Toelichting
Tekst van het document
De totale restcapaciteit bedroeg respectievelijk 9,3 ha voor de gemeente Echt- Susteren, 1,3 ha voor de gemeente Maasgouw en 2,7 ha voor de gemeente Roerdalen. De aanbodcijfers laten zien dat de plancapaciteit in het ruimtelijk verzorgingsgebied laag is. Indien wordt ingezoomd op kavels kleiner dan 0,5 ha kan worden geconcludeerd dat er slechts twee kavels terstond beschikbaar (vrije kavels) zijn. Hiermee wordt bevestigd dat er in de huidige situatie reeds sprake is van een kwalitatief tekort aan kavels kleiner dan 0,5 ha in de gemeente Echt-Susteren. Ook in de gemeente Maasgouw, waar momenteel geen restcapaciteit is, zit de markt voor bedrijfsruimte op slot. De totale restcapaciteit van kavels kleiner dan 5 ha (terstond uitgeefbaar vrije kavels en niet terstond uitgeefbaar) is in het ruimtelijk verzorgingsgebied op termijn onvoldoende om in de indicatieve vraag te voorzien. De omvang van het terstond uitgeefbaar aanbod (vrije kavels) en niet terstond uitgeefbaar aanbod is gezamenlijk 9,07 ha. De indicatieve vraag in het ruimtelijk verzorgingsgebied is ca. 25,9 ha t/m 2030. Dit zou betekenen dat er een kwantitatief tekort is van 16,83 ha aan kavels kleiner dan 5 ha t/m 2030. Met het initiatief op De Berk III kan deels worden voorzien in het kwantitatief tekort dat de komende jaren naar verwachting gaat optreden.
Een en ander is nader toegelicht in de Ladderonderbouwing (zie paragraaf 3.1.3). Geconcludeerd kan worden dat de lokale structuurvisie op het vlak van bedrijventerreinen verouderd is en niet overeenkomt met de huidige dynamiek op de bedrijfsruimtemarkt in de gemeente Echt-Susteren.
Hoofdstuk 3
32
4.
UITVOERINGSASPECTEN
4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, dan kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Evenmin is de gemeente verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar het kostenverhaal minimaal is, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2.1a Bro). Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een bedrijventerrein en schept mogelijkheden voor het oprichten van bedrijfsgebouwen. Dit betreft een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro. De gemeente heeft niet alle gronden in eigendom. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, zal er mogelijk onteigend moeten worden.
Tegelijkertijd met het bestemmingsplan wordt een exploitatieplan ter inzage gelegd.
4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem In het kader van een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In het plangebied is daarom een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de bijlagen4. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn plaatselijk in een aantal boringen in de bovengrond bijmengingen met sporen baksteen waargenomen.
4
AERES Milieu B.V. Verkennend bodemonderzoek Bedrijventerrein De Berk te Echt, projectnummer: AM20417, d.d. 29 juli 2021
Hoofdstuk 4
33
Uit de analyseresultaten blijkt dat grondmengmonsters MM3, MM7, MM15, MM16, MM17, MM20, MM22, MM23 licht verhoogd zijn met kobalt. Grondmengmonsters MM9, MM10, MM11 zijn licht verhoogd met cadmium. Grondmengmonsters MM13 en MM18 zijn licht verhoogd met kobalt en nikkel. In grondmengmonsters MM1, MM2, MM4, MM5, MM6, MM8, MM12, MM14, MM19, MM21, MM24 zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. In de onderzochte grondmengmonsters MMP1 t/m MMP13 is geen verhoogd gehalte aan PFAS aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater afkomstig uit de instromende peilbuis 116 sterk verhoogd is met nikkel. In het grondwater afkomstig uit de overige onderzochte peilbuizen zijn over het algemeen slechts licht verhoogde gehalten van de componenten barium, naftaleen en/of xylenen ten opzichte van de streefwaarde gemeten. Het grondwater afkomstig uit peilbuis 52 is tevens licht verhoogd met cadmium en nikkel. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (nieuw industrieterrein). In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek conform NEN 5707 verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden.
Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De waargenomen sporen baksteen in de bovengrond van de boringen 13, 38, 71, 72 en 91 worden als niet asbestverdacht beschouwd en zijn gezien het jarenlang agrarisch gebruik mogelijk door bemesting op het land terecht gekomen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 4.2.2 Geluidhinder Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is
Hoofdstuk 4
34
bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten mogelijk zoals bedoeld in de Wgh. Bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt een nieuwe ontsluitingsweg op de Roermondseweg gerealiseerd. Door de aanleg van deze nieuwe wegen zullen de verkeersintensiteiten van de bestaande wegen (Galvaniweg / Roermondseweg, de Bandertlaan en de Rijksweg-Noord) wijzigen. Voor de wijziging van de verkeersintensiteiten op de bestaande wegen en de gevolgen voor de geluidbelasting op bestaande woningen langs deze wegen, geldt geen toetsing in het kader van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door middel van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai de geluidbelasting op de bestaande omliggende woningen als gevolg van de voorliggende ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Spoorweglawaai Via Hoofdstuk VII “Zones langs spoorwegen” biedt de Wet geluidhinder (vooral) in het ruimtelijk spoor (Wro, Wabo) bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen tegen spoorweglawaai. Daarbij gaat het om nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs spoorwegen en om bestaande geluidsgevoelige bestemmingen bij de aanleg/wijziging van spoorwegen (die zijn aangegeven op de zonekaart).
