CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissie Omgeving 8 april 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Ruimte voor Ruimte Weijenpasweg, Sint Joost'16.208 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Conform artikel 9 van het Bevt dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding, spoorweg of vaarweg. Wel is het gelegen binnen het invloedsgebied van de A2, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is echter aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen met zich meebrengt en tevens is invulling gegeven aan de beperkte verantwoording van het

Hoofdstuk 5

30

groepsrisico. Vanuit externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling van zes woningen ter plaatse van het plangebied. 5.1.5 Milieuzonering De beoogde woningbouw vormt volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009, geen milieubelastende functie. Medewerking aan de realisatie van woningbouw is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in een woning gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Daarom dient getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen nieuwbouw en of de nieuwe woning een belemmering kan vormen voor in de omgeving gelegen bedrijvigheid. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Hierin zijn per afzonderlijke milieucategorie verschillende richtafstanden opgenomen die kunnen worden aangehouden tot gevoelige functies teneinde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken.

Deze richtafstand is gebaseerd op de als gevolg van de bedrijfsactiviteiten te verwachten milieuhinder (vanwege geur, geluid, stof of gevaar). In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie

Richtafstand tot gevoelige functies in

Richtafstand tot gevoelige

een rustige woonwijk

functies in gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

Er zijn geen milieubelastende activiteiten gelegen in de directe omgeving van het plangebied. Het dichtstbijzijnde bedrijf is gelegen op circa 90 meter en betreft een elektronicawinkel. Dit valt binnen de milieucategorie 1 (categorie ‘detailhandel voor zover n.e.g.’) met een richtafstand van 10 meter. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Bovendien zijn er reeds bestaande woningen dichter bij de bovengenoemde bedrijfsactiviteit gelegen, waardoor de nieuwe woningen redelijkerwijs geen extra beperkingen op zullen leggen aan het desbetreffende bedrijf. Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijfsactiviteiten aanwezig waarvan de hinderzone tot het plangebied reikt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar het effect van de beoogde ontwikkeling op de direct omgeving. Zodoende is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd voor de verkeersaantrekkende werking en de cumulatie van warmtepompen.

Hoofdstuk 5

31

Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. 5.1.6 Geur Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt voor een gebied dat binnen een concentratiegebied is gelegen (zoals het voorliggende plangebied) een geurnorm van 3,0 OU/m³ op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom en 14,0 OU/m³ op geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen zonder geuremissiefactor geldt dat een vaste afstand tot geurgevoelige objecten in acht genomen moet worden. Deze afstand bedraagt 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde komen en 100 meter voor geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom. Gemeenten kunnen in afwijking van de bovenstaande normen eigen geurnormen vaststellen voor hun grondgebied. De gemeente Echt-Susteren heeft middels de ‘Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Echt-Susteren 2009’ eigen geurnormen vastgesteld. Op basis van de verordening geldt voor het buitengebied, waar het plangebied deel van uitmaakt, een norm van 14,0 OU/m³. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. De meest dichtbij gelegen veehouderij zonder geuremissiefactor ligt op ruim 1,3 kilometer ten zuidoosten van het plangebied aan de Wolfsberg 22. Dit betreft een paardenhouderij/dressuurstal.

Hiervoor geldt een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Aan die afstand wordt ruimschoots voldaan. Op basis van het voorgaande is op voorhand uit te sluiten dat de geurnormen uit de verordening niet worden overschreden. Gezien de grote afstand tussen het plangebied en veehouderijen in de omgeving vormt het aspect geurhinder van veehouderijen geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. In de nieuwe woning zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en de geldende geurnormen worden niet overschreden.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;  Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten.

Hoofdstuk 5

32

Binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ heeft de locatie de dubbelbestemming ’Waarde – Archeologie 3’ gekregen. De voor 'Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde; danwel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. In geval van bouwwerken of werkzaamheden met een verstoringsoppervlakte van 500 m² of meer en een diepteverstoring van 40 centimeter of meer, geldt een archeologische onderzoeksplicht. Aangezien het totale verstoringsoppervlak van het onderhavige planvoornemen groter is dan 500 m², is formeel gezien een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Echter in het kader van de eerder geplande woningbouwontwikkeling in het plangebied (2011) is reeds een archeologisch onderzoek uitgevoerd in 2009. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten daterend vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd.

