke inpassing. Dit houdt in dat een stevige groene rand wordt aangezet, waardoor het groen tevens afscherming biedt tegen de bebouwing en overige verstedelijkte eigenschappen.

Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen vastgesteld die op basis van het planvoornemen, de beleidskaders en kennis van het landschap en locatie zijn vormgegeven. Concreet zijn de volgende ingrepen gesteld: 1. Dubbele bomenlaan aanplanten bij verlegde Oude Lakerweg; 2. Aanplanten van bomenrijen langs fiets- en wandelpad; 3

BRO, Landschappelijk inpassingsplan ‘De Loop’, projectnr. P05160, d.d. 7 april 2022

Hoofdstuk 2

12

3. 4. 5. 6.

Aanplanten van dichte bosschages; Inrichten van groene parkeerterreinen; Uitlopers met bomen, heesters en natuurvriendelijke oevers; Groene gevels.

Daarnaast zijn een tweetal zones aan de westzijde aangewezen waarbinnen buitenopslag plaats kan vinden. Dit landschappelijk inpassingsplan maakt onderdeel uit van de regels van het bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark De Loop te Echt’. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het bedrijventerrein alleen als zodanig gebruikt mag worden indien de genoemde concrete ingrepen worden gerealiseerd. De ligging van gebouwen, parkeerterreinen en eventuele buitenopslag staat nog niet vast. In dit landschappelijk inpassingsplan is uitgegaan van een mogelijke invulling van het plangebied, maar dit kan in de toekomst nog wijzigen. In het bestemmingsplan is derhalve rekening gehouden met een ruim bestemmingsvlak ‘Bedrijventerrein’ en een ruim bouwvlak, waarbinnen bebouwing, parkeerterreinen, ontsluiting en eventuele buitenopslag zijn toegestaan. De groenstructuren en inrichtingsmaatregelen, zoals beschreven in paragraaf 2.1 van het landschappelijk inpassingsplan zijn wel verplicht en moeten dus conform dit landschappelijk inpassingsplan tot uitvoering worden gebracht. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage opgenomen in de regels en toelichting van onderhavig bestemmingsplan. 2.3.3 Duurzaamheid De Loop, Echt Initiatiefnemer is een van Europa's toonaangevende ‘one-stop-platform’ voor toekomstbestendige magazijnoplossingen.

Het innovatieve, waardetoevoegende en duurzame vastgoed dat wordt ontwikkelt is goed voor bedrijven en goed voor mensen. Het ontwerpen van de infrastructuur voor bedrijven en logistiek van morgen is een complexe interdisciplinaire uitdaging dat begrip vereist van het grotere geheel. De mens en de planeet staan centraal in het ontwerpproces. Voor elke ontwikkeling wordt grondig op zoek gegaan naar de meest duurzame energie oplossingen. Door de energievraag te verminderen wordt het energieverbruik verminderd. Hiervoor worden duurzame bronnen gebruikt en is het streven om de energie te delen in slimme netwerken. Het materiaalgebruik wordt geminimaliseerd door: het ontwerpen van efficiënte gebouwen. Vanuit een gezond-levend oogpunt worden de gebouwen zo ontworpen, dat deze veel daglicht bieden, een aangename akoestiek hebben en er sprake is van een gezond klimaat. Een omgeving die stimuleert fysieke beweging en menselijke interactie, resulterend in blije en gezonde mensen.