De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting afkomstig van railverkeer voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB. In bepaalde gevallen kan door het bevoegd gezag een hogere waarde van maximaal 68 dB worden toegekend middels een zogeheten hogere waarden procedure. In onderhavige situatie is geen toets aan de Wet geluidhinder van toepassing voor spoorweglawaai, aangezien er geen sprake is van een nieuwe geluidsgevoelige bestemming of de aanleg of wijziging van een spoorweg. Het effect van het beoogde bedrijventerrein op de geluidbelasting vanwege reflecties door nieuwe bebouwing en verhardingen in relatie tot de spoorweg wordt in het kader van het ruimtelijk spoor inzichtelijk gemaakt ter bepaling van het woon- en leefklimaat. In dit geval zal de 1,5 dB-regel de leidraad vormen of een toename in de geluidbelasting al dan niet significant is. Tevens is elke toename die onder de voorkeursgrenswaarde blijft ook acceptabel. Industrielawaai In het kader van de Wet geluidhinder en goede ruimtelijke ordening dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd waarbij aangetoond dient te worden dat er ter plaatse van nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij realisatie van de Berk III.
Derhalve is onderzoek verricht vanwege de activiteiten op het beoogde bedrijventerrein en vanwege nieuwe reflecties die kunnen optreden door nieuwe bedrijfsgebouwen en schermen op en nabij De Berk III.
Hoofdstuk 4
35
Cumulatieve geluidbelasting Tenslotte moet in het onderzoek ook de cumulatieve geluidbelasting worden meegenomen ten gevolge van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai vanwege de beoogde ontwikkeling van De Berk III en bestaande industrie gelegen op De Berk I en De Berk II. Integraal akoestisch onderzoek Voornoemde onderzoeksaspecten zijn opgenomen in een integraal akoestisch onderzoek5 dat hierna verder wordt samengevat. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Globaal gezien is er ten gevolge van de realisatie van industrieterrein de Berk III bij bijna alle omliggende woningen geen sprake van een significante toename van de geluidsbelasting. Ook wordt voldaan aan de richtwaarden voor industrielawaai en de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Bij een groot aantal woningen in Echt-Noord zal sprake zijn van een afname van de cumulatieve geluidsbelasting. Voorwaarde hierbij is wel dat aanvullende geluidsafschermende maatregelen worden getroffen bij de bestaande geluidswallen langs Echt-Noord en dat bij de Rijksweg Noord 47 eveneens geluidsafschermende maatregelen worden getroffen. Alleen bij de woningen aan de Roermondseweg 119, Roermondseweg 121 en Rijksweg Noord 47 is sprake van een significante toename van geluid.
Om voor deze 3 woningen te kunnen garanderen dat er sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat is het noodzakelijk, dat er aanvullend akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd naar de benodigde aanvullende geluid reducerende maatregelen. Er is reeds contact geweest met de betreffende bewoners en het plan om aanvullend akoestisch onderzoek uit te laten voeren is in gang gezet. Met dit onderzoek kan bepaald worden welke extra maatregelen uitgevoerd moeten worden om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Conclusie Voor bijna alle omliggende woningen geldt dat er geen belemmeringen zijn om onderhavige bedrijventerrein te realiseren. Alleen bij de woningen aan de Roermondseweg 119, Roermondseweg 121 en Rijksweg Noord 47 is sprake van een significante toename van geluid dat in het kader van dit bestemmingsplan nog nader zal worden onderzocht. 4.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 5
M-Tech, Akoestisch onderzoek Bedrijventerrein De Berk III te Echt, rapportnummer Ber.Ech.22.AO RO-03, d.d. 14 maart 2023
Hoofdstuk 4
36
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft een luchtkwaliteitsonderzoek plaatsgevonden. 6 Het onderzoek is toegevoegd aan de bijlagen. Hierna volgt een korte samenvatting. De emissies vanwege de inrichting in de beoogde situatie zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur en specifieke bedrijfsgegevens. Met een verspreidingsmodel is de luchtkwaliteit rondom de locatie inzichtelijk gemaakt. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Voor de immisiepunten van de woningen in de omgeving wordt voor PM10, PM2,5 en NO2 ruim voldaan aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer.
De activiteiten veroorzaken geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende normering is toegestaan. Voor de toetspunten voor milieucategorie 3.2 omgeving blijkt dat voor zowel PM10, PM2,5 als NO2 ruim wordt voldaan aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer. De activiteiten veroorzaken geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende normering is toegestaan. Hieruit volgt dat de gewijzigde activiteiten geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat in de omgeving van de Berk III. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat onderhavige ontwikkeling niet in de weg.
6
M-Tech, Onderzoek luchtkwaliteit in het kader van een nieuw bestemmingsplan voor bedrijventerrein de Berk III, rapportnummer: Ber.Ech.22.LK-01, d.d. 15 maart 2023
Hoofdstuk 4
37
4.2.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.
Hoofdstuk 4
38
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Bedrijfsgebouwen zijn beperkt kwetsbare objecten op basis van artikel 1 van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Uit de Signaleringskaart Externe Veiligheid volgt dat er verschillende risicobronnen gevestigd zijn in de nabije omgeving van het plangebied. Derhalve is nader onderzoek verricht met betrekking tot het aspect externe veiligheid.7 Het onderzoek is bijgevoegd in de bijlagen. Hierna volgt een korte samenvatting. Deze ontwikkeling bevat 45 kavels met daarop bedrijfsgebouwen. Elke kavel voorziet in een bedrijfsgebouw van minimaal 750 m2 tot maximaal 1.500 m2, waarin volgens de populatietabel gemiddeld 15 personen aanwezig zijn.
