CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissie Omgeving 8 april 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan Molenweg ongenummerd te Koningsbosch15.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.3.3 Verricht akoestisch onderzoek Middels een akoestisch onderzoek moet worden aangetoond dat ter plekke van de bedrijfswoning de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een Hogere Waarde gevolgd dienen te worden. Het akoestisch onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. In navolgende tabel zijn de conclusies uit het onderzoek weergeven. Zowel de voorkeursgrenswaarde als de maximale ontheffingswaarde worden op geen enkel punt overschreden.

Uitsnede tabel conclusies Wet geluidhinder Verder blijkt uit de resultaten van het akoestisch onderzoek dat, met de toepassing van standaard bouwmaterialen, het bouwplan voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit en een aanvaardbaar binnenniveau gegarandeerd kan worden. Met het planvoornemen wordt, met uitzondering van de te realiseren bedrijfswoning, geen geluidsgevoelig object gerealiseerd. Ten behoeve van de bedrijfsvoering zullen maar enkele verkeersbewegingen per dag noodzakelijk zijn. Deze (interne) verkeersbewegingen zullen derhalve geen invloed hebben op het woon- en leefklimaat in de bedrijfswoning. De nieuwe inrichting (veulenopfokbedrijf) zal tevens geluid produceren. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' is ten behoeve van geluid een richtafstand van 30m opgenomen. Omliggende woningen liggen op een grotere afstand dan 30 meter van dit nieuwe bedrijf. Aan die richtafstand wordt derhalve ruimschoots voldaan. De bedrijfswoning zelf is gelegen op een afstand van 26m van het bedrijfsgebouw echter vormt de bedrijfswoning, voor wat betreft de toetsing voor geluid van het eigen bedrijf, geen gevoelig object. Onderhavig bedrijf betreft een productiegerichte paardenhouderij (een veulenopfokbedrijf). Het is daarmee geen manege-accommodatie waar ook evenementen en/of (oefen)toernooien worden gehouden.

5.3.4 Conclusie geluid Op basis van de gehanteerde uitgangspunten kan worden voldaan aan de voorkerusgrenswaarde. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.

5.4

Milieuzonering

5.4.1 Algemeen Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. 5.4.2 Bestaande bedrijvigheid In de omgeving van onderhavig plangebied zijn een tweetal bestaande bedrijven gevestigd. Kerkstraat 33/33a te Koningsbosch:Gosselin Moving B.V. Ten westen van het plangebied is opslag/verhuisbedrijf Gosselin Moving B.V. gevestigd aan de Kerkstraat 33

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

33

te Koningsbosch. Deze locatie is op grond van het geldende bestemmingsplan bestemd voor 'Bedrijf' waarbinnen bedrijfsactiviteiten tot en met de categorie 3.2 zijn toegestaan. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten dient op grond van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)' een richtafstand te worden aangehouden van 100 meter. De nieuwe bedrijfswoning wordt gerealiseerd op een afstand van 75 meter van deze bedrijfslocatie. In beginsel zou dit betekent dat de beoogde planontwikkeling ter plekke niet passend zou zijn. De nieuwe bedrijfslocatie ligt in het overgangsgebied van de bebouwde kom naar het buitengebied. Aan die weg richting het buitengebied bevinden zich in hoofdzaak agrarische bedrijven. Dit gebied kan derhalve als gemengd gebied worden beschouwd. De Kerkstraat van Koningsbosch betreft verder de hoofdinfrastructuur van het dorp. Gebieden en woningen die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Met in acht name van deze uitgangspunten kan de omgeving van de projectlocatie Molenweg ong. getypeerd worden als gemengd gebied waardoor de richtfstand met één stap kan worden verlaagd naar 50 meter. Aan die afstand wordt ruimschoots voldaan.

