CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Commissie Omgeving 28 november 2022, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Bedrijvenpark De Loop, Echt'26.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Nota van vooroverlegreacties, zienswijzen en ambtshalve wijzigingen ontwerpbestemmingsplan "Bedrijvenpark De Loop, Echt" en ontwerpomgevingsvergunning

Inhoud 1.

Inleiding: a. Procedure b. Ingekomen vooroverlegreacties en zienswijzen c. Leeswijzer

2.

Samenvatting vooroverlegreacties en gemeentelijk standpunt

3.

Samenvatting zienswijzen en gemeentelijk standpunt

4.

(Ambtshalve) wijzigingen in bestemmingsplan

Vooroverlegreacties (7) en Zienswijzen (31, waarvan 17 ontvankelijk) Hoofdstuk 1 – Inleiding a. Procedure Het ontwerp van het bestemmingsplan "Bedrijvenpark De Loop, Echt" en de ontwerp omgevingsvergunning voor de realisatie van bedrijfsgebouwen binnen het plangebied hebben op grond van artikel 3.31 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vanaf 22 juli 2022 gedurende zes weken (derhalve tot en met 1 september 2022) voor eenieder ter inzage gelegen in het gemeentehuis, Nieuwe Markt 55 te Echt. Hierbij is de mogelijkheid geboden binnen deze termijn schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Een en ander is conform het daartoe in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht bepaalde openbaar bekendgemaakt middels publicatie op 21 juli 2022 in het Gemeenteblad en 't Waekblaad, alsmede op het gemeentelijke publicatiebord en de gemeentelijke website (www.echt-susteren.nl) en via www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast is met een aantal (overheids)instanties, die een belang bij dit plan hebben, vooroverleg gevoerd. Ook hun reacties worden weergegeven. b. Ingekomen vooroverlegreacties en zienswijzen Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan zijn schriftelijke zienswijzen en vooroverlegreacties ingekomen van/namens: Vooroverlegreacties: Nr Naam

Adres

Woonplaats

A Provincie Limburg

Postbus 5700 6202 MA

Maastricht

9-6-2022 (per mail)

B Rijkswaterstaat Zuid-Nederland

Postbus 2232 3500 GE

Utrecht

9-5-2022

C Gasunie Transport Services N.V.

Postbus 181 9700 AD

Groningen

2-5-2022

Pagina 1 van 66 - REFNUMBER

Datum van ontvangst

D Waterschap Limburg

Postbus 2207 6040 CC

Roermond

18-5-2022 (per mail)

E TenneT

Postbus 718 6800 AS

Arnhem

13-4-2022 (per mail)

F Enexis Netbeheer B.V.

Postbus 856 5201 AW

Den Bosch

19-4-2022 (per mail)

G PPS Pipelines

Postbus 200 6160 AE

Geleen

13-4-2022 (per mail)

1 Rijkswaterstaat Zuid-Nederland

Postbus 2232 3500 GE

Utrecht

25-8-2022 (per post)

2 Particulier

-

-

30-8-2022 (per post)

3 Provincie Limburg

Postbus 5700 6202 MA

Maastricht

31-8-2022 (per post)

4. Stichting Leefbaar Berkelaar

-

-

1-9-2022 (per post)

5 Particulier

-

-

29-8-2022 (per mail)

6 Particulier

-

-

29-8-2022 (per mail)

7 Particulier

-

-

29-8-2022 (per mail)

8 Particulier

-

-

29-8-2022 (per mail)

9 Particulier

-

-

30-8-2022 (per mail)

10 Stichting Ad Arbitrium Nostrum

-

-

29-8-2022 (per mail)

11 Particulier

-

-

30-8-2022 (per mail)

12 Particulier

-

-

31-8-2022 (per post)

Zienswijzen:

Pagina 2 van 66 - REFNUMBER

13 Particulier

-

-

30-8-2022 (per post)

14 Particulier

-

-

31-8-2022 (per post)

15 Particulier

-

-

31-8-2022 (per post)

16 Particulier

-

-

31-8-2022 (per post)

17 Particulier

-

-

29-8-2022 (per mail)

18 Natuur- en Milieufederatie Limburg

Kapellerpoort 1 6041 HZ

Roermond

1-9-2022 (per post)

19 Stichting Burgerbelangen EchtSusteren

-

-

2-9-2022 (per mail)

20 Heemkundekring Echter Landj

-

-

31-8-2022 (per mail)

21 Particulier

-

-

31-8-2022 (per mail)

22 Particulier

-

-

30-8-2022 (per post)

23 Particulier

-

-

31-8-2022 (per mail)

24 Particulier

-

-

29-8-2022 (per mail)

25 Particulier

-

-

1-9-2022 (per mail)

26 Particulier

-

-

2-9-2022 (per mail)

27 Particulier

-

-

2-9-2022 (per post)

28 Particulier

-

-

5-9-2022 (per mail)

29 Particulier

-

-

5-9-2022 (per mail)

30 Particulier

-

-

5-9-2022 (per mail)

Pagina 3 van 66 - REFNUMBER

31 Particulier (zienswijze)

-

-

9-9-2022 (per post)

De reacties en zienswijzen zijn deels binnen de daartoe voorgeschreven termijn ingediend (blijkens onder andere de gemeentelijke ontvangstbevestiging), te weten alle vooroverlegreacties en de zienswijzen van de reclamanten 1 tot en met 18, 20 tot en met 25, 27 en 31 die ontvankelijk te achten zijn. De reclamanten 18, 26 en 28 tot en met 30 zijn niet-ontvankelijk vanwege een te late indiening. De reclamanten 5 t/m 7, 10 t/m 12 en 14 t/m 16 hebben een pro forma zienswijze ingediend. In plaats van de gebruikelijke twee weken termijn om de gronden van de zienswijzen in te dienen is een vier weken termijn gegund. Desondanks hebben deze reclamanten niet (tijdig) van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt om de gronden van de zienswijzen kenbaar te maken. Deze zienswijzen moeten dan ook buiten verdere behandeling worden gelaten. In totaal zijn 31 zienswijzen ingediend, waarvan 17 zienswijzen ontvankelijk zijn. Een aantal zienswijzen is (nagenoeg) identiek, hetgeen bij de beantwoording ertoe kan leiden dat naar de beantwoording van een gelijkluidende zienswijze wordt verwezen. De zienswijzen leiden tot een aantal sterke verbeteringen van het plan. In die zin is dus tegemoet gekomen aan een groot aantal zienswijzen als gevolg van de reacties die zijn binnengekomen. Kort samengevat zien de belangrijkste verbeterslagen er als volgt uit:

