Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Toelichting -
Breulderweg 6 te Echt Gemeente Echt-Susteren
Bestemmingsplan Breulderweg 6 te Echt Gemeente Echt-Susteren
Onderdeel:
Toelichting
IDN-nummer:
NL.IMRO.1711.BP20220084-VG01
Projectnummer:
M204703
Status:
vastgesteld
Datum:
02-03-2023
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
Hoofdstuk 2 Plangebied en planontwikkeling
7
2.1 2.2 2.3
7 8 9
Ligging plangebied Beoogde planontwikkeling Ruimtelijke effecten
Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie
11
3.1 3.2
11 12
Bestemmingsplan 'Buitengebied' Bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren'
Hoofdstuk 4 Beleid
13
4.1 4.2 4.3
13 15 19
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 5 Milieutechnische aspecten
21
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
21 21 22 23 24 25
Besluit Milieueffectrapportage/vormvrije m.e.r. Bodem Geluid Milieuzonering Luchtkwaliteit Externe veiligheid
Hoofdstuk 6 Overige ruimtelijke aspecten
27
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
Archeologie Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Waterhuishouding Natuurbescherming Duurzaamheid
27 28 28 29 31 34
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
35
7.1 7.2
Grondexploitatie Planschade
35 35
Hoofdstuk 8 Planstukken
37
8.1 8.2
37 37
Algemeen Toelichting, regels en verbeelding
Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en formele procedure
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
41
3
9.1 9.2 9.3 9.4
Inleiding Vooroverleg Inspraak Formele procedure
41 41 41 41
Toelichting
4
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Hoofdstuk 1
Inleiding
Initiatiefnemer heeft de locatie Breulderweg 6/Oude Stevensweerterweg 8 te Berkelaar in eigendom. Deze locatie is gelegen in het buitengebied van de dorpskern Berkelaar en kadastraal bekend als gemeente Echt - sectie R - nummers 148, 149 en 150. Op deze locatie wordt door initiatiefnemer een gebruiksgerichte paardenhouderij geëxploiteerd. Op onderhavige locatie zijn onder andere paardenstallen met paardenboxen aanwezig, een overdekte rijkbak en een buitenrijbak. Eveneens zijn op eigen terrein voldoende mogelijkheden aanwezig ten behoeve van beweiding en beweging. Initiatiefnemer heeft de wens om zijn agrarische bouwkavel te vergroten zodat hij zijn bedrijfsvoering kan professionaliseren en de aanwezige voorzieningen correct planologisch-juridisch kan regelen. Bovendien wordt beoogd om in het kader van beheer en toezicht een bedrijfswoning te realiseren bij onderhavige gebruiksgerichte paardenhouderij. Rekening houdend met de beoogde ontwikkelingen en het feit dat initiatiefnemer voornemens is om zijn bedrijfsvoering zo doelmatig mogelijk in te richten, wordt beoogd om de agrarische bouwkavel uit te breiden met een oppervlak van circa 3.700 m2 . Concreet wordt beoogd om de agrarische bouwkavel, welke momenteel is gelegen op de kadastrale percelen 148 (gedeeltelijk), 149 en 150 te verruimen op het perceel 148.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied Ter plaatse van de locatie Breulderweg 6/Oude Stevensweerterweg 8 te Berkelaar is het bestemmingsplan 'Buitengebied' van kracht, vastgesteld op 14 december 2017 door de gemeenteraad van Echt-Susteren. Op basis van dit bestemmingsplan is onderhavige locatie bestemd tot 'Agrarisch'. De voor 'Agrarisch'
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
5
aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor agrarisch grondgebruik. De door initiatiefnemer gewenste uitbreiding is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan omdat het bouwvlak en de functieaanduiding 'paardenhouderij' zich niet uitstrekken over de gronden waar de ontwikkelingen worden beoogd. Het uitbreiden van de gebruiksgerichte paardenhouderij op het kadastrale perceel 148 is dan ook niet rechtstreeks mogelijk op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren heeft bij brief d.d. 9 november 2020 (kenmerk: Z20/057283-D-66061) aangegeven dat zij in principe en onder voorwaarden bereid is om medewerking te verlenen aan onderhavig voornemen. Deze brief is bijgevoegd als Bijlage 1. In beginsel werd voorgesteld om een wijzigingsplan op te stellen, maar omdat niet volledig aan de wijzigingsvoorwaarden kan worden voldaan, is besloten om een bestemmingsplanprocedure te doorlopen. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor onderhavige partiële bestemmingsplanherziening.
6
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Hoofdstuk 2
Plangebied en planontwikkeling
In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het project beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het project.