Met behulp van de landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid is de omgeving van de planlocatie onderzocht naar risicovolle activiteiten. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling in het invloedsgebied ligt van de provinciale rijksweg N276, de aardgasleiding Z-540-27 van de Gasunie en de Spoorlijn SittardRoermond met vervoer van gevaarlijke stoffen.
7
M-Tech, Toetsing en Verantwoording Groepsrisico Externe Veiligheid ten behoeve van de ontwikkeling Bedrijventerrein De Berk III, Gemeente Echt-Susteren, rapportnummer Ber.Ech.22.EV-02, d.d. 11 december 2022
Hoofdstuk 4
39
Het groepsrisico van de Provinciale Rijksweg is afgeleid uit het onderzoek uitgevoerd naar de risico’s van de provinciale wegen binnen Limburg, “Externe Veiligheid Provinciale Wegen – Provincie Limburg”, van 21 september 2010. Hieruit blijk dat voor de N276 geen sprake is van een relevant groepsrisico. De aardgasleiding traject Z-540-27 van de Gasunie ligt ten zuidwesten van het projectgebied, de 1% letaal zone ligt op 75 meter en de 100% letaal zone (belangrijk bij fakkelbrand) ligt op 40 meter. Een vijftal kavels, welke een toename van populatie van circa 75 personen betekent, is gelegen in het invloedsgebied van de transportleiding. Uit eerder onderzoek blijkt dat het groepsrisico van het traject Z540-27 (ruim) kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. De toename in populatie is gering en het gaat hierbij om een beperkt kwetsbaar object, dus het groepsrisico zal door de voorgenomen ontwikkeling niet relevant stijgen. Het trace 500.4 van de spoorlijn Sittard-Roermond met vervoer van gevaarlijke stoffen ligt in het westen parallel aan het plangebied. Hierdoor ligt hier een effectafstand van 460 meter en dit overdekt een groot gedeelte van het plangebied. Uit een eerder onderzoek blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan 10% de oriënterende waarde. Door de geschatte toename van 750 medewerkers zal ook hierdoor het groepsrisico niet relevant toenemen.
Hoofdstuk 4
40
Advies Veiligheidsregio Op 8 februari 2022 heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een advies uitgebracht over de uitbreiding van bedrijventerrein de Berk te Echt (kenmerk 2022-004142) De Veiligheidsregio benoemt in haar advies drie risicobronnen welke relevant zijn voor de ontwikkeling, namelijk de spoorlijn Sittard Roermond, de provinciale weg N276 en de gasleiding Z-540-27. Aangezien het industrieterrein bestaat uit beperkt kwetsbare objecten richt de advisering van de Veiligheidsregio zich op de bestrijding en zelfredzaamheid rondom de ontwikkeling. De Veiligheidsregio geeft in haar advies aan dat de werknemers en bezoekers van industriegebouwen overwegend zelfredzaam zijn. Maar adviseert voor een goede aansturing en begeleiding tijdens een calamiteit een BHV-organisatie. Deze organisatie moet kennis hebben van de gevaren van de externe veiligheid scenario’s en weten wat te doen bij het optreden van deze, zodat het juiste handelsperspectief in gang wordt gezet. Conclusie Uit bovenstaand onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling op de planlocatie bedrijventerrein de Berk III, geen belemmeringen kent voor het thema externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering Algemene uitgangspunten Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar.
Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen, op basis van de aspecten stof, geur, geluid en gevaar. Toetsing De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein betreft een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Voor de ontwikkeling van bedrijventerrein De Berk III heeft de gemeente Echt-Susteren de ambitie om tot een kwalitatief plan te komen, met veel aandacht voor omgeving en milieu. De Berk III is gesitueerd ten oosten van de Berk I en de woonwijk Echt-Noord.
Verder wordt het terrein begrensd aan de noordkant door de Roermondseweg, de Rijksweg Noord aan de westkant en aan de zuidkant door het terrein van In de Bandert. Hierdoor is een goede afweging nodig van de lokale situatie en het effect dat de Berk III heeft op deze situatie.
Hoofdstuk 4
41
De milieuzonering is in beeld gebracht middels een korte notitie.8 Deze notitie is toegevoegd aan de bijlagen. Hierna volgt een korte samenvatting. Voor de Berk III is gekozen voor een maximale milieucategorie van 3.2, waarbij 2 gebieden een maximum hebben van milieucategorie 3.1. Dit is vanwege nabij gelegen woningen, te verstaan Rijksweg Noord 47 en de woonwijk Echt-Noord. De richtafstand voor milieucategorie 3.1 is 50 meter en voor milieucategorie 3.2 100 meter. Voor gemengd gebied mag volgens B5.3 van “Bedrijven en milieuzonering” uit editie 2009 rekening worden gehouden met de vermindering van één afstandsstap. Dit betekent dat voor milieucategorie 3.1 de richtafstand 30 meter is en voor milieucategorie 3.2 50 meter. In de notitie is de gebiedstypering in beeld gebracht. Daaruit volgt dat er ten opzichte van de Berk III geen milieugevoelige objecten liggen binnen de beoogde richtwaarden. De situering van de Berk III, met een beoogde maximale milieucategorie van 3.2 en de daarbij horende richtafstanden, belemmeren de ruimtelijke ordening niet. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat de woningen in de nabije omgeving maar beperkte hinder ondervinden en dat de bedrijven op de Berk III hun activiteiten kunnen uitvoeren binnen de aanvaardbare voorwaarden. Conclusie Het aspect milieuzonering staat de onderhavige ontwikkeling niet in de weg.