Mede gezien de afstand van 75 meter en het feit dat bestaande woningen dichterbij zijn gelegen ten opzichte van dit bedrijf, vormt de aanwezig bedrijvigheid geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling. Kerkstraat 35 te Koningsbosch:Gevelreiniging van Leipsig-Timmermans Ten westen van het plangebied is Gevelreiniging van Leipsig-Timmermans gevestigd aan de Kerkstraat 35 te Koningsbosch. Deze is op grond van het geldende bestemmingspan bestemd voor 'bedrijf' waarbinnen bedrijfsactiviteiten tot en met de categorie 3.1 zijn toegestaan Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten dient op grond van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)' een richtafstand te worden aangehouden van 50 meter. Het beoogde plangebied is gelegen op circa 150 meter afstand van de bestemmingsgrens. Gelet op deze afstand vormt de bedrijfsvoering aan de Kerkstraat 35 geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling. 5.4.3 Nieuwe bedrijvigheid Voor het houden van paarden (in dit geval veulens) geldt een specifieke afstand van 100 meter (Activiteitenbesluit). Daarnaast is de geurverordening niet van toepassing, omdat Koningsbosch niet is opgenomen in artikel 4 van die verordening. Dit betekent dat de stallen van het nieuwe veulenopfokbedrijf/mestplaat op minimaal 100 meter afstand moet zijn gelegen t.o.v. omliggende woningen.

Aan de afstand van 100 meter ten opzichte van de woning aan Molenweg 2, welke op een afstand van circa 150 meter van het bouwvlak van het veulenopfokbedrijf ligt, wordt ruimschoots voldaan. Voor een (grondgebonden) paardenhouderij gelden op basis van brochure 'Bedrijven en milieuzonering' overige richtafstanden van: 30 meter voor stof; 30 meter voor geluid; 0 meter voor gevaar. De meest nabij gelegen woning van derden (Molenweg nr. 2) ligt op een afstand van circa 150 meter van het plangebied. Aan de te hanteren minimale milieuafstanden wordt voldaan. Tevens zal de nieuwvestiging van het veulenenopfokbedrijf, gelet op het feit dat bestaande woningen die dichterbij zijn gelegen, geen gevolgen hebben voor mogelijke uitbreidingen van bedrijven in de omgeving van het plangebied. 5.4.4 Conclusie milieuzonering Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

34

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. 5.5.2 Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht.

Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM1 0 als NO2 . Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Voorliggend planontwikkeling is geenszins vergelijkbaar met een plan voor genoemde aantal woningen. NIBM-tool InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit.

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

35

Uitsnede NIBM-tool Onderhavig planvoornemen impliceert een verkeersaantrekkende werking van maximaal twee vrachtwagens en enkele auto's met trailer per dag. Uit de NIBM-tool blijkt dat (uitgaande van 5% vrachtverkeer) tot maximaal 1119 extra voertuigenbewegingen per weekdaggemiddelde niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In voorliggend planontwikkeling is van dergelijke aantallen geenszins sprake. 5.5.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het besluit is niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. 5.5.4 Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

5.6

Externe veiligheid

5.6.1 Algemeen Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde, binnen welke contour geen kwetsbare objecten mogen worden opgericht.

36

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Verantwoording van het groepsrisico Voor bepaalde situaties geldt op basis van het beleid een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In het Bevi, de Bevt (Besluit externe veiligheid transportroutes) en het Bevb (Besluit externe veiligheid buisleidingen) zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen. De verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevi van toepassing indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Voor buisleidingen geldt dat de verantwoording van het groepsrisico van toepassing is binnen de 1%-letaliteitsafstand van de buisleiding. Als de ruimtelijke ontwikkeling buiten de 100%-letaliteitsafstand plaatsvindt of buiten de 10-8 plaatsgebonden risicocontour voor toxische stoffen, of het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of met minder dan 10% toeneemt, kan een aantal onderdelen van de verantwoording achterwege worden gelaten. In dat geval richt de focus zich hoofdzakelijk op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid. Conform het Bevt dient een significante toename van het groepsrisico of een overschrijding van de oriëntatiewaarde verantwoord te worden.

