CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissie Omgeving 28 november 2022, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Bedrijvenpark De Loop, Echt'29.389 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg (2019) De gemeente Echt-Susteren heeft samen met de zes andere Midden-Limburgse gemeenten een regionale visie werklocaties opgesteld. Bedrijventerreinen vormen onderdeel van dit beleidskader. De visie geeft invulling aan de basisprincipes, zoals opgenomen in het POL2014. Het doel van het regionale beleidskader is om vraag en aanbod van werklocaties in balans te brengen en de bijbehorende afspraken vast te leggen. Volgens het beleidskader vormen de bestaande locaties en plannen het vertrekpunt voor de opvang van de groei van het bedrijfsleven in Midden-Limburg, en van daarbuiten. Het huidige aanbod aan

Hoofdstuk 3

27

restcapaciteiten, leegstand en onbenutte kavels is volgens het beleidskader in kwantitatief opzicht voor de regio als geheel vrijwel in evenwicht met de vraag tot en met 2030. In de praktijk is zichtbaar dat er in toenemende mate sprake is van kwantitatieve schaarste in verschillende gemeenten in de regio Midden-Limburg. Tevens is er in sommige gemeenten sprake van een mismatch tussen kwantitatief aanbod en kwalitatieve vraag. Voor bestaande gevestigde bedrijven wordt de groei voor zover mogelijk binnen de eigen gemeente opgevangen, indien mogelijk op de bestaande locaties, in de restcapaciteit, leegstand of binnen de harde planruimte. In het voormalige POL2014 is een belangrijk accent op dynamisch voorraadbeheer gelegd. Het uitgangspunt hierbij is dat bestaande bebouwing voor nieuwbouw gaat. Dit geldt ook op bedrijventerreinen. Er moet eerst worden gekeken of er ruimte is in bestaand vastgoed om de behoefte op te vangen. Vervolgens wordt restcapaciteit van bestaande werklocaties benut. In het beleidskader is tevens de noodzaak van regionale afstemming voor grotere initiatieven vastgelegd. Voor initiatieven op bedrijventerreinen die groter zijn dan 1.500 m² bvo dienen afspraken te worden uitgewerkt over de vraag of, op welke locaties, en onder welke voorwaarden nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan.

Voor nieuwe plannen (hard en zacht) geldt dat initiatieven met een omvang boven de 1.500 m² bvo via de regionale afstemmingsprocedure worden behandeld. Daarbij dient voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied conform de uitgangspunten van de Ladder te worden onderbouwd waarom het initiatief niet in bestaande voorraad kan worden opgevangen. Tevens dient te worden onderbouwd waarom achterblijvende locaties niet tot onaanvaardbare leegstand zullen leiden. In hoofdstuk 2 van de ladderonderbouwing is de Ladder positief doorlopen. In het kader van het dynamisch voorraadbeheer zijn in Midden- Limburg vier hoofdlijnen uitgezet die moeten leiden tot een passende kwantitatieve en kwalitatieve verhouding tussen vraag een aanbod. Het tegengaan van en voorkomen van tekorten zijn daarbij de uitgangspunten:  Bestaand vóór nieuw als uitgangspunt: er wordt eerst (in samenwerking tussen initiatiefnemer en gemeente) naar ruimte in bestaand vastgoed gezocht om de behoefte op te vangen, vervolgens wordt restcapaciteit op bestaande werklocaties benut.  Saldering: Bij het toevoegen van nieuwe voorraad of plancapaciteit is het uitgangspunt dat in ruil hiervoor evenredige reële plancapaciteit wordt geschrapt of programma wordt onttrokken. In het regionaal overleg wordt bepaald of saldering noodzakelijk, haalbaar en wenselijk is.

Daarbij zal per casus worden bepaald in hoeverre het bijdraagt aan de oplossingen van een probleem, in hoeverre de toepassing van de salderingsregel proportioneel is en in hoeverre er andere effecten zijn die de effectiviteit en haalbaarheid beïnvloeden.  Voorzienbaarheid: het afbouwen van niet benutte bestemmingen en bouwtitels draagt bij aan het realiseren van een gezondere en meer marktconforme vraag-aanbodverhouding.  Afbouwen solitaire locaties: met het oog op het beschermen en/of versterken van de ruimtelijke structuur wordt werk gemaakt van het afbouwen van verspreid gelegen solitaire locaties, zowel van bestaande bebouwing als onbebouwde percelen. Voor bedrijventerreinen lijken vraag en aanbod tot 2030 op het niveau van de regio redelijk in evenwicht, echter is op lokaal niveau in meerdere gemeenten sprake van een tekort aan kwalitatief geschikte bedrijfslocaties, of dreigt dit tekort te ontstaan. Gelijktijdig verandert de ruimtevraag: veranderende bedrijfsactiviteiten en consumentengedrag leidt tot andere vestigingsplaatswensen. Specifiek

Hoofdstuk 3

28

voor de gemeente Echt-Susteren is er een toenemende schaarste naar bedrijfsruimte zichtbaar. Daarnaast geldt dit op groter schaalniveau voor logistiek vastgoed. Gelet op het huidige marktdynamiek op de (logistieke) bedrijventerreinenmarkt kan worden gesteld dat het niet reëel is om te gaan salderen. Conclusie regionaal beleidskader i.r.t. planinitiatief In het Regionaal beleidskader werklocaties is beschreven dat op regionale schaal vraag en aanbod tot 2030 redelijk in evenwicht is, maar dat er in verschillende gemeenten een tekort is/dreigt aan kwalitatief geschikte locaties. In de gemeente Echt-Susteren is sprake van een zeer beperkt aanbod van zowel kavels als leegstaande bedrijfshallen met een vergelijkbare omvang als het beoogde initiatief. Er is vrijwel geen ruimte in bestaand vastgoed om de behoefte op te vangen. Dit geldt eveneens voor de restcapaciteit op bestaande werklocaties. De leegstand in het ruimtelijk verzorgingsgebied ligt beneden frictieniveau. Dit is onwenselijk, omdat bedrijven dan weinig of geen mogelijkheden meer hebben te verplaatsen. De beoogde ontwikkeling voorziet in planologische ruimte om te voorzien in ruimte voor de logistieke sector. De omvang van het initiatief ligt boven de 1.500 m² bvo, waardoor het moet worden behandeld via de regionale afstemmingsprocedure.