4.2.6 Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten. Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen. Volgens de definitie van de Wgv is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen en menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Bedrijfsgebouwen worden aangemerkt als geurgevoelige objecten, waardoor toetsing aan het aspect geurhinder van veehouderijen vereist is. De gemeenteraad van Echt-Susteren heeft op 18 december 2009 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Echt 2009’ vastgesteld. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt op basis van de verordening een norm van 3 ou/m 3 (gelijk aan de wettelijke norm). Daarnaast zijn de wettelijke vaste afstanden van toepassing voor bedrijven met dieren van diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor vastgesteld is. Dit betreft een afstand van 100 meter van een veehouderij
8
M-Tech, Notitie Milieuzonering de Berk III, d.d. 29 november 2022
Hoofdstuk 4
42
tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en een afstand van 50 meter van een veehouderij tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De meest dichtbij gelegen veehouderij ligt op een afstand van ruim 1.250 meter ten oosten van het plangebied. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen het plangebied. Conclusie Vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan er geen belemmeringen voor de uitbreiding van het bedrijventerrein De Berk. Bovendien worden de veehouderijen in de omgeving niet beperkt als gevolg van deze ontwikkeling.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Onderzoek Voor onderhavige ontwikkeling is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd.9 Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd en wordt hierna kort samengevat.
Uit het onderzoek is gebleken dat op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw ter plaatse van boringen Type-I bestaat uit (deels) intacte holtpodzolgronden. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. 9
Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen De Berk te Echt (Gemeente Echt-Susteren), projectnummer AM20417, d.d. 26 juli 2021
Hoofdstuk 4
43
De bodemopbouw ter plaatse van Type II- en IV-boringen bestaat uit een AC-profiel. Als gevolg van de verbruining zijn ter plaatse van de Type II-boringen de verschillende bodemhorizonten lastig toe te kennen. Er zijn echter geen (diepe) antropogene verstoringen waargenomen. Hierdoor is de kans groot dat eventueel aanwezige archeologische resten vanaf het laat-paleolithicum B – nieuwe tijd (Type II-boringen) in goede staat aangetroffen kunnen worden. De overgang van de bouwvoor naar de natuurlijke ondergrond is scherp ter plaatse van Type IV-boringen. Als gevolg hiervan is de kans groot dat meer robuuste archeologische resten uit de periode neolithicum – nieuwe tijd (Type III-boringen) in goede staat kunnen worden aangetroffen. Ter hoogte van de geul/depressie geldt een lage archeologische verwachting. Vermoedelijk was de geul/depressie te nat voor bewoning. Eventuele archeologische resten zullen naar verwachting beperkt blijven tot off-site fenomenen. Omwille hiervan wordt ter plaatse hiervan geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen ter plaatse van Type I-, II- en IV-boringen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder de humushoudende bovengrond (0 - 60 centimeter beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn.
Wanneer in dit deel van het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor dit deel van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting en gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Vooruitlopend op het proefsleuvenonderzoek is een concept Programma van Eisen (PvE)10 opgesteld hierin zijn de methoden en technieken omschreven voor het uit te voeren onderzoek. Het PvE is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Om de archeologische waarden te borgen totdat het vervolgonderzoek is uitgevoerd is voor het totale plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen. Cultuurhistorie Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen monumenten aanwezig. De Paalweg en het verlengde van de Bandertlaan zijn wel aangemerkt als ‘andere weg ouder dan 1806’.
De betreffende wegenstructuur blijft gehandhaafd. De weg zal hooguit aangepast worden om de verkeersafwikkeling in goede banen te leiden. De Rijksweg-Noord is aangemerkt als ‘weg uit periode 1806-1890’. Op deze weg zal onderhavige ontwikkeling geen effect hebben.
10
Aeres Milieu, Programma van Eisen De Berk III – Echt-Susteren, Projectnaam: De Berk / AM22063
Hoofdstuk 4
44
De gemeente Echt-Susteren heeft op 22 september 2016 het bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie EchtSusteren’ vastgesteld. Uit dit bestemmingsplan volgt dat ter plaatse van het plangebied geen cultuurhistorische waarde van toepassing is.
4.3 Leidingen en infrastructuur Er is blijkens de geldende bestemmingsplannen en de risicokaart ten westen van het plangebied (ter hoogte van het spoor) een buisleiding gelegen. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2.4. Ter plaatse wordt de bestaande geluidswal verhoogd en verstevigd, dan wel wordt een geluidsscherm op de bestaande geluidswal gerealiseerd om de minimale hoogte van 6 meter te bereiken. Dit zal in overleg gebeuren met de leidingbeheerder, zoals ook voorgeschreven in de regels van dit bestemmingsplan. Binnen het plangebied zijn verder geen leidingen gelegen die bescherming behoeven.
4.4 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014).
De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
Hoofdstuk 4
45
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Toetsing Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop op circa 3,2 km afstand van het projectgebied (zuidoostelijk richting), Grensmaas op circa 3,7 km afstand van het projectgebied (Noordwestelijke richting) en Roerdal op circa 9 km afstand van het projectgebied (Noordoostelijke richting, zie figuur 2). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een nieuw bedrijventerrein betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie bij de realisering en ingebruikname van het nieuwe bedrijventerrein De Berk III.11 Doel van het onderzoek is de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanlegfase en gebruiksfase van project De Berk te berekenen met behulp van de AERIUS Calculator 2022.
