CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Regeling

Gemeenteraad 7 november 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug'23.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

15.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 15.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn; b. die reeds in uitvoering zijn, danwel krachtens een verleende omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan; c. die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken; d. die zijn gericht op de instandhouding, het herstel en/of versterking van gebouwen en terreinen met cultuurhistorische waarden. 15.5.3 Cultuur-/bouwhistorisch onderzoek De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.5.1 kan alleen worden verleend indien: a. blijkt, dat de cultuurhistorische waarden, zoals genoemd in lid 15.2, niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord. Dit kan bijvoorbeeld met een cultuur-/bouwhistorisch onderzoek worden aangetoond; b. in het geval blijkt dat de aanwezige waarden worden verstoord dan wel vernietigd wordt gemotiveerd hoe men vanuit die waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die binnen de karakteristiek als gebleken uit het cultuurhistorische basisonderzoek passen.

15.5.4 Advies Het bevoegd gezag kan advies inwinnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld lid 15.5.1 bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie. 15.6

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

15.6.1 Sloopverbod Het is verboden op of in lid 15.2 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning cultuurhistorisch waardevolle objecten geheel of gedeeltelijk te slopen indien het bebouwing betreft van vóór 1940 (op basis van referentiedatabase BAG) en het ingrijpende verbouwingen aan muurwerk of kapconstructies betreft of gehele of substantiële sloop. 15.6.2 Uitzonderingen Het in lid 15.6.1 bepaalde is niet van toepassing voor: a. normale onderhoudswerkzaamheden; b. sloopwerkzaamheden van ondergeschikte betekenis; c. sloopwerkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd; d. panden die na 1910 als volledig nieuw en als in de ruimte vrijstaand object zonder gebruikmaking van oudere bouwresten zijn uitgevoerd, zoals markante burgerwoningen uit de jaren twintig en dertig van de 20e eeuw; e. sloopwerkzaamheden, gericht op de instandhouding, het herstel en/of versterking van gebouwen en terreinen met cultuurhistorische waarden; f. sloopwerkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken. 15.6.3 Cultuur-/bouwhistorisch onderzoek De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.6.1 kan alleen worden verleend indien: a.

blijkt dat de cultuurhistorische waarden, zoals genoemd in lid 15.2, niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord, maar worden behouden, versterkt en/of ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld met een

51

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

cultuur-/bouwhistorisch onderzoek worden aangetoond; b. in het geval blijkt dat de aanwezige waarden worden verstoord dan wel vernietigd wordt gemotiveerd hoe men vanuit die waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die binnen de karakteristiek als gebleken uit het cultuurhistorische basisonderzoek passen. 15.6.4 Advies Het bevoegd gezag kan advies inwinnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld lid 15.6.1 bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie.

52

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Artikel 16 16.1

Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed

Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waterstaat Stroomvoerend rivierbed. 16.2

Functieomschrijving

Een als 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' aangewezen locatie heeft als functie bescherming en behoud van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed. 16.3

Bouwregels

Op de voor 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' bestemde gronden mag niet worden gebouwd. 16.4

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in lid 16.3 ten behoeve van het toestaan van de volgende activiteiten: a. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit voor een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk is vereist; b. activiteiten voor rivierbeheer en - verruiming; c. tijdelijke activiteiten; en d. activiteiten van rivierkundig ondergeschikt belang, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de bouwactiviteit(en) dat het veilig en doelmatig gebruik van de rivier gewaarborgd blijft; 2. geen sprake is van feitelijke belemmeringen voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; 3. sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de bouwactiviteit(en) dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen van de rivier wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt. Alvorens te beslissen omtrent de omgevingsvergunning wordt de betreffende waterbeheerder gehoord. 16.5