In dit rapport is toegelicht dat de Ladder positief doorlopen kan worden en is onderbouwd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de ontwikkeling. Het beleid rondom dynamisch voorraadbeheer is een doorvertaling uit het gedateerde provinciaal beleid (POL 2014). Ten tijden van het vaststellen van dit beleid waren de marktomstandigheden voor bedrijventerreinen dusdanig verschillend ten opzichte van de huidige situatie, dat het beleidsmatig verstandig was om te voorkomen dat er teveel planaanbod aan bedrijventerrein op de markt zou komen. De huidige situatie laat een toenemende vraag naar bedrijfskavels in Midden-Limburg zien. Het bestaande aanbod is naar verwachting over enkele jaren onvoldoende om in de vraag naar bedrijventerrein te voorzien. Dit te verwachten tekort is ook in de POVI aangehaald. Om te voorkomen dat de bedrijfsruimtemarkt op slot raakt en om in de behoefte te blijven voorzien, dient er planaanbod toegevoegd te worden in plaats van saldering. Dit mechanisme zorgt er namelijk voor dat het planaanbod aan bedrijventerrein niet kan toenemen. Vanwege de toenemende vraag aan bedrijfskavels in MiddenLimburg en het onvoldoende aanbod is het, in het kader van de ontwikkeling van bedrijvenpark De Loop, niet nodig om plancapaciteit binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied te schappen.

Overeenkomstig aan de afspraken die in de regio zijn gemaakt zal er regionaal worden afgestemd.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2025 Op 12 december 2012 is de Structuurvisie Echt-Susteren 2025 vastgesteld. In deze visie heeft de gemeente als algemene doelstelling om in 2025 en lang daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Met betrekking tot bedrijventerreinen is het een belangrijke ambitie voor de gemeente dat ruimtegebruik voor en door alle typen bedrijven is gericht. Zorgvuldig ruimtegebruik draagt hieraan bij. De goed ontsloten ligging aan A2/A73 en bij een spoorlijn en kanaal bieden volop kansen om een gemeente te zijn waar het goed werken is.

Hoofdstuk 3

29

In de gemeente Echt-Susteren is het beleidsuitgangspunt voor bedrijventerreinen dat er geen nieuwe terreinen worden ontwikkeld, maar dat bestaande terreinen gericht worden herstructureerd en uitgegeven. Op het moment dat de visie is vastgesteld was er nog ca. 4,5 ha direct uitgeefbare grond op de bedrijventerreinen ‘De Berk’ en ‘De Loop’ en ca. 40 ha op regionaal bedrijventerrein ‘Businesspark Midden-Limburg’. In de afgelopen jaren was er sprake van veel dynamiek in de bedrijfsruimtemarkt in de gemeente Echt-Susteren. In vergelijking met 2011 is het direct uitgeefbaar aanbod fors afgenomen. Het totale direct uitgeefbare aanbod in 2021 op bedrijventerreinen ‘De Berk’, ‘De Loop’ en ‘Businesspark Midden-Limburg’ is 7,2 ha, waarvan ca. 1,8 ha op bedrijventerreinen ‘De Loop’ en ‘De Berk’ en ca. 5,4 ha op ‘Businesspark Midden-Limburg’. In de structuurvisie is de ontwikkelmogelijkheid van De Loop expliciet benoemd. In de structuurvisie wordt benoemd dat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling (ten zuiden van Slagmolen) door de provincie lokaal maatwerk zal worden verleend aan een eventueel uitbreidingsverzoek, om zo ten volste de unieke kwaliteiten van haven en afrit A2 te benutten. Een voorwaarde is dat de noodzaak aangeduid is en invulling gegeven wordt aan de ‘ladder van duurzame verstedelijking’.

Geconcludeerd kan worden dat de dynamiek op de bedrijfsruimtemarkt in de gemeente Echt-Susteren sterk veranderd sinds de vaststelling van de gemeentelijke structuurvisie en dat de uitbreiding met het bedrijvenpark past in de structuurvisie. Met de ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de huidige regionale behoefte.

Hoofdstuk 3

30

4.

UITVOERINGSASPECTEN

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten. Per sectoraal aspect is het (juridisch) kader kort beschreven en wordt nader ingegaan op de uitgevoerde onderzoeken. Voorafgaand aan deze onderbouwing is het navolgende relevant. Uitbreiding plangebied Gedurende het planproces is het plangebied uitgebreid in noordwestelijke richting. Om voor die locatie ook te kunnen voldoen aan de uitvoeringsaspecten zijn enkele onderzoeken voorzien van een oplegnotitie. Indien nodig zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Meetsystematiek In deze toelichting is een onderscheid gemaakt tussen het bruto- en netto oppervlak van het plangebied. Het bruto-oppervlak betreft het totale plangebied (17,41 ha) en omvat dus meer specifiek het toekomstige bedrijventerrein, het aan te leggen / te behouden groen, de waterloop en het openbaar gebied. Het netto-oppervlak betreft enkel het gedeelte dat bestemd is tot bedrijventerrein (15,07 ha). Voor enkele onderzoeken wordt een afwijkende meet-systematiek gehanteerd. Indien hier sprake van is wordt dit nader toegelicht.

4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Evenmin is de gemeente verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2.1a Bro). Het bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een bedrijventerrein en schept mogelijkheden voor het oprichten van bedrijfsgebouwen. Dit betreft een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro en dat betekent dat kostenverhaal plaats moet vinden. Met de eigenaar / ontwikkelaar is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het wettelijk verplichte kostenverhaal is verzekerd.

Hoofdstuk 4

31

4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem In het kader van een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In het plangebied is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd voor het westelijke9 en oostelijke10 deel. Omdat deze onderzoeken slechts een klein deel van het plangebied betreffen is eveneens een aanvullend verkennend bodemonderzoek11 uitgevoerd. Aanvullend daarop is tevens een verkennend bodemonderzoek 12 uitgevoerd ter plaatse van het wegtracé van de Oude Lakerweg. De resultaten van de onderzoeken zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportages in de bijlagen. Verkennend bodemonderzoek Havenweg 30 (westelijk deel) Bij de terreininspectie en tijdens het veldwerk zijn geen afwijkingen waargenomen. Zodoende hoeft de onderzoeksopzet niet gewijzigd te worden. Ter plaatse van de recyclinginrichting is het terrein onder andere opgehoogd met gebroken puin en daaronder is plaatselijk asfaltverharding aanwezig. Het gebroken puin is indicatief onderzocht op de parameters minerale olie, PAK, PCB en asbest. De concentraties minerale olie, PAK en PCB voldoen aan de samenstellingswaarde voor een dergelijke toepassing. Er is geen asbest waargenomen of aangetoond.