Hoofdstuk 2

13

Hoofdpijlers Om een goede bijdrage te leveren aan een circulaire economie zijn er zes hoofdpijlers (energie, biodiversiteit, materialen, water, welzijn en menselijke activiteit) bepaald. De hoofdpijlers definiëren de prestatiekenmerken van een volledig circulaire economie. Hoewel de bebouwing niet volledig circulair is, worden er zoveel mogelijk elementen van het circulaire bouwproces opgenomen. Energie: Voor het aspect energie wordt een ontwerpmethode gebruikt die in lijn is met de principes van ‘penta energetica’:  Het ontwerp optimaliseren in termen van: oriëntatie, compactheid, flexibiliteit en functionaliteit;  Gebruik maken van ‘gratis’ energie zoals daglicht, zonnewarmte en wind. Optimaal tussen daglicht, warmtewinst en zomercomfort;  Passieve technologieën die energiediensten leveren zonder of met beperkte energieafname;  De energiebehoefte maximaal vervullen met hernieuwbare energiebronnen zoals zonnepanelen op het dak;  Uitputbare energiebronnen zo efficiënt als mogelijk gebruiken;  Tot slot wordt de bebouwing BREEAM gecertificeerd gebouwd. Biodiversiteit: Om de biodiversiteit te koesteren wordt zoveel mogelijk ‘groene’ ruimte gecreëerd rondom de bebouwing.

Dit wordt onder andere mogelijk door:  Het toestaan van allerlei ‘lokale’ diersoorten een plek te geven en een mogelijkheid te geven om in en rondom het terrein te leven;  Daarbij wordt het landschap opnieuw ingericht. Niet alleen om de bebouwing in te passen, maar ook om een aangename omgeving te creëren rondom de bebouwing. Materialen: De bebouwing wordt flexibel opgericht zodat deze gemakkelijk aangepast kan worden naar de behoeften van de gebruiker. Daarnaast wordt de bebouwing gemakkelijk demontabel gemaakt zodat de impact op de natuur zo laag mogelijk blijft. Tevens worden er ‘bio-verantwoordde’ materialen of hergebruikte / recyclede materialen gebruikt. Water: Het (hemel)water wordt op een duurzame manier gewonnen en het herstel van hulpbronnen wordt gemaximaliseerd. Er wordt tevens gekeken naar mogelijkheden voor het hergebruik van water in de ‘grijswatersystemen’. Om het aspect ‘water’ goed te implementeren in het plan worden onder andere de volgende uitgangspunten gehanteerd:  De aanleg van waterretentievoorzieningen;  Het gebruik van waterbesparend sanitair;  Het toepassen van een zelfsluitende watertoevoer;  Het planten van bepaalde vegetatie die af hangt van de jaarlijkse neerslag. Welzijn: Naast de ecologische duurzaamheid is ook gekeken naar onder andere een duurzame werkomgeving.

De gebouwen de omgeving die worden ontwikkeld zijn ruimtes waar werknemers veel uren per dag doorbrengen. Een ‘mensgericht’ ontwerp is essentieel om een werkomgeving te creëren waar mensen zich gezond, blij en gemotiveerd voelen. Om dit waart te maken worden de volgende uitgangspunten toegepast:

Hoofdstuk 2

14

 Genoeg natuurlijk daglicht;  Vrij zicht op de omgeving;  En een groene omgeving. Menselijke activiteit: Binnen de ontwerpstrategieën wordt altijd gekeken naar de menselijke activiteiten die plaatsvinden en gaan plaatsvinden in en rondom de werkomgeving. In het ontwerp wordt rekening gehouden met biodiversiteit door onder andere de aanleg van groene terrassen. De overgang van het werkgebied naar de directe omgeving is belangrijk en de overgang zal zo soepel mogelijk worden geïmplementeerd. Hoe hier op wordt gestuurd is door:  Het toepassen van oplaadpunten voor auto’s;  Het aansluiten op bestaande fietspaden;  De mogelijkheid om te douchen, voor werknemers die met de fiets komen. Op basis van bovengenoemde kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling van bedrijvenpark De Loop onderscheidend is ten opzichte van andere bedrijventerreinen / bedrijvenparken.

Hoofdstuk 2

15

3.

BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.

Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur;

Hoofdstuk 3

16

12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het dit initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd.

Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Geen van de bovengenoemde belangen is bij de ontwikkeling in het plangebied in het geding. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of

Hoofdstuk 3

17

zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.4 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Het initiatief omvat de uitbreiding van een bedrijventerrein met een oppervlakte van circa 10,79 ha. Momenteel is er ter plaatse van het plangebied al sprake van 5,13 ha bedrijventerrein. Hierdoor krijgt het bedrijventerrein een netto omvang van circa 15,07 ha en het gehele plangebied een bruto omvang van circa 17,41 ha. Dit betreft een stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking vereist is.

