CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 24 april 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Ruimte voor Ruimte Weijenpasweg, Sint Joost'16.208 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan “Weijenpasweg SintJoost” Gemeente Echt-Susteren Vastgesteld

Bestemmingsplan “Weijenpasweg SintJoost” Gemeente Echt-Susteren Vastgesteld

Rapportnummer BRO:

P04246

Identificatienummer:

NL.IMRO.1711.BP20220204-VG01

Datum:

Februari 2024

Opdrachtgever:

Ruimte voor Ruimte Limburg C.V.

Projectleider BRO:

IMo

Ontwerp:

Juli 2023

Vaststelling:

Februari 2024

Trefwoorden:

6 woningbouwkavels, Ruimte voor Ruimte, Weijenpasweg, Echt, gemeente Echt-Susteren

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Nieuw bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van 6 Ruimte voor Ruimte kavels aan de Weijenpasweg in Echt, in het buitengebied van de gemeente EchtSusteren.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING

3

2. BESTAANDE SITUATIE

5

3. PLANBESCHRIJVING

10

4. UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid

14 14 16 21 22

5. ONDERZOEK 5.1 Milieuaspecten

24 24

5.1.1 Bodem 5.1.2 Geluid 5.1.3 Luchtkwaliteit 5.1.4 Externe veiligheid 5.1.5 Milieuzonering 5.1.6 Geur 5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Leidingen en infrastructuur 5.5 Verkeerskundige aspecten 5.6 Duurzaamheid 5.7 Waterparagraaf 5.8 M.e.r.-beoordeling

24 25 27 28 31 32 32 34 39 40 40 41 44

6. PLANSTUKKEN 6.1 Planstukken 6.2 Toelichting op de verbeelding 6.3 Toelichting op de regels

45 45 45 45

Inhoudsopgave

1

7. UITVOERBAARHEID 7.4 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Vooroverleg 7.3 Omgevingsdialoog 7.4 Zienswijzen

48 48 48 49 50

8. PROCEDURE

51

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Vooronderzoek bodem Weijenpasweg 33 Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 6: Archeologisch onderzoek Bijlage 7: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 8: AERIUS-berekening Bijlage 9: Infiltratieonderzoek Bijlage 10: Aanmeldnotitie m.e.r.

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van zes Ruimte voor Ruimte kavels ten behoeve van de bouw van zes (vrijstaande) woningen aan de Weijenpasweg, in het buitengebied van de gemeente Echt-Susteren, grenzend aan de kern Sint-Joost. Het plangebied bestaat uit een perceel, kadastraal bekend als Echt, sectie S, nummers 600 en 601 (gedeeltelijk) en heeft een oppervlakte van circa 6.330 m2.

Weergave plangebied op topografische kaart in het rode kader

Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’, waarin het plangebied volledig is bestemd tot 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', is de gewenste ontwikkeling niet mogelijk. De gemeente Echt-Susteren heeft kenbaar gemaakt in principe medewerking te willen verlenen aan deze ontwikkeling, middels een herziening van het bestemmingsplan. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de gronden planologischjuridisch geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en gaat vergezeld van voorliggende toelichting met bijlagen.

Hoofdstuk 1

3

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt de bestaande situatie rond het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie. In hoofdstuk 5 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 6 worden de planstukken en de juridische opzet van de regels beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de procedure beschreven.

Hoofdstuk 1

4

2.

BESTAANDE SITUATIE

Het plangebied is gelegen aan het Weijenpasweg, in het buitengebied ten zuiden van de kern SintJoost en ten oosten van de kern Echt. In de huidige situatie is onderhavig perceel voorzien van een agrarische bestemming en in gebruik als akker- /grasland. Als aanvulling op deze ontwikkeling wordt de naastgelegen woning aan de Weijenpasweg 33 herbestemd tot ‘Wonen’. De gemeente Echt-Susteren heeft geconstateerd dat er ter plaats sprake is van een omissie in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De gronden van de woning zijn namelijk bestemd als ‘Agrarisch met waarden – landschapswaarden’ en zonder bouwvlak. In tegenstelling tot deze bestemming is er al jaren sprake van reguliere bewoning. Zodoende wordt deze locatie meegenomen in de herbestemming. De gemeente Echt-Susteren heeft hierover reeds contact gehad met de huidige bewoner en de bewoner is akkoord met de herbestemming.