Uit het chemisch-analytisch onderzoek is gebleken dat de grond onder de aanwezige terreinverhardingen over het algemeen licht verontreinigd is met zware metalen, PAK en minerale olie. De licht verhoogde concentraties minerale olie en PAK worden ten minste ten dele gerelateerd aan de opgebrachte laag gebroken puin. Verkennend bodemonderzoek Havenweg 30 (oostelijk deel) Bij de terreininspectie en tijdens het veldwerk zijn geen afwijkingen waargenomen. Zodoende hoeft de onderzoeksopzet niet gewijzigd te worden. Op basis van voorinformatie is bekend dat de gronden ter plaatse, ten behoeve van de winning van leem (klei) tot een diepte van 0 tot 2 m-mv zijn ontgraven. De ontgraving is aangevuld met puinhoudende grond (klei/leem/zand). Uit het chemisch-analytisch onderzoek is gebleken dat de grond tot een plaatselijke diepte van 2,5 mmv in meer (sterke bijmengingen) of mindere mate (zwakke bijmenging) puin bevat. In het noordelijke deel is eveneens koolas waargenomen. De ophooggrond is licht verontreinigd met zware metalen, PAK en of minerale olie. Tot slot is het grondwater over het algemeen licht verontreinigd met barium en incidenteel is trichloorethaan aangetoond. Er is geen asbest waargenomen.

Aanvullend onderzoek nikkel Havenweg 30 (oostelijk deel) Tijdens het reeds verkennend bodemonderzoek op het oostelijke deel is in het grondwater uit peilbuis 48, ter plaatse van het perceel sectie R nummer 13, een sterk verhoogde concentratie nikkel aangetoond. Een tweede bemonstering en analyse bevestigde dit resultaat. Omdat nikkel in de grond niet in verhoogde concentraties was aangetoond is een tijdelijke vrij zetting van nikkel onder invloed van zouten (meststoffen, ammonium) in complexvorm een mogelijke verklaring.

9

Soilution, Verkennend bodemonderzoek Havenweg 30A (westelijk terreindeel) te Echt, projectnummer 1804078TB/TL-west, d.d. 5 oktober 2018 Soilution, Verkennend bodemonderzoek Havenweg 30A (oostelijk terreindeel) te Echt, projectnummer 1804078TB/TL-oost, d.d. 5 oktober 2018 Soilution, Verkennend bodemonderzoek Percelen Havenweg / Oude Lakerweg te Echt, projectnummer 2103128, d.d. 5 mei 2021 12 Soilution, Verkennend bodemonderzoek Wegtracé Oude Lakerweg te Echt, projectnummer 2110181, d.d. 13 december 2021 10 11

Hoofdstuk 4

32

Op advies van de gemeente Echt is besloten ter plaatse van, en in de directe omgeving van, de voormalige peilbuis 48 een aanvullend onderzoek13 naar de mate en omvang van nikkelverontreiniging in het grondwater uit te voeren. Op basis van de resultaten van het aanvullend bodemonderzoek, waarbij uitsluitend licht verhoogde concentraties nikkel zijn aangetoond blijkt dat er geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging. Verkennend bodemonderzoek Percelen Havenweg / Oude Lakerweg Tijdens het veldwerk zijn afwijkingen waargenomen (baksteen en kolengruis) op basis waarvan de onderzoeksopzet is uitgebreid. Op basis van voorinformatie is bekend dat ten behoeve van de winning van leem (klei) de locatie tot een diepte van 0 tot 2m-mv is ontgraven. Deze ontgraving is vanaf de huidige loop van de Molenbeek in oostelijke richting aangevuld met soms zwak baksteen-, incidenteel zwak kolengruis-houdende, grond (klei/leem/zand). Uit het chemisch-analytisch onderzoek van de bodem is gebleken dat de ophooggrond licht verontreinigd is met zware metalen, PAK en/of minerale olie, waarbij geen onderscheid gemaakt kan worden tussen de kwaliteit van de toplaag en de ondergrond. Er blijkt geen sprake te zijn van een eenduidig verband tussen de aanwezigheid van baksteen of kolengruis en de chemische kwaliteit van de grond.

Het grondwater is over het algemeen licht verontreinigd met barium en in diverse grondwatermonsters zijn licht verhoogde concentraties VOCl aangetoond juist boven de streefwaarde. Geconcludeerd wordt dat de vastgestelde bodemkwaliteit, afwijkt van de verwachtte achtergrondwaarde (“Nota Bodembeheer Noord Limburg 2020-2029), maar dat het echter overeenkomt met de bodemkwaliteit, zoals aangetoond op de belendende percelen. De lichte verontreinigingen geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen beletsel voor de voorgenomen bedrijfsmatige ontwikkeling. Verkennend bodemonderzoek wegtracé en berm Oude Lakerweg Tijdens de locatie-inspectie zijn geen bodembedreigende activiteiten waargenomen en zijn geen verzakkingen, ophogingen, verkleuringen en brandplekken aangetroffen. Op en in de bodem zijn geen direct zichtbare, mogelijk asbesthoudende, materialen aangetroffen. Tijdens het veldwerk zijn uitsluitend afwijkingen waargenomen in de vorm van zwakke bijmengingen met baksteen (sporen-resten). Uit het chemisch-analytisch onderzoek van de bodem blijkt het volgende: In nagenoeg alle geanalyseerde grondmengmonsters zijn licht verhoogde concentraties nikkel, kobalt en/of cadmium gemeten. Incidenteel zijn licht verhoogde concentraties minerale olie, PAK (10-VROM) en/of zink aangetoond.

