CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissie Omgeving 13 mei 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Abdij Lilbosch'15.082 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan - Toelichting -

Abdij Lilbosch Gemeente Echt-Susteren

BESTEMMINGSPLAN - Toelichting -

Abdij Lilbosch Gemeente Echt-Susteren

IDN-nummer:

NL.IMRO.1711.BP20230093-VG01

Status:

vastgesteld

Datum:

Maart 2024

Locatie Nijmegen Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl

Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding

5

Hoofdstuk 2 Plangebied en planontwikkeling

7

2.1 2.2 2.3

7 9 10

Ligging plangebied Beoogde planontwikkeling Ruimtelijke effecten

Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie

11

3.1

11

Geldende planologische situatie

Hoofdstuk 4 Beleid

13

4.1 4.2 4.3

13 16 23

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 5 Milieutechnische aspecten

29

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

29 29 30 30 37 38

Bodem Geluid Milieuzonering Luchtkwaliteit en geur Externe veiligheid Aanmeldnotitie vormvrije merbeoordeling

Hoofdstuk 6 Overige ruimtelijke aspecten

43

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7

Archeologie Cultuurhistorie Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Waterhuishouding Natuurbescherming Duurzaamheid

43 43 44 44 45 46 50

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

51

7.1 7.2

Grondexploitatie Planschade

51 51

Hoofdstuk 8 Planstukken

53

8.1 8.2

53 53

Algemeen Opbouw bestemmingsplan

Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en formele procedure

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

57

3

9.1 9.2 9.3 9.4

Inleiding Vooroverleg Inspraak Formele procedure

57 57 57 57

Toelichting

4

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 1

Inleiding

Ter plaatse van Pepinusbrug 6 (inclusief opvolgende lettertoevoegingen) te Echt bevindt zich de Abdij Lilbosch. Sinds 1883 hebben de Cisterziënzermonniken van de Abdij Lilbosch hun klooster en landbouwbedrijf gevestigd op deze locatie die in de huidige situatie is opgebouwd uit een kloostergebouw met diverse bijgebouwen, diverse stallen en diverse percelen. Het abdijcomplex maakt deel uit van het Natura 2000-gebied 'Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop' vanwege de aanwezigheid van kraamkolonies van ingekorven vleermuis in de schuur en zolder. De abdij voorziet met een eigen boerderij in haar levensonderhoud en beheert een domein van ongeveer 150 hectaren. Het merendeel van het domein wordt aangewend voor landbouwkundig gebruik. Een belangrijk onderdeel van het domein betreft daarnaast natuur (waaronder begrepen een broekbos, het Haeselaarsbroek) welke wordt beheerd door de Abdij. Van de agrarische bedrijfsactiviteiten maken onderdeel uit: een varkenshouderij (de Abdij Lilbosch vormt de bakermat van het Limburgse Kloostervarken (Livar) ); een akkerbouwtak (hieronder begrepen het telen van Limburgse granen voor het Limburgse Kloostervarken van de abdij en aangesloten Livar-boerderijen), alsmede; in zeer ondergeschikte mate het houden van grondgebonden vee.

De bovenaangehaalde agrarische activiteiten zijn in het verleden in het bestemmingsplan 'Buitengebied' uit 1982 voorzien van een adequate bestemming. In twee opvolgende bestemmingsplannen ( het bestemmingsplan'Buitengebied Echt' uit 2005 en het bestemmingsplan 'Buitengebied' uit 2017) zijn de agrarische activiteiten (per abuis) onder het overgangsrecht geplaatst. Met het bestemmingsplan 'Abdij Lilbosch/LIVAR - Experience Centre' is getracht deze overgangsrechtelijke situatie te herstellen. Uit de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 17 februari 2021 (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2021:333) is gebleken dat voor dit herstel, ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan 'Abdij Lilbosch / LIVAR - Experience Centre', de planologische basis in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ontbrak. In het verlengde van deze uitspraak is de 'Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (samenhang OVL2021)' vastgesteld, zoals verwerkt in de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 (d.d. 16 december 2022). Met deze wijziging van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is er nu wel een planologische basis aanwezig is om het herstel vorm te geven. Met onderhavig plan wordt dit herstel nader vorm gegeven. Het plan heeft globaal gezien betrekking op het bebouwde deel van het complex.

De onbebouwde agrarische percelen rondom het bebouwde deel van het complex zijn niet in het plangebied meegenomen, nu deze in het geldende bestemmingsplan al adequaat zijn bestemd.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

5

Uitsnede topografische kaart (OpenBasisKaart) met globale aanduiding van de locatie van het plangebied Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor de bestemmingsplanherziening.

6

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 2

Plangebied en planontwikkeling

In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het planvoornemen beschreven. Tevens wordt in algemene zin ingegaan op de ruimtelijke effecten van het planvoornemen.

2.1

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Pepinusbrug 6 (inclusief opvolgende lettertoevoegingen) te Echt in het buitengebied van Echt. Het plangebied heeft betrekking op het abdijcomplex Lilbosch. Het abdijcomplex is grotendeels bebouwd en verhard en wordt omgeven door grote bomen. Aanpalend aan het abdijcomplex zijn bos- en landbouwpercelen gelegen. Op enige afstan van het abdijcomplex is aan de noordoostzijde het terrein van Stichting Pergamijn gelegen (een woonzorgcomplex).

Luchtfoto (zwart-wit) met aanduiding plangebied in rode omkadering (bewerking luchtfoto door Pouderoyentonnaer ).

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

7

Luchtfoto (kleur) met aanduiding plangebied in rode omkadering (bron: beeldmateriaal.nl met beweking PouderoyenTonnaer ). De bestaande situatie wordt weergegeven aan de hand van navolgende obliek foto's.