5.6.2 Risicovollebronnen Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mgeolijke externe veiligheidsrisico's, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Transportroutes gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt op circa 120 meter van de provinciale weg N 572 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Aangezien het bestemmingsverkeer betreft, kent deze weg géén PR10-6 risicocontour, waardoor dit aspect geen belemmering vormt. Aangezien de plan ontwikkeling op minder dan 200 meter van deze weg is gelegen, is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt. Binnen het plan worden (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, te weten de bedrijfswoning. Gezien de omvang van het plan, zal is er geen significante toename van de personendichtheid binnen het invloedsgebied, waardoor op grond van de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) de grenswaarden van 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Een kwantitatieve vaststelling van de hoogte van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. De veiligheidsregio Midden-Limburg dient in het kader van onderhavig project een advies uit te brengen, waarmee bij uitvoering van het bouwplan rekening dient te worden gehouden.

Situatie plangebied inzake Bevi / risicovolle inrichtingen In de directe omgeving van onderhavig plangebied is geen sprake van risicovolle inrichtingen die van invloed

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

37

zijn op voorliggende locatie. Transportleidingen gevaarlijke stoffen In de omgeving van onderhavig plangebied is geen sprake van transportleidingen van gevaarlijke stoffen. 5.6.3 Resultaten en conclusies externe veiligheid Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen.

38

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

Hoofdstuk 6

Overige ruimtelijke aspecten

Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in Hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. Ten behoeve van de (toekomstige) vestiging van de productiegerichte paardenhouderij op de locatie Molenweg ong. Koningsbosch wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.

6.1

Archeologie

6.1.1 Archeologische monumentenzorg (Erfgoedwet) Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Daaromtrent zijn in de Erfgoedwet bepalingen opgenomen die de gemeenteraad in acht moet nemen. 6.1.2 Archeologische verwachtingswaarden Voor onderhavig plangebied is ten aanzien van het aspect archeologie de archeologische verwachtings- en beleidskaart voor de gemeente Echt-Susteren geraadpleegd.

Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Limburg met aanduiding plangebied Op grond van de bovenstaande kaart is voor onderhavig plangebied sprake van middelhoge archeologische verwachtingswaarden. 6.1.3 Dubbelbestemming Waarde - Archeologie De middelhoge archeologische verwachtingsaarde van het gebied heeft geleid tot het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'. Op basis van deze dubbelbestemming is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk, indien bodemverstorende activiteiten plaatsvinden bij een diepte groter dan 40 cm en als de oppervlakte meer

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

39

bedraagt dan 500 m². Onderhavig plan heeft een groter oppervlak dan 500 m². In dat kader heeft Aeres Milieu BV op 12 januari 2023 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. 6.1.4 Verricht archeologischonderzoek Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in bijna het gehele plangebied een deels intact bodemprofiel is aangetroffen. In het plangebied zijn radebrikgronden aangetroffen. Dit komt overeen met de verwachting uit het bureauonderzoek. De natuurlijke ondergrond bestaat uit lössafzettingen van het Laagpakket van Schimmert (Formatie van Boxtel) afgezet op fluviatiele rivierafzettingen (Formatie van Sterksel). In de fluviatiele rivierafzettingen zijn meerdere fases van eolische afzettingen (Formatie van Boxtel) waargenomen. Er zijn op verschillende dieptes zogenaamde ‘’desert pavements’’ waargenomen. De top van de natuurlijke ondergrond bevindt zich direct onder de bouwvoor, op een diepte van circa 30 centimeter onder maaiveld. Zoals eerder vermeld bestaat de bodemopbouw in het plangebied uit een deels intacte bodem. In bijna alle boringen is een E en Bt-horizont aanwezig.

Op basis hiervan en het ontbreken van bodemverstoringen blijft de archeologische verwachting gehandhaafd ((middel)hoog voor de periode midden-paleolithicum - vroege middeleeuwen en laag voor de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd). Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in een groot deel van het plangebied bestaat uit (deels) intacte radebrikgronden. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting ((middel)hoog voor de periode midden-paleolithicum vroege middeleeuwen en laag voor de periode late middeleeuwen - nieuwe tijd) blijft dan ook gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen vanaf het maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Hierbij is rekening gehouden met een bufferzone van 30 centimeter. Wanneer er graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats.

Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Echt-Susteren). De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Echt-Susteren), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Dit selectieadvies betekent nog niet dat al bodemverstorende of voorbereidende activiteiten ondernomen kunnen worden. 6.1.5 Conclusie archeologie Op grond van het verrichte archeologisch onderzoek kan het plangebied niet vrij worden gegeven. De op het plangebied rustende archeologische waarde-aanduiding (Waarde- Archeologie 3) dient derhalve gehandhaafd te worden op de verbeelding. Alvorens de bouw en grondroeringen in het plangebied kunnen aanvangen dient er nader archeologisch onderzoek middels proefsleuven te worden uitgevoerd. Voor aanvang van de werkzaamheden zal daartoe tijdig een Programma van Eisen Protocol Proefsleuven ter goedkeuring aan het bevoegde gezag worden overgelegd.

40

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

6.2

Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.

6.3

Verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. In het bedrijfsplan wordt uitgegaan van het jaarlijks opstarten met 20 gespeende veulens en de opfok hiervan tot vierjarige leeftijd. Vooropgesteld wordt dat sprake is van veulenenopfokbedrijf en geen manege waardoor de aantal verkeersbewegingen een stuk lager zijn. Voor de beoordeling van het aspect verkeer en parkeren wordt daarmee uitgegaan van het houden van 80 veulens. 6.3.1 Verkeersstructuur Onderhavig plangebied is gelegen aan de geasfalteerde weg (Molenweg). De verkeersbewegingen van en naar het bedrijf zullen worden afgewikkeld via deze weg. De ontsluiting vindt plaats via een bestaande inrit die door een groenstrook met bomenrij loopt. Voor de ontsluiting behoeven er geen bomen te worden gekapt en de groenstrook behoudt zijn huidige functie. In paragraaf 6.6 (Flora en Fauna) wordt hier verder op in gegaan. Beoordeeld dient te worden of de planontwikkeling gevolgen heeft voor de verkeersstructuur, -doorstroming, -afwikkeling, en -veiligheid. Op grond van de CROW-kencijfers wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 15 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal.

Verondersteld wordt dat voorliggende planontwikkeling geen toename impliceert welke negatieve gevolgen heeft op de huidige verkeerstructuur ter plekke van onderhavig plangebied en de directe omgeving.

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

41

Luchtfoto bestaande situatie met ontsluiting plangebied 6.3.2 Parkeren Voor een woning wordt door de gemeente Echt-Susteren een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen gehanteerd. Ten behoeve van het kantoor wordt uitgegaan van 2,8 parkeerplaatsen per 100 m² BVO. Het totale oppervlakte BVO ten behoeve van kantoor bedraagt circa 100 m². Derhalve dienen 3 parkeerplaatsen voor kantoordoeleinden te worden gerealiseerd. Deze zullen worden gerealiseerd nabij de woning ter plekke van de carport. Voor een veulenopfokbedrijf bestaan geen concrete parkeernormen. Hiervoor worden in onderhavige situatie toch 10 extra parkeerplaatsen aangelegd voor mogelijke bezoekers. Het totaal van 15 parkeerplaatsen kan worden voorzien op eigen terrein. De locatie van de parkeerplaatsen zijn in onderstaande afbeelding gevisualiseerd.

Uitsnede landschappelijk inpassingsplan met aanduiding parkeerplaatsen

6.4

Waterhuishouding

6.4.1 Provinciaalbeleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging,

42

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. 6.4.2 Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Om te bepalen of een plan aan het watertoetsloket moet worden voorgelegd, is de 'digitale watertoets' ontwikkeld. Door middel van het intekenen van het plangebied en het beantwoorden van vragen wordt bepaald welke procedure van toepassing is.

Sinds de nieuwe keur van april 2019 dienen alle plannen te worden voorgelegd aan het waterschap Limburg. Het waterschap geeft haar advies over de plannen. 6.4.3 Afvalwater en hemelwater Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Echt-Susteren. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Aansluiting op de gemeentelijke riolering dient plaats te vinden via een drukriool. Daartoe dient een persleiding te worden aangelegd in openbaar gebied en een pompgemaal te worden geplaatst. In de Molenweg is de juiste infrastructuur aanwezig om het vuilwater te kunnen verwerken. Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een te realiseren hemelwatervoorziening aan de westzijde van het plangebied.