Op basis van de resultaten uit de AERIUS-berekening wordt beoordeeld of significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden (als gevolg van stikstofdepositie) kunnen worden uitgesloten of dat er mogelijk sprake is van een vergunningsplicht.
11
M-Tech, Onderzoek stikstofdepositie voor project De Berk III, rapportnummer GeEc.Ech.23.DO.03-DeBerk, d.d. 3 mei 2023
Hoofdstuk 4
46
Het onderzoek is als bijlage toegevoegd. Samenvattend kan het navolgende geconcludeerd worden. Op basis van de AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat in de aanlegfase in geen enkel Natura 2000-gebied in Nederland of Duitsland sprake is van meer dan 0,00 mol N/ha/jr stikstofdepositie als gevolg van beoogde werkzaamheden. In België geldt een tijdelijk kader waarbij projecten een depositie mogen hebben van maximaal 1% van de KDW (kritische depositiewaarde) van het meest stikstofgevoelige habitat (6 kg N ha/jr = KDW van het meest stikstofgevoelige habitattype dat in Vlaanderen voorkomt). Stikstofdepositie als gevolg van de beoogde werkzaamheden vallen onder de 1% grens van de kritische depositiewaarde van het meest stikstofgevoelige habitattype in Vlaanderen. Projecten die hieraan voldoen, vragen niet om een nadere analyse. Zodoende is er geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie in de bouwfase en gebruiksfase. Een vergunningsplicht is daarom niet van toepassing. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied zelf maakt geen deel uit van het NNN. Directe effecten zoals ruimtebeslag op het NNN-gebied zijn hierdoor niet aan de orde. Het meest dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNN ligt op circa 870 meter ten oosten van het plangebied.
Het betreft hier stroken grond langs de Vullensbeek. Aantasting van het NNN-gebied door externe ontwikkelingen zijn in deze fase niet aan de orde. De planologische uitgifte van bedrijfskavels leidt niet tot significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebied. Voor initiatiefnemers die gebruik willen maken van de bedrijfskavels kan dit wel gelden. Werkzaamheden van deze initiatiefnemers kunnen leiden tot negatieve invloeden op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Toetsing dient specifiek plaats te vinden met betrekking tot natuurdoelen- en kwaliteit, kwaliteit van bodem, lucht, rust, stilte, donkerte en geslotenheid van de landschapsstructuur. Daar de plannen van toekomstige initiatiefnemers nog niet bekend zijn, dienen deze effecten in een later stadium te worden getoetst zodra deze plannen verder zijn uitgekristalliseerd. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Om de (potentieel) aanwezige soorten in beeld te brengen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd12. Uit de quickscan volgt dat potentieel de navolgende beschermde soorten in het plangebied aanwezig kunnen zijn: vleermuizen en de das. Vleermuizen Aangezien negatieve effecten op streng beschermde soorten – met name vleermuizen - niet uit te sluiten zijn, is mogelijk een ontheffing ingevolge de Wet natuurbescherming nodig.
Maar dit hangt wel af van het uiteindelijk te kiezen alternatief. Zeker wanneer in het zuidwesten ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, moet met een dergelijke verplichting rekening gehouden worden.
12
FF advies, Quickscan flora en fauna voor bedrijventerrein Sint Joost, Rapportnummer R201908-A, d.d. 27 februari 2019.
Hoofdstuk 4
47
Alvorens een ontheffing kan worden aangevraagd, dient het vleermuisonderzoek van 2002 geactualiseerd te worden. Het is goed mogelijk daarbij aan te sluiten bij het lopende onderzoek van vliegroutes over en langs de A2, dat in het kader van de verbreding van deze snelweg plaatsvindt. Het is niet 100% uit te sluiten dat er ook een relatie is met het Natura 2000-gebied Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop, als blijkt dat de ingekorven vleermuis binnen het projectgebied voorkomt. Das (zoogdieren) Er zijn mogelijk nog beperkingen te verwachten in verband met de aanwezigheid van de das in het gebied, met name vanwege het verlies van foerageergronden. Eerst moet nader worden onderzocht of er thans een bewoonde dassenburcht aanwezig is. Andere soorten Ten aanzien van broedvogels worden geen beperkingen verwacht, aangezien er in de open landbouwgebieden vooralsnog geen jaarrond beschermde nesten zijn aangetroffen. Uiteraard dient bij aanlegwerkzaamheden in het broedseizoen met vogels rekening te worden gehouden. Voor verstoring van broedvogels kan in dit geval geen ontheffing worden verkregen, aangezien er geen belangen spelen die in de wet dienaangaande genoemd worden.
Ten aanzien van streng beschermde amfibieën soorten, in casu de kamsalamander, zijn naar verwachting geen beperkingen te verwachten, aangezien de vroegere populatie van deze soort (tot ongeveer 2004) zeer waarschijnlijk verdwenen is. Wil men de zuidwestelijke lob ontwikkelen, dan dient wel nader onderzoek naar deze soort plaats te vinden om het voorkomen 100% uit te kunnen sluiten. Dit gedeelte is echter niet in dit bestemmingsplan meegenomen en derhalve is nader onderzoek niet nodig. De quickscan is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Vervolgonderzoek Naar aanleiding van de quickscan is vervolgonderzoek uitgevoerd. 13 Het vervolgonderzoek is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Op 23 april 2021 heeft een extra veldbezoek plaatsgevonden, waarbij het plangebied is onderzocht op sporen van das en de bomen binnen het plangebied zijn gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van rust- of verblijfplaatsen van een vleermuissoort. Tijdens de controle zijn er geen (potentiele) rust- of verblijfplaatsen of foerageergebieden van een vleermuissoort aangetroffen. Wel zijn er mogelijke vliegroutes aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Indien de bomenrijen verlicht, doorbroken of verwijderd worden dient voorafgaand hieraan een vliegrouteonderzoek te worden uitgevoerd.