8

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Foto's bestaande situatie (bron: Slagboomenpeeters.com)

2.2

Beoogde planontwikkeling

De beoogde ontwikkeling bestaat uit het één op één bestemmen van de bestaande situatie van het abdijcomplex onderverdeeld naar de maatschappelijke en agrarische functies. Voor wat betreft de maatschappelijke functies wordt aangesloten bij het geldende bestemmingsplan. Voor wat betreft de agrarische functies wordt hierbij uitgegaan van een 'op maat'- bestemming die overeenkomt met de onherroepelijk vergunde situatie voor de aspecten bouwen, milieu en natuur. In onderstaande figuur wordt de beoogde situatie van de beoogde bestemmingen en aanduidingen voor het abdijcomplex gevisualiseerd aangegeven. De bestemmingen en aanduidingen staan in onderling verband met de planregels. Het uitgangspunt van de planregeling is het op een adequate wijze regelen van de bestaande legale situatie en tegelijkertijd het voorzien in de nodige borgingen om effecten te voorkomen op voorkomende waarden ter plaatse en in de omgeving van het abdijcomplex.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

9

Beoogde situatie voor wat betreft de bestemmingstoedeling

2.3

Ruimtelijke effecten

Voor ieder ruimtelijk plan geldt dat de ruimtelijke effecten van het plan op aanvaardbaarheid te worden beschouwd. Gelet op het feit dat sprake is van een conserverende planregeling voor de bestaande situatie zonder dat hierbij ruimtelijke ontwikkelmogelijkheden worden geboden die effecten van betekenis sorteren zijn de ruimtelijke effecten van onderhavige ontwikkeling zeer beperkt van aard zijn en dienen deze derhalve aanvaardbaar te worden geacht. Hierbij geldt als opmerking dat in de planregeling in de nodige borgingen is voorzien om negatieve ruimtelijke effecten te voorkomen.

10

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 3 3.1

Planologisch-juridische situatie

Geldende planologische situatie

Ter plaatse van de Abdij Lilbosch is het bestemmingsplan 'Buitengebied' van kracht, vastgesteld door de gemeenteraad van Echt-Susteren op 14 december 2017. Op grond van dit bestemmingplan is onderhavig plangebied bestemd als: 'Maatschappelijk'; 'Waarde - archeologie 3'; 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble'; 'Overige zone - ecologische hoofdstructuur'; Functieaanduiding 'cultuurhistorische waarden' ter plaatse van de kloosterbebouwing. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, waaronder mede wordt verstaan 'religieuze voorzieningen'.

Afbeelding: geldende bestemming abdijcomplex in bestemmingsplan 'Buitengebied' zoals vastgesteld op 14 december 2017.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

11

Daarnaast geldt de facetherziening 'Deregulering', vastgesteld door de gemeenteraad van Echt-Susteren op Op basis van dit bestemmingsplan is op enkele thema's voorzien in aanvullende regelingen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan met het oog op het meer gebiedsdekkend uniformeren van regelingen voor onder andere aan huis gebonden beroepen of bedrijven, internetwinkels, afhankelijke woonruimten en schuilgelegenheden. De onherroepelijk voor de aspecten bouwen, milieu en natuur vergunde situatie voor de agrarische activiteiten binnen het complex zijn niet in overeenstemming met de ter plaatse geldende bestemming 'Maatschappelijk'. In het geldende bestemmingsplan zijn geen binnenplanse afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om de bestaande legale situatie als zodanig planologisch te faciliteren. De onderhavige herbestemming biedt deze mogelijkheid wel.

12

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 4

Beleid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI), en de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014). Het gemeentelijk beleid is ontleend aan de Structuurvisie 2012-2025.

4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 11 september 2021 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 km2 is het belangrijk goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerder nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijke keuzes zijn: De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit. Het bieden van ruimte voor een overgang naar circulaire economie. Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen. Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op onderstaande vier prioriteiten.

Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe de fysieke leefomgeving wordt ingericht. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen. We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte. We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030. We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland. Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

13

3. Sterke en gezonde steden en regio's We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen. Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. We richten steden en regio's klimaatbestendig in.

Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl. Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief. Er wordt een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk gemaakt, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit. Conclusie Met betrekking tot het planvoornemen zijn er weinig directe en concrete raakvlakken tussen deze visies en onderhavig plan, anders dan de meer algemene uitgangspunten ten aanzien van een veilige en gezonde leefomgeving, duurzaam ruimtegebruik, toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied etc. De beoogde ontwikkeling bestaat uit een herbestemming van de bestaande onherroepelijk vergunde situatie en heeft vanuit deze context geen implicaties voor de in de NOVI gehanteerde algemene uitgangspunten.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie verankerd in de Omgevingsverordening Limburg

14

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie daarin bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen moet worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Volgens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:150, ABRS 18 februari 2015 ECLI:NL:RVS:2015:428en ABRS 24 augustus 2016 ECLI:NL:RVS:2016:231) betreft een inpandig functiewijziging (waarbij geen sprake is van nieuw ruimtebeslag) geen stedelijk ontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 1.1.1. van het Bro. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het voorliggende geval is geen sprake van nieuw ruimtebeslag, omdat gebruik wordt gemaakt van de bestaande bebouwing. Er is met de herbestemming geen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is.

4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb. 2012, nr. 388): Project Mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen; grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen; toekomstige rivierverruiming van de Maastakken; Waddenzee en waddengebied, en IJsselmeergebied; verstedelijking in het IJsselmeer; defensie; erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; elektriciteitsvoorziening; ecologische hoofdstructuur. 4.1.4 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

4.1.5 Conclusie Rijksbeleid De beoogde planontwikkeling levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie, het Barro en de Rarro. Het Rijksbeleid is niet aan de orde, omdat sprake is van een herbestemming waarbij de bestaande onherroepelijk vergunde toestand één op één wordt overgenomen in de nieuwe bestemmingen.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

15

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De Omgevingsvisie Limburg vervangt de Omgevingsvisie POL 2012. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de zonering 'Natuurnetwerk' en 'Natura 2000'. Het omliggende gebied heeft de zonering 'Buitengebied'.