Weergave plangebied op luchtfoto in het rode kader

Het plangebied zelf is een agrarisch gebied waar mais wordt verbouwd. Het plangebied wordt ten noorden begrensd door reeds aanwezige woningen, voornamelijk bestaande uit ruim opgezette

Hoofdstuk 2

5

percelen met vrijstaande woningen. Ten zuiden van het plangebied ligt eveneens een vrijstaande woning. Voor het overige wordt het plangebied aan de oost- en westzijde begrensd door andere agrarische percelen. Direct ten oosten van het plangebied stroomt de Vulensbeek. Het plangebied wordt ontsloten via de Weijenpasweg, die in zuidoostelijke richting aansluit op de Doorderweg. Laatstgenoemde weg vormt de verbindingsroute tussen de kernen Echt en Sint-Joost. Deze weg sluit eveneens aan op provinciale weg N276 en Rijksweg A2.

Weergave plangebied ten opzichte van omliggende woningen

Ligging plangebied ten opzichte van omgeving

Hoofdstuk 2

6

Bovenstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de reeds bestaande woningen in de kern Sint-Joost en de rest van de omgeving. Het plangebied ligt direct aangrenzend aan de woning ter plaatse van de Weijenpasweg 41 en de woningen gelegen aan de Hingenderstraat. In hoofdstuk 3 wordt besproken waarom de nieuwe woningen goed inpasbaar worden geacht ten aanzien van de omliggende woningen en de rest van de omgeving. Vigerend bestemmingsplan Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, dat op 14 december 2017 door de gemeenteraad van Echt-Susteren is vastgesteld. Tevens zijn het ‘Facetbestemmingsplan Deregulering’ en het bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’ van toepassing op het plangebied. Dit facetbestemmingsplan bevat o.a. enkele gewijzigde begripsbepalingen, regels omtrent bedrijven en beroepen aan huis, schuilgelegenheden en aanvullende bouwregels.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan met plangebied in het rode kader

Het plangebied kent in het huidige bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden Landschapswaarden’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waterstaat – Waterlopen’ (gedeeltelijk) van toepassing op het plangebied.

Hoofdstuk 2

7

Enkelbestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is het hele plangebied bestemd tot 'Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor agrarisch grondgebruik, behoud en bescherming van onverharde en halfverharde wegen, de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven en recreatief medegebruik. Verder zijn er de nodige aanduidingen opgenomen in het bestemmingsplan, waarmee locatiespecifiek gebruik mogelijk wordt gemaakt. Deze aanduidingen zijn niet van toepassing op het plangebied. Het bouwen van zes woningen en het beoogde gebruik voor woondoeleinden past niet binnen deze agrarische bestemming voor deze locatie. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ rust op het hele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De voor 'Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde; danwel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

Bij bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte van 500 m² of meer en een diepteverstoring van 40 centimeter of meer, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie bij het voorliggende plan. Dubbelbestemming Waterstaat – Waterlopen Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ rust op het oostelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterlopen’. De voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beheer en het onderhoud van de aangrenzende waterloop, alsmede voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecologische waarden van de waterloop. Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels: a. Op deze gronden mag niet worden gebouwd met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de waterloop. b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat ze naar aard en afmetingen bij de bestemming passen. c. De gebods- en verbodsregels van de Keur van het Waterschap. Bestemmingsplan ‘Deregulering’ Voor het gehele plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Deregulering’ dat op 6 november 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad van Echt-Susteren.

Meer specifiek geldt ter plaatse van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘overige zone – zone buitengebied’. Het bestemmingsplan is vastgesteld om meer flexibiliteit te bieden aan ontwikkelingen. Daarnaast is nieuw beleid in het bestemmingsplan vertaald en zijn begripsbepalingen aangepast. Bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’ Voor het gehele plangebied is het bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’ van toepassing. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Echt-Susteren vastgesteld op 22 september 2016.

Hoofdstuk 2

8

Middels dit bestemmingsplan is het cultuurhistorisch beleid van de gemeente juridisch geborgd. Binnen het plangebied zijn ingevolge dit paraplubestemmingsplan geen cultuurhistorische waarden van toepassing.

Hoofdstuk 2

9

3.

PLANBESCHRIJVING

In dit hoofdstuk wordt het beoogde planvoornemen beschreven en worden de stedenbouwkundige- en ruimtelijke effecten hiervan weergegeven. Ruimte voor Ruimte Limburg Middels de Ruimte voor Ruimte regeling wordt de mogelijkheid geboden om, in ruil voor de beëindiging van intensieve veehouderijbedrijven of –takken en sloop van de opstallen, woningen te realiseren. Deze sloop heeft begin jaren 2000 plaatsgevonden. Met de bouw van woningen worden de kosten hiervan terugverdiend. Het onderhavige planvoornemen maakt deel uit van het nog te bouwen woningbouwprogramma van de Ruimte voor Ruimte regeling in de provincie Limburg. De ontwikkeling Op een deel van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie S, nummer 601 (gedeeltelijk) worden zes Ruimte voor Ruimte kavels mogelijk gemaakt. Op onderstaande afbeelding is een verkavelingsschets van het beoogde planvoornemen weergegeven.