Zodoende is door BRO een Ladderonderbouwing5 opgesteld. Hierin is de behoefte aan de beoogde ontwikkeling aangetoond en is de ladder positief doorlopen. De behoefte is bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van het bedrijventerrein. Hierbij zijn de aard en omvang van de ontwikkeling leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het ruimtelijke verzorgingsgebied voor de ontwikkeling van Bedrijvenpark De Loop Echt in de gemeente Echt-Susteren bestaat in dit onderzoek uit de regio’s Midden-Limburg en de Westelijke Mijnstreek. Het programma wordt passend geacht binnen de Ladder, omdat er wordt voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied, dit blijkt uit het volgende: Kwantitatieve behoefte Om de kwantitatieve behoefte inzichtelijk te krijgen, is enerzijds gekeken naar de verwachte ruimtevraag t/m 2035 (in hectares) in het ruimtelijk verzorgingsgebied en anderzijds naar het huidige planaanbod. Als de verwachte ruimtevraag groter is dan het bestaande planaanbod, is er sprake van een kwantitatieve behoefte. In bijlage 4 en 5 van de Ladder is de kwantitatieve ruimtevraag bepaald aan de hand van een tweetal ramingen, namelijk:  De ruimtevraag op basis van historische uitgifte  De ruimtevraag op basis van werkgelegenheidsontwikkeling (t/m 2030).

In bijlage 6 van de Ladder is voor alle gemeenten die onderdeel uitmaken van het ruimtelijk verzorgingsgebied, het totale planaanbod inzichtelijk gemaakt. De gegevens van het planaanbod zijn afkomstig uit REBIS Limburg (peildatum: 31 mei 2022)

4

5

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). BRO, Ladderonderbouwing ‘Bedrijvenpark De Loop Echt’, projectnummer P04732, d.d. 16 juni 2022

Hoofdstuk 3

18

Op basis van bovengenoemde analyses kan worden geconcludeerd dat er is sprake van een kwantitatieve behoefte aan bedrijventerrein op de planlocatie. De verwachte ruimtevraag (in ha) is in 2035 naar verwachting groter dan het huidige harde planaanbod (in ha). Hierbij is het volgende van belang:  De kwantitatieve ruimtevraag in de regio is naar verwachting 45 tot 223,3 ha voor de periode 2022 t/m 2035. Waarvan 45 tot 143,5 ha tot en met 2030. Dit is bepaald aan de hand van prognoses op basis van historische uitgifte en werkgelegenheidsontwikkeling.  Opgemerkt moet worden dat de methode op basis van de werkgelegenheidsontwikkeling na 2030 niet meer voorziet een groei van het totale bedrijventerreinareaal. Er is dan geen uitbreidingsvraag meer, enkel vervangingsvraag. Het prognosejaar 2030 vormt in deze methodes het plafond voor wat betreft het bedrijventerreinareaal dat nodig zal zijn.  Het totale harde planaanbod in de regio Midden-Limburg 119 ha. Dit zou binnen de bandbreedte van de vraagraming in beginsel voldoende zijn om aan de lage raming te voldoen. Gezien de hoge uitgiften van de laatste jaren lijkt het lage groeipad echter niet reëel. Het is echter ruim onvoldoende om aan de bovenkant van de bandbreedte te voldoen.  Van het harde aanbod is momenteel 37,2 ha niet direct uitgeefbaar.