Uitsnede kaart 'zoneringen' met ligging plangebied rood omkaderd (bron: viewer atlas limburg)

Natuurnetwerk / Natura 2000 gebieden De meeste Limburgse natuurgebieden, waaronder de Natura 2000-gebieden, vormen samen het Natuurnetwerk Limburg - het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen het landelijk gebied wordt daarnaast onderscheiden de groenblauwe mantel en het buitengebied. Voor het behoud van de kwaliteiten in het Natuurnetwerk Limburg en vooral de daartoe behorende Natura 2000-gebieden, is het van belang dat de abiotiek op orde wordt gebracht. Dat kan door inrichting en beheer binnen de natuurgebieden, het voldoende robuust maken van het Natuurnetwerk Limburg en door goede overgangen naar de omliggende gebieden. In onderhavige situatie is sprake van een één op één overname van onherroepelijk verleende vergunningen op de aspecten bouwen, milieu en natuur. In het plan is door middel van de planregels in onderling verband met de verbeelding voorzien in maatwerk. Dat maatwerk bestaat vooral uit de één op één overname van vergunde rechten zonder hierbij ontwikkelingsruimte te bieden die strijdig is met de belangen van het natuurnetwerk

16

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

c.q. het Natura 2000 gebied. Het abdijcomplex maakt deel uit van het Natura 2000-gebied 'Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop' vanwege de aanwezigheid van kraamkolonies van ingekorven vleermuis in de schuur en zolder. In de onherroepelijke vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming voor de agrarische activiteiten binnen het abdijcomplex zijn voorwaarden gesteld ten behoeve van het voorkomen van effecten op de ingekorven vleermuis. Deze voorwaarden zijn één op één overgenomen in dit plan. Daarnaast zijn nog diverse andere voorwaarden in het plan opgenomen om te borgen dat effecten kunnen optreden ten opzichte van voorkomende (natuur-)waarden. In paragraaf 6.6 van deze plantoelichting is nader ingegaan op het aspect natuurbescherming. De belangen zoals verwoord in de POVI voor de zoneringen Natuurnetwerk en Natura 2000 gebieden zijn hiermee geborgd. 4.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2014 geconsolideerd (OvL2014 CG10)

De onderhavige planvorming is gebaseerd op het kader van de 'Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (samenhang OVL2021)' zoals verwerkt in de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 (GC10) (d.d. 16 december 2022). Hierna aangehaald als 'de Omgevingsverordening'. Op grond van de Omgevingsverordening zijn voor het plangebied de navolgende zoneringen en aanduidingen relevant: Kaart 4 Beschermingszones natuur en landschap: 'Goudgroene natuurzone'; Kaart 5 Uitsluitingsgebieden windturbines: 'Uitsluitingsgebieden windturbines'; Kaart 6 Intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en zilvergroene natuurzone: 'Goudgroene natuurzone'; Kaart 7 Natuurbescherming: 'Natura 2000 gebied'; Kaart 8 Milieubeschermingsgebieden: 'Boringsvrije zone Roerdalslenk 1'

Afbeelding kaart 4 Omgevingsverordening met locatie planbied binnen zonering 'Goudgroene natuurzone' globaal geduid

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

17

Afbeelding kaart 5 Omgevingsverordening met locatie planbied binnen zonering 'Uitsluitingsgebieden windturbines' globaal geduid

Afbeelding kaart 6 Omgevingsverordening met locatie planbied binnen zonering 'Goudgroene natuurzone' globaal geduid

18

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Afbeelding kaart 7 Omgevingsverordening met locatie planbied binnen zonering 'Goudgroene natuurzone' globaal geduid

Afbeelding kaart 8 Omgevingsverordening met locatie planbied binnen zonering 'Boringsvrije zone Roerdalslenk 1' globaal geduid

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

19

Zonering Goudgroene Natuurzone

Voorkomen aantasting wezenlijke kenmerken en waarden ten gevolge van planvoornemen:

In artikel 2.6.2. van de Omgevingsverordening is voor de Goudgroene natuurzone de instructieplicht voor ruimtelijke plannen primair vastgelegd. Hierin is het volgende bepaald: 'Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.' Onder wezenlijke kenmerken en waarden Goudgroene natuurzone verstaatde Omgevingsverordening het volgende: 'voor bestaande natuurgebieden de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen en voor te realiseren natuurgebieden de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan' In het kader van de toetsing aan deze bepaling is voor dit plan het navolgende relevant: Voor dit plan geldt dat sprake is van een één op één herbestemming van de bestaande onherroepelijk vergunde situatie voor de aspecten bouwen, milieu en natuur. Het bestemmingsplan legt die situatie 'op maat' vast met regels die in onderling verband staan met bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding. Daarnaast bevat de planregeling de nodige waarborgen om te voorkomen dat wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied worden aangetast.

In paragraaf 6.6 van deze toelichting wordt ingegaan op de quickscan flora en fauna. Uit deze quickscan volgt dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet worden aangetast. Hieruit blijkt dat met het planvoornemen wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.6.2. van de Omgevingsverordening.

Vestiging van een bestaande intensieve veehouderij:

In artikel 2.11.2 van de Omgevingsverordening is bepaald dat een ruimtelijk plan niet voorziet in de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij buiten een op de kaarten behorende bij deze verordening als ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij aangewezen gebied. Het plangebied dat betrekking heeft op het abdijcomplex valt niet samen met een ontwikkelgebied intensieve veehouderij. Gelet op de ligging binnen de 'Goudgroene zone' is in deze situatie enkel de vestiging van een bestaande intensieve veehouderij toegestaan. Dit vloeit voort uit het de combinatie van de instructieregels als bedoeld in 2.11.2 van de Omgevingsverordening en de in artikel 2.11.1 van de Omgevingsverordening opgenomen begrippen. De navolgende begrippen uit artikel 2.11.1 van de Omgevingsverordening zijn in dit verband relevant: 'a.intensieve veehouderij: het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, of parelhoenders, met uitzondering van kleinschalige veehouderij en varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop; (....)

20

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

c.varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop: het houden van varkens die jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop, waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van de EU-verordening Erkenningseisen biologische producten 2020/464, op een locatie buiten de Goudgroene natuurzone en buiten een extensiveringsgebied intensieve veehouderij, en onder behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke; d.nieuwvestiging van intensieve veehouderij: de vestiging van een intensieve veehouderij op een nieuw agrarisch bouwvlak, of op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen intensieve veehouderij is gevestigd, met uitzondering van bestaande intensieve veehouderij; e.bestaande intensieve veehouderij: intensieve veehouderij die op 1 juni 2004 aanwezig was in overeenstemming met: a.de toenmalige bepalingen bij of krachtens de Wet milieubeheer, en b.de toenmalige bepalingen bij of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waaronder begrepen de overgangsrechtelijke bepalingen van het toenmalig geldende bestemmingsplan, tenzij: i.deze intensieve veehouderij op 1 juni 2004 geen wezenlijk onderdeel uitmaakte van de bedrijfsvoering; ii.deze intensieve veehouderij na 1 juni 2004 feitelijk is beëindigd, voor een periode langer dan een jaar onderbroken is geweest, de daarvoor krachtens de Wet milieubeheer benodigde vergunning blijvend is

ingetrokken of vervallen of een melding is gedaan dat de intensieve veehouderij structureel is beëindigd;'.

