CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels

Gemeenteraad 5 juni 2025, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)-Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Louerveld'13.492 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

10.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten 10.3.1 Binnen de functie Waarde - Archeologie 3 Binnen deze functie mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

10.3.2 Binnen de overige functies Voor het bouwen binnen de andere daar voorkomende functies zijn de desbetreffende regels behorende bij die functies van toepassing, met dien verstande, dat indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 500 m² de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen of zullen worden verstoord naar oordeel het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld of waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd of; b. de archeologische waarden door de beoogde bouwwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad.

10.3.3 Uitzonderingen Het indienen van een ingevolge artikel 10.3.2 vereist archeologisch onderzoek kan achterwege blijven indien de archeologische waarde of verwachtingswaarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

10.3.4 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit het in artikel 10.3.2 genoemde rapport blijkt dat archeologische waarden van de gronden door de beoogde bouwwerkzaamheden kunnen of zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

10.4 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een maatwerkvoorschrift te verbinden aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit het onderzoek als bedoeld in artikel 10.3.2 of artikel 10.5.3 gebleken, dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.

10.5 Omgevingsplanactiviteitvoor werken en werkzaamheden 10.5.1 Verbod Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op de in artikel 10.2 bedoelde gronden de navolgende werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren: a. grondbewerkingen, zoals het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van

29

b. c. d. e. f.

gronden; het slopen van funderingen; het aanleggen of verbreden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies; het aanleggen van bos of boomgaard, dan wel het rooien hiervan waarbij stobben worden verwijderd.

10.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 10.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. die reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunningvergunning mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. waarbij de bodemverstoring beperkt is tot maximaal 40 cm onder maaiveld.

10.5.3 Archeologisch onderzoek Indien een omgevingsvergunning vereist is, de bodemverstoring als gevolg van de werken/werkzaamheden dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 500 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen of zullen worden verstoord naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld of waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd of; b. de archeologische waarden door de beoogde werken/werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad.

10.5.4 Uitzonderingen op de onderzoeksplicht Het indienen van een ingevolge artikel 10.5.3 vereist archeologisch onderzoek kan achterwege blijven, indien de archeologische waarde of verwachtingswaarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

10.5.5 Regels omgevingsvergunning Indien uit het in artikel 10.5.3 genoemde rapport blijkt dat archeologische waarden van de gronden door de beoogde werken/werkzaamheden kunnen of zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

30

Artikel 11

Waarde - Cultuurhistorie

11.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Cultuurhistorie'.

11.2 Functieomschrijving 11.2.1 Algemeen Een locatie die op de plankaart is aangewezen als 'Waarde - Cultuurhistorie' heeft behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede een functie voor de instandhouding en versterking van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden, een en ander conform Bijlage 4 Cultuurhistorische waardenkaart.

11.3 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een maatwerkvoorschrift verbinden aan de situering, de vorm en de kwaliteit van de bouwwerken: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de cultuurhistorische landschapswaarden; Toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik.

11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.4.1 Verbod Het is verboden op of in artikel 11.2 bedoelde gronden de navolgende werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. het ophogen, afgraven, vergraven, verzetten, ontgronden, egaliseren, ontginnen en/ of diepploegen van gronden; b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; c. het verwijderen van natuur- en landschapselementen; d. het verwijderen van zandwegen; e. het aanleggen en/of verharden van paden en wegen, parkeerplaatsen en/of andere oppervlakteverharding; f. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering; g. het telen van houtige gewassen in en/of op de grond (containervelden); h. het doorbreken, wijzigen en/of verleggen van bestaande wegen, paden en/of andere (infra)structuren; i. het toevoegen van natuur-/landschapselementen en/of kunstwerken die de in artikel 11.2 genoemde aanwezige waarden aan het zicht onttrekken of verstoren, of anderszins schade toebrengen.

11.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 11.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. die reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken; d. die zijn gericht op de instandhouding, het herstel en/of versterking van gebouwen en terreinen met cultuurhistorische waarden.

11.4.3 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 kan alleen worden verleend indien: a. blijkt, dat de cultuurhistorische waarden, zoals genoemd in artikel 11.2, niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord. Dit kan bijvoorbeeld met een cultuur-/bouwhistorisch onderzoek worden aangetoond; b. in het geval blijkt dat de aanwezige waarden worden verstoord dan wel vernietigd wordt gemotiveerd hoe men vanuit die waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die binnen de karakteristiek als gebleken uit het cultuurhistorische basisonderzoek passen.