Dit kan zijn omdat het terrein nog bouwrijp gemaakt moet worden, de verwerving niet rond is, of omdat er andere belemmeringen zijn. In totaal is 80,7 ha direct uitgeefbaar. Hiervan bestaat 46,3 ha uit vrije kavels. De overige ca. 34,4 ha hard planaanbod is inmiddels in optie genomen. Dit betekent dat de vraag vanuit de markt nog altijd onverminderd hoog is. Het is daarom reëel te veronderstellen dat de vraag zich eerder aan de bovenkant van de bandbreedte beweegt dan aan de onderkant. Immers van de 45 ha voorziene ruimtevraag t/m 2030 is nu al 75% onder optie.  Het is te verwachten dat er op korte termijn een kwantitatief tekort aan hard planaanbod optreedt in het ruimtelijk verzorgingsgebied.,  Met de zachte plancapaciteit hoeft in de ladderonderbouwing formeel geen rekening te worden gehouden, omdat daarvan onzeker is dat dit aanbod ook daadwerkelijk kan worden omgezet tot hard plan en op de markt komt. Wanneer we voor de volledigheid de zachte plancapaciteit6 optellen bij de harde plancapaciteit dan bedraagt de totale plancapaciteit ca. 156 ha. Overigens sluit lang niet elk plan aan op de verwachte kwalitatieve vraag.

 Een groot gedeelte van het harde planaanbod is op basis van kwalitatieve aspecten niet geschikt als alternatieve locatie voor het beoogde initiatief, bijvoorbeeld omdat het terrein gereserveerd is voor bedrijven uit een specifieke sector of omdat de verkaveling niet aansluit. Kwalitatieve behoefte  Er is al meer dan 15 jaar sprake van een omvangrijke vraag naar geschikte locaties voor logistieke bedrijven. In de periode 2010-2018 is de vraag zelfs (ruim) verdrievoudigd. De vraag concentreert zich op grootschalige distributiecentra in de zuidelijke corridor (waaronder Midden-Limburg). Onder invloed van de ontwikkeling van e-commerce en smart logistics is de verwachting dat de sector daarnaast verder doorgroeit.  Door de sterke ontwikkeling van het vervoer van consumentengoederenvervoer bleef de economische krimp in de logistieke sector ondanks de corona-uitbraak relatief klein. Eind 2020 was het goederenvervoer weer terug op het oude niveau en voor het komende jaar wordt tevens weer groei verwacht. Voor de logistieke sector geldt daardoor een positief toekomstperspectief. Door de onzekerheid rondom corona en de oorlog in Oekraïne blijft er wel sprake van een onzekerheidsfactor rondom de prognoses.  Ongeveer een derde van de restcapaciteit bestaat uit kavels die groter zijn dan 5 ha.

Een groot deel van de bestaande plancapaciteit is te klein om te voorzien in de beoogde ontwikkeling. Daarnaast voldoen de grotere kavels in veel gevallen niet aan de eisen van het beoogde initiatief (door o.a. profilering, markttechnische situatie en zacht planaanbod).

6

Zachte plannen zijn alle plannen die niet in een bestemmingsplan de status ‘vastgesteld’ of ‘onherroepelijk’ hebben. Sommige zachte plannen zitten zelfs nog in het visiestadium.

Hoofdstuk 3

19

Het aanbod van kavels met een vergelijkbare omvang is beperkt en verschillende locaties zijn omwille van kwalitatieve argumenten niet geschikt. Het gaat hierbij om kavels die reeds in optie zijn of bestemmingsplan technisch niet geschikt zijn. Op ieder bestuurlijk niveau bestaat de ambitie om de bestaande ruimte op bedrijventerreinen zo goed en effectief mogelijk te benutten, al dan niet via intensivering. De planlocatie hoort gedeeltelijk bij bedrijventerrein De Loop7. Met de realisatie van het planinitiatief wordt daardoor, conform het beleidsstreven, planologische beschikbare ruimte met de bestemming ‘bedrijventerrein’ ingezet om de ontwikkeling te faciliteren.