Om de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken zijn binnen een gedeelte van het plangebied 12 verkennende boringen en een oppervlaktekartering uitgevoerd (zie figuur 16) en zijn op het overige deel 24 karterende boringen gezet met behulp van een megaboor. Een deel van de geplande boringen kon vanwege de terreingesteldheid niet worden uitgevoerd. Uit het verrichte onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied plaatselijk sterk verstoord is (bij boring 42, 43 en 44 en bij boring 24, 25, 26, 29 en 36) maar dat de verstoringsdiepte buiten deze zones matig is (gemiddeld 44 cm –mv). Nergens binnen het plangebied is de vulling van voormalige vennetjes aangetroffen waarin palaebotanische informatie bewaard zou kunnen zijn gebleven of waarin vondstdepots aanwezig zouden kunnen zijn. Verder zijn ook zowel tijdens de oppervlaktekartering als de boorwerkzaamheden geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.

Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen monumenten of overige cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. Daarnaast is het plangebied op basis van het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' niet voorzien van een aanduiding, waardoor redelijkerwijs kan worden aangenomen dat in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen.

Hoofdstuk 5

33

Conclusie Het plangebied is archeologisch vrij gegeven. Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.3 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.

De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Hoofdstuk 5

34

Toetsing Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden; Abdij Lilbosch & Voormalig Klooster Mariahoop’ en ‘Grensmaas’, bevinden zich respectievelijk op circa 2,9 kilometer afstand ten westen en circa 4,6 kilometer ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van zes nieuwe woonkavels betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd6. Uit deze berekening blijkt dat bij zowel de aanlegfase als gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Houtopstanden Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

Soortenbescherming Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is een quickscan flora en fauna7 uitgevoerd. De resultaten van de quickscan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Vogels In de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ van de provincie Limburg (6 december 2017) is een aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten gepubliceerd. Hier wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten die beschermd zijn binnen de provincie Limburg. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-3 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 4-soorten’).

6 7

BRO, AERIUS-berekening Weijenpasweg, Echt, projectnummer P04246, 30 november 2022 BRO, Quickscan flora en fauna, projectnummer P04246, 31 januari 2022

Hoofdstuk 5

35

Binnen het plangebied is geen bebouwing of opgaand groen aanwezig. Hierdoor kunnen broedlocaties van gebouwbewonende vogelsoorten als kerkuil, huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw en gierzwaluw worden uitgesloten. In de opgaande beplanting rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als havik en ransuil. Gezien het ontbreken van opgaand groen binnen het plangebied, kan het verlies van nesten die niet jaarrond beschermd zijn tevens worden uitgesloten. Direct ten zuiden van het plangebied, in de siertuin van Weijenpasweg 33, is een nestplaats van de steenuil aanwezig. Zowel uit onderzoek uitgevoerd in 2011, als waarnemingen in 2017 van de NDFF duiden op de aanwezigheid. Uit overleg met de bewoner van Weijenpasweg 33 blijkt dat, hoewel er nog een steenuil aanwezig is, er van geen broedgevallen hebben plaatsgevonden de afgelopen jaren. Hoewel het plangebied binnen het territorium van deze steenuil valt, betreft het geen essentieel foerageergebied. Gezien er mais wordt verbouwd binnen het plangebied, zijn er slechts geringe foerageermogelijkheden aanwezig voor de steenuil. Te midden van het perceel zijn er geen uitkijkposten aanwezig. Hoogstens kan er langs de randen van het perceel gefoerageerd worden. Daarnaast is er direct ten zuiden van de woning een paardenweide aanwezig, welke geschiktere zichtplaatsen en foerageermogelijkheden heeft.