31

11.4.4 Advies Het bevoegd gezag kan advies inwinnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld artikel 11.4.1 bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie.

32

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 12

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

33

Artikel 13

Algemene bouwregels

13.1 Algemene regels 13.1.1 Algemeen Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht indien daardoor een bestaand bouwwerk of complex van bouwwerken met daarbij behorende perceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan het plan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan.

13.2 Algemene regels met betrekking tot ondergronds bouwen 13.2.1 Ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze planregels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

13.2.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze planregels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. b. Het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m². c. In aanvulling op het bepaalde onder a en b is, voor zover passend binnen de betreffende functieomschrijving, maximaal 1 niet-overdekt zwembad per bouwperceel toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3,00 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens; 2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijbehorende bouwwerken als opgenomen in de planregels behorende bij de desbetreffende functie in acht wordt genomen; 3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut. d. De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,00 meter onder peil. e. Bij het berekenen van de blijkens de plankaart of deze planregels geldende bebouwingspercentages, of van het maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.

13.2.3 Afwijken ten behoeve van ondergrondse bouwdiepte Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 13.2.2 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10,00 meter noder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden; c. het woongenot of de gebruiksmogelijkheden op de belendende percelen niet onevenredig wordt aangetast.

13.3 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten 13.3.1 Bestaande maten en hoeveelheden bedragen meer Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die legaal gebouwd zijn, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

13.3.2 Bestaande maten en hoeveelheden bedragen minder In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die legaal gebouwd zijn, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

34

13.3.3 (Her)oprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 13.3.1 en artikel 13.3.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

35

Artikel 14

Algemene gebruiksregels

14.1 Voorbeelden van strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in elk geval verstaan, het gebruiken, te doen of laten gebruiken van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van: a. het al dan niet ten verkoop opslaan van gebruikte, dan wel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorrijtuigen of aanhangwagens, die bruikbaar en niet aan hun functie onttrokken zijn, behoudens voor zover zulks passend is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden; b. opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke functie onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks passend is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden; c. een seksinrichting, escortbedrijf en raam- en straatprostitutie.

36

Artikel 15

Algemene aanduidingsregels

15.1 milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden mede bedoeld voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.

15.1.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing op te richten welke niet noodzakelijk is in verband met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.

15.1.2 Toelaatbaarheid Het oprichten van bouwwerken welke niet noodzakelijk zijn in verband met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water kan ten behoeve van de voor deze gronden geldende onderliggende functies worden toegestaan onder de volgende voorwaarde: a. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de belangen van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water. b. Ter zake is vooraf advies van de waterbeheerder ingewonnen.

15.2 milieuzone - roerdalslenk 15.2.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - roerdalslenk': a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30,00 meter beneden het maaiveld; b. de grond te roeren dieper dan 30,00 meter beneden het maaiveld, of deze handeling toe te laten, of anderszins werken of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slechtdoorlatende bodemlagen kunnen aantasten; c. een bodemenergiesysteem op te richten, die dieper reikt dan 30,00 meter beneden het maaiveld; d. boorputten op te richten wanneer de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0,00 tot 3,00 meter beneden het maaiveld, niet worden afgedicht met klei of bentoniet.

15.2.2 Uitzonderingen De in artikel 15.2.1 gestelde verboden gelden niet voor: a. het inrichten van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer in het kader van de Wet bodembescherming en de Waterwet; b. het verrichten van bodemonderzoeken die bij of krachtens wet zijn voorgeschreven.

15.2.3 Toelaatbaarheid De activiteiten als bedoeld onder 15.2.1 kunnen worden toegestaan als gewaarborgd is dat geen sprake is van nadelige gevolgen voor de grondwaterwinning en met dien verstande dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend wanneer Gedeputeerde Staten vooraf gehoord is.

37

Artikel 16

Algemene afwijkingsregels

16.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning bebouwing op te richten in afwijking van het bepaalde in artikel 6 tot en met 9.