De lichte verontreinigingen met zware metalen kunnen niet eenduidig in verband worden gebracht met aanwezigheid van bodemvreemd materiaal. In het grondwater zijn, uitgezonderd van een licht verhoogde concentratie barium, geen verontreinigingen aangetoond. De licht verhoogde concentratie barium wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Geconcludeerd wordt dat de vastgestelde bodemkwaliteit, afwijkt van de verwachtte achtergrondwaarde (“Nota Bodembeheer Noord Limburg 2020-2029), maar dat het echter overeenkomt met de bodemkwaliteit, zoals aangetoond op de belendende percelen. De lichte verontreinigingen geven

13

Soilution, Aanvullend onderzoek nickel Havenweg 30A-oost te Echt, projectnummer 2110181_ni-ao-versie I, d.d. 13 december 2021

Hoofdstuk 4

33

geen aanleiding voor vervolgonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen beletsel voor de voorgenomen herinrichting. Verkennend bodemonderzoek Slagmolen 1 en 2 Ter plaatse van de woningen aan de Slagmolen 1 en 2 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van de ontwikkeling worden de woningen gesloopt en worden gronden heringericht ten behoeve van het bedrijvenpark. Verkennend bodemonderzoek Slagmolen 1 Tijdens het veldwerk zijn afwijkingen waargenomen (baksteen en kooldeeltjes) op basis waarvan de onderzoeksopzet (het aantal analyses in de toplaag) met een mengmonster is uitgebreid. Uit het chemisch-analytisch onderzoek van de bodem blijkt het volgende: De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium en kobalt. Daar waar in lichte mate een bijmenging is waargenomen met kooldeeltjes, zijn ook lichte verontreinigingen met lood, zink, PAK VROM(10) en PCB gemeten. Het grondwatermonster is licht verontreinigd met 1,1-dichlooretheen en 1,1,1-trichloorethaan. Geconcludeerd wordt dat de vastgestelde bodemkwaliteit, afwijkt van de verwachtte achtergrondwaarde (“Nota Bodembeheer Noord Limburg 2020-2029), maar dat het echter overeenkomt met de bodemkwaliteit aangetoond in de directe omgeving (belendende percelen). De lichte verontreinigingen geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek.

De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen beletsel voor de voorgenomen bedrijfsmatige ontwikkeling. Verkennend bodemonderzoek Slagmolen 2 Tijdens het veldwerk zijn afwijkingen waargenomen (voornamelijk baksteen en incidenteel kooldeeltjes) op basis waarvan de onderzoeksopzet (het aantal analyses in de toplaag) is uitgebreid. Uit het chemisch-analytisch onderzoek van de bodem blijkt het volgende: De grond is licht verontreinigd met cadmium, kobalt en zink, waarbij geen onderscheid gemaakt kan worden tussen de kwaliteit van de toplaag en de ondergrond. De mengmonsters met sporen baksteen en met kooldeeltjes zijn naast cadmium, kobalt en zink ook licht verontreinigd met PAK VROM(10) en of lood. Het grondwatermonster is licht verontreinigd met 1,1-dichlooretheen en 1,1,1-trichloorethaan. Geconcludeerd wordt dat de vastgestelde bodemkwaliteit, afwijkt van de verwachtte achtergrondwaarde (“Nota Bodembeheer Noord Limburg 2020-2029), maar dat het echter overeenkomt met de bodemkwaliteit aangetoond het belendende perceel. De lichte verontreinigingen geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen beletsel voor de voorgenomen bedrijfsmatige ontwikkeling. Aanvullend verkennend bodemonderzoek zuidelijk deel plangebied Ten zuiden van de Molenbeek vinden momenteel werkzaamheden plaats van het naastgelegen bedrijf.

Zodra de werkzaamheden van dit bedrijf zijn stopgezet zal ter plaatse van deze gronden een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Conclusie Samenvattend kan gesteld worden dat de bodem ter plaatse van het plangebied geschikt is voor de beoogde bedrijfsontwikkeling.

Hoofdstuk 4

34

4.2.2 Geluidhinder Akoestisch wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Het bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten mogelijk zoals bedoeld in de Wgh. Bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein worden twee nieuwe ontsluitingswegen gerealiseerd ten behoeve van de aansluiting van dit terrein op de bestaande infrastructuur. Door de aanleg van deze nieuwe wegen zullen de verkeersintensiteiten van de bestaande wegen (Havenweg en Oude Lakerweg) wijzigen. Voor de wijziging van de verkeersintensiteiten op de bestaande wegen en de gevolgen voor de geluidbelasting op bestaande woningen langs deze wegen, geldt geen toetsing in het kader van de Wet geluidhinder.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door middel van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai de geluidbelasting op de bestaande omliggende woningen als gevolg van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage14. Onderzoeksresultaten akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de geluidbelasting ten gevolge van de A2 op de beoordelingsposities weergegeven. Aangezien in voorliggende rapportage uitsluitend naar gecumuleerde geluidbelasting wordt gekeken zijn de rekenresultaten exclusief aftrek conform artikel 110g uit de Wet geluidhinder.

De realisatie van het bedrijventerrein zelf zal geen significante toename van de verkeersintensiteiten over de A2 veroorzaken. Derhalve is de geluidbelasting voor de huidige situatie en na de realisatie van de ontwikkeling gelijk, aldus zoals weergegeven in de tabel.

14

Peutz,, Akoestisch onderzoek Bedrijventerrein De Loop te Echt, projectnummer FA 22232-3-RA-002, d.d. 26 januari 2022

Hoofdstuk 4

35

Geluidsreflectie Wegverkeer A2 In het kader van de ontwikkeling bestaat er een kans dat het geluid, afkomstig van de Rijksweg A2, via de nieuwe bebouwing wordt gereflecteerd op de woningen aan de overzijde van de A2 in Echt. Zodoende is een notitie15 opgesteld. In deze notitie wordt in het kader van een goede ruimte ordening specifiek ingegaan op de geluidbelasting bij bestaande woningen in Echt (op ca. 300 meter ten oosten van de A2) ten gevolge van geluidreflectie van wegverkeer over de A2 vanwege de realisatie van bedrijfsgebouwen op het nieuwe bedrijventerrein De Loop (ten westen van de A2). Uit de resultaten van de berekening blijkt dat in de huidige en toekomstige situatie geen sprake is van overschrijding van de maximaal toelaatbare grenswaarde uit de Wgh. Daarmee kan geconcludeerd worden dat na de realisatie van de beoogde ontwikkeling sprake is van een wettelijk inpasbare situatie. Aldus veroorzaakt de geluidbelasting van de A2 inclusief bijdrage van reflectie in de beoogde ontwikkeling geen onevenredige hinder. Daarnaast blijkt dat de maximale toename in geluidbelasting 0,9 dB bedraagt.