Toetsing Met betrekking tot de steenuil dient er ten aller tijden voldoende foerageergebied aanwezig te zijn, om de functionaliteit van de nestkast te behouden. Door het nemen van enkele maatregelen kan het plangebied in de toekomstige situatie foerageermogelijkheden behouden langs de randen van het perceel. Daarnaast kunnen met deze maatregelen tevens de dispersiemogelijkheden naar naastgelegen foerageergebieden worden verbeterd. Maatregelen kunnen onder andere zijn; het realiseren van voldoende beschikbaar foerageergebied door bijvoorbeeld het creëren van overhoeken, kruidenzomen, ruigten, struwelen, takkenrillen, houtstapels, composthopen, mesthopen en hoogstamboomgaarden. Tevens is de aanleg van een poeltje of vijver met flauwe oevers of de aanleg van een moestuin bevorderend. In het landschappelijk inpassingsplan zijn ook maatregelen opgenomen die bijdragen aan het foerageergebied van de steenuil. Zo wordt een struweelhaag aangeplant en wordt de berm ingezaaid met bloem- en kruidenrijk grasmengsel.

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, ingekorven vleermuis, tweekleurige vleermuis, baardvleermuis, bosvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Binnen het plangebied is geen bebouwing of opgaand groen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van een rust- of verblijfplaats van een vleermuissoort kan worden uitgesloten. Er is geen sprake van

Hoofdstuk 5

36

potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Toetsing Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt weinig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.

Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten steenmarter, das, eekhoorn en bever voor. Gezien het relatief kale habitat binnen het plangebied, waarbij opgaand groen volledig ontbreekt, betreft het hier geen essentieel habitat voor de steenmarter. Er zijn geen holen of nesten in de grond aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze soort. Tevens zijn er geen burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels binnen het plangebied waargenomen, die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor eekhoorn en bever gezien het ontbreken van opgaand groen. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.

Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis, muurhagedis, hazelworm. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen

Hoofdstuk 5

37

geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde rugstreeppad, boomkikker, poelkikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos, kleine ijsvogelvlinder, teunisbloempijlstaart, beekrombout en gevlekte witsnuitlibel. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.

Hoofdstuk 5

38

Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als akkerogentroost, dreps, glad biggenkruid, grote leeuwenklauw en kartuizer anjer. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het relatieve kale biotoop van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Met betrekking tot de steenuil dienen de adviezen zoals beschreven onder hoofdstuk 4 in de quickscan opgevolgd te worden, om de functionaliteit van de nestplaats in de tuin van Weijenpasweg 33 te waarborgen.  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Conclusie ecologie Indien de benodigde maatregelen zoals benoemd in de Quickscan Flora en Fauna worden getroffen bestaan er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling van de zes woningen.

5.4 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in of in de directe nabijheid van het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een planologische beschermingszone. Leidingen en infrastructuur vormen kortom geen belemmering voor het initiatief.

Hoofdstuk 5

39

5.5 Verkeerskundige aspecten De woningen zullen worden ontsloten via een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg (die ook in onderhavig bestemmingsplan wordt opgenomen), die vervolgens weer aansluiting zal vinden met de Weijenpasweg. In noordelijke richting vindt de Weijenpasweg aansluiting op de Sint Joosterweg/ Hingenderstraat. Gezien het profiel van de weg, zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen8 zonder problemen kunnen verwerken. Het parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein. Gezien de omvang van de zes woonkavels kan eenvoudig worden voorzien in minimaal 12 parkeerplaatsen op het eigen terrein. Tevens zal worden voorzien in zes openbare parkeerplaatsen aan de weg. Zodoende wordt er per woning een openbare parkeerplaats gerealiseerd. Hiermee wordt ruim voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

5.6 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning moeten voldoen aan de eisen voor ‘bijna energie neutrale gebouwen’ (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren:  De energiebehoefte van het gebouw.  Het primair fossiele energiegebruik.  Het aandeel hernieuwbare energie. Hieraan zullen de woningen binnen het plangebied moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.

Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit

8

Op basis van de CROW-rekentool ontstaat een maximale toename van circa 54 voertuigbewegingen per etmaal.

Hoofdstuk 5

40

betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet zal worden aangesloten op het gasnet. De woningen in onderhavige ontwikkeling worden verwarmd middels warmtepompen.

5.7 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI Limburg), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater Op basis van de voormalige Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk I. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter in zone I tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Binnen het plangebied zullen geen diepe grondwaterboringen plaatsvinden. Oppervlaktewater Middels de voorliggende ontwikkeling wordt geen primair oppervlaktewater gerealiseerd. Er bevindt zich in het plangebied wel een oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Direct ten oosten van het plangebied ligt namelijk de Vulensbeek. Dit betreft een primaire watergang die in beheer is bij het Waterschap Limburg. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt geen invloed uitgeoefend op deze watergang.