Capaciteit hemelwatervoorziening Bij nieuwbouw dient minimaal 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient de hoeveelheid af te voeren hemelwater te worden berekend bij een extreme bui en gedimensioneerd te worden op een infiltratie- en bergingsvoorziening van 100 mm per etmaal met een beschikbaarheid van gehele berging binnen 24 uur. Door voorliggend planvoornemen wordt circa 8.390 m² aan verhard oppervlak enn bebouwing toegevoegd. Bij een extreme bui van 100 mm per etmaal dient de capaciteit van de infiltratievoorziening 839 m³ te bedragen. Opvang schoon hemelwater In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

43

van het hemelwater voorkomen. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat geen water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn. Omdat de beoogde locatie is gelegen in het buitengebied, met ruime afstanden naar nabijgelegen woningen en bebouwing en de afwezigheid van reliëf, kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld, dat hiervan geen sprake zal zijn. 6.4.4 Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

6.5

Natuur en landschap

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. 6.5.1 Natuurnetwerk Blijkens de kaart 'Natuur' van de Omgevingsverordening Limburg is onderhavig plangebied niet gelegen binnen het 'Natuurnetwerk'.

Uitsnede kaart 'Natuur' POL2014 met aanduiding plangebied 6.5.2 Kernkwaliteiten Zoals reeds eerder geconstateerd in paragraaf 4.2.2 is het projectgebied gelegen in het beschermingsgebied 'Roerdalslenk zone II'.

44

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt ten aanzien van het beschermingsgebied 'Roerdalslenk Zone II' voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden – waarvan in casu sprake is – een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Schaalcontrast van zeer open naar besloten Onderhavig plangebied ligt op de overgang tussen het dorp Koningsbosch en het open uitgestrekte buitengebied/landbouwgebied. Als gevolg van voorliggende planontwikkeling blijft deze overgang aanwezig en is geen sprake van een onevenredig aantasting van deze kernkwaliteit. Het groene karakter Gelet op het volledige plan, garandeert initiatiefnemer het behoud van het 'groene' karakter in de omgeving door de landbouwgronden in te zetten als weiland voor veulens. De uitbreiding ter plekke van voorliggende planvoornemen is enkel een klein gedeelte van de het gehele project. Het groene karakter wordt als gevolg van voorliggende planontwikkeling niet onevenredig aangetast. Reliëf en ondergrond Ter plekke van het plangebied is geen sprake van reliëf. De ondergrond heeft een beschermende werking voor het grondwater waardoor ter plekke een boringsvrije zone van toepasing is.

Als gevolg van voorliggende planontwikkeling wordt de ondergrond niet gewijzigd dan wel onevenredig aangetast. Rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed Ter plekke van het plangebied is geen sprake van cultuurhistorisch erfgoed. 6.5.3

Natura2000

Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura2000 gebieden worden beschermd door de 'Wet Natuurbescherming'. Het meest nabij gelegen Natura2000-gebied is het op circa 3,5 kilometer gelegen Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop.

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

45

Luchtfoto met met aanduiding plangebied en Natura2000 Indien er sprake zou zijn van een effect op Natura2000 gebieden, dan betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Gezien de afstand tot het plangebied is een effect van geluid en licht uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de nieuwbouw van een bedrijf met veulens betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een significante toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is derhalve niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening dient uit te wijzen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Enkel wanneer er geen toename aan stikstofdepositie is, is een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied uitgesloten. Is dit niet het geval dan dienen maatregelen te worden genomen om de netto toename in stikstofdepositie tot nul terug te brengen. Middels AERIUS-berekeningen is nagegaan of de vestiging van dit veulenopfokbedrijf leidt tot een toename van stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige natuurgebieden. In dit kader is een stikstoftoets uitgevoerd met de meest recente AERIUS-module. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Uit de berekeningen voor de realisatiefase met de AERIUS-module blijkt, dat er geen sprake is van een