2.1
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Breulderweg respectievelijk de Oude Stevensweerterweg aansluitend aan de dorpskern Berkelaar. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Breulderweg en aan de oostzijde door de Oude Stevensweerterweg. Aan de west- en zuidzijde wordt het plangebied omgeven door agrarisch in gebruik zijnde percelen.
Luchtfoto met aanduiding plangebied Onderhavige agrarische bedrijfslocatie als zodanig is kadastraal bekend als gemeente Echt - sectie R nummers 148, 149 en 150. De uitbreiding van de agrarische bouwkavel spitst zich toe op het kadastrale perceel 148 (gedeeltelijk).
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
7
Kadastrale kaart met ligging plangebied
2.2
Beoogde planontwikkeling
Initiatiefnemer exploiteert op de locatie Breulderweg 6/Oude Stevensweerterweg 8 te Berkelaar een gebruiksgerichte paardenhouderij. Op deze locatie zijn paardenstallen met paardenboxen en rijbakken aanwezig. Eveneens zijn op eigen terrein voldoende mogelijkheden aanwezig ten behoeve van beweiding en beweging. Initiatiefnemers hebben de wens om hun agrarische bouwkavel te vergroten zodat zij hun bedrijfsvoering kunnen professionaliseren en de aanwezige voorzieningen correct planologisch-juridisch kunnen regelen. Bovendien wordt beoogd om bij het bedrijf een bedrijfswoning te realiseren. Dit in het kader van beheer en toezicht op de paarden die ter plekke worden gehouden. In onderstaande figuur wordt de beoogde inrichting van onderhavige locatie gevisualiseerd. Daarnaast is een zoekgebied opgenomen voor de nieuw te realiseren bedrijfswoning.
8
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Situatietekening beoogde inrichting Breulderweg 6/Oude Stevensweerterweg 8 Berkelaar
2.3
Ruimtelijke effecten
Ieder plan dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. De aanvaardbaarheid van deze effecten dient te worden beschouwd. Onderhavige ontwikkeling ziet op het uitbreiden van de agrarische bouwkavel op de locatie Breulderweg 6/Oude Stevensweerterweg 8 te Berkelaar met een oppervlak van circa 3.700 m2 . De wens om de agrarische bouwkavel ter plekke te vergroten, vloeit voort uit het voornemen om op deze gronden een bedrijfswoning te realiseren en de bestaande rijbak aan de westzijde van het plangebied correct planologisch-juridisch te regelen. Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt is de ontwikkeling verantwoord te noemen omdat deze wordt voorzien aan de noordzijde van de bestaande bebouwing. Deze zijde van de locatie is direct grenzend aan woonbebouwing gelegen. Daarmee ligt de ontwikkeling in het verlengde van de kern Berkelaar waardoor het achterliggend open agrarisch gebied niet wordt aangetast. De beoogde uitbreiding van de agrarische bouwkavel wordt immers omgeven door de bestaande woonbebouwing aan de noordzijde en de bestaande paardenstallen van de paardenhouderij aan de zuidzijde. Bovendien is bij de vormgeving van de voorgenomen ontwikkeling rekening gehouden met de aanplant van nieuw groen.
Om en nabij het plangebied zal worden voorzien in nieuwe aanplant, waarmee zorg wordt gedragen voor een gedegen inpassing van het beoogde bouwplan. In het door Agron Advies opgestelde landschapsplan d.d. 25 april 2022 wordt nader ingegaan op de nieuwe groenelementen die ter plaatse van onderhavige locatie worden voorzien. Betreffend landschapsplan is bijgevoegd als Bijlage 2. In het door Agron Advies opgestelde landschapsplan wordt aangegeven dat de landschappelijke inpassing bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk beukenhagen, struweelbeplanting en bomen. Beukenhagen Er wordt op een drietal plaatsen een nieuwe beukenhaag toegevoegd. De beukenhaag aan de westzijde van de grote rijbak wordt naar het zuiden doorgezet rondom de bestaande erfverharding met de vaste mestopslag en de stapmolen. Deze haag zorgt voor een groene afscheiding van bebouwd gebied naar het achterliggende open
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
9
akkergebied en daarmee voor de inpassing van de locatie vanuit westelijke richting. Daarnaast wordt de westelijke zijde van de kleine rijbak voorzien van een brede beukenhaag. Ten slotte wordt rondom de bestaande longeercirkel een beukenhaag aangeplant. De structuur van hagen sluit goed aan bij de aanwezige hagenstructuur in het gebied, met name langs de buurpercelen aan de Oude Stevensweerterweg. Struweelbeplanting Aan de noordzijde wordt over de gehele lengte van het bouwvlak struweelbeplanting aangebracht bestaande uit struik- en boomvormers. De bomen/boomvormers worden op een afstand van circa 15 meter van elkaar geplant. Dit beplantingselement vormt een robuuste afscheiding tussen enerzijds de paardenhouderij en anderzijds de noordelijk gelegen kern Berkelaar. Deze struweelbeplanting wordt voortgezet aan de westzijde van de Oude Stevensweerterweg, waarbij een onderbreking plaatsvindt ter hoogte van de locatie waar de bedrijfswoning is beoogd. Verder wordt aan de zuidzijde, op de grens met het zuidelijk gelegen buurperceel een brede struweelhaag aangeplant bestaande uit zowel boom- als struikvormers, die zorgt voor de inpassing vanuit zuidelijke richting. Door het toepassen van struweelbeplanting wordt de dorpsrand van Berkelaar verzacht.