Verkavelingsschets planvoornemen

Hoofdstuk 3

10

Het planvoornemen voorziet in zes vrijstaande woningen ter plaatse van de Weijenpasweg te SintJoost. Er zal worden voorzien in ontsluiting in de vorm van een doodlopende weg met een keerlus aan de achterkant. De woningen zullen worden geprojecteerd in twee clusters van drie aan weerszijden van de nieuwe ontsluitingsweg. Eveneens zal worden voorzien in een groenvoorziening met (water)infiltratievoorziening (wadi) aan de oostelijke zijde van het plangebied. Zie hiervoor het geohydrologisch onderzoek die is toegevoegd als bijlage. Stedenbouwkundige opzet De rooilijn van de noordelijke woningen bevindt zich op een lijn met de kavelgrens van de woning ten westen van de ontwikkeling. Door deze rooilijn niet gelijk met de bestaande woning te leggen krijgen de drie nieuwe woningen zichtbaarheid vanuit de entree van de straat. De rooilijn van de meest zuidwestelijke woning is op een lijn gezet met de naastgelegen woningen en heeft een dubbele oriëntatie waarmee het ook een gezicht krijgt aan de Weijenpasweg. De andere voorgestelde woningen (zuiden) zijn getrapt ingepast om zo de kavels optimaal te benutten. De afstanden van de nieuwe woningen tot aan de straat verschillen om de zichtbaarheid te versterken vanuit de entree van het gebied. Er is met een principe gewerkt om het hoofdgebouw vanuit de Weijenpasweg als eerste te tonen, waarna de garage volgt.

Inritten liggen geschakeld aan de garage met op elk perceel minimaal 2 parkeerplaatsen. In de regels van onderhavig bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen om voldoende parkeergelegenheid te waarborgen. Om inkijk op het perceel van nr. 41 te voorkomen is er een regel opgenomen dat er in de aangrenzende zijgevel, van de meest noordwestelijke woning, geen doorzichtige ramen hoger dan 3m zijn toegestaan. Ramen van ondoorzichtig glas zijn wel toegestaan. Bij de overige buurpercelen ten noorden staan in de bestaande situatie op de perceelsgrens meerdere volwassen bomen die het doorzicht hinderen. Als toevoeging op deze bestaande bomen worden op de nieuw uit te geven percelen (lei)bomen ingepast. Dit moet de inkijk hinderen. Bij het advies met betrekking tot de bouwhoogtes is gekeken naar de aanwezige bouwhoogtes aan de Hingenderstraat. De hoogst aanwezige bouwhoogte op de straat is gekozen als leidraad voor het voorgestelde initiatief. Met als reden dat het voorgestelde wooncluster door de ligging als zijstraat van de Weijenpasweg op een relatief grote afstand ligt van de openbare ruimte, zijnde Hingenderstraat en Weijenpasweg. Daarnaast liggen zowel de nieuwe woningen als de bestaande woningen op groot opgezette percelen, met een minimale afstand tussen een nieuw en bestaand bouwwerk van ca. 25 meter.

De woningen in het noorden krijgen een goot- en bouwhoogte van 6m/9m en de woningen in het zuiden 6,5m/10m. De voorgestelde goot- en bouwhoogte voor de nieuwe woningen hebben geen onwenselijke ruimtelijke impact tot gevolg. Dit is tevens gedaan ten behoeve van de waarborging voor de privacy van de woning aan Weijenpasweg 41, naar aanleiding van gesprekken. Er wordt, vanuit de uitgevoerde Quickscan Flora en Fauna, geadviseerd om in het oosten van het plangebied, waar binnen de toekomstige situatie wadi’s komen te liggen, een rij fruitbomen aan te planten (circa elke 10 meter een boom) op de perceelsgrens. Deze zullen, naast het zorgen voor foerageermogelijkheden en uitkijkposten voor de steenuil, tevens zorgen voor een betere verbinding met de paardenweiden ten noordoosten van het plangebied. Daarnaast zullen de wadi’s zelf zorgen voor

Hoofdstuk 3

11

de aanwezigheid van ruigten binnen het plangebied. In de berm van de Weijenpasweg wordt een greppel aangelegd en wordt ingezaaid met bloem en kruidenrijk grasmengsel. Hiermee wordt, naast het creëren van zichtplaatsen, de verbinding met de foerageergebieden ten noordwesten van het plangebied verbeterd. Door het nemen van bovenstaande maatregelen blijven de foerageermogelijkheden binnen het plangebied gelijk aan de huidige situatie en blijft de functionaliteit van de nestplaats aan Weijenpasweg 33 gewaarborgd.

