Regels (gewijzigd n.a.v. Nota van wijziging)
Tekst van het document
10.9 Specifieke functieregels gebruik 10.9.1 Verboden gebruik Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het TAM-omgevingsplan als bedoeld in artikel 10.2 wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. shortstay-arbeidsmigrantenhuisvesting; b. permanente of tijdelijke bewoning van bijbehorende bouwwerken door een huishouden anders dan dat van de hoofdeigenaar/gebruiker; c. kamerbewoning; d. kamerverhuur; e. inwoning. f. In afwijking van het bepaalde onder a t/m d is mantelzorg in bestaande bebouwing binnen de woonfunctie wel toegestaan. g. een internetwinkel van categorie C of D.
10.9.2 Gebodsbepaling grondwal Ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' dient de bestaande grondwal als bedoeld in artikel 8.2 onder m in stand te worden gehouden.
10.9.3 Gebodsbepaling hemelwateropvang voor hergebruik Per woning dient te worden voorzien in de opvang van hemelwater met een omvang van 5 m³ voor huishoudelijk hergebruik.
10.10 Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels 10.10.1 a
Aan huis verbonden beroep
Verbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aan huis verbonden beroep uit te oefenen. b
Beoordelingsregels
Het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep kan worden toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. Het aan huis verbonden beroep mag worden uitgeoefend in het hoofdgebouw en in bijbehorende bouwwerken. b. De woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd, met dien verstande dat maximaal 50 m² van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de uitoefening van het aan huis verbonden beroep. c. Er mogen geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten plaatsvinden die de woonomgeving onevenredig belasten en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeerplaatsen, in openbaar gebied noodzakelijk worden. d. Er vindt geen detailhandel plaats, behoudens detailhandel van ondergeschikte aard die rechtstreeks in verband staat met het uitgeoefende aan huis verbonden beroep.
10.10.2 a
Aan huis verbonden bedrijf
Verbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aan huis verbonden bedrijf uit te oefenen. b
a.
Beoordelingsregels
Het uitoefenen van een aan huis verbonden bedrijf voor zover als zodanig opgenomen in de 'Aan huis verbonden beroepen en bedrijven', zoals opgenomen in Bijlage 3 bij deze regels kan worden toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. Het aan huis verbonden bedrijf mag worden uitgeoefend in het hoofdgebouw en in bijbehorende bouwwerken. 2. De woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd, met dien verstande dat maximaal 50 m² van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf. 3. De activiteiten mogen geen onevenredige hinder voor de woonomgeving opleveren en geen afbreuk doen aan het karakter van de omgeving.
29
4.
b.
Er mogen geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten plaatsvinden die de woonomgeving onevenredig belasten en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeerplaatsen, noodzakelijk worden. 5. Er vindt geen detailhandel, behoudens detailhandel van ondergeschikte aard die rechtstreeks in verband staat met de ter plaatse vervaardigde producten of verleende diensten in het kader van het aan-huis-verbonden bedrijf. Het uitoefenen van een aan huis verbonden bedrijf voor zover niet als zodanig opgenomen in de 'Aan huis verbonden beroepen en bedrijven', zoals opgenomen in Bijlage 3 bij deze regels kan worden toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. De woonfunctie dient in overwegende mate gehandhaafd te blijven, met dien verstande dat maximaal 50 m² van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf. 2. Uitsluitend bedrijvigheid is toegestaan van milieucategorie 1 en 2 zoals vermeld in de Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels, of aantoonbaar naar aard en omvang vergelijkbare bedrijfsactiviteiten. 3. De activiteiten mogen geen onevenredige hinder voor de woonomgeving opleveren en geen afbreuk doen aan het karakter van de omgeving. 4.
Er geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten mogen plaatsvinden die de woonomgeving onevenredig belasten en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeerplaatsen, noodzakelijk worden. 5. Er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens detailhandel van ondergeschikte aard die rechtstreeks in verband staat met de ter plaatse vervaardigde producten of verleende diensten in het kader van het aan huis verbonden bedrijf.