Hierbij dient benoemd te worden dat in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat een toename van 3 dB een verdubbeling van het geluiddrukniveau betekent in fysische zin, echter, voor een verdubbeling van het geluidniveau in de perceptie van mensen wordt in zijn algemeenheid een toename van 10 dB gehanteerd. Daarnaast geldt dat een toename van 0,9 dB ruim lager is dan de grens van 2 dB welke onder de Wet geluidhinder wordt gehanteerd om een wijziging aan een weg überhaupt als reconstructie aan te merken. Op basis van de berekende (zeer) beperkte toename in geluidbelasting kan dus geconcludeerd worden dat deze (praktisch) onhoorbaar van aard is, alsmede als acceptabel wordt gezien indien de toename veroorzaakt zou worden door een op te richten geluidscherm of anderszins aan de weg zelf gerelateerde wijziging (reconstructie). Aldus kan worden geconcludeerd dat na realisatie van de beoogde ontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Industrielawaai Voor het akoestisch onderzoek industrielawaai is de volgende systematiek aangehouden: het deel van het plangebied ten behoeve van de bedrijfsbestemming (15,07 ha) betreft het bruto oppervlak ten behoeve van de bedrijfsbestemming. De totale bebouwingspercentage (80% = 11,60 ha) betreft het netto oppervlak dat bebouwd kan worden. Op basis van de oppervlaktes zijn de verkeersbewegingen bepaald.

Voor het akoestisch onderzoek zijn werkdagcijfers gehanteerd. Toetsing Industrielawaai Door middel van een akoestisch onderzoek industrielawaai is de geluidsinvloed van het beoogde bedrijventerrein op omliggende woningen onderzocht. Tevens is in dit onderzoek het effect van de scheepvaart meegenomen. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 16. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting ten gevolge van het bestaande industrieterrein, het nieuwe beoogde bedrijventerrein en de scheepvaart respectievelijk ten hoogste 47 dB(A), 48

15

Peutz, Bedrijventerrein De Loop te Echt: geluidreflectie wegverkeer A2, projectnummer: FA 22232-4-NO, d.d. 7 april 2022 Peutz, Akoestisch onderzoek Bedrijventerrein De Loop te Echt, projectnummer FA 22232-3-RA-002, d.d. 26 januari 2022

16

Hoofdstuk 4

36

dB(A) en 47 dB(A) bedragen op de Slagmolen 1 en 2. In de huidige situatie bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting op de beoordelingsposities ten hoogste 54 dB. Na de realisatie van het bedrijventerrein bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting op de beoordelingsposities ten hoogste 55 dB. Onderzoeksresultaten akoestisch onderzoek industrielawaai Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai (d.d. 26 januari 2022) volgt dat de geluidbelasting (Lden) ter hoogte van de beoordelingsposities ten gevolge van wegverkeer (A2) ten hoogste 51 dB bedraagt. De geluidbelasting ten gevolge van het bestaande industrieterrein exclusief Baars, het nieuwe beoogde bedrijventerrein en de scheepvaart bedragen respectievelijk ten hoogste 46 dB(A), 49 dB(A) en 45 dB(A). In de huidige situatie bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting op de beoordelingsposities ten hoogste 54 dB. Na de realisatie van het bedrijventerrein bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting op de beoordelingsposities ten hoogste 55 dB. Hiermee valt het woon- en leefklimaat voor de zowel de huidige situatie als de beoogde situatie voor het aspect geluid van de woningen aan de Slagmolen 1 & 2 volgens het overzicht van het RIVM onder kwalificatie 'redelijk'. Vanwege de uitbreiding van het bedrijventerrein is een oplegnotitie opgesteld.

In de oplegnotitie is beschreven dat de geluidgevoelige bestemmingen aan de Slagmolen 1 en 2 komen te vervallen. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie en vorm het aspect geluid geen belemmering voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Oplegnotitie akoestisch onderzoek industrielawaai 17 In het eerder uitgevoerde geluidonderzoek is de geluidbelasting ter plaatse van de percelen aan de Slagmolen 1 (B&B) en 2 (woning) inzichtelijk gemaakt. Deze meest nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen zijn als gevolg van de gewijzigde plansituatie komen te vervallen, aangezien deze percelen worden toegevoegd aan het bedrijventerrein. Dit betekent dat de meest nabij het bedrijventerrein gelegen geluidgevoelige bestemmingen thans veel verder weg gelegen zijn, namelijk:  woningen aan de Loperweg op tenminste ca. 250 meter ten zuidoosten van het bedrijventerrein (ten oosten van de A2);  woningen aan de Prior Gielenstraat op tenminste ca. 400 meter ten zuidwesten van het bedrijventerrein (ten westen van het Julianakanaal). In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn per milieucategorie richtafstanden van de perceelgrens tot geluidgevoelige bestemmingen opgenomen voor het aspect geluid. Voor de gehanteerde milieucategorie 3.2 geldt een richtafstand van 100 meter.

Door het wegvallen van de geluidgevoelige bestemmingen aan de Slagmolen 1 (B&B) en 2 (woning) wordt thans in beginsel voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de geprojecteerde milieucategorieën. Daarmee is het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van het bedrijventerrein De Loop met 15,07 ha bruto distributieterrein. Opgemerkt wordt dat een deel van het gezoneerde industrieterrein De Loop gelegen is binnen het plangebied van het nieuwe bedrijventerrein De Loop. Dit betreft enkele percelen van Baars Recycling.

17

Peutz, Oplegnotitie milieuonderzoeken, projectnummer: 22232-8-NO, d.d. 11 oktober 2022

Hoofdstuk 4

37

De percelen van Baars Recycling zijn aangekocht door de initiatiefnemers van het plan en de activiteiten van Baars Recycling zullen niet worden voortgezet. De betreffende percelen van het huidige gezoneerde industrieterrein De Loop zullen hierdoor worden gedezoneerd. De bestaande geluidzone behoeft hiervoor geen aanpassing. 4.2.3 Luchtkwaliteit Meetsystematiek Voor het luchtkwaliteitsonderzoek is de volgende systematiek aangehouden. Het deel van het plangebied ten behoeve van de bedrijfsbestemming (15,07 ha) betreft het bruto-oppervlak. Het netto oppervlak (11,60 ha) is berekend op basis van de CROW norm van 77% dat functioneel bebouwd kan worden. De verkeersbewegingen zijn bepaald op basis van het netto-oppervlak. Voor het luchtkwaliteitsonderzoek zijn verder weekdaggemiddelden gehanteerd. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen.

Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

Hoofdstuk 4

38

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Grenswaarden Wlk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) zal de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse tussen de 8 en 10 µg/m³ bedragen, de concentratie PM10 tussen de 15 en 17 µg/m³ en de concentratie NO2 in tussen de 18 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Onderzoek luchtkwaliteit Ten behoeve van deze ontwikkeling is een onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd.18 De rapportage is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. De luchtkwaliteit in de omgeving van het beoogde bedrijventerrein is beoordeeld voor en na realisatie van deze ontwikkeling. Als gevolge van de beoogde ontwikkeling vinden de volgende voor luchtkwaliteit relevante activiteiten plaats:  verkeersbewegingen van vrachtwagens met emissies van stikstofoxiden (NOx) en fijnstof (PM 10, PM2,5);  verkeersbewegingen van personenwagens met emissies van stikstofoxiden (NO x) en fijnstof (PM10, PM2,5).

Overige activiteiten welke gepaard gaan met een relevante emissies aan luchtkwaliteitsbepalende stoffen vinden niet plaats. De bedrijven zullen niet op aardgas worden aangesloten, zodat voor de verwarming van de gebouwen gebruik zal worden gemaakt van duurzame alternatieven. Voor de werkzaamheden binnen de inrichting zal eveneens grotendeels gebruik worden gemaakt van elektrisch materieel. In dit onderzoek zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van de berekeningen van de luchtkwaliteit als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat:  zowel in de huidige als de situatie na planrealisatie geen sprake is van overschrijding van grenswaarden voor de stoffen NO2, PM10 en PM2,5;  aangezien de toename van de concentraties van voornoemde stoffen minder bedraagt dan 3% van de grenswaarden sprake is van een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) van het plan; Hiermee kan worden geconcludeerd dat voor het aspect luchtkwaliteit geldt dat, ook na realisatie van het plan, sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

18

Peutz, Onderzoek luchtkwaliteit Bedrijventerrein De Loop te Echt, rapportnummer FA 22232-2-RA-001, d.d. 26 januari 2022

Hoofdstuk 4

39

Oplegnotitie luchtkwaliteit19 In het reeds eerder uitgevoerde onderzoek naar de luchtkwaliteit4 is gebleken dat ter plaatse van de meest nabijgelegen gevoelige bestemmingen (Slagmolen 1&2) en andere beoordelingsposities ruimschoots voldaan wordt aan de gestelde grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Ook is hieruit gebleken dat het plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtkwaliteit bij deze bestemmingen. Deze meest nabijgelegen gevoelige bestemmingen zullen als gevolg van de gewijzigde plansituatie komen te vervallen, aangezien deze percelen zijn toegevoegd aan het bedrijventerrein. Dit betekent dat de meest nabij het bedrijventerrein gelegen gevoelige bestemmingen thans veel verder weg gelegen zijn, namelijk:  woningen aan de Loperweg op tenminste ca. 250 meter ten zuidoosten van het bedrijventerrein (ten oosten van de A2);  woningen aan de Prior Gielenstraat op tenminste ca. 400 meter ten zuidwesten van het bedrijventerrein (ten westen van het Julianakanaal). De planbijdrage bij deze woningen zal derhalve nog aanzienlijk lager zijn dan berekend voor de Slagmolen 1&2. Bij de woningen aan de Loperweg en Prior Gielenstraat zal derhalve het plan ook 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtkwaliteit. De beperkte toename van het vrachtverkeer als gevolg van de huidige planwijzigingen (zie ook tabel 2.1 en daaronder) zal geen invloed hebben op deze conclusie.

De conclusies uit het reeds uitgevoerde onderzoek naar luchtkwaliteit blijven daarom van kracht.

Conclusie Op basis van het onderzoek luchtkwaliteit en de aanvullende oplegnotitie is te concluderen dat de ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 4.2.4 Externe veiligheid Meetsystematiek Voor het onderzoek externe veiligheid is de volgende systematiek aangehouden: het deel van het plangebied ten behoeve van de bedrijfsbestemming (15,07 ha) betreft het bruto oppervlak met bedrijfsbestemming. De totale bebouwingspercentage (80% = 11,60 ha) betreft het netto oppervlak dat bebouwd kan worden.

19

Peutz, Oplegnotitie milieuonderzoeken, projectnummer: 22232-8-NO, d.d. 11 oktober 2022

Hoofdstuk 4

40

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Bedrijfsgebouwen zijn beperkt kwetsbare objecten op basis van artikel 1 van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van op-

Hoofdstuk 4

41

slag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Onderzoek externe veiligheid Ten behoeve van deze ontwikkeling is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. 20 De rapportage is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Aangezien de beoogde ontwikkeling conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid (beperkt) kwetsbare objecten betreft en niet binnen het vigerende bestemmingsplan past, vergt het aspect externe veiligheid een nadere beschouwing. De externe veiligheidsaspecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen, alsmede de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, zijn geinventariseerd voor de nabije omgeving van het plangebied. In het kader van de externe veiligheid is met name het transport van gevaarlijke stoffen over de A2, het Julianakanaal en via aardgasbuisleidingen relevant. Het plangebied bevindt zich namelijk binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen. Voor de beoogde ontwikkeling is om deze reden een drietal kwantitatieve risicoanalyses (QRA) uitgevoerd.

In het onderzoek externe veiligheid zijn de uitgangspunten en resultaten vastgelegd van deze QRA. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  Er wordt voor alle risicobronnen voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar.  Uit de QRA's volgt dat de oriëntatiewaarde zowel in de huidige als in de toekomstige situatie niet wordt overschreden. Het groepsrisico neemt bovendien niet met meer dan 10% toe ten opzichte van de huidige situatie. Aangezien voor alle beschouwde risicobronnen het groepsrisico niet met meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde. Wel dienen de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen die zich bevinden binnen het invloedsgebied beschouwd te worden. In deze situatie is het redelijkerwijs mogelijk om op adequate wijze van de risicobron af te vluchten ingeval van een ramp. Bij de verdere planuitwerking zal rekening gehouden moeten worden met het aspect externe veiligheid, maar geconcludeerd kan worden dat dit aspect geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. In de toekomstige situatie wordt overwogen om ter plaatse van het plangebied gevaarlijke stoffen op te slaan.