De conclusie van het ruimtelijk-economisch onderzoek in het kader van de Ladder voor Duurzame verstedelijking is dat het programma passend wordt geacht binnen de Ladder en het initiatief voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan bedrijfskavels binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied. Het initiatief leidt niet tot onaanvaardbare ruimtelijk functionele effecten. In deze rapportage wordt dit nader toegelicht en onderbouwd. Situering buiten bestaand stedelijk gebied De bedrijfsruimtemarkt in de logistieke sector is krap in het ruimtelijk verzorgingsgebied. Er is kwalitatief geen geschikte plancapaciteit (zie tabel 3, ladderonderbouwing) en de leegstand van bedrijfsgebouwen en uitgegeven kavels is ook zeer beperkt. De omvang van het harde planaanbod is onvoldoende om in de kwantitatieve ruimtevraag t/m 2035 te kunnen voorzien. Kavels met een passende omvang zijn omwille van kwalitatieve aspecten niet geschikt als beoogde alternatieve locatie (zie tabel 3, ladderonderbouwing). Het is dus niet mogelijk om binnen bestaand stedelijk gebied te voorzien in de beoogde logistieke ontwikkeling. Afweging: aanvaardbare ruimtelijk-functionele effecten bedrijventerrein De conclusie is dat de effecten van het plan ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Hierbij is het volgende van belang:  De planlocatie sluit goed aan op het bestaande bedrijventerreinen.

Daarnaast wordt er invulling gegeven aan de bestemming ‘bedrijventerrein’ dat rust op een deel van het plangebied.  De aard en schaal van het planinitiatief zijn een goede aanvulling op het bestaande productiemilieus en de werkgelegenheidsstructuur van bedrijventerreinen aan de A2 bij de kern Echt.  Zowel het harde planaanbod dat direct uitgeefbaar is, als de leegstand van bestaand vastgoed is onvoldoende om te voorzien in de ruimtevraag t/m 2035.  Om deze redenen treden er naar verwachting geen ruimtelijk onaanvaardbare leegstandseffecten op bij uitbreiding van het aanbod. Voor meer informatie wordt verwezen naar de Ladderonderbouwing in de bijlagen.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.

7

Provincie Limburg (2021). Monitoringssysteem REBIS.

Hoofdstuk 3

20

Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast is een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze omgevingsverordening wordt besproken in paragraaf 3.2.3. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd.

Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. Werklocaties In de nieuwe omgevingsvisie is de ambitie opgenomen om ook in de toekomst te beschikken over voldoende werklocaties en goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven op bedrijventerreinen. De provincie kiest hierin voor compacte werklocaties en hanteert de voorkeursvolgorde volgens de NOVI: 1. Gebruik ruimte op bestaande terreinen; 2. Ontwikkeling nieuwe terreinen aansluitend aan stedelijk gebied; 3. Andere buitenstedelijke locaties. Aangegeven wordt, dat met het hanteren van de voorkeursvolgorde tevens wordt aangesloten bij de Limburgse principes van ‘meer stad, meer land’ en ‘zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden’. Verder wordt het volgende benoemd:  Nieuwe bedrijven vestigen zich bij voorkeur op bestaande werklocaties.

Wanneer dit niet mogelijk is, wordt er gestuurd op uitbreiding aan de grenzen van bestaande werklocaties. Voor gevestigde bedrijven kan daarbij maatwerk aan de orde zijn.  Op bedrijventerreinen is vooral sprake van een kwalitatieve opgave;

Hoofdstuk 3

21

Voldoende werklocaties die voldoen aan de veranderende eisen van bedrijven en overheden is een belangrijke randvoorwaarde voor de versterking van de regionale economische structuur.