10.10.3 a
Bed & breakfast
Verbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bed & breakfast uit te oefenen. b
Beoordelingsregels
Het uitoefenen van een bed & breakfast is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. De bed & breakfast-voorziening dient binnen de woning inclusief bijbehorende bouwwerken te worden gerealiseerd. Er mogen bijbehorende bouwwerken worden opgericht om de bed & breakfast-voorziening te kunnen realiseren, mits deze bijbehorende bouwwerken passen binnen de in het TAM-omgevingsplan aangegeven beoordelingsregels. b. De stedenbouwkundige, landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het pand, perceel of complex dienen behouden te blijven. c. De activiteiten dienen ruimtelijk en bedrijfsmatig ondergeschikt te zijn aan de woonfunctie; deze dienen kleinschalig van omvang te zijn en te passen in de directe omgeving. d. Maximaal 50% van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 100 m², mag worden gebruikt voor de bed & breakfast-voorziening. e. De bed & breakfast-voorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneren als een zelfstandige woning; het hebben van een aparte kookgelegenheid is daarom niet toegestaan. f. Permanente bewoning is niet toegestaan; de maximum aaneengesloten verblijfsduur bedraagt 2 weken. g. Het maximum aantal gasten dat tegelijkertijd van de bed & breakfast-voorziening gebruik mag maken bedraagt 4. h.
De activiteiten mogen geen onevenredige afbreuk veroorzaken aan de volgens het TAM-omgevingsplan gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. i. De bed & breakfast-activiteiten mogen uitsluitend door de hoofdbewoner(s) worden uitgeoefend; tijdens het nachtverblijf dienen(t) de hoofdbewoner(s) aanwezig te zijn. Bij bed & breakfast-activiteiten in huurwoningen is toestemming nodig van de verhuurder. j. De activiteiten mogen geen onevenredige hinder voor de woonomgeving opleveren en geen afbreuk doen aan het karakter van de omgeving. k. Er mogen geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten plaatsvinden die de woonomgeving onevenredig belasten en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeerplaatsen in openbaar gebied, noodzakelijk worden.
10.10.4 a
Internetwinkels
Verbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een internetwinkel van categorie A, B, C en/of D uit te oefenen. b
a.
30
Beoordelingsregels
Het uitoefenen van een internetwinkel van categorie A is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. de internetwinkel is toegestaan in de woning en/of de bijbehorende bouwwerken; 2. de internetwinkel te allen tijde ondergeschikt dient te zijn aan de woonfunctie, met dien verstande dat
b.
maximaal 30% van het totale woonoppervlak en de daarbij behorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van de internetwinkel met dien verstande dat het aan te wenden vloeroppervlak nimmer meer dan 50 m² mag bedragen; 3. de internetwinkel uitsluitend mag worden uitgeoefend door de hoofdbewoner(s) van de woning; 4. er geen fysieke opslag en verzending van goederen mag plaatsvinden; 5. inloop- en kijkdagen niet zijn toegestaan; 6. geen sprake mag zijn van afhalen van producten door klanten of verkoop van goederen aan huis; 7. reclame-uitingen niet zijn toegestaan, behoudens hetgeen conform de Welstandsnota is toegestaan; Het uitoefenen van een internetwinkel van categorie B is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. De internetwinkel is toegestaan in de woning en/of de bijbehorende bouwwerken. 2. De internetwinkel dient te allen tijde ondergeschikt te zijn aan de woonfunctie, met dien verstande dat maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van de internetwinkel, waarbij het aan te wenden vloeroppervlak nimmer meer dan 75 m² mag bedragen. 3. De internetwinkel mag uitsluitend worden uitgeoefend door de hoofdgebruiker van de woning. 4. Er mag geen sprake zijn van het afhalen van producten door klanten of verkoop van goederen aan huis. 5. Inloop- en kijkdagen niet zijn toegestaan. 6.