Specifieke functieregels gebruik

16.5.1 Verboden gebruik Activiteiten, niet zijnde bouwactiviteiten, zijn niet toegestaan, behoudens riviergebonden activiteiten zoals benoemd in lid 16.5.2. 16.5.2 Riviergebonden activiteiten Voor de navolgende riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt, onverminderd het bepaalde in lid 16.5.4 sub b toestemming gegeven voor: a. b. c. d. e. f. g.

de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken; de aanleg van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart; de aanleg en het beheer of de verbetering van natuur; de verbetering van waterkwaliteit; de aanleg van voorzieningen voor waterrecreatie of extensieve uiterwaardenrecreatie; de winning van oppervlaktedelfstoffen; de aanleg van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd; h. een verandering van een gebruiksfunctie binnen de bestaande bebouwing; i. activiteiten voor het behoud van het cultureel erfgoed, in het bijzonder bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten;

53

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

j.

activiteiten die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie; k. de aanleg van voorzieningen voor het agrarisch, landschappelijke of daarmee vergelijkbaar beheer van het rivierbed; l. het behoud of herstel van landschappelijke elementen of cultureel erfgoed. 16.5.3 Niet-riviergebonden activiteiten Voor niet-riviergebonden activiteiten in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, wordt geen toestemming gegeven, tenzij, onverminderd het bepaalde in lid 16.5.4 sub b sprake is van: a. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit voor een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk is vereist; b. activiteiten voor rivierbeheer en - verruiming; c. tijdelijke activiteiten; en d. activiteiten van rivierkundig ondergeschikt belang. 16.5.4 Voorwaarden a. De toestemming, bedoeld in lid 16.5.2 en lid 16.5.3 wordt alleen gegeven indien: 1. sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig en doelmatig gebruik van de rivier gewaarborgd blijft; 2. geen sprake is van feitelijke belemmeringen voor vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; 3.

sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het bergend vermogen van de rivier wordt voorkomen of zoveel mogelijk wordt beperkt; 4. de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn, met dien verstande dat deze voorwaarde niet van toepassing is voor het bepaalde in lid 16.5.2, sub j; 5. de betreffende waterbeheerder is gehoord.

54

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 3 Artikel 17

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

55

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Artikel 18 18.1

Algemene bouwregels

Algemene regel

18.1.1 Algemeen Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht indien daardoor een bestaand bouwwerk of complex van bouwwerken met daarbij behorende perceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan het omgevingsplan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het omgevingsplan. 18.1.2 Milieu a Wegverkeerslawaai Geluidsgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 3.21 respectievelijk artikel 3.22 van mogen, onverminderd het bepaalde in de bouwregels per functie, slechts worden opgericht indien en voor zover wordt voldaan aan de wettelijke standaardwaarde als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving, dan wel een vastgestelde hogere grenswaarde. 18.2

Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

18.2.1 Parkeerkencijfers Daar waar geen specifieke parkeernormen bij de afzonderlijke functies zijn opgenomen geldt ten aanzien van het parkeren de volgende bepaling: a. in, op of onder gebouwen dan wel het daarbij behorende terrein dienen voldoende parkeerplaatsen voor auto's aanwezig te zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan als de parkeernormen opgenomen in de bij deze regels behorende Bijlage 5 Parkeerkencijfers worden nageleefd. 18.2.2 Afmetingen parkeerruimte De in lid 18.2.1 bedoelde parkeerplaatsen moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de afmetingen minimaal 1,80 m. bij 5,00 m. en maximaal 3,25 m bij 6,00 m. bedragen. 18.2.3 Laad- en losruimte Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 18.2.4 Omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.2.1 en lid 18.2.3 indien indien aangetoond is dat in de directe omgeving (een straal van circa 250 meter) voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.