Specifiek voor de logistieke sector geldt daarnaast het volgende:  Nieuwvestiging van logistieke bedrijven is mogelijk voor bedrijven die van toegevoegde waarde zijn voor de economische structuur en arbeidsmarkt en/of bedrijven met een innovatief karakter.  Ook voor het uitbreiden van de logistieke vestigingsmogelijkheden geldt de voorkeursvolgorde volgens de NOVI. Afweging Het plan voorziet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Deels op het bestaande bedrijventerrein ‘De Loop’ en deels aansluitend op dat bedrijventerrein. De ontwikkeling van Bedrijvenpark De Loop Echt ligt daarmee grotendeels buiten bestaand stedelijk gebied en derhalve moet worden gemotiveerd worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De bedrijfsruimtemarkt in de logistieke sector is krap in het ruimtelijk verzorgingsgebied. Er is weinig geschikte plancapaciteit en de leegstand van bedrijfsgebouwen en uitgegeven kavels is ook zeer beperkt. Deze locaties zijn hoofdzakelijk binnen bestaand stedelijk gebied gelegen. In de Ladderonderbouwing wordt nader ingegaan op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Hierbij wordt verwezen naar de bijlagen en paragraaf 3.1.3. van deze toelichting. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat het bedrijventerrein zowel bij een logistieke invulling als bij een andere invulling past binnen de Provinciale Omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provinciale ambities en belangen uit het voormalige Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) zijn vertaald naar juridisch bindende voorschriften in de provinciale omgevingsverordening Limburg 2014. In de provinciale verordening is bijvoorbeeld vastgelegd op welke wijze de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen en dat het verboden is om een bestemming te wijzigen waarmee permanente bewoning van een recreatiewoning wordt mogelijk gemaakt. Voor zover relevant zijn hieronder de van toepassing zijnde passages uit de provinciale omgevingsverordening opgenomen. Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3.

De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Artikel 2.4.2 Bestuursafspraken bedrijventerreinen In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) zijn, na een proces van co-creatie, eind 2014 de hoofdlijnen voor de ambities, opgaven, rolopvatting en aanpak vastgesteld door Provinciale Staten. Samen met stakeholders hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse

Hoofdstuk 3

22

thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn. Het gaat om acht thema's: wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De bestuursafspraken maken onderdeel uit van het samenwerkingsmodel gemeenten – Provincie dat de afgelopen jaren op het gebied van omgevingsbeleid is gegroeid. Het POL2014 schetst de ambities, opgaven, aanpak op hoofdlijnen en principes. Het is in co-creatie met de gemeenten tot stand gekomen. De gemeenten nemen vervolgens het stokje over en stellen regionale uitwerkingen op in de vorm van structuurvisies, visies of anderszins. De Provincie is partner in die regioprocessen en faciliteert deze. Vanuit de regierol ziet de provincie toe op de samenhang tussen de aanpak per regio en die in aangrenzende gebieden. Meer specifiek ten aanzien van het thema ‘Bedrijventerreinen’ zijn per regio bestuursafspraken vastgelegd. De gemeente Echt maakt onderdeel uit van de regio Midden-Limburg en binnen deze regio is het ‘Regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg’ in 2019 vastgesteld. Dit regionale beleidskader wordt nader beschreven in paragraaf 3.3. In het kader van deze regionale uitwerking zijn in artikel 2.4.5 van de verordening bestuursafspraken (per regio) vastgelegd.

Voor de regio Midden-Limburg zijn de navolgende bestuursafspraken relevant: ‘Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de algemene opgaven en de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van POL2014, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 2.’ ‘De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid.’ ‘De toelichting bij een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub)regionaal verband.’ Provinciale zoneringen De diverse provinciale zoneringen waren oorspronkelijk opgenomen in het POL2014.

In de omgevingsverordening zijn een aantal kaarten opgenomen omtrent onder andere de gebiedstypering, milieubeschermingszones, natuur- en landschapszones, water, land- en tuinbouw, provinciale geluidcontouren, wegen- en reserveringszones en uitsluitingsgebieden windturbines. De voor het plangebied relevante zoneringen worden hierna besproken. Milieubeschermingszone Het totale plangebied is gelegen binnen de ‘Boringsvrije zone Roerdalslenk II’. Artikel 4.4.1 van de verordening is van toepassing.

Hoofdstuk 3

23

Artikel 4.4.1 1. Het is in het gebied Roerdalslenk binnen en buiten inrichtingen verboden: a.

een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei;

b.

werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.

2. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter beneden het maaiveld in zone I, 30 meter in zone II of 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei en ieder voornemen in zone IV, wordt vier weken tevoren schriftelijk gemeld aan gedeputeerde staten. 3. Bij het maken en sluiten van een boorput wordt de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100, als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit in acht genomen.