Kort gezegd valt het bestemmen van een 'bestaande intensieve veehouderij' dus buiten het kader van 'nieuwvestiging van een intensieve veehouderij'. Voor wat betreft de toetsing aan de voorwaarden of wordt voldaan aan een 'bestaande intensieve veehouderij' geldt het volgende: 1.

'intensieve veehouderij die op 1 juni 2004 aanwezig was

Sinds 1883 hebben de Cisterziënzermonniken van de Abdij Lilbosch hun klooster en landbouwbedrijf gevestigd op deze locatie die in de huidige situatie is opgebouwd uit een kloostergebouw met diverse bijgebouwen, diverse stallen en diverse percelen. In Bijlage 3 Plan en vergunninginformatie ikv verantwoording bestemming IV bij deze plantoelichting is informatie over opeenvolgende bestemmingsplannen, verleende vergunningen en controle rapporten bij elkaar gevoegd. Hieruit blijkt dat het houden van varkens als belangrijk onderdeel van het agrarisch bedrijf (binnen de Goudgroene zone in deze Omgevingsverordening aangemerkt als intensieve veehouderij) al lange tijd binnen het plangebied aan de orde is. Op 1 juni 2004 ging het hierbij op basis van de op 1 april 1997 verleende milieuvergunning om het volgende veebestand:

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

21

Afbeelding: uitsnede het op 1 april 1997 vergunde veebestand dat op 1 juni 2004 actueel was.

2. '(...) in overeenstemming met: a.de toenmalige bepalingen bij of krachtens de Wet milieubeheer, en'

Zoals hierboven aangehaald was de milieuvergunde situatie d.d. 1 april 1997 op 1 juni 2004 actueel.

3. b.de toenmalige bepalingen bij of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waaronder begrepen de overgangsrechtelijke bepalingen van het toenmalig geldende bestemmingsplan, (...)

Zoals uit Bijlage 3 Plan en vergunninginformatie ikv verantwoording bestemming IV blijkt was in het bestemmingsplan 'Buitengebied' uit 1982 het agrarisch bedrijf als onderdeel van de bestemming 'Bijzondere doeleinden Klooster' toegestaan. Deze planologische situatie was op 1 juni 2004 van kracht.

4. tenzij: i. deze intensieve veehouderij op 1 juni 2004 geen wezenlijk onderdeel uitmaakte van de bedrijfsvoering;

Zoals uit Bijlage 3 Plan en vergunninginformatie ikv verantwoording bestemming IV en bovenstaande uitsnede blijkt vormden op 1 juni 2004 op basis van de op 1 april 1997 verleende milieuvergunning de intensieve veehouderij (bestaande uit het houden van 120 scharrelvarkens zwaarder dan 25 kg, 200 scharrelkippen en 10 vleesstieren ) een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering.

5. ii. deze intensieve veehouderij na 1 juni 2004 feitelijk is beëindigd, voor een periode langer dan een jaar onderbroken is geweest, de daarvoor krachtens de Wet milieubeheer benodigde vergunning blijvend is ingetrokken of vervallen of een melding is gedaan dat de intensieve veehouderij structureel is beëindigd;'

De intensieve veehouderijactiviteiten zijn na 1 juni 2004 niet beëindigd. Zie hiervoor ook Bijlage 3 Plan en vergunninginformatie ikv verantwoording bestemming IV. De intensieve veehouderijactiviteiten vormen een voortdurend en belangrijk onderdeel van het monastieke werk op het klooster van de Cisterziënzermonniken. Daarnaast wordt met deze werkzaamheden in het levensonderhoud voorzien.

Conclusie Goudgroene zone: Voor de herbestemming kan worden uitgegaan van de vestiging van een bestaande intensieve veehouderij. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.11.1 en artikel 2.11.2 van de Omgevingsverordening. Daarnaast worden de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene zone niet aangetast. Het plan is hiermee ook in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening.

Natura 2000 gebied Op basis van hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening worden voor Natura 2000 gebieden eisen gesteld aan stalinrichtingen vanuit het oogpunt van stikstofdepositie en worden eisen gesteld voor wat betreft

22

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

houtopstanden in Natura 2000 gebieden. Voor de veehouderijactiviteiten op de Abdij Lilbosch is sprake van een onherroepelijke Wet natuurbeschermingswetvergunning die in overeenstemming met de Omgevingsverordening tot stand is gekomen. Voor werken en werkzaamheden binnen het plangebied, waaronder het kappen van bomen is voorzien in een omgevingsvergunningstelsel met voorwaarden die zien op het uitvoeren van onder andere een ecologische toets. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden kunnen hiermee worden voorkomen. Aan de bepalingen voor Natura 2000 gebieden wordt voldaan.

Uitsluitingsgebieden Windturbines Binnen de aanduiding uitsluitingsgebieden windturbines geldt op grond van artikel 2.10.2 van de Omgevingsverordening het navolgende: 'Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het Uitsluitingsgebied windturbines, voorziet niet in de plaatsing van een windturbine, bestaande uit een mast met een minimale hoogte van 25 m met daarop aangebracht een rotor;' Binnen het plangebied is de realisatie van een dergelijke windturbine uitgesloten op basis van zowel de rechtstreekse bouwregels als de afwijkingsregels. Aan het bepaalde in 2.10.2 van de Omgevingsverordening wordt voldaan. Roerdalslenk zone I

Onderhavige locatie is gelegen in de zone Roerdalslenk zone I op basis waarvan aanvullende regels gelden voor bescherming van de drinkwatervoorziening. Naast een verbod in de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden is in de Omgevingsverordening een verbod opgenomen voor diepe boringen in de boringsvrije zones. Daartoe is de Roerdalslenk verdeeld in vier gebieden, waarbij per gebied de diepte van het boorverbod varieert. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat boringen tot de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn toegestaan en dat een melding moet worden verricht indien een boring dieper dan 20 meter onder maaiveld plaatsvindt. Aangezien onderhavig voornemen uitgaat van een bestemming van de bestaande toestand en deze mede gelet op de planregels niet gepaard gaat met dergelijke diepe boringen in de bodem, vormt de ligging in de zone ‘Roerdalslenk zone I’ geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4.2.3 Conclusie provinciaalbeleid Gelet op de uiteenzetting in deze paragraaf met betrekking tot het provinciale beleid, is voorliggend plan hiermee in overeenstemming.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025