Bomen Binnen het plangebied zijn reeds bestaande bomenrijen aanwezig (aan de oostzijde van de inrit (4 stuks) en ten zuiden van de grote rijbak (4 stuks)). Daarnaast staat ten zuidwesten van de rijhal een solitaire boom. Aan de zuidzijde van de rijhal wordt op een afstand van 0,5 meter van de erfgrens een rij leibomen aangeplant (10 stuks; haagbeuk). Hier wordt gekozen voor een smal beplantingselement aangezien de ruimte tussen de erfgrens en de erfverharding niet breed is (deze verharding is noodzakelijk om te manoeuvreren rondom de rijhal). Middels deze bomenrij wordt het directe zicht op de bouwmassa van de rijhal ontnomen vanuit zuidelijke richting (zelfs in de herfst en winter aangezien de haagbeuk gedeeltelijk zijn bruine blad behoudt). Op basis van het voorgaande worden de ruimtelijk-visuele effecten die te verwachten zijn naar aanleiding van de beoogde ontwikkeling, aanvaardbaar geacht.
10
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Hoofdstuk 3 3.1
Planologisch-juridische situatie
Bestemmingsplan 'Buitengebied'
Ter plekke van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied', vastgesteld door de gemeenteraad van Echt-Susteren op 14 december 2017. Onderhavige locatie is bestemd tot 'Agrarisch'. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor agrarisch grondgebruik. Daarnaast is een bouwvlak aanwezig dat zich uitstrekt over het meest zuidelijk deel van onderhavige locatie. Op deze gronden is eveneens de functieaanduiding 'paardenhouderij' van toepassing waardoor ter plekke een gebruiksgerichte paardenhouderij mag worden geëxploiteerd. Bovendien is ter plekke de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' van kracht.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied' Met inachtneming van de contouren van het ter plaatse geldende bouwvlak en de bijbehorende functieaanduiding 'paardenhouderij', is relevant dat de beoogde uitbreiding van de gebruiksgerichte paardenhouderij buiten het geldende bouwvlak en de functieaanduiding 'paardenhouderij' wordt voorzien. Deze ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldend planologisch-juridisch kader. In het geldende bestemmingsplan zijn geen passende binnenplanse afwijkings- danwel wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om alsnog onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken. De planontwikkeling is enkel mogelijk middels het doorlopen van een separate bestemmingsplanprocedure.
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
11
3.2
Bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren'
In het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' is het gebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde-cultuurhistorie' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde – cultuurhistorische ensemble Berkelaar'. Voor nieuwe ontwikkelingen betekent dit dat de karakteristieken en waarden gerespecteerd moeten worden zoals nader bepaald in bijlage 2 van de planregels. Deze dubbelbestemming ziet op de bescherming van gebied specifieke waarden in dit deelgebied van de gemeente Echt-Susteren. Daarbij kan worden gedacht aan bebouwingsensembles, wegenpatronen of zones met openheid.
Uitsnede bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' - ensemble Berkelaar rood omlijnd Uit bijlage 22 van de planregels blijkt onder andere, dat buiten de bebouwingsconcentratie het open veld (oude akkerland) karakteristiek is. In dit verband is van belang dat de planlocatie buiten de bebouwingsconcentratie van Berkelaar ligt. Onderhavige uitbreiding van de bouwkavel is gepland op de onbebouwde gronden tussen het bestaande bedrijf en de bebouwingsconcentratie. De beoogde uitbreiding van de bouwkavel leidt dus niet tot een aantasting van het open veld en is daarmee passend binnen het geldende bestemmingsplan.