16.2 Beoordelingsregels Het oprichten van bebouwing in afwijking van het bepaalde in artikel 6 tot en met 9 is toegestaan: a. voor het overschrijden van in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc., dit met uitzondering van de bouwhoogte als bedoeld in 9.4.1 onder d.) en percentages tot maximaal 10% van die maten en percentages, met dien verstande dat dit niet geldt wanneer reeds op grond van deze regels al anderszins kan worden afgeweken; b. voor het in geringe mate overschrijden van het bouwvlak, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. voor de bouw van een luifel of erker aan de voorgevel van een hoofdgebouw, mits: 1. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 1,50 meter bedraagt; 2. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de voorgevel van het hoofdgebouw; 3. de hoogte niet meer bedraagt dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; 4. er geen bezwaren bestaan vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid; 5. de luifel of erker stedenbouwkundig aanvaardbaar is; d. voor de bouw van openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes, mits: 1. het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m²; 2. dat bestaat uit één bouwlaag; 3.

de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5,00 meter. e. het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde tot maximaal 5,00 meter, mits: 1. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving gewaarborgd wordt. f. ten behoeve van het oprichten van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van maximaal 20,00 meter; g. ten behoeve van het oprichten van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 40,00 meter; h. betrekking hebbende op (bedrijfs)woningen voor het uitbreiden van de woning met een afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg met dien verstande dat: 1. de bebouwingsmogelijkheden met niet meer dan 30 m² in één bouwlaag worden overschreden; 2. de afhankelijke woning met de hoofdwoning is verbonden en er geen zelfstandige woning gerealiseerd wordt; 3. het karakter van de omringende bebouwingsstructuur niet mag worden aangetast; 4. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden; 5. de bereikbaarheid voor algemene en nutsvoorzieningen moet zijn gewaarborgd, evenals de bereikbaarheid voor hulpdiensten; 6. er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is.

38

Artikel 17

Overige regels

17.1 Verleende omgevingsvergunningen,vrijstellingen of ontheffingen Een omgevingsvergunning, vrijstelling of ontheffing die ten tijde van de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is verleend voor een activiteit waarvoor ingevolge deze regels een omgevingsvergunning is vereist wordt gelijkgesteld met een zodanige omgevingsvergunning.

17.2 Parkeren Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende regels: a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. c. Voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid en/of de ruimte voor laden en lossen dient te worden voldaan aan de CROW richtlijnen (publicatie nr. 381). d. De parkeervoorzieningen als bedoeld onder a en b dienen in stand te worden gehouden.

39

40

Hoofdstuk 4 Kostenverhaalsregels Artikel 18

Algemene regels kostenverhaal

18.1 Verdeling van de kosten over de activiteiten 18.1.1 Voor het verdelen van de kosten worden de in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen categorieën bouwactiviteiten per kostenverhaalsgebied onderverdeeld in uitgiftecategorieën.

18.1.2 Per uitgiftecategore wordt: a. een basiseenheid vastgesteld, uitgedrukt in een hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte of vloeroppervlakte, een aantal woningen of een daarmee vergelijkbare maatstaf; b. het gewogen aandeel per basiseenheid berekend door de opbrengsten van de grond per basiseenheid te delen door de totale opbrengsten in het kostenverhaalsgebied, en c. het bedrag van de te verhalen kosten per basiseenheid berekend door het totaal van de te verhalen kosten in het kostenverhaalsgebied te vermenigvuldigen met het gewogen aandeel als bedoeld onder b.

18.1.3 De opbrengsten van de grond per basiseenheid, bedoeld in het 18.1.2 onder b, worden geraamd: op basis van de opgestelde taxatie uitgifteprijzen 'Taxatierapport Louersveld, Susteren' (zie Bijlage 5), of met toepassing van de residuele methode, de comparatieve methode of een daarmee vergelijkbare methode voor raming van grondprijzen.

18.1.4 Onder het totaal van de te verhalen kosten wordt verstaan: a. bij kostenverhaal met tijdvak: het bedrag van de kosten dat op grond van artikel 13.14, tweede lid, van de Omgevingswet ten hoogste kan worden verhaald, en b. bij kostenverhaal zonder tijdvak: het maximum van de kosten, bedoeld in artikel 13.15, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

18.2 Methode raming plankosten Bij de raming van de kosten per kostenverhaalsgebied wordt in dit plan voor de plankosten uitgegaan van het bedrag aan plankosten dat kan worden verhaald op grond van artikel 13.2 van de Omgevingsregeling. In de basis zal hiervoor gebruik worden gemaakt van de rekenmodellen die horen bij de Omgevingsregeling. Wanneer bij een specifiek kostenverhaalsgebied aanleiding is om hiervan af te wijken zal dit bij dat kostenverhaalsgebied aangeduid worden.