Hiermee zal echter geen sprake zijn van een Bevi-inrichting ter plaatse van het plangebied. De impact op de omgeving van het plangebied is hiermee beperkt. Ingeval sprake zal zijn van de opslag van gevaarlijke stoffen zal hier bij de verdere planuitwerking rekening mee worden gehouden, daar mogelijk veiligheidsvoorschriften van toepassing zijn. In het onderzoek is de opslag van gevaarlijke stoffen binnen het plangebied buiten beschouwing gelaten.

20

Peutz, Onderzoek externe veiligheid Bedrijventerrein De Loop te Echt, projectnummer FA 22232-1-RA-002, d.d. 26 januari 2022

Hoofdstuk 4

42

Oplegnotitie externe veiligheid21 Sprake is van de realisatie van een kleiner bedrijventerrein (15,07 ha bruto) dan in het reeds eerder uitgevoerde onderzoek3 als uitgangspunt is aangehouden. Het uitgangspunt in het eerste rapport van 26 januari 2022 is een plangebied van ongeveer 15,9 ha bruto. Hierbij is reeds rekening gehouden met een invulling van het plangebied als industriegebied met een hoge personeelsdichtheid. De verwachte populatie-omvang in het plangebied zal met het huidige oppervlak van het plangebied (15,07 ha bruto) derhalve beperkt lager zijn. In het eerder uitgevoerde onderzoek is echter ook uitgegaan van een ander plangebied dan uiteindelijk ter inzage is gelegd. Aan de gronden van het oorspronkelijk onderzochte gebied zijn de gronden aan de Slagmolen toegevoegd aan de bestemming bedrijventerrein. In de omgeving van het plangebied is, zoals ook volgt uit eerder uitgevoerd onderzoek naar externe veiligheid, sprake van een drietal risicobronnen welke in het kader van de beoogde ontwikkeling nader op kwantitatieve wijze beschouwd zijn. De gevolgen van de gewijzigde planvorming ten aanzien van deze risicobronnen - wat externe veiligheid betreft – is onderstaand nader toegelicht. A2 Het invloedsgebied van de A2 is afhankelijk van de stoffen die worden vervoerd. Voor de voorliggende situatie is sprake van het vervoer van brandbare gassen (GF3).

Hiervoor geldt een invloedsgebied van 355 meter. Het toe te voegen deel van het bedrijventerrein (gronden Slagmolen) is buiten dit invloedsgebied gelegen, en zal daarmee geen wijziging van het groepsrisico als gevolg kennen. De conclusies uit het eerder uitgevoerde onderzoek naar externe veiligheid blijven wat de A2 betreft daarmee dan ook ongewijzigd. Julianakanaal De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein is geheel binnen het invloedsgebied van het Julianakanaal gelegen. Zonder aanvullend onderzoek kan gesteld worden voor het Julianakanaal geen sprake zal zijn van een relevant groepsrisico. Op basis van de uitgevoerde QRA bleek dat de oriëntatiewaarde niet werd overschreden, en dat het groepsrisico tevens lager ligt dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er werd immers geen relevant groepsrisico berekend. Op basis van de vuistregels in de bijlagen van de 'Handleiding Risicoanalyse Transport' geldt dat langs een vaarweg met bevaarbaarheidsklasse 5 de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Daarnaast wordt als vuistregel gesteld dat langs een vaarweg met bevaarbaarheidsklasse 5 de 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. Dit is alsnog van toepassing, daar deze vuistregels los staan van de gehanteerde populatiegegevens.

De verwachte populatie-omvang zal met het huidig oppervlak van het plangebied (15,07 ha)beperkt lager zijn dan waar in het eerdere onderzoek vanuit is gegaan. Dit zal dus niet leiden tot relevant andere (minder gunstigere) uitkomsten van de QRA. De conclusies ten aanzien van het Julianakanaal uit het reeds uitgevoerde onderzoek naar externe veiligheid blijven daarom van kracht. Buisleidingen Daarnaast is sprake van een ligging binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasbuisleiding. De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein is geheel binnen het invloedsgebied van deze buisleiding gelegen. Uit het reeds uitgevoerde onderzoek naar externe veiligheid volgde dat het groepsrisico de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Daarnaast bleek dat geen sprake was van een significante toename (>10%) van het groepsrisico. De verwachte populatie-omvang zal met het huidig oppervlak van 21

Peutz, Oplegnotitie milieuonderzoeken, projectnummer: 22232-8-NO, d.d. 11 oktober 2022

Hoofdstuk 4

43

het plangebied (15,07 ha) bovendien beperkt lager zijn dan waar in het eerdere onderzoek vanuit is gegaan. Dit zal dus niet leiden tot relevant andere (minder gunstigere) uitkomsten van de QRA. De conclusies ten aanzien van buisleidingen uit het reeds uitgevoerde onderzoek naar externe veiligheid blijven daarom van kracht. Uit het voorgaand volgt dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Conform artikel 7 van het Bevt wordt hierna ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Aspect

Beperkte verantwoording groepsrisico

Scenario’s

In het kader van de beoordeling van de mogelijkheden tot beperking van de ramp en voor zelfredzaamheid, is het van belang om de mogelijke scenario’s en het handelingsperspectief voor de mogelijke ongevallen met gevaarlijke stoffen inzichtelijk te maken. Het vrijkomen van gevaarlijke stoffen kan in het plangebied leiden tot de volgende effecten: - hittestraling als gevolg van een fakkelbrand - hittestraling en drukgolf als gevolg van een explosie en - een giftige wolk als gevolg van verspreiding van giftige gassen of verdamping van een giftige vloeistof.

De mogelijkheden ter voorberei-

Mogelijkheden om de effecten te bestrijden zijn beperkt: een fakkel-

ding van bestrijding en beperking

brand van aardgas is niet te blussen en moeilijk benaderbaar, zo lang

van de omvang van een ramp of

de gastoevoer niet is afgesloten. Een explosie van een tankwagen op

zwaar ongeval.

de snelweg is te voorkomen als er langs de snelweg voldoende bluswater is en dat is niet overal het geval. Alleen secundaire effecten (na de explosie) in het plangebied (brand, schade) zijn te bestrijden. De verdamping van giftige vloeistof is wel te beperken, door de plas met schuim af te dekken. De mogelijke incidentlocaties op de snelweg zijn binnen de wettelijke opkomsttijd bereikbaar voor hulpdiensten.