De 'Structuurvisie Echt-Susteren 2012 - 2025, 'Ontwikkelen met kwaliteit' is opgesteld met het doel een duidelijke en actuele visie te formuleren op het gehele gemeentelijke grondgebied, waaronder begrepen het plangebied. Deze visie, met de daaraan ten grondslag liggende ruimtelijke gebiedsanalyse, is een belangrijke onderlegger geweest voor de opstelling van het integrale bestemmingsplan 'Buitengebied' . In de structuurvisie is tevens het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu verwerkt. Voor onderhavig planvoornemen biedt de visie een kader om het initiatief af te wegen en deze via een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure te verwezenlijken. Hierbij geldt als kanttekening dat de

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

23

structuurvisie voornamelijk ziet op voorspelbare c.q. standaard ontwikkelingen. De één op één herbestemming van de onherroepelijk vergunde situatie van het abdijcomplex, waarvan het agrarisch bedrijf met de varkenshouderij onderdeel uitmaakt, moet in feite worden gezien als een planvoornemen zonder ontwikkeling, welke om een maatwerkbeoordeling vraagt. Algemene beschouwing structuurvisie De dynamiek in het landelijk gebied neemt toe. Sommige veranderingsprocessen zijn voorzienbaar, andere doen zich als het ware 'willekeurig' en 'onvoorspelbaar' voor op basis van initiatieven in het veld. Waar het bestemmingsplan bij uitstek geschikt is, om bestaande rechten en de voorzienbare ofwel 'bekende' toekomst goed te regelen, is het bestemmingsplan veel minder in staat om de 'onbekende' toekomst op juiste wijze te geleiden. De toegenomen dynamiek in het landelijk gebied stelt het gemeentebestuur steeds vaker voor vragen die door het bestemmingsplan niet kunnen worden beantwoord. Vragen die voortvloeien uit initiatieven in het veld waarvan het waard is dat hierop positief kan worden gereageerd, mits zij een bijdrage leveren aan de kernkwaliteiten van het gebied.

De structuurvisie kent dan ook 3 tijdshorizonnen, namelijk: het visie- en strategiedeel met zes leidende principes die gelden bij de beoordeling van een initiatief; het beleidskader waarin de ambities voor de komende 10 jaar staan beschreven, inclusief een landschapskader dat de kernkwaliteiten en ontwikkelingsperspectieven van de zes onderscheiden landschappen beschrijft; het uitvoeringsprogramma waarin staat aangegeven wat de concrete acties zijn voor de eerstkomende jaren. De structuurvisie heeft een globaal karakter en beschrijft niet precies waar wat precies komt en hoe groot iets worden mag of moet. Deze normen worden in een bestemmingsplan opgenomen. De structuurvisie geeft koersen aan op hoofdlijnen en laat daarbij ruimte voor de 'onbekende' toekomst. De structuurvisie maakt ontwikkelingen mogelijk die we nu nog niet kunnen voorzien, maar evengoed (onder voorwaarden) toe willen laten als ze bijdragen aan de centrale doelstelling: de kwaliteit van ons landelijk en stedelijk gebied. In de structuurvisie staan de volgende kwaliteitscriteria centraal: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

meer aandacht voor de duurzame ondergrond (lagenbenadering); zorgvuldig ruimtegebruik met aandacht voor (beeld)kwaliteit; grensoverschrijdend denken en handelen; tegengaan van verstening in het buitengebied (indien geen passend onderdeel van doelstellingen); kwaliteit belangrijker dan kwantiteit; bereikbaarheid is belangrijker dan aanwezigheid/nabijheid.

De structuurvisie besteedt op basis van trends en ontwikkelingen uitgebreid aandacht aan het buitengebied. In de structuurvisie staat vermeld dat het buitengebied veel verschillende functies kent zoals natuur, water, land- en tuinbouw, recreatie, toerisme en kleinschalige bedrijfsfuncties. "Ten aanzien van natuur geldt dat deze onder druk staat van toenemende verstedelijking, uitbreiding van de landbouw en intensiever gebruik door de recreant. Tevens zijn er door bezuinigingen op rijksniveau flink minder financiële middelen om de gestelde natuurdoelstellingen te halen. Rond het thema water noopt de klimaatverandering tot het nemen van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan en zien we verder natuurlijk een blijvende behoefte aan voldoende schoon drinkwater. Ten aanzien van de landbouw geldt dat deze sector van oudsher erg belangrijk is voor de gemeente Echt-Susteren. Zowel in economisch als in sociaal opzicht. De landbouw staat echter onder druk en er doen zich de komende jaren majeure veranderingen voor in de landbouwsector: Europese landbouwsubsidies worden afgebouwd, de grondprijzen stijgen, de overheid neemt

24

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

maatregelen om milieuproblemen en (verspreiding van) dierziekten tegen te gaan en de consument vraagt om schone, diervriendelijke en veilige productiewijzen. Ook de toenemende waardering voor natuur en landschap, rust en ruimte legt een druk op de landbouw. Daarnaast zijn er mondiale landbouwtrends als toenemende schaalvergroting, intensivering van het grondgebruik en mechanisering. De reacties van boeren op deze ontwikkelingen lopen uiteen. Er is een groep die inzet op intensivering en schaalvergroting. Ook is er een groep die overschakelt op kleinschalige, extensieve of gespecialiseerde vormen van landbouw zoals boomteelt. Een derde groep zoekt het in de verbrede landbouw, zoals agrarisch natuurbeheer en een boerenerf dat steeds meer ook werkterrein wordt voor zorg, recreatie, zakelijke dienstverlening, horeca en detailhandel. Zowel streekproducten als biologische producten zijn in opkomst. Tot slot is er een groep die emigreert of stopt met het boerenbestaan. Op basis van landelijke inschattingen betreft deze laatste groep naar verwachting zo'n 30-50% van alle veebedrijven. Dit zal leiden tot vrijkomende bedrijfslocaties. Op het vlak van recreatie valt op dat de burger steeds meer vrije tijd heeft en die steeds vaker doorbrengt in korte vakanties in het buitengebied.