Nu de ontsluiting enkel via de Roermondseweg plaatsvindt, zal er geen sprake zijn van het doorbreken of verwijderen van bomenrijen.
13
BRO, Notitie veldbezoek das en holtebomen, projectnummer P03458, d.d. 18 juni 2021
Hoofdstuk 4
48
Met betrekking tot de das zijn er enkele sporen aangetroffen die wijzen op gebruik van het plangebied door de das. In prikkeldraad direct ten zuiden van het plangebied zijn dassenharen en een wissel aangetroffen. Meerdere pijpen zijn aangetroffen te midden van het plangebied. Rond deze pijpen zijn geen recente sporen van das aangetroffen. Het is op basis van dit veldbezoek echter niet uit te sluiten dat de das gebruik maakt van deze pijpen. Het Kennisdocument Das zegt hierover het volgende: “De afwezigheid van dassen kan aangenomen worden als bekend is dat een burcht al vijf jaar niet in gebruik is of als na drie veldinventarisaties gericht op dassen onder goede omstandigheden en voldoende verspreid over het jaar uitgevoerd, geen aanwijzingen zijn gevonden dat de das aanwezig is in het gebied. Ook moet er navraag gedaan zijn bij leden van werkgroepen die zich bezig houden met dassen, beheerders, omwonenden et cetera”. Aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming- Activiteitenplan Vanwege het aantreffen van een dassenburcht is een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) bij de provincie Limburg aangevraagd. Ter onderbouwing van deze aanvraag activiteitenplan opgesteld.14 Dit activiteitenplan is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. De relevante onderdelen worden hierna samengevat.
Vanaf eind november 2021 is het gebruik van de dassenburcht gemonitord met behulp van wildcamera’s gedurende een periode van circa 10 weken. In november waren er duidelijke graafactiviteiten zichtbaar, met vers uitgegraven grond. Van de monitoring is in bijlage 1 van het Activiteitenplan een logboek opgenomen van de waarnemingen van de das. Het is duidelijk geworden dat de das bewoond wordt door een dassenpaartje. In december 2021 bleken de dassen enkele dagen druk met het ‘bekleden’ van de burcht. Dit duidt erop dat er sprake is van een kraamburcht. Na een onderbreking is de monitoring in het voorjaar voortgezet. De korte termijn effecten betreffen het verstoren en vernietigen van een kraamburcht van de das, alsmede het wegnemen en verstoren van het leefgebied van de das. In totaal zal bijna 18 ha leefgebied verloren gaan. Gelet op de aard en omvang van de ingreep, is sprake van een significant negatief effect op de instandhouding van de das ter plaatse. Daarom wordt voorzien in mitigatie en compensatie. Mitigerende maatregelen In feite zijn er geen mitigerende maatregelen te bedenken om te voorkomen dat het burchtgebied met het omliggende leefgebied aangetast wordt, tenzij men grote delen van het bedrijventerrein zou omvormen tot geschikt dassenbiotoop en de bestaande burcht in tact laten. Dit is echter geen realistische oplossing.
Bij mitigatie dient men in het onderhavig geval dan ook te denken aan het treffen van zodanige maatregelen dat de das naar een ander leefgebied vertrekt. Want de oppervlakte leefgebied die resteert binnen het huidige territorium is niet toereikend voor een duurzame instandhouding van de betreffende dassenfamilie.
14
FF advies, Aanvraag ontheffing Wet Natuurbescherming bt De Berk III Sint Joost – Activiteitenplan , Rapportnummer R202208-A, d.d. 30 maart 2023
Hoofdstuk 4
49
De meest haalbare en wenselijke oplossing is om dan de dassen uit de huidige burcht te verjagen en terug te laten keren naar hun oorsprongsgebied. In het Activiteitenplan is hiervoor een stappenplan opgenomen. Compenserende maatregelen In overleg met de Provincie Limburg en de Dassenwerkgroep Limburg is ervoor gekozen om de volledige compensatie te realiseren in het gebied Kranenbroek op een afstand van circa 2 km ten oosten van het plangebied. De gemeente beschikt over (landbouw)percelen in het gebied Kranenbroek. Hier zullen gronden met een totale oppervlakte van circa 8,5 ha worden ingericht voor de das, zodanig dat het als primair of hoogwaardig foerageergebied te kwalificeren is. In principe is grasland dat regelmatig wordt gemaaid en ook bemest geschikt, in verband met de productie van regenwormen. Ook kan een gedeelte als kruidenrijk graanakker worden ingericht en beheerd. In de periferie van graslandpercelen worden tevens pleksgewijs fruitbomen geplant. Indien deze graslanden in gebruik blijven bij agrariërs zal door middel van een overeenkomst worden vastgelegd dat deze gronden niet mogen worden aangewend voor de productie van kuilvoer, aangezien deze dan niet of nauwelijks betekenis hebben voor de das. Deze graslanden worden beweid met melkkoeien of bemest met stalmest.
Uitwerking Er zal voor het compensatiegebied in het Kranenbroek een inrichtings- en beheerplan worden opgesteld en de gemeente zal overeenkomsten met de pachters sluiten, waarin het beheer van de gronden conform het beheerplan wordt vastgelegd. Verder zullen de betreffende gronden als compensatiegebied ook planologisch worden gewaarborgd, zodat het betreffende leefgebied van de das duurzaam in stand blijft.