18.3 Aanvraagvereisten kostenverhaalsbeschikking Bij de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking moeten de volgende gegevens en bescheiden aan de gemeente worden verstrekt: a. een aanduiding van de met de kostenverhaalplichtige activiteiten te realiseren aantallen bouwwerken, oppervlakten en gebruiksfuncties, en b. een aanduiding van de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteiten worden uitgevoerd.

18.4 Eindafrekening 18.4.1 Binnen drie maanden na het uitvoeren van de in een kostenverhaalsgebied voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen stellen burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal in het kostenverhaalsgebied vast.

41

18.4.2 Bij de eindafrekening wordt de geldsom die op het moment van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking zou zijn verschuldigd, herberekend overeenkomstig de rekenmethodiek die is opgenomen in artikel 18.1, met dien verstande dat: a. het bedrag van de te verhalen kosten de daadwerkelijke kosten betreft van de werken, werkzaamheden en maatregelen die zijn uitgevoerd of nog zullen worden uitgevoerd. b. de totale opbrengsten van de grond worden herberekend op basis van het aantal basiseenheden per uitgiftecategorie dat is gerealiseerd of nog zal worden gerealiseerd. c. voor de opbrengsten van de grond per basiseenheid van een uitgiftecategorie hetzelfde bedrag wordt toegepast als bij de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking. d. bij kostenverhaal met tijdvak de kosten, bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, van de Omgevingswet in mindering worden gebracht.

18.4.3 Indien een aanvrager van een kostenverhaalsbeschikking op basis van artikel 13.20, tweede lid, van de Omgevingswet recht heeft op terugbetaling, wordt rente vergoed vanaf de datum van de afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.

18.5 Eindafrekening op verzoek 18.5.1 Op eindafrekeningen op verzoek, als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid, van de Omgevingswet, wordt jaarlijks op 1 juli door burgemeester en wethouders beslist, als de verzoeken ten minste 4 weken voor die datum zijn ontvangen.

18.5.2 Bij een verzoek om eindafrekening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een kopie van de kostenverhaalsbeschikking, b. als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald: een bewijs dat de verzoeker recht heeft op de terugbetaling, en c. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.

18.5.3 Een eindafrekening op verzoek wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 18.4.

18.6 Indexering Tenzij voor een kostenverhaalsgebied anders is bepaald, wordt bij de raming van de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking, een eindafrekening op verzoek of een eindafrekening, een door het bevoegd gezag te kiezen, objectieve index toegepast.

18.7 Rente 18.7.1 Tenzij voor een kostenverhaalsgebied anders is bepaald, worden bij de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking, een eindafrekening op verzoek of een eindafrekening de volgende renteparameters toegepast: a. voor de debetrente in perioden waarin de gerealiseerde kosten, met uitzondering van de kosten van de inbrengwaarden, hoger zijn dan de opbrengsten met toepassing van renteparameter 3,3%. b. voor de creditrente in perioden waarin de opbrengsten hoger zijn dan de gerealiseerde kosten, met uitzondering van de kosten van de inbrengwaarden, door toepassing van renteparameter 3,3%.

18.7.2 Als bij een eindafrekening terugbetaling plaatsvindt, wordt het terug te betalen bedrag verhoogd met een samengestelde rente met toepassing van renteparameter 3,3%.

42

Artikel 19

Kostenverhaalsgebied 'Louerveld'

19.1 Aanduiding van het tijdvak Het kostenverhaalsgebied 'Louerveld' kent een tijdvak van 8 jaar met ingang van inwerkingtreding van dit artikel.

19.2 Gehanteerde parameters Op basis van de geraamde fasering worden alle kosten en opbrengsten, met inachtneming van indexeringen, naar het einde van het tijdvak gerekend (de eindwaarde) en vervolgens naar het begin van het tijdvak (de contante waarde). In onderstaande tabel zijn de parameters voor rente en indexering van de totale kosten en totale opbrengsten opgenomen.