Reclame-uitingen niet zijn toegestaan, behoudens hetgeen conform de Welstandsnota is toegestaan. 7. Er mogen goederen worden bezorgd en afgehaald in de periode tussen 09.00 – 20.00 uur. 8. Parkeren, laden en lossen van goederen dient op eigen terrein plaats te vinden. 9. Het gebruik mag geen onevenredige hinder voor de woonomgeving opleveren. 10. Het onbebouwde deel van het bouwperceel mag niet worden gebruikt voor de activiteiten. 11. Buitenopslag is niet toegestaan.
10.11 Vergunningplicht voor afwijken van de functieregels 10.11.1
Afwijkingsbevoegdheid wegen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 10.2 onder b ten behoeve van het toestaan van wegen buiten de gronden ter plaatse van de aanduiding 'verkeer', onder de volgende voorwaarden: a. De gewijzigde situering dient noodzakelijk te zijn in verband met het bereiken van een optimale ontsluiting van het woongebied. b. De gewijzigde situatiering van wegen mag geen onevenredige hinder voor de woonomgeving opleveren en geen afbreuk doen aan het karakter van de omgeving; c. Het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast. d. De stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving worden gewaarborgd. e. De gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden worden niet onevenredig aangetast. f. Er is geen sprake van milieuhygiënische belemmeringen.
10.11.2
Afwijkingsbevoegdheid kamerverhuur
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 10.9.1 onder c ten behoeve van het toestaan van kamerverhuur, onder de volgende voorwaarden: a. De kamerverhuur mag uitsluitend plaatsvinden binnen de woning en niet in bijgebouwen. b. De eigenaar dient zelf in de woning woonachtig te zijn. c. Er mogen maximaal 2 kamers voor kamerverhuur worden gebruikt. d. Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. e. Het gebruik mag geen onevenredige hinder voor de woonomgeving opleveren.
31
Artikel 11
Waarde - Archeologie 3
11.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.
11.2 Functieomschrijving Een locatie die op de plankaart is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3' heeft behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede een functie voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde; dan wel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
11.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten 11.3.1 Binnen de functie Waarde - Archeologie 3 Binnen deze functie mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
11.3.2 Binnen de overige functies Voor het bouwen binnen de andere daar voorkomende functies zijn de desbetreffende regels behorende bij die functies van toepassing, met dien verstande, dat indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 500 m² de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen of zullen worden verstoord naar oordeel het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld of waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd of; b. de archeologische waarden door de beoogde bouwwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad.
11.3.3 Uitzonderingen Het indienen van een ingevolge artikel 11.3.2 vereist archeologisch onderzoek kan achterwege blijven indien de archeologische waarde of verwachtingswaarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
11.3.4 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit het in artikel 11.3.2 genoemde rapport blijkt dat archeologische waarden van de gronden door de beoogde bouwwerkzaamheden kunnen of zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
11.4 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een maatwerkvoorschrift te verbinden aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit het onderzoek als bedoeld in artikel 11.3.2 of artikel 11.5.3 gebleken, dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
11.5 Omgevingsplanactiviteitvoor werken en werkzaamheden 11.5.1 Verbod Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op de in artikel 11.2 bedoelde gronden de navolgende werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren: a. grondbewerkingen, zoals het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van
32
b. c. d. e. f.
gronden; het slopen van funderingen; het aanleggen of verbreden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies; het aanleggen van bos of boomgaard, dan wel het rooien hiervan waarbij stobben worden verwijderd.
11.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 11.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. die reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunningvergunning mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. waarbij de bodemverstoring beperkt is tot maximaal 40 cm onder maaiveld.
11.5.3 Archeologisch onderzoek Indien een omgevingsvergunning vereist is, de bodemverstoring als gevolg van de werken/werkzaamheden dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 500 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen of zullen worden verstoord naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld of waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd of; b. de archeologische waarden door de beoogde werken/werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad.