Uitsnede verbeelding

De begrenzing van de kavels en de bouwvlakken waarbinnen de beoogde woningen, ontsluitingsweg en groenvoorzieningen mogen worden gebouwd zijn op de onderstaande afbeelding weergegeven. Voor de woonkavels zal de bestemming worden gewijzigd naar ‘Wonen’. Daarnaast is voor de ontsluitingsweg de bestemming ‘Verkeer’ opgenomen en voor de groenvoorzieningen (inclusief wadi) aan de oostzijde van het plangebied de bestemming ‘Groen’. Ten aanzien van de bestemming ‘Groen’ is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’. Voor wat betreft de bouw- en gebruiksregels wordt overwegend aangesloten bij de regels van de bestemming ‘Wonen’ van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Zo mag een hoofdgebouw uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 9 meter voor de noordelijke woningen en 6,5 en 10 meter voor de zuidelijke woningen.

Hoofdstuk 3

12

De inhoud voor de woningen mag op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Deregulering’ maximaal 1.000 m³ bedragen. Deze maat is tevens gebruikelijk voor Ruimte voor Ruimte woningen. Ook voor de maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is in het voorliggende bestemmingsplan aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan ‘Deregulering’, namelijk maximaal 150 m2. Op bovenstaande afbeelding is een impressie gegeven van de situering van de beoogde Ruimte voor Ruimte kavels. Als aanvulling op deze ontwikkeling wordt de naastgelegen woning aan de Weijenpasweg 33 herbestemd tot ‘Wonen’. Hierdoor wordt een omissie in het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ hersteld. Stedenbouwkundige- en ruimtelijke effecten De Ruimte voor Ruimte kavels zijn gesitueerd op een perceel (direct) aansluitend op de bebouwde kom van de kern Sint-Joost, en past derhalve vanuit functioneel oogpunt in de omgeving aangezien wordt aangesloten bij bestaand stedelijk gebied. In de omgeving zijn voornamelijk vrijstaande woningen op ruime percelen aanwezig. De zes nieuwe woningen betreffen eveneens ruime, vrijstaande woningen op percelen variërend van 636 m2 tot 883 m2, en sluiten daarmee goed aan bij de woningen die reeds aanwezig zijn. Voor wat betreft de maatvoering voor de zes woningen is aangesloten op de regeling uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’.

Voor wat betreft de maatvoering van bijbehorende bouwwerken en de bijgebouwen is aangesloten op de regeling die is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Deregulering’ voor de zone ‘Stedelijk gebied’. Hierdoor worden de zes beoogde woningen vanuit stedenbouwkundig oogpunt redelijkerwijs goed inpasbaar geacht in de omgeving. Er ligt echter nog geen uitgewerkt bouwplan voor de nieuwe woonkavels. De stedenbouwkundige kwaliteit wordt in het kader van de vergunningprocedure voor bouwen nader afgestemd met de gemeente Echt-Susteren. Om het ruimtelijk effect te verminderen en het plan goed in de omgeving te laten opgaan is voor de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het landschappelijke inpassingsplan is inmiddels gepresenteerd aan de LKM-commissie en naar aanleiding van presentatie op een aantal aspecten aangepast. Het gehele plan is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Samengevat zijn er geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en wordt eveneens geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.

Hoofdstuk 3

13

4.

UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

4.1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Dit streven naar integraliteit valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Hoofdstuk 4

14

Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt:  Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;  Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;  Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;  Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en integrale besluitvorming bij ruimtelijke plannen. Nieuwe (ruimtelijke) projecten dienen daarom in lijn te zijn met het beleid zoals dat is opgesteld in de NOVI. Het voorliggende planvoornemen betreft een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling, dat er geen belangen uit de NOVI worden geschaad. Bovendien zijn de uitgangspunten van deze ontwikkeling conform de visie zoals geschetst in de NOVI. Conclusie Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Ladder voor duurzame verstedelijking In de (voormalige) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd.

Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt met de inwerkingtreding van de aangepaste ladder als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” De Raad van State heeft in zijn uitspraak 201302867/1/R4 1 aangeven dat kleinschalige woningbouwplannen geen stedelijke ontwikkeling betreffen als bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Uit deze jurisprudentie blijkt dat de ondergrens ligt bij 11 woningen. Het voorliggende plan voor de realisatie van zes woningen is een dergelijk klein initiatief. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing. Desondanks dient wel de behoefte aan een ruimtelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 4.3.