Hoofdstuk 5

41

In het vigerende bestemmingsplan is voor de beek zelf de bestemming ‘Water’ opgenomen. Voor de beschermingszone is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterlopen’ opgenomen. De beek ligt niet binnen het plangebied, en is derhalve niet opgenomen in het nieuw op te stellen bestemmingsplan. De bij de beek horende beschermingszone ligt wel gedeeltelijk binnen het plangebied en derhalve is in het kader van het nieuw op te stellen bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterlopen’ opgenomen. Tevens geldt voor aanpassingen binnen de dubbelbestemming een melding of vergunningplicht. Verder bevindt zich in de directe omgeving van het plangebied geen oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt ook geen primair oppervlaktewater gerealiseerd. Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater dient te worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater van de woning naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg en het gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) dienen de, nog nader te bepalen, infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm in 24 uur.

De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Afvalwater Het vuilwater van de afzonderlijke percelen zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Hiertoe zal in het plangebied een nieuwe riolering worden aangelegd, die wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Hemelwater Vanwege de toename van het verhard oppervlak, dient rekening te worden gehouden met het bergen van het hemelwater. Voor de ontwikkeling is een bergingsberekening uitgevoerd om te bepalen of de beoogde waterretentievoorzieningen voldoen aan de waterbergingsopgave. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg dienen de, nog nader te bepalen, infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm in 24 uur.

In het beoogde planvoornemen is een toename van circa 1.900 m2 verhard oppervlak te verwachten (verdeeld over dakoppervlak, verharding terrein en verharding parkeren). Op basis van de toename van het aantal vierkante meters dient (1.900 m2 x 0,1) = 190 m3 water te worden geborgd. Op ieder perceel is in de toekomstige situatie ruim voldoende plek om de

Hoofdstuk 5

42

benodigde kubieke meters water op te vangen en te infiltreren. Voor de afkoppeling van de nieuwe woningen is een infiltratieonderzoek9 uitgevoerd en zijn meerdere verwerkingsmogelijkheden opgenomen. Tijdens het veldwerk is de grondwaterstand ter plaatse aangetroffen op ca. 2,8 en 3,0 m-mv. Gemiddeld is de grondwaterstand op 1,5-2 m-mv te verwachten. Door de aanwezige siltigere bodemsamenstelling met tussengelegen leemlaag zijn binnen het plangebied in nattere periodes (schijn)grondwaterstanden te verwachten. Uit het infiltratieonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw van het plangebied hoofdzakelijk bestaat uit een matig fijn, matig siltige, matig humeuse, zandige toplaag van ca. 0,3 meter dikte. De humeuse toplaag wordt direct opgevolgd door een oranjegrijze matig siltige zandlaag van circa 40-50 cm dikte. Hieronder volgt een dunne (circa 20 cm dik) sterk zandige leemlaag (met uitzondering van boring 5 waar deze laag niet is aangetroffen). Onder deze leemlaag bevindt zich een matig fijne zandlaag varierend tussen de 1,8 tot 2,0 meter dikte. Onder deze zandlaag bevindt zich een matig grove, zwak tot matig siltige zandlaag. De aangetroffen bodemopbouw vertoont zoals ook blijkt uit de resultaten van de uitgevoerde infiltratiemetingen een slechte verticale doorlatendheid (k-waardes <0,09 tot 0,31 m/dag).