11.5.4 Uitzonderingen op de onderzoeksplicht Het indienen van een ingevolge artikel 11.5.3 vereist archeologisch onderzoek kan achterwege blijven, indien de archeologische waarde of verwachtingswaarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
11.5.5 Regels omgevingsvergunning Indien uit het in artikel 11.5.3 genoemde rapport blijkt dat archeologische waarden van de gronden door de beoogde werken/werkzaamheden kunnen of zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
33
Artikel 12
Waarde - Cultuurhistorie
12.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Cultuurhistorie'.
12.2 Functieomschrijving 12.2.1 Algemeen Een locatie die op de plankaart is aangewezen als 'Waarde - Cultuurhistorie' heeft behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede een functie voor de instandhouding en versterking van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden, een en ander conform Bijlage 4 Cultuurhistorische waardenkaart.
12.3 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een maatwerkvoorschrift verbinden aan de situering, de vorm en de kwaliteit van de bouwwerken: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de cultuurhistorische landschapswaarden; Toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.
12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.4.1 Verbod Het is verboden op of in artikel 12.2 bedoelde gronden de navolgende werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. het ophogen, afgraven, vergraven, verzetten, ontgronden, egaliseren, ontginnen en/ of diepploegen van gronden; b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het verwijderen van natuur- en landschapselementen; d. het verwijderen van zandwegen; e. het aanleggen en/of verharden van paden en wegen, parkeerplaatsen en/of andere oppervlakteverharding; f. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering; g. het telen van houtige gewassen in en/of op de grond (containervelden); h. het doorbreken, wijzigen en/of verleggen van bestaande wegen, paden en/of andere (infra)structuren; i. het toevoegen van natuur-/landschapselementen en/of kunstwerken die de in artikel 12.2 genoemde aanwezige waarden aan het zicht onttrekken of verstoren, of anderszins schade toebrengen.
12.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 12.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. die reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken; d. die zijn gericht op de instandhouding, het herstel en/of versterking van gebouwen en terreinen met cultuurhistorische waarden.
12.4.3 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 kan alleen worden verleend indien: a. blijkt, dat de cultuurhistorische waarden, zoals genoemd in artikel 12.2, niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord. Dit kan bijvoorbeeld met een cultuur-/bouwhistorisch onderzoek worden aangetoond; b. in het geval blijkt dat de aanwezige waarden worden verstoord dan wel vernietigd wordt gemotiveerd hoe men vanuit die waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die binnen de karakteristiek als gebleken uit het cultuurhistorische basisonderzoek passen.
34
12.4.4 Advies Het bevoegd gezag kan advies inwinnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld artikel 12.4.1 bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie.
35
36
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 13
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
37
Artikel 14
Algemene bouwregels
14.1 Algemene regels 14.1.1 Algemeen Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht indien daardoor een bestaand bouwwerk of complex van bouwwerken met daarbij behorende perceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan het plan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan.
14.2 Algemene regels met betrekking tot ondergronds bouwen 14.2.1 Ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze planregels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
14.2.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze planregels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. b. Het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m². c. In aanvulling op het bepaalde onder a en b is, voor zover passend binnen de betreffende functieomschrijving, maximaal 1 niet-overdekt zwembad per bouwperceel toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3,00 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens; 2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijbehorende bouwwerken als opgenomen in de planregels behorende bij de desbetreffende functie in acht wordt genomen; 3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut. d. De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,00 meter onder peil. e. Bij het berekenen van de blijkens de plankaart of deze planregels geldende bebouwingspercentages, of van het maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.
14.2.3 Afwijken ten behoeve van ondergrondse bouwdiepte Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 14.2.2 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10,00 meter noder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden; c. het woongenot of de gebruiksmogelijkheden op de belendende percelen niet onevenredig wordt aangetast.
14.3 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten 14.3.1 Bestaande maten en hoeveelheden bedragen meer Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die legaal gebouwd zijn, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.