Het buitengebied wordt daarbij een soort consumptiegebied voor hem, waar hij volop wil fietsen, paardrijden, wandelen en cultuurhistorisch en landschappelijk gezien wil kunnen genieten." (citaat uit de structuurvisie). Voor het buitengebied heeft de gemeente een aantal ambities geformuleerd. Het realiseren van deze ambities draagt bij aan het halen van onze algemene doelstelling om ook in 2025 en lang daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Het betreft de volgende ambities: 1.

de rust en ruimte in het buitengebied behouden en waar mogelijk versterken;

2.

verdere verstening tegengaan (indien geen passend onderdeel van doelstellingen);

3.

vergroting van de contrasten tussen de aanwezige landschappen;

4.

komen tot een groen-blauwe ecologische ladder;

5.

behoud van een economisch gezonde, duurzame agrarische sector met het juiste bedrijf op de juiste plek;

6.

ruimte bieden aan een breed georiënteerde plattelandseconomie;

7.

het zijn van een toeristisch-recreatieve schakel in de Euregio.

Ter realisering van voornoemde ambities is het buitengebied in een aantal zones verdeeld. Dat wil zeggen dat het in een aantal gebieden is verdeeld, waarin de ontwikkeling van sommige functies gestimuleerd en die van andere afgeremd worden. Op deze wijze kunnen de hoofdfuncties natuur, landbouw en recreatie ieder voor zich en in onderling verband ook in de toekomst maximaal tot hun recht komen door deze functies ruimtelijk bij elkaar te brengen waar dat nuttig is en de functies te scheiden waar ze elkaar dwars (dreigen te) zitten. In de structuurvisie is een 'Functionele Zonering Buitengebied' opgenomen. Deze kaart bevat een ruimtelijk-functionele zonering die aangeeft welke functies in de verschillende gebieden worden toegelaten of gestimuleerd en welke moeten worden geweerd en teruggedrongen. Grofweg zijn twee hoofdzones te onderscheiden: een groene zone en een agrarische zone. Aan het buitengebied gebonden recreatie kan zich, onder voorwaarden, meestal zowel in de groene als in de agrarische zone bevinden. Dit sluit aan bij de gedachte dat de economische kracht van het buitengebied ook bij de in de toekomst verwachte afname van agrarische bedrijven moet worden behouden en aan de vrijkomende

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

25

agrarische bebouwing een nieuwe functie moet worden gegeven. Met behulp van de structuurvisie biedt de gemeente daarom in het gehele buitengebied ruimte voor nieuwe economische dragers, zoals (aan het buitengebied gerelateerde) recreatieve ontwikkelingen. Voorts is van belang dat de gemeente op termijn streeft naar het realiseren van een 'groen-blauwe ecologische ladder' die bestaat uit met elkaar verbonden natuurgebieden. Deze dient aan te sluiten op gemeentegrens overschrijdende delen van deze ladder. Niet alleen flora en fauna zijn bij deze ecologische ladder gebaat, ook de recreant en de bewoner zal deze landschappelijke versterking waarderen. De ladder omvat de gehele ecologische hoofdstructuur (EHS, P1 in POL2006), het Provinciaal OmgevingsGroen (POG, P2 in POL2006) en de Wensen Groene Waarden uit de Gebiedsvisie Groene Waarden Westelijke Mijnstreek. Buiten de groen-blauwe ladderstructuur wordt gestreefd naar een aantrekkelijk agrarisch cultuurlandschap.

Structuurvisie in relatie tot herbestemming Abdij Lilbosch: In onderstaande is een uitsnede van de verbeelding van de structuurvisie opgenomen van de locatie van het Abdijcomplex.

Afbeelding: Uitsnede kaartbeeld structuurvisie Echt-Susteren (Abdijlocatie omcirkeld)

De Structuurvisie is opgesteld met als doel gewenste ontwikkelingen zoveel mogelijk te faciliteren en ongewenste ontwikkelingen in het buitengebied dusdanig financieel te belasten dat deze vanuit economisch oogpunt onaantrekkelijk worden gemaakt. In de Structuurvisie is hiertoe een afwegingskader (ontwikkelmodules) per functie (bijvoorbeeld wonen, agrarische bedrijvigheid of recreatie) opgenomen. In het afwegingskader wordt vervolgens de wenselijkheid van de ontwikkeling per landschapstype aangegeven. De mate van wenselijkheid komt tevens tot uitdrukking in de financiële GKM-verplichting. Wanneer de één op één herbestemming van de bestaande onherroepelijke situatie van het abdijcomplex Lilbosch nader wordt beschouwd, dan dient het planologisch herstel wat met dit bestemmingsplan plaatsvindt niet als een ruimtelijke ontwikkeling in de zin van de structuurvisie te worden aangemerkt. Het

26

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

planvoornemen is hiermee niet onder te brengen onder het afwegingskader (de ontwikkelmodules), zoals opgenomen in de Structuurvisie. Hiermee is het planvoornemen ook niet strijdig met het bepaalde in de Structuurvisie. 4.3.2 Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Het basisprincipe van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is dat bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit. Dit verlies dient gecompenseerd te worden door een kwaliteitsverbeterende maatregel en/of financiële bijdrage. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied is dat altijd sprake dient te zijn van een goede landschappelijke inpassing. In onderhavige situatie is reeds sprake van een robuuste beboste inpassing van het abdijcomplex Lilbosch. Daarnaast is onderhavig planvoornemen niet als een echte ruimtelijke ontrwikkeling te beschouwen. Immers het gaat bij dit planvoornemen op planologisch herstel waarin de bestaande situatie, onherroepelijk vergund voor de aspecten bouwen, milieu en natuur, één op één wordt bestemd. Nadere eisen op basis van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is derhalve niet aan de orde. 4.3.3 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op de uiteenzetting in deze paragraaf met betrekking tot het gemeentelijke beleid, is voorliggend plan daarmee niet in strijd.

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

27

28

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

Hoofdstuk 5

Milieutechnische aspecten

Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het planvoornemen heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.