12
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Hoofdstuk 4
Beleid
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI), de Omgevingsverordening Limburg 2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2021. Het gemeentelijke beleid is ontleend aan het gemeentelijk kwaliteitsmenu.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 11 september 2021 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het belangrijk goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn: De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit. Het bieden van ruimte voor een overgang naar een circulaire economie. Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen. Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op onderstaande vier prioriteiten.
Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe de fysieke leefomgeving wordt ingericht. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen. We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte. We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. 2. Duurzaam economischgroeipotentieel De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030. We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland. Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
13
bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat. 3. Sterke en gezonde steden en regio's We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen. Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt.
We richten steden en regio's klimaatbestendig in. Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl. Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak. 4. Toekomstbestendigeontwikkeling van het landelijk gebied Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief. Conclusie Met betrekking tot het planvoornemen zijn weinig directe en concrete raakvlakken tussen deze visies en onderhavig plan, anders dan de meer algemene uitgangspunten ten aanzien van een veilige en gezonde leefomgeving, duurzaam ruimtegebruik, etc. Op deze onderwerpen wordt in navolgende paragrafen en hoofdstukken nader ingegaan. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.
Het Barro is de afgelopen jaren op bepaalde punten aangevuld en gewijzigd. Bij besluit van 8 december 2016 zijn in het Barro enkele wijzigingen doorgevoerd in verband met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming (stb. 2016, nr. 513). Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro: project Mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen; grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen; toekomstige rivierverruiming van de Maastakken;
14
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Waddenzee en Waddengebied, en IJsselmeergebied; verstedelijking in het IJsselmeer; defensie; erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; ecologische hoofdstructuur. 4.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Rarro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid Op basis van vorenstaande uiteenzetting van het vigerende Rijksbeleid wordt gesteld dat bij onderhavig planvoornemen geen sprake is van strijdigheden daarmee.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De Omgevingsvisie Limburg vervangt de Omgevingsvisie POL 2014. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. In het POVI is onderhavig plangebied gelegen in de zone 'Buitengebied'. Over 'Buitengebied' is in het POVI het volgende opgenomen.
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
15
Uitsnede kaart 'Limburgse principes' POVI met ligging plangebied Buitengebied Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo'n 85.000 hectaren groot. Het 'Buitengebied' betreft concreet de delen van het landelijk gebied die geen onderdeel zijn van het Natuurnetwerk of de groenblauwe mantel. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. De land- en tuinbouw is de meest belangrijke gebruiker en beheerder van het buitengebied en daardoor van groot belang voor het aanzien en de kwaliteit van het cultuurlandschap en het leefklimaat waarin men woont, werkt en recreëert. Het beleid is er op gericht om de land- en tuinbouw een gunstig ondernemersklimaat te bieden. De zone 'Buitengebied' betreft met name de gronden met een agrarisch karakter waarbij ruimte wordt gegeven voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Aangezien onderhavige ontwikkeling ziet op het ontwikkelen van een bestaande agrarische bedrijfslocatie, wordt het voornemen niet belemmerd door de beleidsuitgangspunten van de provincie Limburg. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale beschermingsgebieden, waartoe op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 specifieke regelgeving geldt.
16
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Uitsnede kaart 'milieubeschermings-gebieden' Omgevingsverordening Limburg 2014 Het plangebied is gelegen in de zone Roerdalslenk zone II, op basis waarvan aanvullende regels gelden voor bescherming van de drinkwatervoorziening. Naast een verbod in de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden is in de Omgevingsverordening een verbod opgenomen voor diepe boringen in de boringsvrije zones. Daartoe is de Roerdalslenk verdeeld in vier gebieden, waarbij per gebied de diepte van het boorverbod varieert. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat boringen tot de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn toegestaan en dat een melding moet worden verricht indien een boring dieper dan 30 meter beneden maaiveld plaatsvindt. Aangezien onderhavig voornemen niet gepaard gaat met dergelijke diepe boringen in de bodem, vormt de ligging in de zone 'Roerdalslenk zone II' geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening opgesteld die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in.
Daarbij gaat het om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze onderwerpen zijn niet aan de orde bij onderhavige planontwikkeling. Wel is van belang dat het plangebied op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2021 eveneens is gelegen binnen de boringsvrije zone 'Roerdalslenk zone II'. In dat verband geldt hetzelfde als hetgeen hierboven uiteengezet in paragraaf 4.2.2.
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
17
Uitsnede kaart 'grondwaterbescherming' Omgevingsverordening Limburg 2021 met ligging plangebied 4.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking De zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie verankerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie in de Omgevingsverordening Limburg bepaald, dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen moet worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Het moet dan ook gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Onderhavige ontwikkeling is gericht op het uitbreiden van de agrarische bouwkavel ten behoeve van de paardenhouderij die initiatiefnemers ter plaatse exploiteren. Deze ontwikkeling heeft geen betrekking op de nieuwvestiging van een paardenhouderij ter plaatse. Gelet op de kleinschalige aard van onderhavige ontwikkeling, kan deze niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 2.2.1 lid 1 OvL2014.