De mogelijkheden voor personen

De beperkte mogelijkheden voor het voorkomen of beperken van effec-

om zich in veiligheid te brengen

ten maakt de zelfredzaamheid belangrijk om slachtoffers te voorkomen.

indien zich op de weg een ramp

De personen die in het plangebied zullen werken en verblijven zijn niet

voordoet (zelfredzaamheid).

aangemerkt als beperkt zelfredzaam. De ontsluiting van het gebied maakt vluchten in meerdere richtingen mogelijk en ook is het gebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. In de meeste noodsituaties wordt de bevolking opgeroepen om te schuilen: naar binnen gaan en ramen en deuren sluiten. In industriegebouwen in het plangebied zijn mogelijk niet alle ruimtes geschikt om te schuilen. Het is dan aan de bedrijfshulpverlening om iedereen naar een veilige of veiliger zone te sturen.

Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de aanvullende oplegnotitie kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid biedt geen belemmeringen met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

44

4.2.5 Milieuzonering Algemene uitgangspunten Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen, op basis van de aspecten stof, geur, geluid en gevaar. Toetsing Bedrijven en Milieuzonering De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein betreft een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Op het terrein worden bedrijven tot maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt.

Op basis van de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt hiervoor een richtafstand geadviseerd van 100 meter op basis van een ligging binnen het gebiedstype ‘rustig buitengebied’ In het plangebied is een onderverdeling gemaakt van de milieucategorieën. Op basis van de VNG-publicatie gelden voor de milieucategorieën 3.2 de richtafstand 100 meter. De dichtstbijzijnde gevoelige objecten zijn op 250 meter van het plangebied gelegen, aan de overzijde van de A2. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. 4.2.6 Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten. Er dient voor geurgevoelige objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen. Volgens de definitie van de Wgv is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen en menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Bedrijfsgebouwen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten, waardoor toetsing aan het aspect geurhinder van veehouderijen vereist is.

De gemeenteraad van Echt-Susteren heeft op 18 december 2009 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Echt 2009’ vastgesteld. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt op basis van de verordening een norm van 3 ou/m 3 (gelijk aan de wettelijke norm). Daarnaast zijn de wettelijke vaste afstanden van toepassing voor bedrijven met dieren van diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor vastgesteld is. Dit betreft een afstand van 100 meter van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en een afstand van 50 meter van een veehouderij tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.

Hoofdstuk 4

45

De meest dichtbij gelegen veehouderij ligt op een afstand van ruim 730 meter ten noorden van het plangebied. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen het plangebied. Conclusie Vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan er geen belemmeringen voor de uitbreiding van het bedrijventerrein De Loop. Bovendien worden de veehouderijen in de omgeving niet beperkt als gevolg van deze ontwikkeling.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.

Voor archeologie gaat het onder meer om:  het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;  de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;  de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;  de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Onderzoek Voor de ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek22 uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied tot in 1987 onbebouwd is geweest. In dat jaar is in de zuidwestelijke hoek een klein industrieel gebouw opgericht. In 1999 is in dezelfde hoek een tweede klein industrieel gebouw gerealiseerd. Het wegenpatroon ten noorden en oosten van het plangebied is al op de kaart van 1811-1830 aanwezig, maar zal naar verwachting nog ouder zijn. Voor zover te herleiden is, heeft het plangebied altijd een agrarische functie gehad (hooiland of bouwland). Permante bewoning wordt gedurende de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd binnen het plangebied dan ook niet verwacht, hoewel

22

Hamalandadvies Rapportage BO Distributiecentrum De Loop, Echt projectnummer 213292, d.d. 23 augustus 2021

Hoofdstuk 4

46

in het zuidoosten van het plangebied wel resten uit deze periode aangetroffen zijn die mogelijk duiden op een nederzetting. De meldingen in Archis3 geven weer dat er meerdere archeologische vindplaatsen in de buurt van het plangebied gelegen zijn. Vooral resten uit de prehistorie, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen zijn in de meldingen vertegenwoordigd. Archeologische resten kunnen bestaan uit kampementen, nederzettingen en restanten van landinrichting. Daarnaast kunnen ook losse (vuursteen)vondsten aangetroffen worden. In het plangebied hebben er reeds ontgrondingen plaatsgevonden. Archeologisch onderzoek in de directe omgeving van het plangebied heeft dit eveneens aangetoond. Milieukundig onderzoek dat binnen het plangebied is uitgevoerd, suggereert eveneens dat er ontgrondingen hebben plaatsgevonden, hoewel dat voor het noordelijk deel van het terrein op basis van de boorgegevens niet op voorhand vastgesteld kan worden – voor het zuidelijk deel is dit wel het geval. Op basis van de verzamelde informatie is het onduidelijk tot hoe diep de ontgrondingen hebben plaatsgevonden. Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is hiervoor geen geschikte bron, aangezien de ontgronde delen van het terrein zeer waarschijnlijk weer aangevuld zijn.

Omdat het niet geheel zeker is waar en tot hoe diep de ontgrondingen hebben plaatsgevonden, is het onduidelijk in hoeverre het archeologisch niveau nog intact is. Op basis van het bureauonderzoek wordt geadviseerd om in het noordelijk deel van het plangebied, ten oosten van de Slagmolen, een verkennend booronderzoek uit te laten voeren. Voor het uit te voeren booronderzoek is reeds een plan van aanpak 23 opgesteld en op basis van het plan van aanpak is het booronderzoek24 is uitgevoerd. Hieronder worden de werkwijze en bevindingen van het uitgevoerde booronderzoek kort beschreven: De bodem in het plangebied is in het verleden ontgrond. De hierdoor ontstane dieptes zijn opgevuld met sterk grind- en puinhoudende, iets zandige klei waarin ook af en toe slakmateriaal aangetroffen wordt. In 24 boringen kon hierdoor de natuurlijke ondergrond niet bereikt worden. De diepste van deze boringen konden worden doorgezet tot 140 cm-mv. In 17 boringen is de natuurlijke ondergrond wel aangetroffen. Deze bestaat uit grofzandige, grindrijke terrasafzettingen van de Maas, iets zandige oeverafzettingen van de Maas, of restgeulafzettingen. De minimale diepte waarop de C-horizont aanwezig is, bedraagt 5 cm-mv, de maximale diepte bedraagt 180 cm-mv. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het maaiveld ter plaatse van boring 8 en 9 meer dan een meter lager lag dan in de rest van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=f2142cae-6dd7-4ffc-93bb-bed99a1dbfb8