5.1

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygienische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt voor het voorgenomen gebruik. Onderhavige ontwikkeling ziet op het herbestemmen van de bestaande onherroepelijk vergunde toestand. Met dit planvoornemen is er geen sprake van het creëren van een gevoeligere functie. Bij het actualiseren van het bestemmingsplan wordt de bestaande bebouwing en inrichting veelal gehandhaafd. Dan vindt geen grondverzet plaatst en worden geen saneringen opgestart. Een inventarisatie van de (vermoedelijke) gevallen van bodemverontreiniging volstaat. De gemeente Echt-Susteren heeft in 2020 de Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 vastgesteld. Bij de nota hoort de bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart. De bodemfunctieklasse ter plaatse van het plangebied is 'Landbouw/Natuur'. Dezelfde categorie geldt voor de ontgravingskwaliteit voor zowel de bovengrond als ondergrond en de toepassingskwaliteit voor de boven en ondergrond. Voor het plangebied zijn geen specifieke gegevens beschikbaar. Wel is er voor een perceel belendend aan het plangebied een toplaag onderzoek uitgevoerd nadat een stal binnen het Abdijcomplex was afgebrand. Uit het onderzoek is gebleken dat het belendend aan het plangebied gelegen perceel geschikt is voor de functie 'Landbouw/Natuur'.

Het betreffende onderzoek is gevoegd in de bundel met plan- en vergunninginformatie in Bijlage 3 bij de toelichting. Dit betekent dat er niet met zekerheid kan worden gezegd dat de ondergrond schoon is. Andersom wijzen historische bedrijfsactiviteiten niet op een verhoogde kans op bodemverontreiniging. De agrarische functies die het bestemmingsplan mogelijk maakt, passen binnen de bodemfunctie en kwaliteit zoals aangegeven op de bodemkwaliteitskaart. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de herbestemming. 5.1.1 Conclusie bodem Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen.

5.2

Geluid

Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Als een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, moet volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De planlocatie ligt niet binnen een zone voor industrielawaai of railverkeerslawaai. De planlocatie is wel

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

29

onderhevig aan wegverkeerslawaai door de wegen Pepinusbrug, Patersweg en de Scheidingsweg. Het bestemmingsplan voorziet in een herbestemming met een één op één overname van de bestaande onherroepelijk vergunde situatie. Omdat er in de huidige situatie op het Abdijcomplex gewoond wordt, is de locatie altijd al geluidgevoelig geweest. Er is dus geen sprake van een “Nieuwe situatie” in het kader van de Wet geluidhinder en derhalve is een toets niet aan de orde. Verder is er vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen sprake van een geluidrelevante ontwikkeling die nader dient te worden beschouwd. 5.2.1 Conclusie geluid Er zijn gelet op vorenstaande voor het aspect geluid geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen.

5.3

Milieuzonering

5.3.1 Algemeen Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. 5.3.2 Beschouwing maatgevende aspecten vanuit oogpunt milieuzonering In de Bijlage 2 Aanmeldnotitie vormvrije mer beoordeling met bijlagen is uitgebreid ingegaan op maatgevende aspecten van het planvoornemen vanuit het oogpunt van milieuzonering. Hieruit blijkt dat er op de aspecten luchtkwaliteit, geur, geluid en externe veiligheid geen sprake is van belemmeringen voor het planvoornemen. 5.3.3 Conclusie milieuzonering Gelet op vorenstaande uiteenzetting wordt geconcludeerd dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.4

Luchtkwaliteit en geur

5.4.1 Algemeen De luchtkwaliteit wordt bepaald door de aanwezigheid van luchtverontreinigende stoffen. Een slechte luchtkwaliteit kan een gezondheidsklachten tot gevolg hebben en schade aanrichten aan de natuur (zie ook stikstof hierboven). Stoffen die in Nederland vooral belangrijk zijn voor het bepalen van de luchtkwaliteit zijn fijn stof en stikstofdioxide. De stikstofdioxide concentratie ligt in Nederland ver onder de normen (40 µg/m³). Verhoogde concentratie van stikstofdioxide (NO2) zit vooral in de lucht op plekken met veel wegverkeer. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van veel wegverkeer. Stikstofdioxide wordt daarom niet verder meegenomen in deze notitie. Daarnaast is geur een belangrijk onderdeel van de luchtkwaliteit. Op deze thema's wordt hieronder verder ingegaan.

30

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

5.4.2 Fijnstof In de beoogde situatie worden dieren gehouden waarvoor wel emissiefactoren ten aanzien van fijnstof (PM10) zijn vastgesteld. Daarnaast is er sprake van fijnstof als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Verder zijn er nog enkele vervoersbewegingen binnen de inrichting. Om te beoordelen of deze toename gevolgen heeft voor het achtergrondniveau ter plaatse van gevoelige objecten in de omgeving, is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Achtergrondconcentratie De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ter plaatse van het plangebied is 15 µg/m³ (zie onderstaande figuur). De achtergrondconcentratie (de concentratie op basis van bronnen in de wijde omgeving, inclusief de bijdrage uit het buitenland) ligt zeer ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m³ als jaargemiddelde. De achtergrondconcentratie ligt ook zeer ruim onder de waarde van 31,2 µg/m³, de waarde waarboven het aantal overschrijdingsdagen maatgevend wordt. De WHO-advieswaarde voor fijnstof PM10 is 15 µg/m³. Ook aan deze waarde wordt voldaan.

Figuur Achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) in 2022 Bijdrage veehouderij De indicatieve cumulatieve belasting fijnstof PM10 vanuit emissie van veehouderij bedrijven is weergegeven in onderstaande figuur. De belasting is gebaseerd op veehouderij gegevens in de Kernregistratie dierverblijven (KRD) (4-10-2023).). Er is gerekend met één emissiepunt gelegen op het midden van de veehouderij. De bijdrage van fijnstof PM10 uit veehouderijbedrijven ter plaatse van het plangebied ligt tussen 0,2 en 0,6 ìg/m3. De fijnstof vanuit veehouderij bedrijven wordt voornamelijk veroorzaakt door de varkenshouderij aan de Hekbergerweg 7. Door de veehouderij activiteiten die mogelijk worden gemaakt in de herbestemming, is een

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

31

lichte stijging in fijnstof bijdrage vanuit veehouderij zichtbaar ter plaatse van het plangebied. Deze toename beperkt zich echter tot binnen het bouwvlak. De bijdrage van veehouderijbedrijven aan de achtergrondconcentratie is dermate klein dat het geen betekenisvol effect heeft op de achtergrondconcentratie. Bovendien is de fijnstof (PM10) uitstoot uit de veehouderij al meegenomen in de bepaling van de achtergrondconcentratie. De fijnstof bijdrage vanuit de veehouderij van het plangebied blijft binnen het eigen terrein.