Natuur- en landschapszones Ter hoogte van de Molenbeek is de ‘Bronsgroene landschapszone’ gelegen. Artikel 2.7.2 van de verordening is van toepassing. Artikel 2.7.2 1.

De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden ( kernkwaliteit “Groene karakter”) wordt de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, gevolgd.

2.

De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.

3.

De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij dit artikel.

Afweging Bestuursafspraken en de Ladder voor duurzame verstedelijking In paragraaf 3.3 wordt het regionale beleidskader voor de werklocaties in Midden-Limburg nader toegelicht. Daarnaast is ten behoeve van dit plan een Ladderonderbouwing opgesteld (zie paragraaf 3.1.3 en de bijlage bij deze toelichting) Roerdalslenk Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II is gelegen. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk II verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter (in zone II) vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten. Binnen dit voornemen zijn geen grondboringen dieper dan 30 meter voorzien. De ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II vormt derhalve geen belemmering.

Hoofdstuk 3

24

Bronsgroene landschapszone Rondom de Molenbeek is de ‘Bronsgroene landschapszone’ gelegen. Conform artikel 2.7.2 van de Provinciale Omgevingsverordening is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin de kernkwaliteiten en de wijze van compensatie van de negatieve effecten op de landschapswaarden nader zijn beschreven. Afweging Zoals reeds in paragraaf 2.3.2 beschreven is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld 8. Hierin zijn inrichtingsmaatregelen opgenomen aan de hand van de bestaande kernkwaliteiten De landschappelijke inpassing is geborgd in de regels middels een voorwaardelijke verplichting. Het gebruik van de bedrijven conform de bestemming ‘Bedrijventerrein’ is alleen toegestaan indien gevolg wordt gegeven aan de in het inpassingplan beschreven landschappelijke inpassing. De inpassing moet gerealiseerd zijn binnen 2 jaar na de ingebruikname van het eerste bedrijfsgebouw en vervolgens duurzaam in stand te worden gehouden met het daarbij behorende beheer en onderhoud. Het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd als bijlage van de regels. Er zijn verder geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 die een belemmering vormen voor de deze ontwikkeling. Deze ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De inwerkingtreding is voorzien op 1 december 2023 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied aan de zuidzijde binnen het gebied ‘Bedrijventerreinen’, rondom de Molenbeek binnen de ‘Groenblauwe Mantel’ en aan de noordzijde binnen het ‘Buitengebied’. In artikel 12.5 zijn instructieregels opgenomen voor de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen. Voor Midden-Limburg zijn de navolgende instructieregels relevant:

8

BRO, Landschappelijk inpassingsplan ‘De Loop’, projectnr. P05160, d.d. 16 maart 2022

Hoofdstuk 3

25

‘Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg.’ ‘De motivering bij een omgevingsplan bevat: a. een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid; b. een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.’ In artikel 7.6 zijn instructieregels opgenomen voor de kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel. Deze instructieregels komen nauw overeen met de regeling voor de ‘bronsgroene landschapszone’ in de huidige Provinciale Omgevingsverordening. Afweging In dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de in de omgevingsverordening opgenomen instructieregels.

De ontwikkeling is in overeenstemming met de Limburgse principes en de regioafspraken en daarnaast is, zoals vermeld in paragraaf 2.3.2 en 3.2.2, een landschaps- en compensatieplan opgesteld waarin de kernkwaliteiten en de wijze van compensatie van de negatieve effecten op de landschapswaarden nader zijn beschreven. De ontwikkeling is dan ook in lijn met de omgevingsverordening Limburg 2021. 3.2.4 Missiegedreven economisch beleidskader Met het missiegedreven economisch beleidskader geeft de Provincie Limburg de komende jaren invullen aan de economische structuurversterking in Limburg. Het beleidskader bestaat uit twee delen: Deel 1 is het strategische deel. Dit vormt het fundament voor het handelen van de Provincie in de komende jaren. In hoofdstuk 1 is de context geschetst, in hoofdstuk 2 is het missiegedreven beleid uiteen gezet en zijn de keuzes beschreven die daaraan ten grondslag liggen: hoe past dit bij het profiel van Limburg en op welke wijze komen afwegingen en beleidskeuzes tot stand? Deel 2 is het uitvoeringsdeel. Aan bod komen de financiën, de instrumenten, de partners en de belangrijke uitvoeringsthema’s uit het collegeprogramma. Aan de hand van zeven thema’s, is beschreven welke missies en uitdagingen de Provincie voor Limburg ziet en hoe zij daarop inspelen. Met de strategische visie uit deel 1 als leidraad.