18
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
4.2.5 Limburgs Kwaliteitsmenu Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde 'rode contouren' is het Limburgs Kwaliteitsmenu van kracht. In dit Kwaliteitsmenu geeft de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. De gemeente Echt-Susteren heeft het Limburgs Kwaliteitsmenu verankerd in een gemeentelijke structuurvisie, waarop nader wordt ingegaan in paragraaf 3.5.1. In z'n algemeenheid betreft het Limburgs Kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Limburg toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van 'kwaliteitswinst'. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijzen tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijke inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) 'groenfonds'. De provincie geeft in het Limburgs Kwaliteitsmenu richtlijnen en drempelwaarden voor het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie bij verschillende soorten ruimtelijke ontwikkelingen.
4.2.6 Conclusie provinciaalbeleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, bestaan er geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling. De ter plekke van onderhavig plangebied van toepassing zijnde provinciale zonering impliceert geen belemmeringen vanuit beleidsoogpunt. Voorts is geen sprake van strijdigheid met de uitgangspunten van de 'Roerdalslenk zone II'. Daarnaast is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2025 Op 12 december 2012 heeft de gemeenteraad van Echt-Susteren de 'Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025' vastgesteld. Deze visie geeft koers en richting aan de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Echt-Susteren. De structuurvisie gaat ook in op de wijze waarop de gemeente van plan is die voorgenomen ontwikkeling te verwezenlijken. Een andere reden om deze structuurvisie op te stellen, is dat zij de basis biedt om nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken en tegelijkertijd inkomsten te genereren om de kwaliteit van het buitengebied te versterken. Onderhavig bedrijf betreft een gebruiksgerichte paardenhouderij. Dit type paardenhouderij wordt bij voorkeur toegestaan in een VAB in een kernrandzone, op een goed ontsloten locatie en in de nabijheid van ruiterpaden. Onderhavig planvoornemen ziet niet op de nieuwvestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij, maar op de uitbreiding van het bouwvlak en bebouwing daarbinnen bij een reeds bestaand bedrijf. Daarnaast is relevant dat het plangebied is gelegen binnen het landschapstype 'Oude ontginningen'. Limburgs Kwaliteitsmenu/Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is door de gemeente Echt-Susteren uitgewerkt/vertaald in een gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM), dat is verankerd in de gemeentelijke structuurvisie.
Hiermee is het (ruimtelijk, kwalitatief) generiek beleid afgestemd op de specifieke gemeentelijke situatie. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ruimtelijke ontwikkelingen die via een projectafwijking, wijziging of herziening van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is, dat het veelal nieuwe functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen met daaraan
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
19
verbonden specifieke ruimtelijke invloeden op de omgeving. In het GKM zijn drempelwaarden opgenomen die een minimale bijdrage aangeven waardoor een minimale kwaliteitsverbetering wordt gegarandeerd. Daarnaast verplicht het GKM in voorkomende gevallen tot een extra en dus aanvullende kwaliteitsbijdrage. Aangezien onderhavige ontwikkeling ziet op het uitbreiden van bebouwing binnen het bestaand agrarisch bouwvlak alsmede het vergroten van het agrarisch bouwvlak, dient te worden uitgegaan van de module 'Basiskwaliteit plus'. Dit betekent dat zowel nieuwe als bestaande bebouwing en verharding goed dienen te worden ingepast en dat er voorzieningen getroffen moeten worden ter voorkoming van hemelwaterproblematiek als gevolg van nieuwe bebouwing en verharding. Als basis voor de inpassing wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dit minimaal overeen dient te komen met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak. Aanvullend gelden voor het landschapstype 'Oude ontginningen' de volgende uitgangspunten: Behoud van kernachtige clusters in het buitengebied; Behoud van openheid in oude akkercomplexen; Aandacht voor randen van akkers; Dorpsranden verzachten; Natuurontwikkeling in oude Maasgeulen. Om aan de bovenstaande eisen te voldoen, heeft bureau Agron Advies een landschappelijke inpassing met kwaliteitsverbetering opgesteld. Dit volledige plan is bijgevoegd in Bijlage 2.