1

ABRS, Uitspraak 201302867/1/R4, ECLI:NL:RVS:2013:2471, 18 december 2013

Hoofdstuk 4

15

Conclusie Het onderhavige planvoornemen ziet op de realisering van zes Ruimte voor Ruimte woningen en daardoor is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. AMvB Ruimte De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele aanvullingen/ wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de ontwikkeling van het plangebied in het geding. De beoogde ontwikkeling van zes Ruimte voor Ruimte woningen is kortom niet in strijd met de beleidsregels, zoals deze zijn opgenomen in het Barro.

Conclusie Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor het realiseren van zes Ruimte voor Ruimte woningen ter plaatse van de Weijenpasweg in Sint-Joost.

4.2 Provinciaal beleid Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014).

Hoofdstuk 4

16

Daarnaast is een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze omgevingsverordening wordt besproken in de paragraaf ‘Omgevingsverordening Limburg’. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen;  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.

Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid

Hoofdstuk 4

17

van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Het beoogde planvoornemen voorziet in de realisatie van zes Ruimte voor Ruimte kavels ten behoeve van zes vrijstaande woningen. Op basis van het kaartje ‘Limburgse principes’ valt het plangebied deels binnen de zones ‘Buitengebied’ en ‘Groenblauwe Mantel’. Ten aanzien van het project 'Ruimte voor Ruimte' is de ambitie van de provincie Limburg om de komende jaren samen met gemeenten het project af te ronden door middel van de realisatie van in totaal 900 woningen op planologisch aanvaardbare locaties in het buitengebied. Hiermee worden de in 2001 gemaakte afspraken tussen Provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte Limburg C.V./B.V. niet gewijzigd door de Omgevingsvisie. Voor het overige sluiten de woningen aan bij bestaand stedelijk gebied, en wordt voorzien in kwalitatief wenselijke woningen.

Kaart ‘Limburgse Principes’ met het plangebied zwart omlijnd

Hoofdstuk 4

18

Voor wat betreft de ligging van het gebied binnen de ‘Groenblauwe mantel’ is het niet toegestaan om te bouwen. De focus ligt hier op het versterken van het klimaat adaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Op veel plekken zijn in de rivier- en beekdalen in de loop der tijd steden en dorpen tot ontwikkeling gekomen. Die bebouwde gebieden maken geen deel uit van de Groenblauwe mantel, maar staan er wel mee in verband. Dit zal ook zo het geval zijn in de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het deel waar het plangebied in deze zone is gelegen wordt een ‘groene buffer’ gerealiseerd om de waarden van en rondom de Vulensbeek te beschermen en te behouden. Conclusie Het voorgenomen plan voorziet in zes Ruimte voor Ruimte kavels. De woningen sluiten aan bij bestaand stedelijk gebied. De Ruimte voor Ruimte regeling is bovendien doorvertaald in de POVI Limburg. Onderhavige woningbouwontwikkeling past derhalve binnen de toekomstige Provinciale Omgevingsvisie. Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het voormalige POL2014 juridische binding te geven.

Tot de inwerkingtreding van de nieuwe ‘Omgevingsverordening Limburg’ blijft deze omgevingsverordening uit 2014 van toepassing. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied ligt binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk (niveau I). Het is in het gebied Roerdalslenk verboden een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of te hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter in zone I tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Gezien het feit dat geen diepe grondboringen zijn voorzien, vormt het initiatief geen belemmering voor de boringsvrije zone Roerdalslenk I. Aangezien er niet wordt voorzien in de mogelijkheid tot het plaatsen van een dergelijk bodemsysteem, wordt voldaan aan de vereisten van de Omgevingsverordening Limburg.

Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Conclusie Op basis van het bovenstaande zijn er geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er hiermee geen belemmeringen ten aanzien van het beoogde planvoornemen.

Hoofdstuk 4

19

Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 25 mei 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten het ontwerp van deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze ontwerp-omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en is in december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien, wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. De omgevingswet treedt naar alle waarschijnlijkheid op 1 januari 2024 in werking. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied binnen het gebied ‘Buitengebied’ en de regio Midden-Limburg, en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, recreatie, werklocaties, verstedelijking en wonen.

Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Conclusie In deze toelichting is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12.1 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg.

In navolgende paragraaf volgt een onderbouwing met betrekking tot de behoefte en de regionale afspraken. Met de bouw van de zes woningen wordt spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de verleende vergunning. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen.