Voor de ontwikkeling van Logistiek Bedrijvenpark De Loop zijn de economische aantrekkelijkheid en de fysieke ruimte criteria waaraan wordt getoetst. Economische aantrekkelijkheid en de fysieke ruimte De Provincie Limburg jaagt innovaties aan. Innovaties als zelfrijdende voertuigen, alternatieve energieopwekking en smart industry raken op het eerste gezicht niet direct aan ruimtelijke ordening, maar stellen wel nieuwe vragen aan de ruimte. Waar technologische innovaties elkaar steeds sneller opvolgen is een slimme ruimtelijke ordening nodig, die anticipeert op innovaties en daarbij (toekomstige)

Hoofdstuk 3

26

maatschappelijke behoeften als uitgangspunt neemt. In de Provinciale Omgevingsvisie zorgt de Provincie daarom voor de benodigde dynamiek en flexibiliteit. In het kader van de ontwikkeling van logistiek en distributie in Limburg geldt evenzeer het grote belang van internationale bereikbaarheid. Vanuit de Provinciale missies zet de Provincie primair in op het versterken van de innovatieve logistieke bedrijvigheid, waarbij verduurzaming, digitalisering en circulariteit vooraanstaande thema’s zijn. Deze aspecten vormen een belangrijk element in het kader dat we hanteren om in de ruimtebehoefte van logistieke bedrijvigheid te voorzien. Daarbij wordt de balans gezocht tussen het innovatieve gehalte, de benodigde arbeidskrachten (passend bij hetgeen voorhanden is), het ruimtebeslag en de ruimtelijke inpassing. Logistiek in Limburg Het uitvoeringskader is uitgewerkt per thema. Het inrichtingsplan voor Bedrijvenpark de Loop Echt is gericht op logistieke bedrijvigheid. De logistiek is belangrijk binnen het economisch weefsel van de provincie. In 2017 waren er meer dan 64.000 mensen werkzaam in logistieke functies in meer dan 2.000 Limburgse bedrijven (bron: Monitor Logistiek Sectorhuis). De Limburgse logistieke sector bestaat hoofdzakelijk uit drie categorieën: 1. industriële logistiek (i.c.m.

met maakindustrie): logistieke processen die met name verbonden zijn aan grote industriële ‘maakactiviteiten’. 2. Agro logistiek: logistiek die specifiek gebonden is aan agrarische producten. 3. Distributie logistiek (e-Commerce): medische logistiek en de logistiek rondom opslag en distributie van consumentengoederen via alle verkoopkanalen, zoals retail en webshops. De Limburgse multimodale hotspots bevinden zich in Venlo-Venray en Sittard-Geleen/ Stein. Hier komen meerdere vervoersmodaliteiten (spoor, weg, water) bij elkaar en is overslag mogelijk. Om de concurrentiepositie te behouden en verder uit te breiden moeten in de logistieke sector andere verdienmodellen ontwikkeld worden die inspelen op de transities met gebruikmaking van concepten zoals ketenregie, multimodaal transport, 4C logistiek, block chain etc. Verder zien we een toenemende integratie van logistieke processen in andere bedrijfstakken. Conclusie Het bedrijvenpark De Loop Echt zal voorzien in allerlei vormen van logistiek. Daarnaast zal het ook inspelen op innovatieve logistieke bedrijven, waarbij in ieder geval duurzaamheid en circulariteit belangrijke speerpunten zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=e845475e-e434-4e14-80f1-242998697430