De landschappelijke inpassing is voor advies voorgelegd aan de Omgevingscommissie van de gemeente Echt-Susteren op 23 maart 2021. De commissie geeft aan dat het inpassingsplan onder voorwaarden is goedgkeurd. Het daarop beperkt aangepaste definitieve inpassingsplan dateert van 11 mei 2021. 4.3.2 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.
20
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Hoofdstuk 5
Milieutechnische aspecten
Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.
5.1
Besluit Milieueffectrapportage/vormvrije m.e.r.
Bij het uitbreiden van een bestaande gebruiksgerichte paardenhouderij kan sprake zijn van 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren', zoals aangegeven in onderdeel D 14.2, kolom 1 van het besluit Milieueffectrapportage. Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op het houden van 100 stuks paarden of pony's, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. Onderhavig planvoornemen voorziet enkel in de uitbreiding van een agrarische bouwkavel zodat de bestaande situatie correct planologisch-juridisch wordt geregeld en een bedrijfswoning kan worden gerealiseerd. Het voornemen ziet dan ook niet op een uitbreiding van het aantal paarden ter plaatse. In de bestaande situatie vallen de activiteiten ruimschoots onder de genoemde drempelwaarde. Het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde. Voor wat betreft de vormvrije-m.e.r.-beoordeling bevatten de hoofdstukken 4 (paragrafen 4.2 t/m 4.6) en 5 (paragrafen 5.1 t/m 5.6) van onderhavige toelichting een beschrijving van de mogelijke milieueffecten en hoe daarmee bij de planvorming wordt omgegaan.
5.2
Bodem
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ter plaatse van de uitbreidingsgronden op de locatie Breulderweg 6/Oude Stevensweerterweg 8 te Berkelaar geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' de bestemming 'Agrarisch'. Initiatiefnemers hebben de wens om de agrarische bouwkavel uit te breiden om zodoende hun agrarische bedrijfsvoering doelmatiger uit te oefenen. Het voornemen is om het bestaande bouwvlak uit te breiden richting de noordzijde. Het doorvoeren van een planologische functiewijziging is dan ook niet aan de orde. Daarnaast is met betrekking tot het aspect bodem relevant dat onderhavig voornemen ziet op het vergroten van het bouwvlak ten behoeve van functies die geen gevoelig karakter hebben. Bovendien wordt beoogd om aan de noordzijde van de locatie een nieuwe bedrijfswoning te realiseren. Deze ontwikkeling gaat wel gepaard met het toevoegen van verblijfsruimten ter plaatse. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook noodzakelijk. Econsultancy heeft op 8 oktober 2014 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op onderhavige locatie. Betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3.
Uit het verkennend bodem- en asbestonderzoek is gebleken dat de bodem voornamelijk bestaat uit zwak tot sterk siltig, matig fijn zand. De bodem is bovendien plaatselijk tot 1,0 m -mv zwak humeus en plaatselijk zwak grindig. De ondergrond bestaat tevens plaatselijk uit zwak siltig, matig grof zand. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
21
De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kobalt. De ondergrond is eveneens licht verontreinigd met kobalt. Het kobaltgehalte bevindt zich onder de voor het gebied geldende achtergrondwaarden. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Aanvullend heeft Econsultancy op 12 november 2021 een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd op onderhavige locatie. Betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Dit milieuhygiënisch vooronderzoek heeft tot doel het in 2014 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek te actualiseren en te bepalen of er aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen binnen het “zoekgebied woning”. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Bovendien zijn geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.3
Geluid
Met betrekking tot het aspect geluid (van externe komaf) kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Bij onderhavige ontwikkeling kan sprake zijn van geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai. Ten aanzien van alle wegen, behalve 30 km/u wegen en wegen behorende bij een woonerf, geldt een geluidszone, die ook wettelijk is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Voor wegen die buitenstedelijk zijn gelegen en die bestaan uit één of twee rijstroken, geldt een wettelijk vastgestelde geluidzone van 250 meter aan weerszijden van de weg (gemeten vanuit de wegas). Wanneer er ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen geluidzones van wegen, zal middels een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de gevelbelasting vanwege het wegverkeerslawaai niet zodanig is dat de, in de Wet geluidhinder opgenomen, voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor burgerwoningen wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een Hogere Waarde gevolgd dienen te worden. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Breulderweg en Rijksweg A2. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling heeft Aelmans ROM B.V. op 30 november 2021 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Betreffende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 5.
Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op geen enkele gevel van het bouwplan overschrijdt. Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval is dit niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de methode Miedema. De maximale gecumuleerde waarde bedraagt 52 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'redelijk' en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien de cumulatieve geluidbelasting kleiner of gelijk is aan 53 dB, is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet nodig. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een
22
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
5.4
Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Onderhavige locatie is gelegen aan de Breulderweg/Oude Stevensweerterweg te Berkelaar. Het voornemen is om de agrarische bouwkavel te vergroten naar de noordzijde. Ter plekke ontstaat vervolgens ruimte voor het realiseren van een bedrijfswoning en het correct planologisch-juridisch regelen van een bestaande paardenbak. In dat verband kan worden gewezen op het feit dat in de nabije omgeving van onderhavig plangebied een aantal woningen aanwezig zijn. Onderzocht moet worden of de beoogde activiteiten ter plaatse invloed hebben op het woon- en leefklimaat van bewoners van nabijgelegen woningen.
Vooropgesteld moet worden dat ter plaatse van onderhavig plangebied een gebruiksgerichte paardenhouderij wordt geëxploiteerd. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering (versie 2009)' geldt voor paardenfokkerijen (SBI-2008: 0143) een minimale richtafstand voor geur van 50 meter. De richtafstand voor geluid is voor een paardenhouderij/paardenfokkerij 30 meter. Vooropgesteld moet worden dat de uitbreiding van de agrarische bouwkavel enkel wordt voorzien vanuit het oogpunt om ter plekke aanvullende faciliteiten ten behoeve van de paardenhouderij te realiseren, waaronder een paardenbak. Het realiseren van paardenstallen met paardenboxen wordt ter plekke niet beoogd. De bestaande afstand tussen de dierenverblijven en de meest nabijgelegen woningen wordt dan ook gehandhaafd. Het woon- en leefklimaat van de meest nabijgelegen woningen wordt dan ook gegarandeerd. Omdat de bouw van paardenstallen binnen de uitbreiding van het bouwvlak niet wenselijk is, voorziet onderhavig wijzingsplan ter plaatse van de uit te breiden agrarische bouwkavel in de toevoeging van de functieaanduiding 'dierhuisvesting uitgesloten'. Daarmee wordt geborgd dat binnen de uit te breiden agrarische bouwkavel geen paardenstallen worden opgericht binnen 50 meter afstand van woningen van derden.
Voor wat betreft het aspect geluid dient de richtafstand van 30 meter gemeten te worden vanaf de perceelsgrens. De woningen aan de Breulderweg 5 en Oude Stevensweerterweg 2 en 3 liggen op kortere afstand van het plangebied (grens bouwkavel). Om ook voor het aspect geluid te voldoen aan de richtafstand van 30 meter is op de verbeelding van het bestemmingsplan vastgelegd dat de functieaanduiding paardenhouderij op een afstand van tenminste 30 meter van de omliggende woningen komt te liggen. Daarmee wordt ook voldaan aan de richtfstand voor geluid in het kader van de milieuzonering en is er geen nader onderzoek op dit vlak noodzakelijk. Rekening houdend met het vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
23
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. 5.5.2 Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht.
Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM1 0 als NO2 . Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Initiatiefnemer is voornemens om de agrarische bouwkavel van de locatie Breulderweg 6/Oude Stevensweerterweg 8 te Berkelaar uit te breiden. Met inachtneming van de kleinschalige aard van onderhavige ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat onderhavig voornemen geen invloed heeft op het aspect luchtkwaliteit. Het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.5.3 NIBM-tool InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit.
Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.504 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. 5.5.4 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het Besluit gevoelige bestemmingen is niet op onderhavig project van toepassing.
24
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
5.5.5 Conclusie luchtkwaliteit Gelet op het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
5.6
Externe veiligheid
In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing en er is een afweging gemaakt of de ontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. 5.6.1 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. 5.6.2 Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c.
het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. 5.6.3 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden. 5.6.4 Risicovollebronnen Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd.
Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen, en risicovolle inrichtingen.
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
25
Uitsnede risicokaart Limburg met aanduiding projectgebied, zijnde de bebouwing Met inachtneming van de Risicokaart Limburg is gebleken dat in de directe omgeving van onderhavig plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmeringen voor onderhavig voornemen. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de ontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen.
26
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
Hoofdstuk 6
Overige ruimtelijke aspecten
Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 4, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.
6.1
Archeologie
Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Monumentenwet 1988, hoofdstuk vijf 'Archeologische monumentenzorg'). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma's van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen (daaronder tevens begrepen: wijzigingsplannen) betekent dit concreet het volgende: de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten; in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. De aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kan langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' worden archeologische monumenten en verwachtingszones aangewezen welke zijn verbonden aan categorieën regels en voorwaarden.