46

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

significant effect op een voor stikstof gevoelig natuurgebied. Er ontstaat geen depositie > 0,00 mol/ha/jr., waardoor effecten op instandhoudingsdoelen van N-2000 gebieden ten gevolge van stikstof tijdens de realisatiefase met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Uit de berekeningen voor de gebruiksfase met de AERIUS-module blijkt, dat er wel sprake is van een effect op een voor stikstof gevoelig natuurgebied. Dit betekent dat ter plaatse niet rechtstreeks een bouwvlak voor een productiegerichte paardenhouderij kan worden geprojecteerd. Met onderhavig bestemmingsplan wordt het oprichten van een paardenhouderij dan ook niet rechtstreeks mogelijk gemaakt. Om het oprichten van een productiegerichte paardenhouderij op deze locatie mogelijk te maken dient gebruik te worden gemaakt van de in de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid (artikel 3.8.6). Artikel 3.8.6., lid d van de planregels bepaalt daarbij, dat alvorens een nieuwvestiging van een productiegerichte paardenhouderij plaats mag vinden aangetoond moet worden dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op Natura2000-gebied, danwel dat de depositie geen gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstelling van Natura2000-gebieden.

Daarmee wordt met het nu voorliggende bestemmingsplan uitgesloten dat er een paardenhouderij wordt opgericht welke een toename van stikstofdepositie op NB-gebied kan veroorzaken. Door in voorliggend bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen waarin de daadwerkelijke realisatie van het planvoornemen (de projectie van het daarvoor noodzakelijke bouwvlak) pas onder voorwaarden door het college van burgemeester en wethouders mogelijk kan worden gemaakt, wordt met de vaststeling van onderhavig bestemmingsplan dan ook uitgesloten dat er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt op Natura-2000 gebieden. 6.5.4 Landschappelijkinpassingsplan Zoals aangegeven in paragraaf 4.2.5 is in het kader van het kwaliteitsmenu een landschappelijk inpassingsplan vervaardigd. Betreffend inpassingsplan is op schaal bijgevoegd als Bijlage 3.

Uitsnede landschappelijk inpassingsplan De inpassingsmaatregeen betreffen in eerste instantie handhavig van de robuuste houtsingel lands de Molenweg. Voorts wordt voorzien in nieuwe meidoornhagen rond de entree, oprit en langs de perceelsgrens en aanplant van nieuwe bomen tussen de bedrijswoning en de entree.

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

47

De daadwerkelijke realisatie en duurzame instandhouding van de inpassingsmaatregelen wordt middels voorliggens bestemmingsplanprocedure publiekrechtelijk geborgd op grond van de in dit plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, waarin als voorwaarde is opgenomen, dat voorzien dient te worden in een landschappelijke inpassing. 6.5.5 Conclusie natuur en landschap Gelet op vorenstaand vormt het aspect natuur en landschap geen belemmering voor odnerhavige planontwikkeling.

6.6

Flora en fauna

6.6.1 Algemeen De provincie Limburg beschikt over diverse in kaart gebrachte natuurgegevens per kilometerhok. Ter plekke van het onderhavig plangebied zelf is - blijkens de provinciale natuurgegevens - geen sprake van recent waargenomen (beschermde) broedvogels, en/of flora. Door het ontbreken van (jaarrond) oppervlaktewater in en nabij het plangebied zijn beschermde amfibieën, waterkevers, libellen en vissen uit te sluiten. De voorgenomen werkzaamhedenzullen daarmee geen effect hebben op het voorkomen van dergelijke soorten. Ten noorden van het plangebied is een bomenrij aanwezig welke behouden blijft in de huidige staat. Voor de ontsluiting wordt gebruik gemaakt van een bestaande inrit. Deze bomenrij kan als vliegroute gebruikt worden door vleermuizen. Ook kunnen hier mogelijk waardplanten staan voor beschermde vlinders. Daar deze bomenrij niet wordt aangetast en er geen kunstmatig licht op wordt gericht behoudt deze bomenrij zijn huidige functie. Daarbij wordt er in het plangebied gebruik gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting. Gelet op de huidige feitelijke gebruikssituatie van het plangebied, alsook het intensief landbouwkundig bewerken van het agrarische perceel alwaar de beoogde planontwikkeling is voorzien, is de kans op aanwezigheid van eventueel beschermde reptiel- en zoogdieren zodanig klein, dat ecologisch onderzoek achterwege kan blijven.