14.3.2 Bestaande maten en hoeveelheden bedragen minder In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die legaal gebouwd zijn, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
38
14.3.3 (Her)oprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 14.3.1 en artikel 14.3.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
39
Artikel 15
Algemene gebruiksregels
15.1 Voorbeelden van strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in elk geval verstaan, het gebruiken, te doen of laten gebruiken van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van: a. het al dan niet ten verkoop opslaan van gebruikte, dan wel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorrijtuigen of aanhangwagens, die bruikbaar en niet aan hun functie onttrokken zijn, behoudens voor zover zulks passend is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden; b. opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke functie onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks passend is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden; c. een seksinrichting, escortbedrijf en raam- en straatprostitutie.
40
Artikel 16
Algemene aanduidingsregels
16.1 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden mede bedoeld voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.
16.1.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing op te richten welke niet noodzakelijk is in verband met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.
16.1.2 Toelaatbaarheid Het oprichten van bouwwerken welke niet noodzakelijk zijn in verband met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water kan ten behoeve van de voor deze gronden geldende onderliggende functies worden toegestaan onder de volgende voorwaarde: a. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de belangen van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water. b. Ter zake is vooraf advies van de waterbeheerder ingewonnen.
16.2 milieuzone - roerdalslenk II 16.2.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - roerdalslenk II': a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30,00 meter beneden het maaiveld; b. de grond te roeren dieper dan 30,00 meter beneden het maaiveld, of deze handeling toe te laten, of anderszins werken of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slechtdoorlatende bodemlagen kunnen aantasten; c. een bodemenergiesysteem op te richten, die dieper reikt dan 30,00 meter beneden het maaiveld; d. boorputten op te richten wanneer de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0,00 tot 3,00 meter beneden het maaiveld, niet worden afgedicht met klei of bentoniet.
16.2.2 Uitzonderingen De in artikel 16.2.1 gestelde verboden gelden niet voor: a. het inrichten van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer in het kader van de Wet bodembescherming en de Waterwet; b. het verrichten van bodemonderzoeken die bij of krachtens wet zijn voorgeschreven.
16.2.3 Toelaatbaarheid De activiteiten als bedoeld onder 16.2.1 kunnen worden toegestaan als gewaarborgd is dat geen sprake is van nadelige gevolgen voor de grondwaterwinning en met dien verstande dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend wanneer Gedeputeerde Staten vooraf gehoord is.
16.3 milieuzone - spuitvrije zone 16.3.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen te gebruiken die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies. Onder voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven.
16.3.2 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.3.1 wordt verleend indien is aangetoond dat het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet onevenredig wordt aangetast.
41
Artikel 17
Algemene afwijkingsregels
17.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing op te richten in afwijking van het bepaalde in artikel 7 tot en met 10.
17.2 Beoordelingsregels Het oprichten van bebouwing in afwijking van het bepaalde in artikel 7 tot en met 10 is toegestaan: a. voor het overschrijden van in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc., dit met uitzondering van de bouwhoogte als bedoeld in 10.4.1 onder d.) en percentages tot maximaal 10% van die maten en percentages, met dien verstande dat dit niet geldt wanneer reeds op grond van deze regels al anderszins kan worden afgeweken; b. voor het in geringe mate overschrijden van het bouwvlak, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. voor de bouw van een luifel of erker aan de voorgevel van een hoofdgebouw, mits: 1. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 1,50 meter bedraagt; 2. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de voorgevel van het hoofdgebouw; 3. de hoogte niet meer bedraagt dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; 4. er geen bezwaren bestaan vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid; 5. de luifel of erker stedenbouwkundig aanvaardbaar is; d. voor de bouw van openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes, mits: 1. het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m²; 2. dat bestaat uit één bouwlaag; 3.