Ter plaatse van onderhavige locatie geldt op basis van het geldend planologisch-juridisch kader de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3'. Op basis van artikel 25.2 van de bouwregels geldt als uitgangspunt dat indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 500 m² de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen of zullen worden verstoord naar oordeel het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. In het kader van voorliggende ontwikkeling heeft Econsultancy op 5 januari 2015 in een eerder stadium een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. De aangetroffen bodemopbouw toont dat het gehele plangebied op een relatief hooggelegen dalvlakteterras ligt. De verwachte oude Maasgeul in het westen van het plangebied is niet aangetroffen. Vermoedelijk bevindt deze zich nog iets verder naar het westen. In het plangebied is duidelijk waarneembaar dat dat gebied beduidend lager ligt. Op basis van de grotendeels intacte bodemprofielen in het plangebied blijft de gespecificeerde archeologische verwachting zoals opgesteld in het bureauonderzoek gehandhaafd.
Op basis van het behoud van de hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om bij een toekomstige bodemverstoring van meer dan 40 cm -mv het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Bij een dergelijke verstoring is behoud van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats, gezien de verwachte geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, niet mogelijk. Verder is een karterend onderzoek door middel van karterende boringen geen geschikte onderzoeksoptie vanwege de vele archeologische waarnemingen in de
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
27
directe omgeving, waaronder een Merovingisch grafveld. Indien door middel van planaanpassing (archeologievriendelijk bouwen) voorkomen kan worden dat de bodem en daarmee het bodemarchief tot minder dan 40 cm -mv verstoord wordt, is een aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan fundering middels platen of het ophogen van het terrein. Dit kan als voorwaarde aan de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' worden verbonden. Dit betekent wel dat de archeologische verwachtingswaarde (zoals ook vastgelegd in de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Echt – Susteren’) gehandhaafd blijft. Initiatiefnemers opteren om de nieuw te realiseren bebouwing mogelijk uit te voeren als een archeologisch vriendelijk bouwplan. Daarmee is het uitvoeren van een aanvullend archeologisch onderzoek niet aan de orde.
6.2
Kabels en leidingen
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen met een planologische beschermingszone. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Indien aanpassingen aan de bestaande aansluitingen moeten worden doorgevoerd, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.
6.3
Verkeer en parkeren
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 6.3.1 Verkeersstructuur Initiatiefnemers zijn voornemens om de agrarische bouwkavel ten behoeve van de gebruiksgerichte paardenhouderij op de locatie Breulderweg 6/Oude Stevensweerterweg 8 te Echt te vergroten. Daarmee kan de bestaande paardenbak aan de westzijde van het plangebied correct planologisch-juridisch worden geregeld. Daarnaast wordt beoogd om aan de noordzijde van de locatie een nieuwe bedrijfswoning te realiseren. Deze ontwikkeling voorziet in het realiseren van aanvullende faciliteiten ten behoeve van de bestaande paardenhouderij. Deze ontwikkeling gaat dan ook enkel gepaard met een toename aan verkeersbewegingen wat betreft de nieuwe bedrijfswoning. In dit verband is relevant dat het verkeer van en naar het plangebied wordt afgewikkeld via de Breulderweg/Oude Stevensweerterweg te Echt. Deze wegen kunnen de verkeersbewegingen ten gevolge van onderhavige paardenhouderij prima afwikkelen. De doorstroming en verkeersveiligheid zijn niet in het geding. 6.3.2 Parkeren Als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal sprake zijn van een toename van de parkeerbehoefte, gelet op de nieuw te realiseren bedrijfswoning.
De betreffende paardenbak en andere faciliteiten ten behoeve van de gebruiksgerichte paardenhouderij hebben geen invloed op de parkeerbehoefte. Op onderhavige locatie is voldoende ruimte aanwezig om de parkeerbehoefte ten gevolge van onderhavige ontwikkeling op te vangen. Daarnaast zijn op het terrein voldoende ruime parkeerplaatsen aanwezig zodat ter plekke auto's met trailers en eventueel vrachtwagens kunnen worden geparkeerd. Parkeerproblemen in de openbare ruimte zijn dan ook niet aan de orde.
28
bestemmingsplanBreulderweg 6 te Echt
6.4
Waterhuishouding
6.4.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal waterplan is het (strategische) waterbeleid van het Rijk vastgelegd. De hoofdlijnen van het Nationaal waterplan luiden als volgt (artikel 4.1, lid 2 Waterwet): a. b. c. d.
een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid; een visie op de gewenste ontwikkelingen in verband met de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen en waterschaarste, voor een periode van ten minste veertig jaren mede in verband met de verwachte klimaatveranderingen.
Het Nationaal waterplan kent een looptijd van 2016 tot 2021 en vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. 6.4.2 Provinciaalbeleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.