Daarbij worden er in de toekomstige situatie siertuinen, groenstroken en een wadi aangelegd en worden inheemse bomen, fruitbomen en meidoornhagen aangeplant. Hierdoor zal de toekomstige situatie meer structuur en diversiteit bieden dan de huidige monocultuur. Daardoor ontstaat er een beter leefgebied voor vogels, vleermuizen, insecten en mogelijk ook enkele zoogdiersoorten. 6.6.2 Conclusie flora en fauna Gelet op de beschikbare gegevens en het karakter van het plangebied is de kans klein dat er binnen het plangebied beschermde soorten voorkomen. Mochten er toch diersoorten in het plangebied voorkomen dan zullen dit algemene soorten zijn waarvoor de lichtste vorm van bescherming geldt (bosmuis, spitsmuis, veldmuis, etc.). De bouw een veulenopfokbedrijf zal, indien deze soorten zich in het plangebied bevinden, geen schadelijk effect hebben daarop. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.7

Duurzaamheid

Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht na ar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishouding systeem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen

48

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

(levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat.

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

49

50

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

7.1

Grondexploitatie

7.1.1 Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel 'Grondexploitatie'. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. 7.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).

Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden: het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel. De gemeente Echt-Susteren sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van het project. Hiermee is het kostenverhaal anderszins geregeld.

7.2

Planschade

Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

51

planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. Tussen initiatiefnemer en de gemeente Echt-Susteren wordt een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten zodat eventuele toegewezen aanvragen van een tegemoetkoming in planschade voor rekening van initiatiefnemer komen.

52

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

Hoofdstuk 8

Planstukken

Het bestemmingsplan 'Molenweg ong. Koningsbosch' van de gemeente Echt-Susteren bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding schaal.

8.1

Algemeen

Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de nieuwe Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2008' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd; er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist; er is een verplichte 'analoge verbeelding' voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan.

Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd; er is een verplichte 'digitale verbeelding' voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website). Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.

8.2

Toelichting, regels en verbeelding

Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven. 8.2.1 Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan. 8.2.2 Regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat: Hoofdstuk 1: Inleidende regels

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

53

Begrippen Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Bestemmingen Voorlopige bestemmingen Uit te werken bestemmingen Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingssregels Algemene wijzigingsregels Verwezelijking in de naaste toekomst Algemene procedureregels Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. Hierbij zijn de regels van de bestemmingsplannen 'Buitengebied' van de gemeente Echt-Susteren als uitgangspunt genomen. 8.2.3 Verbeelding De 'vroegere' plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als 'verbeelding'.

Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven. De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is digitaal raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl.

54

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

55

56

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

Hoofdstuk 9 procedure 9.1

Vooroverleg, inspraak en formele

Inleiding

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

9.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Voorliggende planontwikkeling is door de gemeente in het kader van artikel 3.1.1. Bro voorgelegd voor advies aan de betreffende instanties. Door de betreffende instanties zijn geen/wel reacties c.q. adviezen gegeven/ingediend welke niet al reeds zijn opgenomen/verwerkt in onderhavige toelichting.

9.3

Inspraak

Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg. De gemeente Echt-Susteren heeft kenbaar gemaakt dat zij, alvorens de formele bestemmingsplanprocedure op te zullen starten, geen voorontwerp van voorliggend bestemmingsplan ter inzage zullen leggen.

9.4

Formele procedure

9.4.1 Algemeen De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen: 1. 2.

3.

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen.

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

57

4. 5.

6. 7.

Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

9.4.2 Zienswijzen Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft vanaf 1 december 2023 tot en met 19 januari 2024 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingekomen.

58

bestemmingsplanMolenweg ong. Koningsbosch

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=f8f99f49-68f2-4d0c-b0fb-0ceb3a91bbda