4.6 Verkeer en parkeren Verkeer Er is een verkeerskundig advies opgesteld ten aanzien van de ontsluiting van het bedrijventerrein. De belangrijkste bevindingen uit dit advies zijn hieronder beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige adviesrapport15. De uitbreiding van bedrijventerrein de Berk genereert circa 2.750 motorvoertuigen per etmaal. Bedrijventerrein De Berk is opgenomen in het verkeersmodel Midden-Limburg, prognosejaar 2030. Hierbij is het gehele bedrijventerrein aangesloten op de Roermondseweg. Het grootste deel van het verkeer rijdt via de Roermondseweg naar de Rijksweg Noord (circa 1.500 mvt/etmaal). Deze stroom verdeelt zich daar ongeveer evenredig richting het zuiden en noorden.
15
Royal Haskoning DHV, Effecten uitbreiding bedrijventerrein de Berk 3, kenmerk: AC2343-MI-NT-220412-1700, d.d. 12 april 2022
Hoofdstuk 4
50
Daarnaast gaan circa 600 mvt/etmaal via de Galvaniweg-Industrieweg-Sint Janskamp richting aansluiting 45 Echt (A2). Verder zijn nog kleinere verkeersstromen zichtbaar (50-200 mvt/etmaal) die gebruik maken van het lokale wegennet. Op basis van de te verwachten verkeersgeneratie, kan volstaan worden met één ontsluitingsweg voor de uitbreiding De Berk III. Indien alle verkeer van bedrijventerrein De Berk III ontsloten wordt op de Roermondseweg, kan hier zowel volstaan worden met een voorrangskruispunt als een rotonde. Gezien het aspect ‘verkeersveiligheid’, waarbij de Roermondseweg een belangrijke school-thuis-route is, gaat de voorkeur uit naar een rotonde. Op basis van de verkeersstromen komende uit het verkeersmodel Midden-Limburg, prognosejaar 2030 variant De Berk III, is de verkeersafwikkeling op de drie met verkeerslichten geregelde kruispunten bekeken. Het gaat daarbij om de kruispunten Roermondseweg – N276 Rijksweg Noord, N276 Rijksweg Noord – Fahrenheitweg en N276 Rijksweg Noord – toe- en afrit Maasbracht A73. De verkeersafwikkeling van deze kruispunten is na realisatie van bedrijventerrein De Berk III goed. Daarnaast blijkt uit de robuustheidstoets dat alle kruispunten over voldoende restcapaciteit beschikken.
Voor de robuustheid van het netwerk en de bereikbaarheid van het bedrijventerrein in geval van calamiteiten of onderhoud is het wenselijk een tweede (calamiteiten)ontsluiting te realiseren. Een (extra) aansluiting op de N276 is niet wenselijk in verband met een extra onderbreking op de gebiedsontsluitingsweg, welke een meer een stroomfunctie en tevens calamiteiten functie voor de A2 heeft. Daarnaast is er een brede groenstrook voorzien tussen de N276 en bedrijventerrein De Berk III waardoor er geen visuele relatie is tussen beiden. De Bandertlaan is voorzien van een knip ter hoogte van het zwembad, doorgaand verkeer maakt hier gebruik van het parkeerterrein. Dit maakt dat inzet van de Bandertlaan als permanente ontsluiting niet wenselijk is. Inzetten als fietsroute en/of calamiteitenontsluiting is wel mogelijk. Op basis van bovenstaand wordt geadviseerd bedrijventerrein De Berk III te voorzien van een permanente ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer op de Roermondseweg. Daarnaast om een calamiteitenontsluiting te realiseren via de Bandertlaan. Hiermee is de bereikbaarheid voor hulpdiensten gegarandeerd en het biedt mogelijkheden in geval van onderhoudswerkzaamheden. Deze calamiteitenontsluiting wordt tevens ingezet als permanente ontsluiting voor langzaam verkeer en biedt een directe verbinding naar de kern Echt.
Voor langzaam verkeer is ook een ontsluiting voorzien aan de Roermondseweg. Parkeren Voor het berekenen van het aantal parkeerplaatsen maakt de gemeente Echt-Susteren in beginsel gebruik van de CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381). De parkeernorm voor ‘arbeidsextensieve bedrijven (met relatief weinig personeel per m2 bvo) in het omgevingstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Echt-Susteren (weinig stedelijke gemeente) bedraagt 1,3 parkeerplaatsen per 100 m 2 bvo. Omdat niet met zekerheid is vast
Hoofdstuk 4
51
te stellen wat de oppervlakte van ieder bedrijfsgebouw wordt is het niet mogelijk om in te schatten wat de parkeernorm is per bedrijf. Daarnaast leiden de benodigde parkeerplaatsen voor een bepaald type bedrijf tot een bepaalde ruimtevraag op de kavel, die dus niet bebouwd kan worden met bedrijfsgebouwen. De parkeerbehoefte van een bedrijf legt hiermee een beperking op aan de oppervlakte aan bebouwing dat een bedrijf kan realiseren op zijn kavel. Per bedrijf zal hierin een balans worden gezocht, zodat het bedrijf zijn kavel optimaal kan bebouwen en tegelijkertijd op eigen terrein in zijn parkeerbehoefte kan voorzien. Het hoofdprincipe blijft dat bedrijven op eigen terrein in hun parkeerbehoefte dienen te voorzien. Om dit te waarborgen zijn in het voorliggende bestemmingsplan parkeerregels opgenomen. Op basis van deze parkeerregels dient bij de oprichting of uitbreiding van gebouwen, en bij de functiewijziging van gronden of gebouwen, te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Tevens dient, voor zover van toepassing, te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen. Middels deze parkeerregeling is ook in de toekomst voldoende gewaarborgd dat er geen parkeerproblemen ontstaan op het bedrijventerrein.