Parameters kostenverhaalsopzet

19.3 Raming van de inbrengwaarde De totale inbrengwaarde, gevormd door de waarde van de gronden en opstallen, kosten voor vrijmaken van de grond van rechten en kosten sloop en dergelijke voor zover toe te rekenen aan het kostenverhaalsgebied, wordt geraamd op €4.401.719 inclusief kostenstijging, zie onderstaande tabel.

Raming van de inbrengwaarde en sloopkosten

19.4 Raming van de andere (verhaalbare) kosten De overige aan het kostenverhaalsgebied "Louerveld" toe te rekenen kosten worden geraamd op € 7.648.310 inclusief kostenstijging, zie onderstaande tabel.

Raming van de andere kosten van het kostenverhaalsgebied

19.5 Raming van de opbrengsten In het kostenverhaalsgebied worden tot de raming van de opbrengsten gerekend:

43

opbrengsten van uitgifte van de gronden in het Kostenverhaalsgebied; opbrengsten van bijdrage en subsidies van derden; opbrengsten die worden verkregen of toegekend in verband met het in exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen. In onderstaande tabel wordt aangegeven welke opbrengsten, incl. opbrengstenstijging, worden verkregen uit de uitgifte van gronden in het kostenverhaalsgebied.

Raming van de opbrengsten van het kostenverhaalsgebied

19.6 Toets maximaal verhaalbare kosten De totaalsom van de contante kosten (€10.284.584) volgens artikel 19.3 en artikel 19.4 is lager dan de totaalsom van de contante opbrengsten verminderd met de (gerealiseerde) bijdragen en subsidies van derden (€10.327.611) volgens artikel 19.5 waardoor alle contante kosten kunnen worden verhaald.

19.7 Berekening kostenverhaalsbijdrage per gewogen eenheid De bruto kostenverhaalsbijdrage, die bij het verlenen van de aanvraag voor een bouwactiviteit moet worden berekend, wordt als volgt berekend: 1. Ten eerste worden de uitgiftecategorieën vastgesteld (zie artikel 19.5 van deze kostenverhaalsregels). Zo nodig wordt daarbinnen een verder onderscheid aangebracht. 2. Vervolgens wordt per onderscheiden categorie een basiseenheid vastgesteld in een hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte, een hoeveelheid vierkante meters vloeroppervlakte of een andere hiermee vergelijkbare maatstaf. 3. Daarna worden, door elke basiseenheid te vermenigvuldigen met een per categorie vastgestelde gewichtsfactor, gewogen eenheden vastgesteld. 4. Vervolgens worden de gewogen eenheden in het kostenverhaalsgebied bij elkaar opgeteld tot een totaal van gewogen eenheden van het kostenverhaalsgebied. 5. Ten slotte is het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid dan het ten hoogste verhaalbare bedrag, bedoeld in artikel 13.14 lid 2 Ow, gedeeld door het overeenkomstig het totaal berekende aantal gewogen eenheden. In onderstaande tabel is de berekening van het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid weergegeven per contantewaardedatum 1 januari 2024.

44

Berekeni ng verhaalbare bedrag per gewogen eenheid

19.8 Kostenverhaalsbijdrage voor een activiteit 19.8.1 Op basis van de aanvraag voor de Bouwactiviteit kan de bruto kostenverhaalsbijdrage in het kostenverhaalsgebied worden berekend. De bruto kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald door het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid te vermenigvuldigen met de uitgiftecategorieën die in de aanvraag voor de bouwactiviteit zijn opgenomen.

19.8.2 De bepaalde bruto kostenverhaalsbijdrage wordt met de navolgende kosten verminderd: a. de inbrengwaarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, en b. de kosten die door de aanvrager zijn gemaakt, voor zover die kosten gelijk zijn aan of lager zijn dan de raming van de kosten in het plan, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.14, derde lid, onder a.

19.8.3 Na aftrek van de bovenstaande inbrengwaarde van de uitgeefbare gronden en de bovenstaande kosten resteert de netto kostenverhaalsbijdrage. Deze netto kostenverhaalsbijdrage is de aanvrager van de bouwactiviteit aan de gemeente verschuldigd en wordt door burgemeester en wethouders bij beschikking vastgesteld.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=0678bf3b-4d65-4351-9721-12e0233c2d62