Hoofdstuk 4

20

4.3 Regionaal beleid Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021 geactualiseerd. In de Ontwerp Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 wordt ruimte gemaakt om te bouwen voor de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment. Daarnaast is er aandacht voor transformatie/herstructurering. Zo wordt de leefbaarheid op peil gehouden en wordt een thuis voor (toekomstige) inwoners geboden. De bestaande woningvoorraad in Midden-Limburg bestaat voor 68% uit koopwoningen. Dit percentage ligt in plattelandsgemeenten hoger. Het woningmarktonderzoek uit 2018 geeft aan dat er regionaal behoefte is aan extra huurwoningen. Elke gemeente stuurt bij bouwplannen op het realiseren van de juiste, gevraagde woningen. De gemeente Echt-Susteren heeft de ambitie heeft om in de periode 2021 tot en met 2025 het woningaanbod zowel kwantitatief als kwalitatief uit te breiden. In kwalitatief opzicht is in het kader van de regionale woonvisie uit 2018 een uitgebreid woningmarktonderzoek uitgevoerd. Wat betreft de kwalitatieve woonbehoeften zijn de uitkomsten van dat onderzoek nog actueel.

Er is met name behoefte aan appartementen met lift, grondgebonden seniorenwoningen, woningen voor starters en overige woningen/nichemarkten. Met onderhavige ontwikkeling wordt voorzien in het realiseren van zes vrijstaande Ruimte voor Ruimte woningen. Zowel kwantitatief als kwalitatief voldoen de woningen niet direct aan het beleid uit de Structuurvisie. In de gemeente is namelijk juist behoefte aan betaalbare woningen voor kleinere huishoudens in het goedkopere segment. Maar het plan is alsnog aanvaardbaar vanwege de reeds gemaakte afspraken in 2001 tussen de Provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte Limburg C.V./B.V. Tevens is hier sprake van zes Ruimte voor Ruimte kavels waarvoor in het verleden een kwaliteitsverbetering heeft plaatsgevonden middels het slopen van agrarische bebouwing. Bovendien is het planvoornemen uitdrukkelijk genoemd in de Structuurvisie als harde plancapaciteit. Vanuit dit perspectief zijn er derhalve geen belemmeringen voor de onderhavige ontwikkeling. Conclusie Vanuit de Structuurvisie Wonen 2022-2025 zijn op basis van het bovenstaande geen belemmeringen voor de zes Ruimte voor Ruimte kavels aan de Weijenpasweg in Sint-Joost.

Hoofdstuk 4

21

4.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie 2012 – 2025: Ontwikkelen met Kwaliteit Op 12 december 2012 heeft gemeenteraad van Echt-Susteren de 'Structuurvisie Echt-Susteren 2025 Ontwikkelen met kwaliteit' vastgesteld. Voor het stedelijk en het landelijk gebied formuleert de structuurvisie een aantal ambities. Het realiseren van deze ambities draagt bij aan het halen van de algemene gemeentelijke doelstelling om ook in 2025 en lang daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Het plangebied ligt net buiten het stedelijk gebied, aan de rand van de kern Sint-Joost. Wat betreft wonen geeft de gemeente de voorkeur aan de realisatie van nieuwe woningen in de (hoofd)kernen boven nieuwe woningen in het buitengebied. Ten aanzien van het buitengebied geldt dat het toevoegen van nieuwe woningen ongewenst is. Incidentele nieuwbouw is enkel nog onder voorwaarden mogelijk.

Kaart 'Plangebied Structuurvisie' met globale ligging plangebied (blauwe pijl)

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van zes Ruimte voor Ruimte kavels ten behoeve van zes vrijstaande woningen, gelegen net buiten het bestaand stedelijk gebied van de kernen Echt en Sint-Joost. Op basis van de gemaakte afspraken tussen Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. en de gemeente worden Ruimte voor Ruimte kavels gerealiseerd op geschikte locaties, aansluitend op het bestaand stedelijk gebied. Het voorliggende plangebied betreft een dergelijke geschikte locatie, die aansluit op de bestaande kern. De nieuwbouw van zes woningen op onderhavige planlocatie is daarmee

Hoofdstuk 4

22

passend binnen de uitgangspunten voor wonen uit de structuurvisie. Tevens is het project benoemd in de structuurvisie. Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) De gemeente Echt-Susteren heeft in haar Structuurvisie 2022-2025 het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) uitgewerkt tot een Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM). In de structuurvisie is het LKM vertaald naar de specifieke gemeentelijke situatie. Het basisprincipe van dit GKM is dat indien bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied en delen van het stedelijk gebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, dit verlies gecompenseerd dient te worden door een kwaliteitsverbeterende maatregel en/ of een financiële bijdrage. De ambitie is dat per saldo de kwaliteit toeneemt. Het GKM is van toepassing op vanuit ruimtelijk-functioneel oogpunt gezien niet-onaanvaardbare ruimtelijke ontwikkelingen die via een projectafwijking, wijziging of herziening van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Kenmerkend voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het veelal nieuwe functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen met daaraan verbonden specifieke ruimtelijke invloeden op de omgeving. Het GKM is met name van toepassing op het buitengebied. Dit betreft het gebied dat gelegen is buiten de (door de provincie getrokken) rode contour. Op onderdelen is het GKM doorgetrokken naar het stedelijk gebied.