Figuur Indicatieve cumulatieve belasting fijnstof (PM10) vanuit veehouderijbedrijven in de omgeving (2km) van het plangebied

Endotoxine Endotoxinen zijn deeltjes van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën. De endotoxinen binden zich aan bacteriereten, stofdeeltjes of waterdeeltjes. Op deze manier vormen endotoxinen een onderdeel van het fijnstof dat afkomstig is uit veehouderijen. De stallucht uit veehouderijen vormt de belangrijkste emissiebron van endotoxinen. Er kan ook emissie plaatsvinden bij de mest op en -overslag, bij mestbehandeling en bij mestverspreiding op het land. Het immuunsysteem van het lichaam kan op de endotoxinen reageren alsof het besmet is geraakt. De effecten die dan optreden zijn luchtwegklachten en in hogere dosis temperatuursverhoging en koortsachtige verschijnselen. Uit de onderzoeken blijkt dat varkenshouderijen en pluimveehouderijen de belangrijkste bronnen van endotoxine zijn. Voor endotoxine is nog geen wettelijke norm vastgesteld. Er is een advieswaarde voor omwonenden door de Gezondheidsraad voorgesteld (30 EU/m3) welke door het ondersteuningsteam en de GGD is overgenomen. Afstanden, waarbinnen deze advieswaarde wordt overschreden, zijn te berekenen door middel van het Endotoxine-toetsingskader. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijnstofemissie in kilogrammen per jaar kan worden bepaald welke

32

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden. Binnen de risicocontour is in beginsel geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen en is bijvoorbeeld woningbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Op basis van de fijnstofemissie van vleesvarkens is voor de Abdij berekend wat de minimale afstand tot gevoelige objecten moet zijn. De endotoxine-risiscocontour is 14 meter (emissie = 60.175 gram PM10/jaar; afstand = 60,0608184*(Ln(emissie in kg)-231.712643). Binnen 14 meter zijn geen gevoelige objecten aanwezig, zie ook bovenstaande figuur. Er wordt aan de advieswaarde voldaan. De varkenshouderij bij de Abdij zorgt niet voor een overschrijding van de endotoxine advieswaarde op omliggende gevoelige functies.

Bijdrage verkeersbewegingen Vervoersbewegingen zijn een bron van fijnstof en zouden een verhoging van de fijnstofconcentratie kunnen veroorzaken. Met de NIBM-tool kan de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan luchtkwaliteit worden vastgesteld. Hierbij is uitgegaan van de verwachte toename in verkeersbewegingen zoals beschreven in tabel 3. De resultaten van de NIBM-tool staan in onderstaande uitsnede (onderstaande figuur ). De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekende-mate. Dit betekent dat de verkeerstoename door het bestemmingsplan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij draagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Figuur NIBM-tool uitkomst voor toename aantal verkeersbewegingen ten gevolge van herbestemming 5.4.3 Geur Bij onderhavige veehouderijtak in de beoogde situatie worden dieren gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij dient derhalve berekend te worden of ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving voldaan kan worden aan de geldende geurnormen.

Voor het plangebied gelden de geurnormen zoals vastgesteld in de “Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Echt-Susteren 2009”. Dit betekent dat de geurbelasting op een geurgevoelig object niet meer bedraagt dan 14 OUE/m3 lucht. Zowel de voorgrondbelasting als de (cumulatieve) achtergrondbelasting wordt aan de geurnormen getoetst. Bedrijfswoningen van andere veehouderijen worden niet getoetst aan de

bestemmingsplan Abdij Lilbosch

33

regulier geurnorm van maximaal 14 Ou, maar aan vaste afstanden. Voor dergelijke woningen geldt in het buitengebied een vaste afstand van 50 meter.

Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van díe veehouderij welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen. De voorgrondbelasting is van belang voor het bepalen van de verwachte hinder, omdat uit onderzoek is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de voorgrondbelasting hoger is dan als gevolg van de achtergrondbelasting, bij gelijke belastingen. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder als de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. De voorgrondbelasting is berekend op basis van de verleende vergunning (Omgevingsvergunning-revisie 09-07-2018), zie ook onderstaande tabel met input gegevens geurberekening V-stacks vergunning. In de berekening zijn de zoogkoeien en het bijbehorend jongvee < 1 jaar niet meegenomen omdat voor deze diercategorieën geen emissiefactor is vastgesteld. Voor deze koeien geldt een vaste afstandscontour (zie onderstaande figuur). De berekening is uitgevoerd met het rekenprogramma V-stacks vergunning v2022. De voorgrondbelasting op omliggende gevoelige functies is uitgerekend, als mede de voorgrondbelasting op de bedrijfswoning/abdijwinkel en de logies die bij de Abdij aanwezig zijn.

Resultaten zijn weergegeven in onderstaand figuur geur voorgrondbelasting. Er vindt alleen normoverschrijding plaats op de rekenpunten binnen het terrein van de Abdij. Het gaat hier om de abdijwinkel/bedrijfswoning en het zuidelijkste logiesgebouw. Omdat deze gebouwen onderdeel uitmaken van de veehouderij, gelden de geurnormen voor deze gebouwen niet. De hoogste voorgrondbelasting op een gevoelig object dat geen onderdeel uitmaakt van de veehouderij is 3,9 OU. Dit ligt ver onder de norm van 14 OU die voor dit object geldt. Een voorgrondbelasting van 3,9 OU komt in een concentratiegebied overeen met een hinderpercentage tussen de 10-15%, wat de GGD beoordeelt als een redelijk goed woon en leefklimaat (tabel A en B van de Handreiking Wgv & GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2022). Op andere omliggende gevoelige objecten is de voorgrondbelasting nog veel lager, en is er sprake van een nog beter woon- en leefklimaat. Ook aan de vaste afstandsnormen (100 meter voor binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom) wordt voldaan. Tabel Input gegevens geurberekening V-stacks vergunning Bron ID

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=6fbc679b-6ce3-418a-8c5a-9210e6cb74c8