In horizontale richting is sprake van een slechte tot matige doorstroming (k-waardes 0,3-0,4 m/dag). De doorlatendheid in de verzadigde zone (onder de grondwaterstand) is ook matig tot slecht. De aangetroffen bodemopbouw heeft een beperkend effect op het lokale infiltratievermogen. Gezien de gemeten lage infiltratiewaardes wordt de aanleg van een absolute infiltratievoorziening ter plaatse niet geadviseerd. Afhankelijk van de beschikbare ruimte bij de ontwikkeling wordt ter plaatse voor de voorgenomen woningbouw een bovengrondse open hemelwatervoorziening met een vertraagde leegloop naar het nabijgelegen oppervlaktewater oostelijk geadviseerd. Concrete voorbeelden van verwerkingsmogelijkheden zijn bijvoorbeeld: 1. Een mogelijkheid is de bovengrondse opvang in wadi’s welke middels een drain afvoeren in oostelijke richting. Vervolgens is een vertraagde leegloopconstructie benodigd op de Vulensbeek om de lediging van de voorziening te realiseren. 2. Een andere mogelijkheid is om water minder zichtbaar te bergen in een waterbergende grindkoffer of een vergelijkbare voorziening zoals Rockflow. Hierbij is bovengronds geen water zichtbaar en kan tevens een vertraagde leegloop oostelijk plaatsvinden. Conclusie Op basis van het bovenstaande, bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Er dienen voor een juiste afwikkeling van het water nog maatregelen getroffen te worden. Concrete voorbeelden zijn benoemd en voor de impressies wordt verwezen naar het bijgevoegde rapport.

9

Aeres Milieu BV, Infiltratieonderzoek Weijenpasweg, Echt (vs2). projectnummer AM22441, d.d. 13 januari 2023

Hoofdstuk 5

43

5.8 M.e.r.-beoordeling Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. Aanmeldingsnotitie Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld10, welke als bijlage is opgenomen.

Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt.

10

BRO, ‘Aanmeldnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling, bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Weijenpasweg, Sint Joost, projectnr.: P04246, d.d. 5 juli 2023.

Hoofdstuk 5

44

6.

PLANSTUKKEN 6.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en de voorliggende toelichting.

6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de kadastrale ondergrond geen juridische status heeft.

6.3 Toelichting op de regels Voor de regels bij het bestemmingsplan is overwegend aangesloten bij de SVBP 2012 en de bestemmingsplannen ‘Buitengebied’, ‘Stedelijk gebied’ en ‘Facetbestemmingsplan Deregulering’ van de gemeente Echt-Susteren. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3:

Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten. Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. Algemene regels, waaronder onder andere zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2012.

Hoofdstuk 6

45

Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9. Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Onderstaand zijn de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, waterlopen, wadi’s en waterpartijen, boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, paden en uitritten ten behoeve van aangrenzende functies. Het oostelijke gedeelte van het plangebied met waterinfiltratie (wadi) zal worden bestemd tot ‘Groen’. De waterinfiltratie die op dit gedeelte van het plangebied mogelijk zal worden gemaakt past dus in de bestemming ‘Groen’. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeers- en verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden en parkeervoorzieningen. De ontsluitingsweg en keerlus worden bestemd als ‘Verkeer’.

Hoofdstuk 6

46

Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd ten behoeve van de woningen. Ter plaatse zijn maximaal zes woningen toegestaan, en een aan huis verbonden beroep (onder voorwaarden). Op de woonkavels zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen de woning mag worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogtes van de woningen is weergegeven middels een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding. Daarnaast is een maximum oppervlakte van 150 m 2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Deze oppervlakte komt overeen met de maximale oppervlakte aan bijgebouwen die vergunningvrij gerealiseerd mag worden. Waterstaat – Waterlopen De voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beheer en het onderhoud van de aangrenzende waterloop, alsmede voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecologische waarden van de waterloop. Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de algemene bouwregels zijn onder andere regels opgenomen over ondergronds bouwen.

In de algemene gebruiksregels is aangegeven wat in ieder geval wordt verstaan onder strijdig gebruik. De algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders c.q. het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. De algemene procedureregels geven aan welke procedure gevolgd dient te worden bij afwijking, wijziging en nadere eisen. In de overige regels zijn de voorrangsregels opgenomen. Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6

47

7.

UITVOERBAARHEID 7.4 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in artikel 6.12, eerste lid, onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van zes Ruimte voor Ruimte kavels, waar in totaal zes vrijstaande woningen op zullen worden gerealiseerd. Dit betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder a. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is daarom een exploitatieovereenkomst en een planschadeovereenkomst afgesloten.