Het gaat daarbij met name om ontwikkelingen die ruimtelijk-functioneel toelaatbaar zijn, maar minder gewenst, omdat ze botsen met andere beleids- of projectdoelen. Om die reden wordt er een kwaliteitsbijdrage gevraagd om een investering elders in het stedelijk gebied te kunnen doen ter compensatie. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van zes vrijstaande woningen. In het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling is middels de sloop van verouderde veestallen reeds een kwaliteitsverbetering van het buitengebied bewerkstelligd. In ruil voor deze sloop mogen woningbouwkavels worden uitgegeven. Voor deze woningbouwkavels, waaronder de voorliggende kavel, is daarom geen aanvullende kwaliteitsverbetering of GKM-bijdrage vereist.

Hoofdstuk 4

23

5.

ONDERZOEK Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer, duurzaamheid en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/of conclusies zijn.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Middels voorgenomen ontwikkeling worden zes Ruimte voor Ruimte woningen mogelijk. Dit betreft een bestemmingswijziging naar een voor de bodem gevoeliger gebruik. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten voor de beoogde ontwikkeling. Zoals reeds is beschreven wordt de woning aan de Weijenpasweg 33 herbestemd naar ‘Wonen’. In het kader van de herbestemming is tevens voor deze woning een Vooronderzoek bodem3 uitgevoerd. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportages. Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek ontwikkeling Weijenpasweg Na uitvoering van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende.  In de zandige boven- en ondergrond (0,0-2,0 m-mv) zijn geen verontreinigingen aangetroffen.  Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie) uit het Handelingskader PFAS blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte bodem voor de stofgroep PFAS indicatief voldoet aan klasse “achtergrondwaarde”.

 Het grondwater in peilbuis 005 is niet verontreinigd.  Indien de resultaten indicatief worden getoetst aan het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit voldoet de kwaliteit aan indicatief “achtergrondwaarde”.  Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “onverdacht” te worden aanvaard.

2 3

Geonius, Verkennend bodemonderzoek, rapportnummer MA210659.R01.V1.0, d.d. 8 april 2022 Geonius, Vooronderzoek bodem Weijenpasweg 33, rapportnummer MA220781.R01.V1.0, d.d. 17 oktober 2022

Hoofdstuk 5

24

 Plaatselijk zijn bijmengingen aan baksteen(puin) aangetroffen. Op basis van de mate van bijmengingen en het historisch gebruik, is het niet aannemelijk dat asbest in de bodem aanwezig is in significante gehalten.  Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk  Uit de PAK-marker testen alsmede de chemische analyses van de kernen blijkt dat de laag STAB0/16 niet teerhoudend is. De onderliggende DAB 00/8 laag is op basis van de PAK-marker testen teerhoudend. Op basis van de resultaten van onderhavig verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie. Onderzoeksresultaten vooronderzoek bodem Weijenpasweg 33 Na uitvoering van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende.  Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie geen activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Derhalve achten we de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 op de onderzoekslocatie niet noodzakelijk.  Ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie zijn geen asbestverdachte plaatmaterialen waargenomen.

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem de hypothese “onverdacht” van toepassing is. Verder onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte kavels en de herbestemming van de woning aan de Weijenpasweg 33. De bodem ter plaatse is geschikt voor woondoeleinden. 5.1.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.

Hoofdstuk 5

25

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Onderhavig planvoornemen, zes Ruimte voor Ruimte kavels ten behoeve van zes vrijstaande woningen, wordt op basis van de Wgh aangemerkt als geluidgevoelig object. Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van enkele omliggende wegen, waardoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd. Hieronder wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport4. Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 47 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Akoestisch onderzoek industrielawaai Naast het effect van de omliggende wegen op de nieuwe ontwikkeling dient het effect van de ontwikkeling op de directe omgeving te worden onderzocht. De verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling en de geluidsemissie van warmtepompen kunnen mogelijk zorgen voor een negatief effect op de directe omgeving. Zodoende is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport 5.