Pagina 4 van 66 - REFNUMBER

Aard en omvang bebouwing Hoewel het gebouw bij de omgevingsvergunning is aangevraagd met een hoogte van 14 meter, bood het ontwerpbestemmingsplan de mogelijkheid om gedeeltelijk hoger te bouwen tot 24 meter en via een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid zelfs tot 30 meter. Van deze grotere bouwhoogten wordt nu duidelijk afstand genomen. Vele indieners van zienswijzen hebben grote bezwaren geuit tegen een gebouw dat mogelijk 30 meter hoog zou kunnen worden. De bouwhoogte wordt dus teruggebracht naar 14 meter. Eén van de voordelen van het plan was dat voor een aanzienlijk gedeelte van het gebied de bestemde milieucategorie 5.1 zou worden weggesaneerd (bestemmingsplan De Loop 2012, 1e herziening). In het ontwerpbestemmingsplan zat echter nog steeds de mogelijkheid om via een binnenplanse afwijkingsprocedure deze milieucategorie 5.1 te kunnen toestaan. Ook daar wordt nu nadrukkelijk afstand van genomen. De toe te laten milieucategorie wordt teruggebracht naar 3.2. Verkeer Veel indieners van zienswijzen hebben zich afgevraagd of het verkeersmodel dat is gehanteerd wel accuraat en actueel is. Daarom is de robuustheid van het verkeersmodel nog eens extra gecontroleerd door onder andere de beheerder van het verkeersmodel (RHDHV). Hieruit volgt nog steeds dat er als gevolg van de ontwikkeling van Bedrijvenpark De Loop niet of nauwelijks problemen op het wegennet zijn te verwachten.

Als extra check zijn in september 2022 ook feitelijke verkeerstellingen gedaan op de beide rotondes nabij de A2. Hieruit volgt onder andere dat de huidige verkeersintensiteiten (ruim) onder de geprognostiseerde intensiteiten van het verkeersmodel liggen. De robuustheid van het verkeersmodel kan hiermee dus worden bevestigd. Een aantal indieners van zienswijzen maakt zich zorgen over de toename van verkeer door de kern Berkelaar. Dit kan sluipverkeer zijn als gevolg van files op de A2 of van bedrijven op het (bestaande) terrein De Loop-west (bijvoorbeeld Remondis).De gemeente gaat dit concreet oppakken en zal een apart besluit nemen om het sluipverkeer door Berkelaar te stoppen c.q. te voorkomen door een gedeeltelijke afsluiting van de Oude Lakerweg en de Breulderweg voor gemotoriseerd verkeer. Er zal worden gewerkt met flexibele palen waardoor de wegen toegankelijk blijven voor landbouwvoertuigen en calamiteitenverkeer. Ook zullen bedrijven die vanwege de bedrijfsactiviteiten toegang tot het gebied moeten hebben per vrachtwagen bij uitzondering een sleutel kunnen krijgen waarmee de palen naar beneden kunnen worden gehaald. Landschap Enkele indieners van zienswijzen plaatsen twijfels bij de daadwerkelijk realisatie en kwaliteit van het groenplan.

In overleg met de initiatiefnemer zijn daarom gerichte aanpassingen en verbeteringen aangebracht in het landschappelijk inpassingsplan/groenplan waardoor de kwaliteit van het plan nog verder is toegenomen. De gemeente zal er nadrukkelijk op toezien dat het groenplan ook zal worden gerealiseerd, zoals opgenomen in de plannen. Daarover zijn niet alleen in het bestemmingsplan maar ook in de met de initiatiefnemer gesloten exploitatieovereenkomst harde afspraken gemaakt. Inmiddels zijn ook alle (aanvullende) onderzoeken op het gebied van de soorten- en gebiedsbescherming afgerond en de benodigde ontheffingen, nodig op basis van de Wet natuurbescherming, zijn aangevraagd bij het bevoegd gezag (provincie Limburg): voor de muurhagedis en twee vliegroutes voor vleermuizen en voor de compensatie van houtopstanden.

Pagina 5 van 66 - REFNUMBER

c. Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de vooroverlegreacties en in hoofdstuk 3 de zienswijzen samengevat en wordt vervolgens het gemeentelijk standpunt (en eventuele planaanpassingen) weergegeven. De samenvattingen van de reacties en zienswijzen hebben overigens alleen tot doel de leesbaarheid van dit (zienswijzen)rapport te vergroten. Bij de beoordeling van de reacties en zienswijzen zijn de volledige mails respectievelijk brieven, zoals deze bij de gemeente zijn ingediend en kenbaar gemaakt, meegenomen. In hoofdstuk 3 is een overzicht opgenomen van de (ambtshalve) aanpassingen die in het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Echt-Susteren, 14 december 2022

De raad van de gemeente Echt-Susteren Dr. J.W.M.M.J. Hessels, burgemeester Mr. M.M.W.H.Y. Hermans, griffier

Pagina 6 van 66 - REFNUMBER

Hoofdstuk 2 – Samenvatting vooroverlegreacties en gemeentelijk standpunt A.

Provincie Limburg (vooroverlegreactie), ingekomen d.d. 9 juni 2022 (per mail)

Samenvatting vooroverlegreactie 

De commissie RLN onderschrijft de noodzaak tot het komen tot grip op de vestiging van grootschalige bedrijvigheid. De ontheffingsmogelijkheid bij regionale meerwaarde voor een grotere kavelomvang dan 5 ha zal komende periode in overleg met de betrokkenen worden uitgewerkt. Besluitvorming is nog dit jaar voorzien.

Op basis van het POVI basisprincipe zorgvuldig ruimtegebruik moet de regionale meerwaarde van de ruimte die ter beschikking wordt gesteld vooraf zeker kunnen worden gesteld.