7.2 Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1. Bro dient vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. In het kader van onderhavig plan zijn geen nationale belangen in het geding. Vooroverleg met de Rijksoverheid is dan ook niet noodzakelijk. Naar aanleiding van het vooroverleg hebben we van het Waterschap Limburg de volgende reactie ontvangen: “Het plan ziet er goed uit. Al het hemelwater wordt op eigen terrein geïnfiltreerd. (100 mm in 24 uur) Het waterschap heeft wel een opmerking wat betreft de zin op pagina 40: “Er bevindt zich in het plangebied geen oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden.” Er is wel een oppervlaktewaterlichaam namelijk de “Vulensbeek”. En er ligt op het stuk dubbelbestemming water (op onze legger- het profiel van ruimte) wel een beperking. In deze zone kun je niet zomaar iets neerzetten.

Hoofdstuk 7

48

Hier geldt altijd een melding of vergunning plicht. Dat geldt direct voor afrasteringen, maar ook voor de draaicirkel die hierin is geprojecteerd.” Deze aspecten zijn van belang voor de verdere uitvoering van de planvorming. De tekstuele aanpassing is verwerkt in de plantoelichting. Vervolgens is het plan nogmaals aan het waterschap voorgelegd en is daarop de volgende reactie ontvangen: Ten oosten van het plangebied ligt een oppervlaktewater die in beheer is bij het Waterschap, namelijk de ‘Vulensbeek’. Bij deze beek horen een tweetal zoneringen. De kernzone valt buiten het plangebied. Het profiel van vrije ruimte valt binnen het plangebied. Het aanleggen van een straat valt onder klein bouwwerk. Het uiteinde van deze weg zal (volgens de verbeelding) binnen profiel van vrije ruimte (dit is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterlopen’ in het bestemmingsplan) gerealiseerd worden. Dit betekend dat er geen vergunningplicht vanuit het waterschap geldt, maar dat de zorgplicht van toepassing is. Met betrekking tot het verwerken van het hemelwater kunnen we ons vinden in de uitganspunten zoals opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. De exacte uitwerking zal in een later stadium meer vorm krijgen. Houdt er wel rekening mee dat het hemelwater niet (direct) mag afstromen naar de beek.

7.3 Omgevingsdialoog Op 8 december 2022 is voor onderhavige ontwikkeling een inloopavond georganiseerd door Ruimte voor Ruimte C.V. en BRO. De inloopavond is bekendgemaakt in het plaatselijke blad van Sint Joost (’t Klökske) en in het weekblad (’t Waekblaad) van de gemeente Echt-Susteren. De inloopavond werd gehouden in het gemeenschapshuis van Sint Joost. Tijdens de inloopavond waren circa 50 a 60 geïnteresseerden aanwezig. Iedereen had de mogelijkheid om de plannen te bekijken en vragen te stellen aan de organisatie. Tijdens de inloopavond zijn er ook reactieformulieren aangeboden. Op het formulier kon iedereen nog eens vragen stellen, opmerkingen maken en eventueel aangeven of zij interesse hebben in een van de kavels. De voornaamste vragen die werden gesteld hadden betrekking op het volgende:  De toekomstige bestemming, de inrichting van het plangebied, de bouwmogelijkheden en enkele aandachtspunten waarbij potentiële kopers rekening moeten houden als ze een kavel willen kopen en een huis willen bouwen. Tevens was er veel vraag naar de procedure voor de koop van de percelen en waar men zich kon inschrijven voor een van de kavels.

Hoofdstuk 7

49

Daarnaast waren er ook veel vragen en opmerkingen over de planontwikkeling. Er werd door enkele aanwezigen aangegeven dat men geen voorstander is van de locatie van de ontwikkeling, dat er sprake zal zijn van verlies van uitzicht en privacy.

Naar aanleiding van de vragen en opmerkingen zijn er meerdere aanpassingen gedaan. Om de privacy zoveel mogelijk te waarborgen is het plan robuuster landschappelijk ingepast en zijn de goot-en bouwhoogtes aan de kernzijde verlaagd. Tot slot is zoveel mogelijk rekening gehouden met de plaatsing en bouwregels van de woningen om te voorkomen dat de omwonenden in de toekomst hinder ondervinden met betrekking op privacy.

7.4 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

Hoofdstuk 7

50

8.

PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden op 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De volledige procedure ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan.  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter

van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 8

51

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

Hoofdstuk 8

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=c3e2c790-3421-4501-81d9-8f0712bd429c