Onderzoeksresultaten industrielawaai Uit de berekeningsresultaten volgt dat het bronvermogen van elke warmtepomp ten hoogte 61 db(A) kan bedragen om aan de eis uit het Bouwbesluit te voldoen. Hiervoor zijn een viertal warmtepompen beschouwd met een maximaal bronvermogen van 60 db(A) en is de gecumuleerde geluidsbelasting afkomstig van de warmtepompen per woning berekend, uitgaande van een bronvermogen van 61 dB(A). Het gecumuleerde geluidsniveau voor de vijf warmtepompen samen bedraagt ten hoogste 32 dB(A) ter hoogte van woning 1 en 2. Daarmee zijn de berekende geluidsniveaus lager dan 40 dB(A). Naast de geluidsemissie van de warmtepompen is tevens het effect van het verkeer op de omgeving berekend. Uit het onderzoek is gebleken dat De toename van de geluidbelasting op de Weijenpasweg 41 als gevolg van bestemmingsverkeer naar het woningbouwplan minder dan 1,5 dB bedraagt. Derhalve is het extra verkeer akoestisch niet herkenbaar ten opzichte van het heersend verkeer ter hoogte van de woning aan de Weijenpasweg 41. Conclusie Indien warmtepompen worden toegepast met een bronvermogen van ten hoogste 61 dB(A) kan worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Met de geluidbelasting als gevolg van bestemmingsverkeer naar het plan is het extra verkeer akoestisch niet herkenbaar is ten opzichte van het heersend verkeer ter hoogte van de woning aan de Weijenpasweg 41.

4 5

Econsultancy, Onderzoek wegverkeerslawaai Weijenpasweg te Echt, Rapportnummer 18027.001, d.d. 20 januari 2022 Econsultancy, Onderzoek industrielawaai Weijenpasweg te Echt, Rapportnummer (18027.002), d.d. (14 november 2022)

Hoofdstuk 5

26

5.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg

Minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

De realisatie van zes woningen leidt slechts tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen en daarmee niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder b. Achtergrondwaarden In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM lag de concentratie fijnstof (PM10) ter plaatse in 2020 beneden de 15 µg/m³, de concentratie stikstof (PM2,5) beneden de 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) beneden de 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten ven het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de nieuwe (woon)functie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c.

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat

Hoofdstuk 5

27

de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 5.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van zes woningen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan.

Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, lpg-tankstations enzovoorts. Risicovolle inrichtingen Uit de Risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De meest dichtbijgelegen inrichting ligt op circa 1.250 meter ten noorden van het plangebied en betreft een opslaglocatie van Action DC. Gezien de grote afstand en de aard van de inrichting ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Voor het overige zijn er geen risicovolle inrichtingen in de omgeving gelegen waarvan het invloedsgebied tot het plangebied reikt. Vanuit het Bevi zijn er kortom geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Spoor Op een afstand van circa 1.100 meter ten westen van het plangebied loopt de spoorlijn Roermond – Sittard. Over dit spoor vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contour van de spoorlijn. Gezien de grote afstand tussen het plangebied en het spoor en omdat de voorliggende ontwikkeling slechts de toevoeging van zes woningen betreft, wordt er geen gewijzigde invloed op het groepsrisico uitgeoefend.

De ligging ten opzichte van de spoorlijn vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 5

28

Wegverkeer Op een afstand van circa 550 meter van het plangebied is de N276 gelegen, die ten westen van het plangebied loopt. Over deze weg vindt eveneens transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gezien de grote tussenliggende afstand en de aard van de voorliggende ontwikkeling (toevoeging van zes woningen) wordt er geen gewijzigde invloed op het groepsrisico uitgeoefend. De ligging ten opzichte van deze weg vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Op een afstand van circa 1.800 meter ten westen en noordwesten van het plangebied loopt de Rijksweg A2, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contour van deze weg. De ligging ten opzichte van de A2 vormt hierdoor geen directe belemmering. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg vanwege het vervoer van toxische stoffen. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt is daarom een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Aangezien de afstand tussen het plangebied en de A2 meer dan 200 meter bedraagt, kan op basis van het Bevt worden volstaan met een beperkte verantwoording. Hiertoe wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Buisleidingen Op een afstand van circa 510 meter ten oosten van het plangebied ligt een brandstofleiding van Leiding Gasunie Transport Services.

Vanwege de afstand van het plangebied ten opzichte van de buisleiding vormt deze leiding geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Verder zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen transportleidingen gesitueerd, die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Water Op een afstand van circa 3 kilometer ten westen van het plangebied ligt het Julianakanaal. Over dit kanaal vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6 contour van deze waterweg reikt niet tot buiten de oeverlijn. Gezien de grote afstand tot het plangebied wordt geen invloed op het groepsrisico uitgeoefend middels de voorliggende ontwikkeling. De ligging ten opzichte van het kanaal vormt daarmee geen belemmering. Verantwoording groepsrisico Zoals hierboven is beschreven is voor de Rijksweg A2 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1. De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2. De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven:

Hoofdstuk 5

29

Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Verantwoording Voor wat betreft de weg A2 bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Gezien de grote tussenliggende afstand hebben calamiteiten met brandbare vloeistoffen of gassen geen effect in het plangebied. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=09cd5c80-a809-4420-9fed-7422e442e6f9