de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5,00 meter. e. het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde tot maximaal 5,00 meter, mits: 1. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving gewaarborgd wordt. f. ten behoeve van het oprichten van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van maximaal 20,00 meter; g. ten behoeve van het oprichten van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 40,00 meter; h. betrekking hebbende op (bedrijfs)woningen voor het uitbreiden van de woning met een afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg met dien verstande dat: 1. de bebouwingsmogelijkheden met niet meer dan 30 m² in één bouwlaag worden overschreden; 2. de afhankelijke woning met de hoofdwoning is verbonden en er geen zelfstandige woning gerealiseerd wordt; 3. het karakter van de omringende bebouwingsstructuur niet mag worden aangetast; 4. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden; 5. de bereikbaarheid voor algemene en nutsvoorzieningen moet zijn gewaarborgd, evenals de bereikbaarheid voor hulpdiensten; 6. er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is.
42
Artikel 18
Overige regels
18.1 Verleende omgevingsvergunningen,vrijstellingen of ontheffingen Een omgevingsvergunning, vrijstelling of ontheffing die ten tijde van de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is verleend voor een activiteit waarvoor ingevolge deze regels een omgevingsvergunning is vereist wordt gelijkgesteld met een zodanige omgevingsvergunning.
18.2 Parkeren Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende regels: a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. c. Voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid en/of de ruimte voor laden en lossen dient te worden voldaan aan de CROW richtlijnen (publicatie nr. 381). d. De parkeervoorzieningen als bedoeld onder a en b dienen in stand te worden gehouden.
43
44
Hoofdstuk 4 Kostenverhaalsregels Artikel 19
Algemene regels kostenverhaal
19.1 Verdeling van de kosten over de activiteiten 19.1.1 Voor het verdelen van de kosten worden de in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen categorieën bouwactiviteiten per kostenverhaalsgebied onderverdeeld in uitgiftecategorieën.
19.1.2 Per uitgiftecategore wordt: a. een basiseenheid vastgesteld, uitgedrukt in een hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte of vloeroppervlakte, een aantal woningen of een daarmee vergelijkbare maatstaf; b. het gewogen aandeel per basiseenheid berekend door de opbrengsten van de grond per basiseenheid te delen door de totale opbrengsten in het kostenverhaalsgebied, en c. het bedrag van de te verhalen kosten per basiseenheid berekend door het totaal van de te verhalen kosten in het kostenverhaalsgebied te vermenigvuldigen met het gewogen aandeel als bedoeld onder b.
19.1.3 De opbrengsten van de grond per basiseenheid, bedoeld in het 19.1.2 onder b, worden geraamd: op basis van de opgestelde taxatie uitgifteprijzen 'Taxatierapport Louersveld, Susteren' (zie Bijlage 5), of met toepassing van de residuele methode, de comparatieve methode of een daarmee vergelijkbare methode voor raming van grondprijzen.
19.1.4 Onder het totaal van de te verhalen kosten wordt verstaan: a. bij kostenverhaal met tijdvak: het bedrag van de kosten dat op grond van artikel 13.14, tweede lid, van de Omgevingswet ten hoogste kan worden verhaald, en b. bij kostenverhaal zonder tijdvak: het maximum van de kosten, bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
19.2 Methode raming plankosten Bij de raming van de kosten per kostenverhaalsgebied wordt in dit plan voor de plankosten uitgegaan van het bedrag aan plankosten dat kan worden verhaald op grond van artikel 13.2 van de Omgevingsregeling. In de basis zal hiervoor gebruik worden gemaakt van de rekenmodellen die horen bij de Omgevingsregeling. Wanneer bij een specifiek kostenverhaalsgebied aanleiding is om hiervan af te wijken zal dit bij dat kostenverhaalsgebied aangeduid worden.
19.3 Aanvraagvereisten kostenverhaalsbeschikking Bij de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking moeten de volgende gegevens en bescheiden aan de gemeente worden verstrekt: a. een aanduiding van de met de kostenverhaalplichtige activiteiten te realiseren aantallen bouwwerken, oppervlakten en gebruiksfuncties, en b. een aanduiding van de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteiten worden uitgevoerd.