18.2.5 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan ten behoeve van een goede parkeerbalans, de verkeerssituatie en/of het stedenbouwkundig beeld. 18.3

Algemene regels met betrekking tot ondergronds bouwen

18.3.1 Ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze planregels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

56

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

18.3.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze planregels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²; c. in aanvulling op het bepaalde onder a en b is, voor zover passend binnen de betreffende functieomschrijving, maximaal 1 niet-overdekt zwembad per bouwperceel toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3,00 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens; 2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijbehorende bouwwerken als opgenomen in de planregels behorende bij de desbetreffende functie in acht wordt genomen; 3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut; 4. per perceel mag maximaal één zwembad worden gebouwd. 5. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,00 meter onder peil; d. bij het berekenen van de blijkens de plankaart of deze regeling geldende bebouwingspercentages, of van het maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.

18.3.3 Afwijken ten behoeve van ondergrondse bouwdiepte Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in lid 18.3.2 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10,00 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden; c. het woongenot of de gebruiksmogelijkheden op de belendende percelen niet onevenredig wordt aangetast. 18.4

Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten

18.4.1 Bestaande maten en hoeveelheden bedragen meer Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die legaal gebouwd zijn, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 18.4.2 Bestaande maten en hoeveelheden bedragen minder In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die legaal gebouwd zijn, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 18.4.3 (Her)oprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 18.4.1 en artikel 18.4.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

57

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Artikel 19 19.1

Algemene gebruiksregels

Voorbeelden van strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in elk geval verstaan, het gebruiken, te doen of laten gebruiken van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van: a. het al dan niet ten verkoop opslaan van gebruikte, dan wel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorrijtuigen of aanhangwagens, die bruikbaar en niet aan hun functie onttrokken zijn, behoudens voor zover zulks passend is in verband met de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten; b. opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke functie onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks passend is in verband met de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten; c. een seksinrichting, escortbedrijf en raam- en straatprostitutie. 19.2

Afwijkingsregel gebruik

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het TAM-omgevingsplan ten behoeve van het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein.

58

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Artikel 20 20.1

Algemene aanduidingsregels

overige zone - natuurnetwerk nederland

20.1.1 Functies Binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - natuurnetwerk nederland' zijn de gronden tevens aangewezen voor bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de gebieden. 20.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - natuurnetwerk nederland' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: 1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; 2. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; 3. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; 4. het bebossen of anderszins beplanten van gronden met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters in verband met tuinbouw of als (agrarische) houtteelt; 5. het aanleggen van landschapselementen; 6.

het vellen of rooien van bos; 7. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; 8. het verwijderen van half- en onverharde wegen of paden; 9. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur. b. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing: 1. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend; 2. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van dit TAM-omgevingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; 3. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen; 4. op gronden welke zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'. c. Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. 20.2

overige zone - werkterreinen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - werkterreinen' zijn de gronden mede aangewezen voor tijdelijke werkterreinen ten behoeve van de realisatie van het project Pater Sangersbrug, zijnde de nieuwbouw van een nieuwe brug met de bijbehorende infrastructuur en de afbraak van de oude brug.

59

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

20.3

vrijwaringszone - reserveringszone provinciale weg 15 meter

20.3.1 Verbod Ter plaatse van de aanduiding vrijwaringszone - reserveringszone provinciale weg 15 meter mogen, ongeacht het overige in dit plan bepaalde, geen bouwwerken worden opgericht, met uitzondering van: a. bouwwerken gerelateerd aan of ten behoeve van de verkeersfunctie c.q. het wegverkeer; b. vervangende nieuwbouw. 20.3.2 Uitzondering op het verbod Het verbod in lid 20.3.1 geldt niet voor: a. tijdelijke bouwwerken; b. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 20.3.3 Afwijken van de verbodsregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in 20.3.1 sub a nadat advies is ingewonnen bij de wegbeheerder.

60

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Artikel 21 21.1

Algemene afwijkingsregels

Afwijken van de regels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning toestemming verlenen af te wijken: a. voor het overschrijden van in deze regels voorgeschreven minimale en/of maximale maten (hoogte, oppervlakte, inhoud etc.) en percentages tot maximaal 10% van die maten en percentages, met dien verstande dat dit niet geldt wanneer reeds op grond van deze regels al anderszins kan worden afgeweken; b. voor het in geringe mate overschrijden van het bouwvlak, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. voor de bouw van een luifel of erker aan de voorgevel van een hoofdgebouw, mits: 1. de diepte gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 1,50 meter bedraagt; 2. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de voorgevel van het hoofdgebouw; 3. de hoogte niet meer bedraagt dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; 4. er geen bezwaren bestaan vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid; 5. de luifel of erker stedenbouwkundig aanvaardbaar is; d. voor de bouw van openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes, mits: 1. het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m²; 2. dat bestaat uit één bouwlaag; 3. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; e.

het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde tot maximaal 5 meter, mits: 1. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; 2. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving gewaarborgd wordt; f. ten behoeve van het oprichten van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van maximaal 20 meter; g. ten behoeve van het oprichten van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 40 meter; h. ten behoeve van het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein; i. ten behoeve van overschrijding van de begrenzing van de locatie, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van functies of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; j. ten behoeve van overschrijding van de begrenzing van de locatie en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft; k. de overschrijdingen als bedoeld sub a. en b. mogen echter niet meer dan 3 m bedragen en de locatie mag met niet meer dan 10% worden vergroot; l.

teneinde de bouwpercelen binnen de locaties die zijn aangewezen voor 'Agrarisch' te wijzigen te behoeve van het toestaan van de functies die zijn genoemd in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten 1 en Bijlage 6 Nevenactiviteiten/functieveranderingen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. de oppervlakte van de bebouwing ten behoeve van de nieuw te realiseren activiteit mag niet meer bedragen dan 500 m²; 2. de overtollige bebouwing, niet zijnde de voormalige bedrijfswoning met de daarbij behorende bouwwerken en monumentale bebouwing, dient te worden gesloopt; 3. aangetoond is dat de landschappelijke en ruimtelijke inpassing op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, waarbij wordt aangetoond op welke wijze wordt voldaan aan de te leveren verbetering van de omgevingskwaliteit zoals bedoeld in artikel 22.2.3;

61

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

4. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; 5. buitenopslag is niet toegestaan; 6. detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van detailhandel als onzelfstandig en ondergeschikt onderdeel van de nieuw te realiseren activiteit in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen, tot een maximale omvang van 150 m²; 7. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de stedenbouwkundige situatie; de waterhuishoudkundige situatie/hydrologie; 8. uitsluitend bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 en 2, welke zijn opgenomen in bijlage 1 'Staat van bedrijfsactiviteiten', niet zijnde geluidzoneringsplichtige inrichtingen of risicovolle inrichtingen, zijn toegetaan, met dien verstande dat mestbewerkingsbedrijven en mestverwerkingsbedrijven niet zijn toegestaan; 9.

bij een omzetting naar een minicamping gelden de volgende regels: de oppervlakte van het perceel dient minimaal 0,5 ha te bedragen; maximaal 25 kampeermiddelen zijn toegestaan; parkeren vindt plaats op eigen erf plaatsvindt; de kampeermiddelen worden buiten het seizoen verwijderd; de minicamping enkel is toegestaan in de periode van 1 maart tot 31 oktober; aangetoond is dat de landschappelijke en ruimtelijke inpassing op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, waarbij wordt aangetoond op welke wijze wordt voldaan aan de te leveren verbetering van de omgevingskwaliteit zoals bedoeld in artikel 22.2.3.

62

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Artikel 22 22.1

Overige regels

Voorrangsregels

22.1.1 Onderlinge rangorde artikelen 11 tot en met 15 Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de artikelen 12 tot en met 16 geldt dat de functies gericht op het instandhouden of ontwikkelen van het groene karakter en het voorkomen van bebouwing voorgaan boven functies met bebouwing. In concreto wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de functie: a. b. c. d.

Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 5; Waarde - Cultuurhistorie; Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed; Leiding - Ondergronds.

22.2

Kwaliteitsregels

22.2.1 Algemeen Het TAM-omgevingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen binnen het wijzigingsgebied mogelijk. Deze ontwikkelingen dienen gecombineerd te worden met een kwaliteitsverbetering. Om deze kwaliteitsverbeteringen te kunnen bereiken worden twee instrumenten ingezet: a. ruimtelijke kwaliteit 'landschappelijke inpassing' voor agrarische ontwikkelingen; b. ruimtelijke kwaliteit 'kwaliteitsbijdrage' voor overige ontwikkelingen. Agrarische ontwikkelingen: 'Landschappelijke inpassing' Het instrument ruimtelijke kwaliteit agrarisch: 'Landschappelijke inpassing' is van toepassing op agrarische bedrijven. Ten behoeve van de uitbreiding van bebouwing binnen het agrarische bouwvlak is het instrument van toepassing via de nadere eisen. Wanneer er sprake is van een uitbreiding van het agrarische bouwvlak en het oprichten van teeltondersteunende voorzieningen buiten het agrarische bouwvlak is het instrument van toepassing via de afwijkings- dan wel wijzigingsbevoegdheid. Overige ontwikkelingen: 'Kwaliteitsbijdrage' Het instrument ruimtelijke kwaliteit: 'Kwaliteitsbijdrage' is van toepassing voor overige ontwikkelingen in het buitengebied. Op hoofdlijnen betreft het: a. functie- en gebruikswijzigingen; b. het ontwikkelen van nevenactiviteiten; c. uitbreidingen van bestaande situaties. Het instrument is van toepassing via de vergunningplicht voor afwijken.

22.2.2 Agrarische ontwikkelingen: 'Landschappelijke inpassing' a Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen afwijkingsregels ten behoeve van de ontwikkeling van agrarische bedrijven, onder de voorwaarde dat naast de reeds in de betreffende regels opgenomen voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de van toepassing zijnde onderstaande 'Landschappelijke inpassing': Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een viertal kwaliteitspakketten:

63

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

= nieuwe bebouwing en verharding en/of plek waar functiewijziging plaatsvindt, moet goed worden ingepast. = 10% van de totale oppervlakte van de bouwvlak na uitbreiding. Wanneer nieuwe verharding (deels) buiten het bouwvlak is gelegen dan dient deze oppervlakte meegerekend te worden. = 10% van de totale oppervlakte van het bouwvlak na uitbreiding x 1,5. Wanneer nieuwe verharding (deels) buiten het bouwvlak is gelegen dan dient deze oppervlakte meegerekend te worden. = 10% van de totale oppervlakte van het bouwvlak na uitbreiding x 2. Wanneer nieuwe verharding (deels) buiten het bouwvlak is gelegen dan dient deze oppervlakte meegerekend te worden.

Basiskwaliteit

Basiskwaliteit Plus

Basiskwaliteit Plus met aanvullende kwaliteitsverbetering

Basiskwaliteit Plus met aanvullende kwaliteitsverbetering Plus

In onderstaande tabel is aangegeven bij welke uitbreidingssituatie welk pakket van toepassing is (aangeduid met een 'X'). Tevens is aangegeven of advies gevraagd moet worden bij de regionale kwaliteitscommissie. AGRARISCHE BASISKWAONTWIKKELING LITEIT

Uitbreiding bebouwing binnen bestaand X agrarisch bouwvlak. Uitbreiding bebouwing binnen bestaand agrarisch bouwvlak alsmede vergroten agrarisch bouwvlak. Onder referentiemaat (1,5 ha).

BASISKWALITEIT PLUS

BASISKWALITEIT PLUS EN AANVULLENDE KWALITEITSVERBETERING

BASISKWALI- ADVIES TEIT PLUS EN KWALITEITSAANVULLENDE COMMISSIE KWALITEITSVERBETERING PLUS

-

-

-

Nee

X

-

-

Ja

64

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Uitbreiding bebouwing binnen bestaand agrarisch bouwvlak alsmede vergroten agrarisch bouwvlak. Onder referentiemaat (1,5 ha). Gelegen binnen Landduinen, Beekdalen en bufferzones in Oude Ontginningen, zoals aangeduid op de kaart in Bijlage 3: Kenmerken landschapstype 'Maasdal'

-

X

-

Ja

b Pakket Basiskwaliteit Wanneer het pakket 'Basiskwaliteit' van toepassing is, dient de volgende kwaliteit gerealiseerd te worden: 1. De uitbreiding van de bebouwing en verharding en/of de plek waar de functiewijziging plaatsvindt dient landschappelijk en ruimtelijk te worden ingepast aan de hand van een inpassingsplan. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke kenmerken van het landschap, zoals omschreven in Bijlage 9 bij deze regels; 2. Voorzieningen ter voorkoming van problematiek op het gebied van hemelwater als gevolg van nieuwe bebouwing/verharding. Afhankelijk van de situatie kan dat infiltratie of retentie zijn. Verdiscontering kan plaatsvinden met eerder gerealiseerde landschappelijke en ruimtelijke inpassingen.

c Pakket Basiskwaliteit Plus Wanneer het pakket 'Basiskwaliteit Plus' van toepassing is, dient de volgende kwaliteit gerealiseerd te worden: 1. De uitbreiding van de bebouwing en verharding en/of de plek waar de functiewijziging plaatsvindt dient landschappelijk en ruimtelijk te worden ingepast aan de hand van een inpassingsplan. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke kenmerken van het landschap, zoals omschreven in bijlage 3 bij deze regels; 2. Voorzieningen ter voorkoming van problematiek op het gebied van hemelwater als gevolg van nieuwe bebouwing/verharding. Afhankelijk van de situatie kan dat infiltratie of retentie zijn. 3. Eén of meerdere van de onderstaande kwaliteitsverbeterende maatregelen - nader omschreven bij het van toepassing zijnde landschapstype in Bijlage 9 bij deze regels - mag dan wel mogen onderdeel uitmaken van de te realiseren kwaliteitsverbetering: a. realisering nieuw groen, landschap en herstel cultuurhistorie; b. lijnvormige beplantingselementen; c. erfbeplantingen;

65

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

d. e. f. g. h. i. j. k.

natuurontwikkeling; ontwikkelen landschappelijke en cultuurhistorische waarden; recreatieve ontsluiting; verwijderen bebouwing; saneren bedrijfsbebouwing; stimuleren vernatting; overgang kern-buitengebied; andere nog niet genoemde maatregelen die de initiatiefnemer in de betreffende situatie kan treffen.

Verdiscontering kan plaatsvinden met eerder gerealiseerde landschappelijke en ruimtelijke inpassingen.

d Basispakket Plus met aanvullende kwaliteitsverbetering Wanneer het pakket 'Basiskwaliteit Plus met aanvullende kwaliteitsverbetering' van toepassing is, dient de volgende kwaliteit gerealiseerd te worden: 1. de uitbreiding van de bebouwing en verharding en/of de plek waar de functiewijziging plaatsvindt dient landschappelijk en ruimtelijk te worden ingepast aan de hand van een inpassingsplan. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke kenmerken van het landschap, zoals omschreven in Bijlage 9 bij deze regels. 2. voorzieningen ter voorkoming van problematiek op het gebied van hemelwater als gevolg van nieuwe bebouwing/verharding. Afhankelijk van de situatie kan dat infiltratie of retentie zijn. 3. één of meerdere van de onderstaande kwaliteitsverbeterende maatregelen - nader omschreven bij het van toepassing zijnde landschapstype in Bijlage 9 - moet(en) onderdeel uitmaken van de te realiseren kwaliteitsverbetering: a. realisering nieuw groen, landschap en herstel cultuurhistorie; b. lijnvormige beplantingselementen; c. erfbeplantingen; d. natuurontwikkeling; e. ontwikkelen landschappelijke en cultuurhistorische waarden; f. recreatieve ontsluiting; g. verwijderen bebouwing; h. saneren bedrijfsbebouwing; i. stimuleren vernatting; j. overgang kern-buitengebied; 4. andere nog niet genoemde maatregelen die de initiatiefnemer in de betreffende situatie kan treffen.

Verdiscontering kan plaatsvinden met eerder gerealiseerde landschappelijke en ruimtelijk inpassingen. 22.2.3 Overige ontwikkelingen: 'Kwaliteitsbijdrage' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen afwijkingsregels, onder de voorwaarde dat naast de reeds in de betreffende regels opgenomen voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de van toepassing zijnde onderstaande 'Kwaliteitsbijdrage': Overige ontwikkelingen Gebiedseigen recreatie en toerisme

Kwaliteitsbijdrage

Advies kwaliteitscommissie

66

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Nieuwvestiging binnen VAB

Uitbreiding bestaande situatie

Kleinschalig kampeerterrein

Uitbreiding in buitengebied van (niet-aan-) buitengebied-gebonden bedrijven Nieuwvestiging binnen VAB Uitbreiding bestaande situatie binnen bestaand bouwvlak

Uitbreiding bestaande situatie buiten bestaand bouwvlak Overige gebouwde functies

Schuilgelegenheden

Nevenactiviteiten

Basiskwaliteit Plus, zoals bedoeld in artikel 22.2.2 sub c, waarbij 80% van de omtrek van de totale Nee functieoppervlakte landschappelijk ingepast dient te worden. Aanleg groen (5x verhard en bebouwd oppervlak). Hierbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke kenmerken van het Ja landschap, zoals omschreven in Bijlage 9: Kenmerken landschapstype 'Maasdal'. Basiskwaliteit Plus, zoals bedoeld in artikel 22.2.2 sub c, waarbij de landschappelijke Nee, wanneer binnen agrarisch inpassing van het kampeerterrein bouwvlak een omvang heeft van 10% van de Ja, wanneer buiten agrarisch totale oppervlakte van het bouwvlak kampeerterrein.

Basiskwaliteit, zoals bedoeld in artikel 22.2.2 sub b. Landschappelijke en ruimtelijke inpassing van de uitbreiding. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke kenmerken van het landschap, zoals omschreven in Bijlage 9: Kenmerken landschapstype 'Maasdal'. Basiskwaliteit Plus, zoals bedoeld in artikel 22.2.2 sub c.

Nee

Nee

Ja

Landschappelijke en ruimtelijke inpassing van de schuilgelegenheid. Hierbij dient rekening te worden gehouden met Nee de specifieke kenmerken van het landschap, zoals omschreven in Bijlage 9: Kenmerken landschapstype 'Maasdal'. Landschappelijke en ruimtelijke inpassing van de nevenactiviteit. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke Nee kenmerken van het landschap, zoals omschreven in Bijlage 9: Kenmerken landschapstype 'Maasdal'.

67

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Huisvesting arbeidsmigranten

Functiewijziging

22.3

Landschappelijke en ruimtelijke inpassing van de huisvesting. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke kenmerken van het landschap, zoals omschreven in Bijlage 9: Kenmerken landschapstype 'Maasdal'. Basiskwaliteit zoals bedoeld in artikel 22.2.2 sub b.

Nee

Nee

Parkeren

Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende regels: a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. c. Voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid en/of de ruimte voor laden en lossen dient te worden voldaan aan de CROW richtlijnen (publicatie nr. 317). d. De parkeervoorzieningen als bedoeld onder a en b dienen in stand te worden gehouden.

68

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 4 Artikel 23 23.1

Overgangsrecht

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 23.1, onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Lid 23.1, onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 23.2

Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 23.2, onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verklein. c. Indien het gebruik, bedoeld in lid 23.2, onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Lid 23.2, onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

69

Arcadis Nederland B.V. www.arcadis.com 30128693

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=87f573c2-54c0-46d3-ae01-1a723b0a7d5c