Bij een kleinere ruimteclaim, kleinschalige opzet, zou het ontwerp een wenselijker karakter kunnen krijgen met daarbij behoud van waardevolle kwaliteiten van de oude bewoning Slagmolen inclusief omliggend groen en historische wegen en de Molenbeek.

Er is extra onderzoek nodig naar de toename van het aantal verkeersbewegingen op enkele ontsluitingswegen die in de huidige situatie op piekmomenten al zwaar belast zijn.

De onderzoeken naar de beschermde soorten zijn nog niet volledig afgerond en eventuele mitigatie en compensatie is nog niet voldoende uitgewerkt.

De optie van behoud van bos dient onderzocht te zijn.

Standpunt gemeente na vooroverleg 

De vooroverlegreactie ziet op een mogelijke op handen zijnde beleidswijziging ten aanzien van de omvang van bedrijventerrein ontwikkelingen. Van het sonderend stuk "Grip op grootschalige bedrijvigheid" dat in de Statencommissie RLN is behandeld, is kennisgenomen. Deze aanzet, zoals het stuk wordt genoemd, spreekt van een mogelijk te hanteren maximale kavelomvang van 5 ha, waarbij het niet de bedoeling is de kavelomvang als absoluut maximum te hanteren. Sturing op aspecten als kwaliteit van locaties, regionaal DNA en ruimtelijke inpassing dient nog in voorstellen te worden uitgewerkt. Hetzelfde geldt voor objectieve criteria die onder de noemer "regionale meerwaarde" grotere kavels mogelijk maken. Er is nog geen sprake van een concreet (voorstel tot) beleid, waaraan toetsing mogelijk is. Ook was op dat moment nog geen sprake van verdere besluitvorming waaraan toetsing mogelijk zou zijn. Overigens is geheel onverplicht en in samenspraak met de provincie in de exploitatieovereenkomst een inspanningsverplichting opgenomen, waarmee is geanticipeerd op toekomstig provinciaal beleid. De provincie heeft daarvoor waardering uitgesproken, maar lijkt (gezien de zienswijze, zie hierna) desalniettemin een strengere toets dan toelaatbaar is, te hanteren. In het kader van de zienswijze van de provincie wordt nog verder op dit thema ingegaan.

Ondanks het ontbreken van een concreet en objectief, rechtsgeldig, toetsingskader is als bijlage 36 bij de plantoelichting de notitie "Regionale waarde Bedrijvenpark De Loop, Echt", opgenomen. Daarin is nader onderbouwd dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte en dat het een kwalitatief hoogwaardige ontwikkeling vormt. Ook volgt daaruit dat juist de clustering van gebouwen en gebouwdelen vele voordelen oplevert: het maakt de bebouwing multifunctioneel, voor kleinschalige bedrijven, bedrijfsverzamelgebouwen, combinaties met value added services, productiebedrijven en ook opslag. De clustering biedt zowel op het vlak van de groeninpassing, zuinig ruimtegebruik, veiligheid en

Pagina 7 van 66 - REFNUMBER

verkeersafwikkeling belangrijke voordelen. Dit alles in de genoemde bijlage 36 bij de plantoelichting verder uitgewerkt. 

De oude bewoning Slagmolen kent geen cultuurhistorisch waardevolle kwaliteiten. De aanwezige waardevolle kwaliteiten zijn opgenomen in het recente bestemmingsplan "Cultuurhistorie Echt-Susteren" en de oude bewoning Slagmolen behoort daar niet toe. Ook de nadere inventarisatie die voor dit bestemmingsplan is uitgevoerd en in de bijlagen bij de plantoelichting is opgenomen (bijlage 22) leidt niet tot de conclusie dat sprake is van waardevolle bebouwing. Voor deze nadere inventarisatie is ook buro RAAP, dat eerder de cultuurhistorische kwaliteiten in de gemeente en in het plangebied als onafhankelijk deskundige beoordeelde geraadpleegd. Slagmolen 2 dateert van 1964 en daarom als ‘te jong’ en Slagmolen 1 dateert van voor 1940, maar is niet aangemerkt als karakteristiek. Met het landschappelijke inpassingsplan, dat middels een voorwaardelijke verplichting en middels de exploitatieovereenkomst is geborgd en dient te worden gerealiseerd, is verzekerd dat in het plangebied voldoende groen wordt gerealiseerd en wel op een wijze die recht doet aan de bebouwing die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. De groene inpassing leidt tot een eindbeeld dat kwalitatief gelijkwaardig, zo niet beter, is dan wanneer sprake zou zijn van een kleinschalige opzet of een kleinere ruimteclaim.

Een en ander is nader beschreven in bijlage 22 (memo cultuurhistorie De Loop), zoals gevoegd bij de plantoelichting. Ook ten aanzien van de Molenbeek is daarin nader onderbouwd dat de opwaardering ervan in het plangebied een positieve bijdrage aan het functioneren van de beek levert, zoals deze ooit in het verleden is aangebracht.

Er is geen extra onderzoek nodig naar de toename van het aantal verkeersbewegingen op enkele ontsluitingswegen die in de huidige situatie op piekmomenten al zwaar belast zijn. Zowel de toename van het aantal verkeersbewegingen vanwege het bestemmingsplan als de toename van het verkeer in de autonome situatie is in de verkeersonderzoeken betrokken. De bijlagen 28 en 29 van de plantoelichting (en ook een nadere memo naar aanleiding van de ingediende zienswijzen, die bijlage 29 bij de plantoelichting zal vervangen) leiden tot de conclusie dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein geen negatieve gevolgen voor de afwikkeling op de rijksweg heeft en daarmee ook niet op de ontsluitingswegen van en naar de rijksweg A2. Hierop wordt in het kader van de zienswijze nog nader ingegaan. In verband met de autonome ontwikkelingen, die op termijn nog een extra belasting met zich brengen, is de aanbeveling gedaan om de voorrangssituatie Havenweg – Oude Lakerweg om te keren. Deze maatregel zal te zijner tijd worden getroffen. Praktische maatregelen die nu reeds wenselijk zijn, aanpassing van de rotonde op de Aasterbergerweg, ten westen van de A2 en aansluitend op de Havenweg en Oude Lakerweg, alsmede delen van de Havenweg, zullen in het kader van deze planontwikkeling worden uitgevoerd. Dat is in de exploitatieovereenkomst met initiatiefnemer vastgelegd.

De opmerking dat de onderzoeken naar beschermde soorten nog niet volledig waren afgerond ten tijde van het verzoek om een vooroverlegreactie is juist. Inmiddels zijn deze onderzoeken afgerond en voor zover ontheffingen op grond van de Wnb zijn vereist, zijn deze aangevraagd. Uit de onderliggende stukken blijkt dat zicht bestaat op de verlening ervan. Het nog uit te voeren onderzoek zag op nader onderzoek naar de aanwezigheid van de steenmarter, de grote vos, de teunisbloempijlstaart en eventuele broedlocaties van roofvogels, de grote gele kwikstaart, de huismus en de boerenzwaluw. Tot slot diende het onderzoek met betrekking tot vleermuizen te worden afgerond. Dat alles heeft inmiddels plaatsgevonden en de resultaten laten zien dat met een tweetal ontheffingen die kunnen worden verleend geen beletselen voor de realisatie van het plan bestaan. Hieronder bij de bespreking van de zienswijze van de provincie (en anderen) wordt hierop nog verder ingegaan.

Van te behouden bos is geen sprake. De (verwaarloosde) houtopstand die op een deel van het beoogde terrein aanwezig is, heeft geen relevante waarde. Een en ander is beschreven

Pagina 8 van 66 - REFNUMBER

in de bij de toelichting behorende bijlage 26 (houtopstanden plangebied). In het kader van de beantwoording van de zienswijze wordt hierop nog nader ingegaan. Conclusie na vooroverleg Met het opnemen van bijlage 36 bij de plantoelichting (onderbouwing regionale meerwaarde, behoefte en kwalitatief hoogwaardige ontwikkeling), zomede met het opnemen van een inspanningsverplichting regionale meerwaarde in de exploitatieovereenkomst is onverplicht rekening gehouden met mogelijk toekomstig beleid. Het groene inpassingsplan borgt een goede landschappelijke inpassing met toevoeging van kwaliteit aan het landschap. Met de overige onderdelen van de vooroverlegreactie is rekening gehouden. Deze vooroverlegreactie heeft geleid tot aanvulling van de toelichting van dit plan.

B.

Rijkswaterstaat Zuid-Nederland (vooroverlegreactie), ingekomen d.d. 9 mei 2022

Samenvatting vooroverlegreactie 

Rijkswaterstaat heeft geen bezwaar tegen het verleggen van de Oude Lakerweg naar de overlegzone langs de A2. Het plan mag niet in strijd zijn met het tracébesluit A2 Het Vonderen – Kerensheide en bij de planning moet rekening worden gehouden met de realisatiefase van de verbreding van de A2.

Aangetoond moet worden dat er geen terugslag op de A2 of verlichtingshinder voor de weggebruiker plaatsvindt. Vrachtverkeer mag de stabiliteit van de Kanaaldijk niet in gevaar brengen. De afwatering zal niet plaatsvinden op water en sloten in beheer van Rijkswaterstaat.

Aandacht wordt gevraagd voor de plangrens. Deze dient buiten het tracébesluit A2 Het Vonderen – Kerensheide te liggen.

De gebiedsaanduiding vrijwaringszone weg, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, wordt gemist.

Verzocht wordt om een nader overleg over de verkeersanalyse.

Het landschappelijk inpassingsplan ziet er degelijk uit en leidt niet tot het maken van opmerkingen. Verzocht wordt Rijkswaterstaat te betrekken bij de nadere uitwerking van de beplanting nabij de A2 en het Julianakanaal.

Standpunt gemeente na vooroverleg 

Met de opmerkingen die betrekking hebben op overleg in de realisatiefase zal te zijner tijd rekening worden gehouden. Deze leiden niet tot een planaanpassing.

De gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone weg’ is alsnog opgenomen.

Overleg over de verkeersanalyse heeft ten genoegen van Rijkswaterstaat plaatsgevonden.

Kennis is genomen van de positieve reactie op de verlegging van de Oude Lakerweg en de positieve reactie op het landschappelijk inpassingsplan.

Pagina 9 van 66 - REFNUMBER

Conclusie na vooroverleg Met de vooroverlegreactie is rekening gehouden door het opnemen van de gebiedsaanduiding vrijwaringszone weg en het voeren van het gevraagde nadere overleg. Deze vooroverlegreactie heeft geleid tot aanvulling van de regels en de verbeelding van dit plan.

C.

Gasunie Transport Services B.V. (vooroverlegreactie), ingekomen d.d. 2 mei 2022

Samenvatting vooroverlegreactie 

Gasunie verzoekt een voorrangsbepaling en specifieke gebruiksregels op te nemen, alsmede een tekstvoorstel voor het artikel leiding – gas, opdat belangen van de gastransportleiding worden geborgd.

Standpunt gemeente na vooroverleg 

De vooroverlegreactie is in de regels verwerkt en heeft geleid tot aanvulling van de regels van dit plan.

Conclusie na vooroverleg De vooroverlegreactie heeft geleid tot aanvulling van de regels van dit plan.

D.

Waterschap Limburg (vooroverlegreactie), ingekomen d.d. 18 mei 2022

Samenvatting vooroverlegreactie 

Geen opmerkingen. De uitgangspunten en voorwaarden die besproken zijn tijdens het overleg, zijn voldoende opgenomen in het bestemmingsplan.

Standpunt gemeente na vooroverleg 

De positieve vooroverlegreactie is voor kennisgeving aangenomen.

Conclusie na vooroverleg De vooroverlegreactie leidt niet tot een aanpassing van dit plan.

E.

TenneT (vooroverlegreactie), ingekomen d.d. 13 april 2022

Samenvatting vooroverlegreactie 

TenneT heeft geen opmerkingen naar aanleiding van het plan en wenst succes met de verdere uitwerking ervan.

Pagina 10 van 66 - REFNUMBER

Standpunt gemeente na vooroverleg 

Van de positieve vooroverlegreactie is kennisgenomen.

Conclusie na vooroverleg De vooroverlegreactie leidt niet tot een aanpassing van het plan.

F.

Enexis Netbeheer B.V. (vooroverlegreactie), ingekomen d.d. 19 april 2022

Samenvatting vooroverlegreactie 

Enexis heeft geen opmerkingen op het plan. Zodra het een vastere vorm gaat krijgen, zal Enexis een en ander moeten aanleggen c.q. verleggen.

Standpunt gemeente na vooroverleg 

Van de positieve vooroverlegreactie is kennisgenomen. Conclusie na vooroverleg De vooroverlegreactie leidt niet tot een aanpassing van het plan.

G.

PPS Pipelines (vooroverlegreactie), ingekomen d.d. 13 april 2022

Samenvatting vooroverlegreactie 

De pijpleiding van PPS Pipelines valt ver buiten het plangebied, zodat geen bezwaar of aanvullingen bestaan.

Standpunt gemeente na vooroverleg 

Van de vooroverlegreactie is kennisgenomen. Conclusie na vooroverleg De vooroverlegreactie leidt niet tot een aanpassing van het plan.

Pagina 11 van 66 - REFNUMBER

Hoofdstuk 3 - Samenvatting zienswijzen en gemeentelijk standpunt

1. Rijkswaterstaat Zuid-Nederland (zienswijze), ingekomen d.d. 25 augustus 2022 Samenvatting zienswijze 

Een klein deel van het plangebied ligt binnen het tracébesluit A2 Het VonderenKerensheide. De begrenzing van het ontwerpbestemmingsplan dient daarop te worden aangepast.

Standpunt gemeente 

De verbeelding wordt hierop aangepast. Conclusie Deze zienswijze leidt tot een aanpassing van de verbeelding.

2.

Zienwijze K. Hannen-Curvers, ingekomen d.d. 30 augustus 2022

Samenvatting zienswijze 

Geen burgerparticipatie Er is geen sprake geweest van participatie. Tijdens de prestentatie was het plan al afgehandeld. Er is gesproken van een hoogte van 14 meter. Er kan later nog een gewijzigd plan van 24 meter worden ingediend. Reclamant lijkt zich daar niet in te kunnen vinden.

Verkeerschaos Het is nu al erg druk tijdens de spits. De combinatie van deze ontwikkeling en de Jumbo XL, foodhall en het nieuwe hotel gaat uitdraaien op een verkeerschaos. De plannen moeten nog op het verkeersnet worden aangesloten. Er wordt nu al veel hinder ervaren door de buurtbewoners. Vrachtverkeer van Remondis rijdt nu al in beide richtingen door de Kapelstraat.

Smalste stukje Nederland De smalle groene taille is niet meer groen te noemen. Er zijn genoeg vierkante meters die vrij zijn op het industriegebied en die opgevuld kunnen worden.

Bestaande akkerbouwgrond moet blijven Alles wordt "dichtgetimmerd". Er blijft niet genoeg akkerbouw over voor alle mensen en dieren in Nederland.

Mooie knooppuntenroute Het gebied van de Oude Lakerweg maakt deel uit van de knooppuntenroute. Dit gaat verdwijnen. Wandelen tussen loodsen is niet recreëren en daarom moeten de loodsen er niet komen.

Noodzaak niet beschreven Uit publicaties van de provincies blijkt dat megaloodsen na 2030 overbodig zullen zijn. De economie is instabiel en de loodsen kunnen leeg komen te staan. De CO2-uitstoot is niet meer relevant. Onduidelijk is wie er gaat werken, gelet op het personeelstekort, en waar de bouwmaterialen vandaan komen.

Pagina 12 van 66 - REFNUMBER

Standpunt gemeente Een burgerparticipatieproces maakt geen voorgeschreven deel uit van de voorbereidingsprocedure. De initiatiefnemer heeft desalniettemin meerdere presentaties van de plannen gegeven, ook burgerparticipatie. Op 12 april 2022 zijn de plannen aan belanghebbenden en direct omwonenden gepresenteerd. Op 7 en 13 juni 2022 is de ontwikkeling aan de bewoners van Berkelaar gepresenteerd. Op 28 juni 2022 is er een inloopbijeenkomst geweest voor de bewoners van Echt-Susteren (informatiebijeenkomst in het kader van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan). Hiermee zij aangegeven dat wel degelijk burgerparticipatie heeft plaatsgevonden ondanks het ontbreken van een wettelijke verplichting daartoe. Ook is aan indieners van een pro forma zienswijze een extra termijn van 4 weken geboden om de zienswijze inhoudelijk aan te vullen. Ook is de raad tijdig geïnformeerd. Op 21 april 2022 heeft de raad een besluit genomen inzake toepassing van de coördinatieprocedure. Op 23 mei 2022 is door initiatiefnemer een presentatie aan de gemeenteraad gehouden tijdens een openbare raadsconferentie. 

De hoogte van de bebouwing die het bestemmingsplan mogelijk maakt is in het licht van het inmiddels ingediende concrete bouwplan, dat samen met het bestemmingsplan zal worden vastgesteld nog goed nader bekeken. Het ontwerpbestemmingsplan kent een zuidelijk deel, waarin een bouwhoogte van 24 meter is toegestaan en een noordelijk deel, waarin een bouwhoogte van 14 meter is toegestaan. De bouwhoogte voor het gehele plangebied zal worden teruggebracht naar 14 meter, hetgeen overeenstemt met het concrete bouwplan. De beperking van de toegelaten hoogte heeft consequenties voor de verbeelding en de regels, die zullen worden aangepast, maar het heeft geen consequenties voor het bouwplan.

Het verkeer rondom het plangebied is onderwerp van uitvoerig onderzoek geweest. Daarbij heeft in verband met de aanwezigheid van de A2 ook overleg met Rijkswaterstaat (en de beheerder van het model Royal Haskoning DHV) over de te hanteren worstcasemodellen en benadering plaats gevonden, zodat sprake is van een robuuste benadering van de mogelijke verkeersgevolgen. Rijkswaterstaat heeft te kennen gegeven zich in de aanpak en resultaten te kunnen vinden. Het bestemmingsplan heeft een beperkte bijdrage aan de toename van het verkeer. De grootste bijdrage vormt de autonome ontwikkeling van het verkeer. De verkeersgeneratie is opnieuw berekend voor zowel een invulling met gemengde bedrijvigheid als voor een invulling met louter logistieke bedrijvigheid. Voor beide situaties is de berekening uitgevoerd op basis van het exacte deel van het plangebied dat de bestemming bedrijventerrein heeft gekregen, te weten 15,07 ha. Op grond van de CROW-richtlijnen dient de verkeersgeneratie immers te worden bepaald aan de hand van de oppervlakte terrein die bestemming bedrijventerrein heeft gekregen. De conclusie ten aanzien van verkeer is dat geen sprake is van nieuwe knelpunten als gevolg van het plangebied c.q. het plan.

Vanwege de autonome verkeersontwikkeling kan tegen het jaar 2030 sprake zijn van een mogelijk knelpunt, een lange wachtrij op de oprit van de A2 richting noorden (zie figuur verkeersstructuur hieronder, meetpunt 202).

Pagina 13 van 66 - REFNUMBER

Van de op deze figuur met een nummer voorziene meetpunten zijn met het verkeersmodel de wachtrijlengtes voor de verschillende situaties berekend. De tabel met uitkomsten is hieronder weergegeven. Een mogelijk knelpunt is oranje. De kleur groen betekent dat er geen knelpunt is.

In de tabel is te zien dat er één knelpunt is, te weten meetpunt 202, waarbij dat knelpunt zich in de autonome situatie al voordoet in de avondspits (AS) en dat knelpunt ook niet groter wordt in de verschillende plansituaties. De situatie in de tabel ‘Ref 2030’ ziet op de situatie die zonder planontwikkeling ontstaat in 2030. De situatie 1A ziet op het oorspronkelijk beoordeelde plangebied als gemengd bedrijventerrein en 1B ziet op het oorspronkelijk beoordeelde plangebied als distributieterrein. De situatie 2A ziet op het vast te stellen bestemmingsplangebied als gemengd bedrijventerrein en situatie 2B ziet op het vast te stellen bestemmingsplangebied als distributieterrein, zodat alle varianten in het verkeersonderzoek zijn betrokken. Verkeerstellingen Om de juistheid van het gehanteerde verkeersmodel te toetsen hebben verkeerstellingen plaatsgevonden (tellingen in motorvoertuigen/uur). De uitkomsten daarvan zijn als bijlage aan bijlage 29 (oplegnotitie verkeer) toegevoegd. De uitkomst is onder meer dat voor de maatgevende avondspits de intensiteiten in de tellingen ruim onder de intensiteiten die het model hanteert, liggen. Vooral voor de afrit van de A2 Noord is sprake van een fors verschil en ook dat blijkt uit onderstaande grafiek uit dit rapport:

Pagina 14 van 66 - REFNUMBER

Ook is gebleken dat de oversteekbaarheid van de afrit A2 en de aantakking van de Havenweg redelijk tot goed is. Het gehanteerde model is ook daarom robuust en worst case te noemen. Met het oog op beide ontwikkelingen is met de initiatiefnemer afgesproken dat de rotonde op de Aasterbergerweg, ten westen van de A2 en aansluitend op de Havenweg en Oude Lakerweg, alsmede delen van de Havenweg voor rekening van de ontwikkelaar worden aangepast. Het plangebied wordt in zuidelijke richting (bedrijventerrein de Loop) ontsloten en niet in noordelijke richting (Berkelaar). Enkele praktische maatregelen gaan het ontstaan van eventueel sluipverkeer richting Berkelaar tegen. De Oude Lakerweg en de Breulderweg zullen gedeeltelijk worden afgesloten met uitneembare flexibele palen, waarvan er één komt te staan op de kruising Oude Lakerweg/Slagmolen en de andere net voorbij de manege (aan de westzijde). Door met flexibele palen te werken zijn de wegen bereikbaar voor langzaam verkeer en tractoren, maar niet meer voor autoverkeer en vrachtwagens. Calamiteitenverkeer zal wel van de wegen gebruik kunnen maken omdat de palen uitneembaar zijn. Een en ander zal middels begeleidende bebording en een apart te nemen en uit te werken verkeersbesluit vorm worden gegeven. 

De ontwikkeling van het bedrijventerrein is niet nieuw. Reeds in de structuurvisie EchtSusteren 2025 is de ontwikkeling van dit gebied tot bedrijventerrein voorzien. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voorzien in een groene inpassing die leidt tot een hoogwaardige landschappelijke inpassing, in de vorm van een stevige groene rand, waardoor het groen tevens afscherming biedt tegen de bebouwing en overige verstedelijkte eigenschappen. Met een voorwaardelijke verplichting en een privaatrechtelijke borging in de exploitatieovereenkomst is de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan geborgd. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 2 bij de regels opgenomen, het groenplan dat daar een verdere onderbouwing aan geeft als bijlage 3.

Niet is gebleken van een behoefte aan behoud van de akkerbouwgrond. Reclamant heeft die vermeende behoefte ook niet onderbouwd.

De knooppuntenroute blijft en de recreatieve functie wordt middels de Nieuwe oude Lakerweg versterkt, doordat het verkeer voor het bedrijvenpark uitsluitend via de Havenweg wordt geleid, zodat de nieuwe Oude Lakerweg uitsluitend voor gebruik door recreanten en plaatselijk verkeer is. In het kader van de verbreding van de A2 wordt door Rijkswaterstaat de Oude Lakerweg ten zuiden van het plangebied voorzien van bomenrijen. De verlegde Oude Lakerweg in het plangebied wordt in feite daarop aangesloten en deze wordt voorzien van een dubbele bomenlaan. Langs het fiets- en wandelpad dat aan de zuidzijde van het bedrijvenpark (deels langs de Molenbeek) tussen het bestaande bedrijventerrein De Loop en het bedrijvenpark wordt aangelegd, worden bomenrijen aangeplant en op diverse plaatsen in het plangebied worden dichte

Pagina 15 van 66 - REFNUMBER

bosschages aangeplant. Naast groene gevels krijgt het plangebied uitlopers met bomen, heesters en natuurvriendelijke oevers. Ook de parkeerterreinen worden groen ingericht. De landschappelijke kwaliteit wordt met het landschappelijk inpassingsplan verbeterd. Ook voor de recreant wordt het gebied zo aantrekkelijk mogelijk ingericht. De negatieve gevolgen van de mogelijk gemaakte bebouwing worden met groene maatregelen gemitigeerd. 

Het al dan niet bestaan van een noodzaak vormt geen criterium om een ruimtelijk plan al dan niet vast te stellen. Wel dient uiteraard behoefte aan de ontwikkeling te bestaan. Deze behoefte aan bedrijventerrein bestaat zowel kwantitatief als kwalitatief en zowel voor de regionale bedrijvigheid als voor grootschalige bedrijvigheid. In bijlage 4 van de plantoelichting, de laddertoets, is die behoefte aan bedrijventerrein nader onderbouwd. Economische verwachtingen van reclamant vormen geen aanleiding het bestemmingsplan niet verder in procedure te brengen. In Nederland is een omslag in de distributieve keten gaande, waarbij in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van grootschalige distributiecentra om fijnmazige distributie in en om steden mogelijk te maken. Dat grootschalige distributie na 2030 overbodig zullen zijn, is niet aannemelijk en volgt ook niet uit onderzoek. Integendeel, uit recent onderzoek blijkt dat de behoefte aan logistieke oplossingen steeds verder toeneemt. Een belangrijk deel van de markt geeft aan dat men minder afhankelijk wil worden van importgoederen en de toeleveringsketen wil verkorten en dus zelf meer wil opslaan. Veel gebruikers geven aan grotere voorraden te willen aanhouden, maar ook meer verschillende leveranciers te willen aanhouden om de afhankelijkheid te verkleinen.

Ook automatisering van opslagvoorzieningen blijft een trend die ruimtevraag oproept (logistiek.nl d.d. 28 september 2022). Conclusie De verbeelding en de regels worden aangepast waarmee de algemene bouwhoogte die het plan mogelijk maakt wordt beperkt tot 14 meter, inclusief gebruikelijke binnenplanse afwijkingen. Ook wordt een apart besluit genomen door de gemeente om het sluipverkeer door Berkelaar tegen te gaan. De Oude Lakerweg en de Breulderweg zullen (gedeeltelijk) worden afgesloten voor gemotoriseerd verkeer met uitzondering van landbouwvoertuigen en calamiteitenverkeer.

3.

Zienswijze provincie Limburg, ingekomen d.d. 31 augustus 2022

Samenvatting zienswijze 

Vooroverleg Er is in strijd gehandeld met artikel 3.1.6 lid 1 sub c Bro, waarin voorgeschreven wordt dat in de toelichting wordt ingegaan op de uitkomsten van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1. Bro. De opmerkingen van de provincie zijn niet, althans onvoldoende in het plan verwerkt.

Natuur/landschap In de plantoelichting is niet beschreven hoe (voor het agrarische gedeelte) is omgegaan met de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming en versterking van deze kernkwaliteiten is omgegaan. Op grond van 2.7.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 is dit verplicht. Het landschappelijk inpassingsplan maakt dit onvoldoende concreet.

De huidige landschappelijke waarden (uiteengezet in de zienswijze) zijn zeer zeker behoudenswaardig en verdragen zich moeilijk met de grootschalige verkaveling voor de

Pagina 16 van 66 - REFNUMBER

bedrijventerreinontwikkeling. Het is een omissie dat er geen aandacht aan de kernkwaliteiten wordt besteed. 

Het is niet duidelijk hoe met de vooroverlegreactie is omgegaan. De opmerkingen gelden onverkort voor het voorliggend plan (ruimteclaim, behoud bos en compensatie, lopende Wnb-soortenbescherming onderzoeken).

Voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan moet er voldoende zicht zijn op de verlening van de Wnb-ontheffing.

Verkeer Uit de communicatie en het plan blijkt dat het terrein kan worden ingericht als een logistiek terrein. Dit correspondeert niet met de kencijfers die zijn gebruikt voor de verkeersanalyse. Wij verzoeken u de juiste verkeerscijfers te gebruiken en deze ook toe te passen bij de Aerius-berekeningen.

Stikstof De aanleg- en bouwfase is in het stikstofonderzoek niet nader beschouwd. Het is nog maar de vraag of dit houdbaar is, gelet op de verwachte uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voor de verkeersanalyse is niet uitgegaan van de verkeerscijfers die corresponderen met de ontwikkeling van een logistiek terrein. In de gebruiksfase kunnen hogere verkeersaantallen van invloed zijn op de stikstofemissie. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De provincie verzoekt ook de effecten van de aanleg- en bouwfase door te rekenen.

Mer-beoordeling Het is geen stedelijk ontwikkelingsproject (D-11.2 van bijlage Besluit mer) maar industrieterrein (D-11.3 van de bijlage Besluit mer). Het ontbreken van een plan-mer verzet zich tegen de vaststelling van het bestemmingsplan gelet op 7.13 Wm. Het bestemmingsplan is kaderstellend voor bedrijven (D-41.1 bijlage Besluit mer), waardoor er sprake is van een directe plan-mer-plicht voor het bestemmingsplan (art. 7.2 lid 2 Wm jo. art. 2 lid 3 Besluit mer). Er ontbreekt een integrale milieueffectenanalyse. Dit is blijkens jurisprudentie wel vereist. In paragraaf 4.8.2. staan ontoereikende of niet goed navolgbare redeneringen: wat betreft ‘gebruik van natuurlijke hulpbronnen’ wordt ten onrechte alleen gekeken naar permanent gebruik; er wordt ten onrechte geen inzicht geboden in de milieueffecten van de aanlegfase; er is een overzicht nodig waarin wordt aangegeven of in de onderliggende bestemmingsplanonderzoeken is uitgegaan van te treffen mitigerende maatregelen; m.b.t. het risico op ongevallen wordt opgemerkt dat wanneer sprake is van de opslag van gevaarlijke stoffen, daar bij de verdere planuitwerking rekening mee moet worden gehouden.