19.4 Eindafrekening 19.4.1 Binnen drie maanden na het uitvoeren van de in een kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen stellen burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal in het kostenverhaalsgebied vast.
45
19.4.2 Bij de eindafrekening wordt de geldsom die op het moment van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking zou zijn verschuldigd, herberekend overeenkomstig de rekenmethodiek die is opgenomen in artikel 19.1, met dien verstande dat: a. het bedrag van de te verhalen kosten de daadwerkelijke kosten betreft van de werken, werkzaamheden en maatregelen die zijn uitgevoerd of nog zullen worden uitgevoerd. b. de totale opbrengsten van de grond worden herberekend op basis van het aantal basiseenheden per uitgiftecategorie dat is gerealiseerd of nog zal worden gerealiseerd. c. voor de opbrengsten van de grond per basiseenheid van een uitgiftecategorie hetzelfde bedrag wordt toegepast als bij de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking. d. bij kostenverhaal met tijdvak de kosten, bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, van de Omgevingswet in mindering worden gebracht.
19.4.3 Indien een aanvrager van een kostenverhaalsbeschikking op basis van artikel 13.20, tweede lid, van de Omgevingswet recht heeft op terugbetaling, wordt rente vergoed vanaf de datum van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.
19.5 Eindafrekening op verzoek 19.5.1 Op eindafrekeningen op verzoek, als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet, wordt jaarlijks op 1 juli door burgemeester en wethouders beslist, als de verzoeken ten minste 4 weken voor die datum zijn ontvangen.
19.5.2 Bij een verzoek om eindafrekening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een kopie van de kostenverhaalsbeschikking, b. als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald: een bewijs dat de verzoeker recht heeft op de terugbetaling, en c. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.
19.5.3 Een eindafrekening op verzoek wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 19.4.
19.6 Indexering Tenzij voor een kostenverhaalsgebied anders is bepaald, wordt bij de raming van de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking, een eindafrekening op verzoek of een eindafrekening, een door het bevoegd gezag te kiezen, objectieve index toegepast.
19.7 Rente 19.7.1 Tenzij voor een kostenverhaalsgebied anders is bepaald, worden bij de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking, een eindafrekening op verzoek of een eindafrekening de volgende renteparameters toegepast: a. voor de debetrente in perioden waarin de gerealiseerde kosten, met uitzondering van de kosten van de inbrengwaarden, hoger zijn dan de opbrengsten met toepassing van renteparameter 3,3%. b. voor de creditrente in perioden waarin de opbrengsten hoger zijn dan de gerealiseerde kosten, met uitzondering van de kosten van de inbrengwaarden, door toepassing van renteparameter 3,3%.
19.7.2 Als bij een eindafrekening terugbetaling plaatsvindt, wordt het terug te betalen bedrag verhoogd met een samengestelde rente met toepassing van renteparameter 3,3%.
46
Artikel 20
Kostenverhaalsgebied 'Louerveld'
20.1 Aanduiding van het tijdvak Het kostenverhaalsgebied 'Louerveld' kent een tijdvak van 8 jaar met ingang van inwerkingtreding van dit artikel.
20.2 Gehanteerde parameters Op basis van de geraamde fasering worden alle kosten en opbrengsten, met inachtneming van indexeringen, naar het einde van het tijdvak gerekend (de eindwaarde) en vervolgens naar het begin van het tijdvak (de contante waarde). In onderstaande tabel zijn de parameters voor rente en indexering van de totale kosten en totale opbrengsten opgenomen.
Parameters kostenverhaalsopzet
20.3 Raming van de inbrengwaarde De totale inbrengwaarde, gevormd door de waarde van de gronden en opstallen, kosten voor vrijmaken van de grond van rechten en kosten sloop en dergelijke voor zover toe te rekenen aan het kostenverhaalsgebied, wordt geraamd op €4.401.719 inclusief kostenstijging, zie onderstaande tabel.