4.7 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI Limburg), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.
Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: bodem en grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater.
Hoofdstuk 4
52
Ten behoeve van deze ontwikkeling is een watertoets en infiltratieonderzoek uitgevoerd. 16 Hierin is aandacht besteed aan de beleidskaders en meer specifiek is nader ingegaan op voormelde watersystemen. Hierna volgt een korte samenvatting. De watertoets is toegevoegd aan de bijlagen van deze toelichting. Bodem en grondwater Naar verwachting zijn er binnen het plangebied twee bodemtypes gevormd. In het oostelijk deel wordt een Holtpodzolgrond met lemig fijn zand verwacht en in het westelijk deel een Ooivaaggrond met lichte zavel. Ten behoeve van het infiltratieonderzoek zijn meerdere diepe profielboringen geplaatst om de lokale bodemsamenstelling vast te stellen. Uit het infiltratieonderzoek blijkt dat het mogelijk is om binnen het plangebied een infiltratievoorziening aan te leggen. Gezien de lagere ligging van het grondwater is het tevens mogelijk om een voorziening dieper aan te leggen. Gezien het plaatselijk aanwezig zijn van een leemlaag binnen 2 m-mv kan deze bodemlaag lokaal verwijderd worden om zo een snellere lediging van hemelwater in een voorziening te bewerkstelligen. Het plangebied ligt in de boringsvrije zone van de Roerdalslenk en alle boringen dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn verboden. Deze kleilaag zorgt voor een natuurlijke afscherming van het grondwater en heeft daardoor een zeer goede kwaliteit als drinkwater.
Het plangebied ligt niet in een waterwingebied. Oppervlaktewater Binnen en nabij de onderzoekslocatie is geen primair of secundair oppervlaktewater aanwezig zo blijkt uit de Legger van Waterschap Limburg. Lang de Rijksweg Noord (N276) is een kleine droogvallende watergang aanwezig die deels aan het plangebied grenst. Deze watergang heeft geen legger status, waardoor hiervoor geen aanvullende eisen of beschermingszones gelden. Afvalwater Het plangebied is onverhard en onbebouwd. Binnen het plangebied is momenteel geen bebouwing aanwezig. Hierdoor is er geen uitstroom van afvalwater en is er geen rioolstelsel aanwezig. Bij het realiseren van het planvoornemen zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Hierdoor kan het schone hemelwater apart worden verwerkt van het vuile afvalwater, waardoor de druk op het gemeentelijk rioolstelsel en de RWZI beperkt kan blijven. Op basis van ‘droge’ bedrijven is voor het bedrijventerrein een DWA-hoeveelheid van 5,6-6 m3/u gedurende 10u te verwachten. Mogelijk kan deze op het zuidelijk aanwezige industrieterrein aangesloten worden. Voor de nieuwe rioolaansluiting en het DWA-stelsel op eigen terrein zal in een ontwerp opgemaakt worden.
16
Aeres Milieu, Infiltratieonderzoek &waterparagraaf De Berk te Echt, projectnummer AM20417, d.d. 28 april 2022.
Hoofdstuk 4
53
Hemelwater De toename aan verhard oppervlak door het voorgenomen industrieterrein leidt tot versnelde afvoer van het hemelwater. Dit dient gecompenseerd te worden zodat er geen verhoogd risico op wateroverlast optreedt binnen en buiten het plangebied. In de huidige situatie is er behoudens enkele zandpaden geen verharding aanwezig. Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak fors toe met circa 131.770 m2. Deze toename dient gecompenseerd te worden. Vanuit het Waterschap dient hiervoor als uitgangspunt een hemelwatervoorziening van 100 mm aangelegd te worden met bij voorkeur tevens een waakhoogte voor boven normatieve piekmomenten. Door de lage grondwaterstanden (GHG >2,7 m-mv.) is het mogelijk om zowel boven- als ondergronds het hemelwater te verwerken. In het huidige ontwerp van het planvoornemen zijn enkele bovengrondse hemelwaterverwerkingslocaties opgenomen. Geadviseerd is gezien de grootte van het perceel om hemelwater deels lokaal te verwerken met een overloop naar een grotere centrale voorziening voor excessievere buien. Dit geeft ook een mooiere landschappelijke invulling met zichtbare hemelwaterverwerking. Indien verwerking van het hemelwater per uitgeefbare kavel wenselijk is, is het mogelijk om kleinere voorzieningen onder, bijvoorbeeld, de parkeerplaatsen aan te leggen of hemelwater vast te houden op de daken.
Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het openbaar gebied en geen overlast veroorzaakt bij derden. Om instroom na hevige neerslag te voorkomen wordt geadviseerd om de panden circa 20 centimeter boven de kruin van de toekomstige weg aan te leggen. Middels deze rapportage is inzicht verkregen in de verwerkingsmogelijkheden en totale waterhoeveelheden die verwacht worden bij de planontwikkeling. Bij de verdere uitwerking van het planvoornemen zullen het HWA- en DWA-stelsel nader uitgewerkt worden waarbij het wenselijk is om een maaiveldprofilering op te maken zodat bij boven normatieve buien aantoonbaar geen overlast ontstaat. Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied geen belemmeringen voor de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein ‘De Berk’.
4.8 M.e.r.-plicht 4.8.1 Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht.