Overzicht van de wijzigingen verordening
Tekst van het document
Artikel gewijzigde verordening
Bestaande tekst
Artikel 1.f.
Nieuwe tekst
Artikel 1. bovengebruikelijke hulp: hulp die in omvang, intensiteit of frequentie uitstijgt boven wat als algemeen gebruikelijk geldt in vergelijkbare situaties.
Artikel 1.k.
Artikel 3.1.
Toelichting
Artikel 1.k.
Artikel 1.k.
eigen kracht: het vermogen van een persoon om zelf of met het sociaal netwerk oplossingen te vinden voor de hulpvraag en deze oplossingen (deels) zelf uit te voeren.
eigen kracht: het vermogen van een persoon om zelf of met het sociaal netwerk, mantelzorg, gebruikelijke hulp en/of algemene voorziening(en) oplossingen te vinden voor de hulpvraag en deze oplossingen (deels) zelf uit te voeren.
Artikel 3.1.
Artikel 3.1.
Na ontvangst van een hulpvraag, start het college het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.3 lid 4 van de
Na ontvangst van een hulpvraag, start het college het onderzoek volgens artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en
Met de toevoeging van lid f wordt verduidelijkt dat onder bovengebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die in omvang, intensiteit of frequentie uitstijgt boven wat als algemeen gebruikelijk geldt in vergelijkbare situaties. Hiermee wordt aangesloten bij jurisprudentie en beleidsregels waarin wordt uitgegaan van wat redelijkerwijs van huisgenoten of gezinsleden verwacht mag worden aan ondersteuning.
De definitie van eigen kracht is aangevuld ter verduidelijking dat ook mantelzorg, gebruikelijke hulp, en algemene voorzieningen hieronder kunnen vallen. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de Wmo 2015 als de Jeugdwet, waarin het uitgangspunt geldt dat eerst wordt bezien wat mensen zelf of met hun netwerk kunnen organiseren.
Bij een hulpvraag op grond van de Jeugdwet voert het college een zorgvuldig onderzoek uit, in
Jeugdwet. Een gesprek met de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s), zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner maakt deel uit van het onderzoek.
Artikel 3.2.
artikel 2.3 lid 4 van de Jeugdwet. Een gesprek met de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s), zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner maakt deel uit van het onderzoek. Voor zover het onderzoek plaatsvindt op grond van de Jeugdwet, worden daarbij tevens de aspecten zoals genoemd in Bijlage 3 in acht genomen.
Artikel 3.2. Voor zover het een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet betreft, is het college bevoegd de uitvoering van haar taken te mandateren aan een daartoe aangewezen instantie. Deze instantie handelt binnen de kaders van het mandaatbesluit en is gehouden aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4.
Artikel 3.3.
Was artikel 3.2.
Artikel 3.4.
Was artikel 3.3.
Artikel 3.5.
Was artikel 3.4.
Artikel 3.6.
Was artikel 3.5.
Artikel 3.7.
samenspraak met de jeugdige en/of diens ouders/verzorgers. Daarbij worden de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren betrokken zoals uitgewerkt in bijlage 3 van de verordening. De werkwijze sluit aan bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1477), waarin vijf onderzoekstappen zijn benoemd.
Dit lid maakt het mogelijk dat het college bepaalde taken op grond van de Jeugdwet kan mandateren aan een instantie, binnen de kaders van een mandaatbesluit. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de in de Jeugdwet geboden flexibiliteit voor gemeentelijke toegang en samenwerking met lokale partners.
Artikel 3.7. Voor de toepassing van de begrippen ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijk hulp’ in het kader van de Jeugdwet wordt uitgegaan van het gestelde in Bijlage 2 bij deze verordening. Bij de beoordeling hiervan wordt tevens aangesloten bij de uitgangspunten
Bijlage 2 bij deze verordening biedt een beoordelingskader voor het bepalen van wat onder eigen kracht en gebruikelijke hulp wordt verstaan binnen het kader van de Jeugdwet. De bijlage is gebaseerd op de ontwikkelingstaken van jeugdigen,
voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wet langdurige zorg 2024, zoals deze luidde op 1 januari 2024.
Artikel 3.8. Artikel 4.
zoals beschreven door het Nederlands Jeugdinstituut. Deze bijlage is uitsluitend van toepassing op situaties die onder de Jeugdwet vallen en niet bedoeld voor toepassing binnen de Wmo 2015.
Was Artikel 3.6. Artikel 4. Gemeentelijke toegang en kwaliteitseisen van toegang [Jeugdwet] 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot: a. opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; b. opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; c. taal- en leerproblemen; d. somatische aandoeningen; e. lichamelijke- of verstandelijke beperkingen, en f.
kindermishandeling en huiselijk geweld.
2. Indien het college besluit over het verzoek om een maatwerkvoorziening gelden de navolgende kwaliteitseisen: a. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional; b. De geregistreerde professional beschikt bij de aanvraag over de passende deskundigheid en/of ervaring conform de indeling genoemd in lid 1;
Dit artikel is nieuw en hiermee worden kwaliteitseisen gesteld aan de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp. Onderzoek moet worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional met passende deskundigheid. Bij complexe hulpvragen gelden aanvullende eisen, zoals het gebruik van gevalideerde instrumenten en inzet van academisch opgeleide professionals. Het artikel bepaalt ook dat jeugdigen worden gehoord: vanaf 12 jaar verplicht, onder de 12 jaar tenzij dit niet mogelijk is of in strijd met het belang van het kind. Besluitvorming mag niet worden overgedragen aan aanbieders en moet voldoen aan geldende richtlijnen van jeugdhulp.
c.
Indien de geregistreerde professional deze kennis of ervaring niet zelf heeft, dient ten minste één andere geregistreerde professional te worden geraadpleegd en om advies te worden gevraagd over de aanvraag. Dit advies wordt opgenomen in de weergave van het onderzoek.
3. Om de deskundigheid van het besluit tot inzet van een voorziening te waarborgen geldt dat: a. Bij het onderzoek gebruik wordt gemaakt van gevalideerde instrumenten door een daartoe opgeleide professional; b. Indien er geen instrument beschikbaar is wordt een daartoe opgeleide professional met relevante kennis en kundigheid over de gestelde hulpvraag betrokken bij de advisering over, bepaling van en het inzetten van voorzieningen; c.
Te allen tijde bij de vraag passende academisch opgeleide professionals beschikbaar zijn voor advisering en besluitvorming.
4. Voor de besluitvorming kan informatie van gecontracteerde aanbieders worden gebruikt, de besluitvorming mag niet aan deze aanbieders worden overgedragen. 5. Er dient te worden gehandeld conform de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming. 6. De betrokken jeugdigen worden waar mogelijk gesproken: a. Vanaf 12 jaar gebeurt dit in ieder geval, tenzij de jeugdige niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is;
b. Onder de 12 jaar wordt een jeugdige gehoord tenzij dit niet mogelijk is of in strijd is met het belang van het kind. Artikel 5.
Was artikel 4.
Artikel 5.2.
Artikel 5.2.
Artikel 5.2.
Op verzoek van de cliënt legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening op grond van lid 1 van dit artikel, of het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.
Jeugdhulp die op verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts die is ingezet door een niet gecontracteerde of niet gesubsidieerde aanbieder, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is slechts anders als aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan én het college geen vergelijkbare hulp kan aanbieden via een gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder.
Artikel 5.3.
Artikel 5.3.
Als de te verlenen maatwerkvoorziening behandeling individueel zwaar (meer dan 50 uur) en/of verblijf betreft, stelt de aanbieder het college daarvan in kennis.
De jeugdhulpaanbieder beoordeelt de hulpvraag overeenkomstig deze verordening en handelt volgens de afspraken die hierover zijn vastgelegd in het met de gemeenten gesloten contract of de verleende subsidie.
Artikel 5.3.
Artikel 6.
Dit lid is aangescherpt. Jeugdhulp via niet- gecontracteerde aanbieders wordt niet vergoed, tenzij aan pgb voorwaarden is voldaan én de gemeente geen passend gecontracteerd aanbod heeft. Hiermee wordt ongewenst instroom buiten het gemeentelijk kader voorkomen.
Dit lid benadrukt dat de jeugdhulpaanbieder handelt binnen de kaders van deze verordening en de afspraken uit het contract of subsidie. Hiermee wordt een uniforme uitvoering gewaarborgd en wordt afwijking van gemeentelijk beleid voorkomen.
Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter [Jeugdwet] 1. Het college draagt, in overeenstemming met de Jeugdwet, zorg voor de inzet van jeugdhulp die rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van een justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde
In het artikel is vastgelegd dat het college jeugdhulp inzet wanneer dit nodig wordt geacht door de rechter, het openbaar ministerie of een gecertifieerde instelling in het kader van kinderbescherming, reclassering of een strafrechtelijke beslissing. De gecertificeerde instelling is in beginsel gebonden aan het door de gemeente ingekochte aanbod.
instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 3.5 van de Jeugdwet.
2. De gecertificeerde instelling is in beginstel gebonden aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Artikel 7.
Artikel 7. Identificatie [Wmo/Jeugdwet] 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en de ouder of wettelijk vertegenwoordiger grond van de Jeugdwet vast aan de hand van door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op identificatieplicht. 2. Voor cliënten op grond van de Wmo 2015 geldt dat het college de identiteit vaststelt met een geldig identiteitsdocument alvorens tot besluitvorming over te gaan op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Awb.
Artikel 8.
Was artikel 5.
Artikel 9.
Was artikel 6.
Artikel 9.4.
Het artikel borgt dat het college de identiteit van de jeugdige, diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger op grond van de Jeugdwet en respectievelijk de client op grond van de Wmo 2015 vaststelt aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Deze verplichting volgt uit de Regeling Jeugdwet Artikel 2.3. en de systematiek van de Wmo 2015 op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Awb. Deze bepaling draagt bij aan een zorgvuldige en rechtmatige besluitvorming over het verlenen van ondersteuning of jeugdhulp.
Artikel 9.4. Een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet wordt, met inachtneming van het gestelde in lid 2 en 3 van dit artikel, toegekend als deze naar het oordeel van het college doeltreffend is in het oplossen van de hulpvraag. Daarbij wordt in beginsel
In dit nieuw lid is bepaald dat het college jeugdhulp uitsluitend toekent als de voorziening naar verwachting doeltreffend is. Waar mogelijk wordt gekozen voor een bewezen effectieve interventie. Hiermee wordt invulling gegeven aan het
gekozen voor een bewezen effectieve voorziening. Artikel 9.5.
Was artikel 6.4.
Artikel 9.6.
Was artikel 6.5.
Artikel 10.
Was artikel 7.
Artikel 11.
uitgangspunt van verantwoorde hulp op basis van effectiviteit.
Artikel 11. Afstemming met andere voorzieningen [Wmo/Jeugdwet] 1. Het college draagt zorg voor afstemming met: a. Gezondheidszorg: 1. Het college draagt zorg dat wanneer zij een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige door zal lopen, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars; 2.
Het college draagt er zorg voor dat in de gevallen bedoeld in het eerste lid de jeugdige en zijn ouders worden gewezen op de consequentie dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder de Zorgverzekeringswet valt, en spant zich in voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.
b. Langdurige zorg: 1. Het college draagt zorg dat de lokale toegang de jeugdige of zijn ouders ondersteunt richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde
Dit artikel beschrijft op welke wijze het college zorg draagt voor een zorgvuldige afstemming tussen jeugdhulp en aanpalende voorzieningen zoals gezondheidszorg, langdurige zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en werk en inkomen. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan de continuïteit van ondersteuning rondom de 18e verjaardag van de jeugdige, met als doel te voorkomen dat jongeren door veranderende wettelijke kaders tussen wal en schip raken
redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg; 2. Indien de jeugdige of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening. c. Voorschoolse voorzieningen en het onderwijs: 1. Het college draagt zorg dat locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs een contactpersoon/contactteam hebben bij de gemeentelijke toegang; 2. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en onderwijszorg worden vastgelegd in het plan voor de jeugdhulp van de jeugdige en zijn ouders. d. Maatschappelijk ondersteuning: 1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de lokale toegang en de Wet maat- schappelijke ondersteuning aanbieders, indien een jeugdige of zijn ouders naast jeugdhulp- voorzieningen ook in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning; 2. Het college draagt zorg dat wanneer de begeleiding van een jeugdige na het achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en de lokale toegang een besluit hiertoe zo nodig (mede)voorbereidt. e. Werk en inkomen:
1. Het college draagt zorg dat de lokale toegang en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, minimaregelingen, begeleiding naar werk - te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen.
Artikel 12.
Artikel 12. Voorwaarden en weigeringsgronden [Jeugdwet] 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet indien: a. sprake is van een hulpvraag die behoort tot de gebruikelijke opvoedingsopgaven en/ of normale ontwikkelingsuitdagingen van jeugdigen, zoals bedoeld in Bijlage 2; b. de jeugdige of zijn ouder of wettelijk vertegenwoordiger, al dan niet met inzet van het sociaal netwerk of van andere (hulpverlenende instanties), in voldoende mate in staat zijn de noodzakelijke hulp te organiseren die aansluit bij de hulpvraag; c. de noodzakelijk hulp naar het oordeel van het college op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met voorliggende, algemeen toegankelijke voorzieningen kan worden gerealiseerd; d. van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger in redelijkheid kan worden verwacht dat deze zelf de benodigde hulp biedt, mede in het licht van hun wettelijke opvoedingsverantwoordelijkheid
Dit artikel bevat de gronden waarop het college een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet kan weigeren. Er is geen recht op jeugdhulp als de hulpvraag binnen de gebruikelijk opvoeding, op eigen kracht of met het netwerk kan worden opgelost, of als andere wettelijke voorzieningen toereikend zijn. Ook wordt bepaald dat problematiek van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger op zichzelf geen grond vormt voor het toekennen van jeugdhulp, tenzij er sprake is van meervoudige problematiek binnen de gezinssituatie waarbij tevens een hulpvraag in de zin van de Jeugdwet bestaat.
als bedoeld in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; e. redelijkerwijs van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan worden verlangd dat deze zijn maatschappelijke activiteiten, waaronder werk, aanpassen om overbelasting te voorkomen of op te heffen; f.
de benodigde hulp op andere wijze wordt bekostigd, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of de Wet kinderopvang;
g. de ouder of wettelijk vertegenwoordiger beschikt over een aanvullende zorgverzekering die de benodigde hulp dekt, en gebruik hiervan in redelijkheid kan worden verlangd; h. de benodigde jeugdhulp uitsluitend voortkomt uit maatschappelijke, psychische of relationele problemen van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger, en naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag zoals bedoeld in de Jeugdwet. Dit geldt niet wanneer er, naast deze ouderproblematiek, sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Artikel 13.
Was Artikel 8.
Artikel 13.4.
Artikel 13.4. De schriftelijke weergave van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 en artikel 3.4 van de Jeugdwet, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.
Artikel 13.5.
Was Artikel 8.4.
In dit nieuwe lid wordt bepaald dat de schriftelijke weergave van het onderzoek volledig deel uitmaakt van de beschikking. Dit bevordert transparantie en maakt een besluit beter toetsbaar.
Artikel 14. Artikel 14.2.
Was Artikel 9. Artikel 14.2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder dan wel het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die geen onafhankelijke organisatorische of financiële relatie heeft met de persoon of organisatie die de jeugdhulp levert, tenzij 1.
hiervoor door het college toestemming is verleend of
2.
de persoon eerste of tweedegraads bloedof aanverwant is van de jeugdige
b. er sprake is van onvoldoende nabijheid tot de cliënt in de vorm van (fysieke) aanwezigheid en tijd; c. schuldenproblematiek; d. ernstige verslavingsproblematiek;
Dit lid bepaalt dat een pgb niet verstrekt wordt als er een reëel risico is op belangenverstrengeling, zoals wanneer de budgetbeheer ook zorgverlener is, een financiële relatie heeft met de uitvoerder of onvoldoende toezicht kan houden. Dit waarborgt een doelmatige en rechtmatige besteding van het pgb Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2024:1491
e. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; f.
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
g. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; h. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; i.
het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
j.
het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
Artikel 14.3.
Was Artikel 9.2.
Artikel 14.4.
Was Artikel 9.3.
Artikel 14.5.
Was Artikel 9.4.
Artikel 14.5.
De hoogte van een pgb bedraagt voor:
De hoogte van een pgb bedraagt voor:
a. diensten, door: 1. een professionele organisatie: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, zoals door het college vastgesteld op grond van artikel 18 lid 1 of lid 6 van deze verordening dan wel
a. diensten, door: 1. een professionele organisatie: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura, zoals door het college vastgesteld op grond van artikel 18 lid 1 of lid 6 van deze verordening dan wel gecontracteerd voor het betreffende jaar;
Dit lid bepaalt op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Het uitgangspunt is dat het pgb toereikend moet zijn voor het inkopen van passende, veilige en kwalitatief verantwoorde ondersteuning, maar niet hoger is dan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura. Ten opzichte van het vorig artikel (9.4) is de opbouw herzien en verduidelijkt:
gecontracteerd voor het betreffende jaar; 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1. 3. een zorgprofessional in loondienst: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; 4. een niet-zorgprofessional in loondienst: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld en vakantie uren) en daarna vermeerderd met 20% van dat loon ten behoeve van werkgeverslasten; 5. naaste familie: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld). b. begeleiding, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 53,40 per uur voor begeleiding individueel en maximaal een kostprijs van € 35,97 per dagdeel voor begeleiding groep (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de
2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.
-
De onderverdeling van categorieën aanbieders is aangepast. Zo zijn zorgprofessionals in loondienst nu niet langer apart benoemd, maar onderscheiden naar nietzorgprofessionals en naaste familie, met als norm het wettelijk minimum;
-
Daarnaast is voor nietzorgprofessionals in loondienst expliciet bepaald dat een toeslag van 20% op het minimumloon geldt voor werkgeverslasten;
3. een niet-zorgprofessional in loondienst: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld en vakantie uren) en daarna vermeerderd met 20% van dat loon ten behoeve van werkgeverslasten. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.
4. naaste familie: het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld). b. begeleiding, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 53,40 per uur voor begeleiding individueel en maximaal een kostprijs van € 35,97 per dagdeel voor begeleiding groep (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar); 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel; 3. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden
definitieve OVA-index van het lopende jaar); 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel; 3. een zorgprofessional in loondienst: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1 (n.v.t. voor begeleiding groep); 4. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. c. kortdurend verblijf, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 86,90 per etmaal (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar).
afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.
c. kortdurend verblijf, in afwijking van sub a van dit lid, door: 1. een professionele organisatie: maximaal een kostprijs van € 86,90 per etmaal (prijspeil 2021), met een jaarlijkse indexering volgens de OVAindex (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar). 2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; d. Hulp bij het huishouden, in afwijking van sub a van dit lid door: 1. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.
e. regulier vervoer van en naar de dagbesteding, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal het bedrag van € 7,79 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar); voor rolstoelvervoer maximaal het bedrag van € 21,73 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel
2. een gediplomeerde zzp’er of freelancer: maximaal 80% van de kostprijs zoals bedoeld in onderdeel 1.; d. Hulp bij het huishouden, in afwijking van sub a van dit lid door: 1. Niet-professional in loondienst en/of naaste familie: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. e. regulier vervoer van en naar de dagbesteding, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal het bedrag van € 7,79 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar); voor rolstoelvervoer maximaal het bedrag van € 21,73 per dag (prijspeil 2021) met een jaarlijkse indexering volgens de OVA-index (uitgaande van de voorlopige index zoals bekend op Prinsjesdag van het voorafgaande jaar en eventueel aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar). f.
taxi- en rolstoeltaxivervoer, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal de kostprijs van de
aangepast op grond van de definitieve OVA-index van het lopende jaar). f.
taxi- en rolstoeltaxivervoer, in afwijking van sub a van dit lid: maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura zoals gecontracteerd voor het betreffende jaar, met een maximum van 2000 kilometers per jaar;
g. een zaak: 1. maximaal het bedrag van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten; 2. maximaal het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.
goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura zoals gecontracteerd voor het betreffende jaar, met een maximum van 2000 kilometers per jaar; g. een zaak: 1. maximaal het bedrag van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten; 2. maximaal het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.
Artikel 14.6.
Was Artikel 9.5.
Artikel 15.
Was Artikel 10.
Artikel 15.3.
Was Artikel 10.3.
Artikel 16.
Was Artikel 11.
Artikel 17.
Was Artikel 12.
Artikel 17.3.
Was Artikel 12.3.
Artikel 17.3.
Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een collectieve voorziening voor vervoer, ter hoogte van
Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een collectieve voorziening voor vervoer, ter hoogte van €0,94 per zone (prijspeil 2025), met een
vervalt
Dit lid vervalt omdat, er geen toeslag wordt toegekend.
De tarieven zijn aangepast naar 2025.
€0,91 per zone (prijspeil 2024), met een jaarlijkse indexering conform de Landelijke Tarieven Index (LTI). Artikel 18.
jaarlijkse indexering conform de Landelijke Tarieven Index (LTI).
Artikel 18. Controle en toezicht [Wmo/Jeugdwet]
1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verwijzingen door derden rechtmatig zijn. 3. Het college kan een onderzoek starten op basis van ontvangen informatie van andere instanties, zoals andere gemeenten, GGD, zorgverzekeraar of vanuit andere beleidsvelden zoals de Wmo 2015, de Participatiewet etc. 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot deze controle. 5. Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met he toezicht op de naleving van het bepaalde bij of op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 6.1. van de Wmo 2015.
Dit artikel regelt het toezicht op het gebruik van voorzieningen. Voor de Wmo 2015 mag het college zowel rechtmatigheid als doelmatigheid controleren. Bij jeugdhulp is het toezicht op grond van artikel 2.9 van de Jeugdwet beperkt tot rechtmatigheid. Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen met specifieke bevoegdheden, waaronder het opvragen van administraties en het controleren van naleving van beschikkingen en overeenkomsten. Medewerking aan het toezicht is verplicht. Deze bepaling beoogt de rechtmatige en doelmatige besteding van publieke middelen te waarborgen.
6. De aangewezen toezichthouder is, aanvullend op het gestelde in de Awb, Wmo 2015 en Jeugdwet, belast met: a. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; b. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder; c. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de contracten met het college naleeft; d. ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie. e. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.
Artikel 19.
Was Artikel 13.
Artikel 19.10.
Artikel 19.10. Ter voorkoming en bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik of niet gebruik van voorzieningen op grond van de Jeugdwet kan het college maatregelen treffen. Deze maatregelen kunnen onder meer bestaan uit: a. Het vooraf toetsen, bij een pgb- aanvraag, van de regiemogelijkheden van de ouder, jeugdige of beoogd wettelijk vertegenwoordiger, en van de kwaliteit van de zorgovereenkomst, mede met het oog op de te bereiken resultaten;
Dit lid geeft het college aanvullende mogelijkheden om misbruik, oneigenlijk gebruik of niet gebruik van voorzieningen te voorkomen. Zo mag het college een pgb- aanvraag vooraf toetsen of de jeugdige of diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger voldoende regie kan voeren en of de zorgovereenkomst passend is. Daarnaast kan het college een meldpunt instellen voor signalen van misbruik of onjuist gebruik. Deze bepalingen versterken het toezicht en dragen bij aan rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet.
b. Het instellen van een meldpunt waar signalen over misbruik, oneigenlijk gebruik en niet- gebruik van voorzieningen kunnen worden gemeld; Artikel 19.11.
Was Artikel 13.10.
Artikel 20.
Was Artikel 14.
Artikel 20.
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Dit wordt onder meer bereikt door:
1. Aanbieders die voorzieningen leveren op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet, zorgen voor een goede kwaliteit van dienstverlening. Dit houdt in ieder geval in dat:
a. het afstemmen van voorzieningen op de
a. voorzieningen worden afgestemd op de
Het artikel bevat geactualiseerde en uitgebreide bepalingen over de kwaliteit van dienstverlening door aanbieders. Nieuw ten opzichte van het oude artikel is de expliciete normering van veilige, doeltreffende, cliëntgerichte en resultaatgerichte levering van voorzieningen. Ook is de verplichting tot een klachtenregeling, medezeggenschap
persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt ontvangt; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Naast andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 3. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald.
persoonlijke situatie van de cliënt of jeugdige; b. voorzieningen worden afgestemd op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt of jeugdige of diens ouder of wettelijke vertegenwoordiger ontvangt; c. beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard, voor zover van toepassing; d. voorzieningen veilig, doeltreffend, cliëntgericht en resultaatgericht worden geleverd; e. de aanbieder beschikt over een toegankelijke klachtenregeling en voorziet in cliëntmedezeggenschap, voor zover wettelijk vereist; f.
de aanbieder medewerking verleent aan het cliëntervaringsonderzoek van de gemeente;
g. aanbieders voldoen aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van transparantie en
en jaarverantwoording verduidelijkt. Voor jeugdhulpaanbieders gelden aanvullende eisen, zoals een registratie in het BIG- register of SKJ, het voldoen aan het afsprakenkader Buitenlands Verblijf Jeugd en de Wet normering topinkomens. Verder zijn buitenlandse aanbieders buiten de EU uitgesloten. Het toezicht is versterkt door expliciete verwijzing naar gebruik van inspectiegegevens en meldingen van derden.
verantwoording, waaronder de jaarverantwoording, tenzij zij vallen onder een wettelijke uitzondering. 2. Aanvullend op het eerste lid gelden voor aanbieders van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet de volgende kwaliteitseisen: a. jeugdhulp wordt verleend in overeenstemming met paragraaf 4.1 van de Jeugdwet en artikel 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet; b. beroepskrachten zijn, voor zover vereist, geregistreerd in het BIGregister of het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ); c. de aanbieder levert de verplichte gegevens aan voor de jaarverantwoording in de zorg, tenzij sprake is van een wettelijke uitzondering, zoals bij solistisch werkende jeugdhulpverleners; d. jeugdhulpaanbieders die zorg leveren vanuit het buitenland, voldoen aan het Afsprakenkader Buitenlands Verblijf Jeugd;
e. jeugdhulp wordt niet geleverd door aanbieders die alle ondersteuning bieden buiten de lidstaten van de Europese Unie; f.
de aanbieder voldoet aan de Wet normering topinkomens.
3. Het college ziet toe op de naleving van de in dit artikel genoemde eisen, onder meer door: a. periodiek overleg met aanbieders; b. het uitvoeren van cliëntervaringsonderzoek; c. het uitvoeren van controles op geleverde voorzieningen, zo nodig in overleg met de cliënt, jeugdige, diens ouder of wettelijk vertegenwoordiger; d. het betrekken van inspectiegegevens en meldingen van derden bij het toezicht. 4. Het college kan in nadere regels aanvullende bepalingen opnemen ter uitvoering van dit artikel. Artikel 21.
Was Artikel 15.
Artikel 22.
Was Artikel 16.
Artikel 23.
Was Artikel 17.
Artikel 24.
Was Artikel 18.
Artikel 24.6.
Was Artikel 18.6.
Artikel 24.6.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding en de kwaliteit van de uitvoering bij de vaststelling van de tarieven die het college hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering op grond van de Jeugdwet, op ten minste de volgende kostprijselementen:
a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke Caoschalen in relatie tot de zwaarte van de functie.
a. cliëntgebonden en nietcliëntgebonden kosten van beroepskrachten;
Dit lid geeft een nadere invulling aan het vereiste van een reële prijs voor jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Door de genoemde kostprijselementen expliciet te benoemen wordt geborgd dat het college bij het vaststellen van de tarieven rekening houdt met de daadwerkelijke kosten van kwalitatieve dienstverlening.
b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten; d. kosten voor indexering.
Artikel 24.7.
Artikel 24.7. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden
Dit lid verplicht aanbieders die door het college zijn gecontracteerd of gesubsidieerd om bij uitbesteding van hun taken aan derden eveneens een reële prijs te hanteren. Deze prijs dient gebaseerd te zijn op dezelfde kostprijselementen als bedoeld in lid 6. Hiermee wordt
uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste 6.
Artikel 24.8.
voorkomen dat kwaliteit en arbeidsvoorwaarden onder druk komen te staan door onderbetaling binnen de onderaanneming.
Artikel 24.8. Het zesde en zevende lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
Artikel 25.
Was Artikel 19.
Artikel 26.
Was Artikel 20.
Artikel 27.
Was Artikel 21.
Artikel 28.
Was Artikel 22.
Artikel 29.
Was Artikel 23.
Artikel 30.
Was Artikel 24.
Bijlage 1.
Was Bijlage 1. Beschikbare voorzieningen Jeugd
Dit bepaalt dat de bepalingen uit lid 6 en 7 ook van toepassing zijn op subsidies, voor zover deze betrekking hebben op directe hulp aan jeugdigen of ouders of wettelijk vertegenwoordigers en het subsidiebedrag is gekoppeld aan de omvang van de verrichte prestaties. Hiermee wordt gewaarborgd dat ook via subsidieconstructies een reële prijs en daarmee adequate kwaliteitsborging geldt.
Bijlage 1. Beschikbare voorzieningen op grond van de Jeugdwet.
Deze bijlage specificeert welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen beschikbaar
Voorzieningen op grond van de Jeugdwet
zijn in het kader van de Jeugdwet. Ze vormt daarmee een nadere concretisering van het aanbod binnen het jeugddomein. De opsomming biedt duidelijkheid over het type hulp en de toegang daartoe. In onderdeel 3 is toegelicht dat het college bij inkoop of subsidie afspraken maakt over doelgroep, inhoud, duur, intensiteit en kwaliteit van de hulp. Daarmee sluit de bijlage aan op de wettelijke eisen van passende en doeltreffende jeugdhulp. Dyslexiezorg is als afzonderlijk onderdeel uitgewerkt vanwege de specifieke wettelijke kaders en toegangscriteria. Dit voorkomt onduidelijkheid over de doelgroep (leerlingen van 7-13 jaar) en het vereiste leerlingendossier. Vervoer is uitgewerkt om vast te leggen wanneer de gemeente aanvullend vervoer kan toekennen en onder welke voorwaarden dit past binnen het eigen kracht- beginsel. Hiermee wordt voorkomen dat vervoer automatisch als voorziening wordt toegekend als er nog eigen of voorliggende mogelijkheden zijn.
Bijlage 2.
Bijlage 2. Normale ontwikkeling en opvoedingsuitdagingen per leeftijdsgroep
Deze bijlage biedt een overzicht van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven per leeftijdsgroep, gebaseerd op het Nederlands Jeugdinstituut. Het overzicht is bedoeld als hulpmiddel bij de beoordeling van wat in redelijkheid verwacht mag worden van jeugdigen, diens ouders of wettelijke vertegenwoordiger. De opsomming is niet uitputtend en
moet altijd in samenhang met de individuele situatie worden geïnterpreteerd. De bijlage ondersteunt professionals bij het beoordelen van gebruikelijke hulp en de inzet van eigen kracht. Daarbij sluit de gemeente aan bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit de Beleidsregels indicatiestelling Wet langdurige zorg (versie 1 januari 2024). De levensfasen zijn ingedeeld naar de contexten waarin jeugdigen zich doorgaans ontwikkelen (gezin, school, peergroep, e.d.). Ontwikkeling verloopt niet bij ieder kind op dezelfde manier of in hetzelfde tempo. Dat vraagt om maatwerk bij de toepassing van dit overzicht. Bijlage 3.
Bijlage 3. Onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Jeugdwet.
Deze bijlage geeft uitvoering aan de onderzoeksverplichting van het college op grond van artikel 2.3. van de Jeugdwet. Het onderzoek richt zich op de hulpvraag van de jeugdige, diens ouders of wettelijk vertegenwoordiger, hun behoeften, omstandigheden en eigen mogelijkheden. Indien van toepassing worden ook psychiatrische, psychosociale of opvoedproblemen betrokken. De resultaten worden vastgelegd in een verslag, dat tevens als aanvraag geldt. Bij pgb wordt een budgetplan toegevoegd. Het college zorgt voor een begrijpelijke en tijdige verslaglegging, conform de procedurevoorschriften.