Raming van de inbrengwaarde en sloopkosten
20.4 Raming van de andere (verhaalbare) kosten De overige aan het kostenverhaalsgebied "Louerveld" toe te rekenen kosten worden geraamd op € 7.648.310 inclusief kostenstijging, zie onderstaande tabel.
Raming van de andere kosten van het kostenverhaalsgebied
20.5 Raming van de opbrengsten In het kostenverhaalsgebied worden tot de raming van de opbrengsten gerekend:
47
opbrengsten van uitgifte van de gronden in het Kostenverhaalsgebied; opbrengsten van bijdrage en subsidies van derden; opbrengsten die worden verkregen of toegekend in verband met het in exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen. In onderstaande tabel wordt aangegeven welke opbrengsten, incl. opbrengstenstijging, worden verkregen uit de uitgifte van gronden in het kostenverhaalsgebied.
Raming van de opbrengsten van het kostenverhaalsgebied
20.6 Toets maximaal verhaalbare kosten De totaalsom van de contante kosten (€10.284.584) volgens artikel 20.3 en artikel 20.4 is lager dan de totaalsom van de contante opbrengsten verminderd met de (gerealiseerde) bijdragen en subsidies van derden (€10.327.611) volgens artikel 20.5 waardoor alle contante kosten kunnen worden verhaald.
20.7 Berekening kostenverhaalsbijdrage per gewogen eenheid De bruto kostenverhaalsbijdrage, die bij het verlenen van de aanvraag voor een bouwactiviteit moet worden berekend, wordt als volgt berekend: 1. Ten eerste worden de uitgiftecategorieën vastgesteld (zie artikel 20.5 van deze kostenverhaalsregels). Zo nodig wordt daarbinnen een verder onderscheid aangebracht. 2. Vervolgens wordt per onderscheiden categorie een basiseenheid vastgesteld in een hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte, een hoeveelheid vierkante meters vloeroppervlakte of een andere hiermee vergelijkbare maatstaf. 3. Daarna worden, door elke basiseenheid te vermenigvuldigen met een per categorie vastgestelde gewichtsfactor, gewogen eenheden vastgesteld. 4. Vervolgens worden de gewogen eenheden in het kostenverhaalsgebied bij elkaar opgeteld tot een totaal van gewogen eenheden van het kostenverhaalsgebied. 5. Ten slotte is het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid dan het ten hoogste verhaalbare bedrag, bedoeld in artikel 13.14 lid 2 Ow, gedeeld door het overeenkomstig het totaal berekende aantal gewogen eenheden. In onderstaande tabel is de berekening van het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid weergegeven per contantewaardedatum 1 januari 2024.
48
Berekeni ng verhaalbare bedrag per gewogen eenheid
20.8 Kostenverhaalsbijdrage voor een activiteit 20.8.1 Op basis van de aanvraag voor de Bouwactiviteit kan de bruto kostenverhaalsbijdrage in het kostenverhaalsgebied worden berekend. De bruto kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald door het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid te vermenigvuldigen met de uitgiftecategorieën die in de aanvraag voor de bouwactiviteit zijn opgenomen.
20.8.2 De bepaalde bruto kostenverhaalsbijdrage wordt met de navolgende kosten verminderd: a. de inbrengwaarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, en b. de kosten die door de aanvrager zijn gemaakt, voor zover die kosten gelijk zijn aan of lager zijn dan de raming van de kosten in het plan, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.14, derde lid, onder a.
20.8.3 Na aftrek van de bovenstaande inbrengwaarde van de uitgeefbare gronden en de bovenstaande kosten resteert de netto kostenverhaalsbijdrage. Deze netto kostenverhaalsbijdrage is de aanvrager van de bouwactiviteit aan de gemeente verschuldigd en wordt door burgemeester en wethouders bij beschikking vastgesteld.
49