Is dat een voorwaarde voor de conclusie dat er geen sprake is van een te verwachten belangrijk nadelig milieugevolg? Zo ja, dan had in de planregels moeten worden geconcretiseerd; bij het criterium ‘bestaand grondgebruik’ wordt niets gezegd over de impact van het huidige gebruik en de wijziging die daarin plaatsvindt op het milieu. Dat geldt ook voor sommige andere beoordelingen; het statement dat de effecten van permanente nieuwbouw niet van dien aard zijn dat er sprake is van onevenredige aantasting kan niet worden gevolgd (bosperceel en agrarisch naar industrieterrein).

Pagina 17 van 66 - REFNUMBER

-

Een mer-beoordeling is niet bedoeld om te toetsen of er aan normen wordt voldaan. Er dient op basis van een integrale beoordeling van de milieueffecten te worden beoordeeld of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden die nopen tot het opstellen van een project-mer.

-

Ten onrechte is er door het gemeentebestuur geen expliciet mer-beoordelingsbesluit genomen. Zo’n besluit is ook nodig voor een bestemmingsplan (ECLI:NL:RVS:2019:2298). Dat besluit dient te worden genomen voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd (7.19 lid 2 Wm).

Nu een plan-mer en een project-mer-beoordelingsbesluit ontbreken kan de bestemmingsplanprocedure niet worden gecontinueerd. 

Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie stimuleert duurzaam ruimtegebruik. Momenteel is een wijziging van de Omgevingsverordening in voorbereiding die nieuwe instructieregels bevat met betrekking tot de maximaal toelaatbare omvang van nieuwe bedrijfskavels in omgevingsplannen.

De provincie acht het zeer wenselijk om te anticiperen op het toekomstig provinciaal beleid. Het uitgangspunt is dat er sprake zal moeten zijn van regionale meerwaarde op het gebied van circulariteit, ketenvorming/clustering, innovatie en werkgelegenheid. Deze verplichting geldt nog niet maar de gemeente heeft aangegeven om in de anterieure overeenkomst een inspanningsverplichting op te nemen. De provincie is niet bekend met de eindformulering en kan dus niet beoordelen of deze voldoende tegemoetkomt aan de gewenste regionale meerwaarde. De plantoelichting moet nadrukkelijker ingaan op het aspect regionale meerwaarde.

Regionale afstemming Het aspect van regionale meerwaarde is ook relevant in het kader van de verplichte regionale afstemming op basis van de Bestuursafspraken (art. 2.4.5 lid 2 Omgevingsverordening). In het plan moet worden aangegeven hoe uitvoering is gegeven aan de regionale afstemming en wat de uitkomst daarvan is. Voorliggend plan gaat geheel voorbij aan deze verplichting op basis van de Omgevingsverordening.

Standpunt gemeente 

De ingediende vooroverlegreactie is wel in de plantoelichting opgenomen en (zie hiervoor bij de bespreking van de vooroverlegreacties) is ook in het plan verwerkt. De ingediende vooroverlegreactie is als bijlage 35 bij de plantoelichting opgenomen. De reactie in de vorm van de notitie Regionale waarde Bedrijvenpark De Loop is als bijlage 36 opgenomen. Ook op de overige onderdelen van de vooroverlegreactie is in de plantoelichting ingegaan. Voor de overzichtelijkheid zal in overeenstemming met artikel 3.1.6 lid 1 sub c Bro aan hoofdstuk 6 worden toegevoegd dat de nota zienswijzen tevens de vooroverlegreacties en de beantwoording daarvan bevat.

De beschrijving van de kernkwaliteiten van het landschap is in het plan voor de landschappelijke inpassing opgenomen (bijlage 2 plantoelichting) en daarnaar wordt in de plantoelichting ook verwezen. Aanvullend wordt in het landschappelijke inpassingplan nog een uitgebreidere toelichting opgenomen om aan deze zienswijze tegemoet te komen. Artikel 2.7.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 bepaalt in lid 1 dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de bronsgroene landschapszone een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. In het tweede lid is vermeld dat de kernkwaliteiten in de bronsgroene landschapszone het groene karakter, het

Pagina 18 van 66 - REFNUMBER

visueel ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf zijn. In paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting wordt hiervoor naar het landschappelijk inpassingsplan, bijlage 2 bij de plantoelichting, verwezen. Bijlage 3 bij de plantoelichting is het groenplan dat hieraan verdere invulling geeft. Bijlage 3 is naar aanleiding van deze (en andere) zienswijzen aangevuld, waarbij overeenkomstig de Omgevingsverordening op alle aspecten nog eens separaat is ingegaan. Daarmee bevat de toelichting een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking daarvan is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Daarbij is de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, van de Omgevingsverordening gevolgd. Specifiek is ingegaan op de kernkwaliteiten in de bronsgroene landschapszone, te weten het groene karakter, het visueel ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. In bijlage 22 bij de plantoelichting is ook specifiek op cultuurhistorie ingegaan. 

Voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient inderdaad zicht te bestaan op de verlening van de Wnb-ontheffing. De benodigde onderzoeken zijn begin oktober 2022 gecompleteerd en begin oktober 2022 zijn de aanvragen gedaan. Er bestaat zicht op de verlening van de vereiste Wnb-ontheffingen doordat de aanvragen compleet zijn en na vooroverleg zijn gedaan. Uit deze stukken blijkt dat de gevraagde ontheffingen voldoen aan het provinciale beleid en dat er geen beletselen zijn deze ontheffingen te verlenen De betreffende afgeronde onderzoeken die ook aan de ontheffingen ten grondslag liggen worden als bijlagen aan de plantoelichting toegevoegd en in de toelichting zelf wordt in paragraaf 4.5 kort op de resultaten van die onderzoeken in gegaan. Als bijlage 37 wordt aan de plantoelichting het nader natuuronderzoek naar 11 soorten en 1 soortgroep op de locatie Havenweg in Echt toegevoegd. Dit onderzoek van Foreest Green Consult van 4 oktober 2022 laat zien dat nader onderzoek is gedaan naar vleermuizen, huismus, das, steenmarter, boerenzwaluw, roofvogels, blauwe reiger, grote vos, teunisbloempijlstaart, grote gele kwikstaart en muurhagedis. Het resultaat is dat voor de muurhagedis en twee vliegroutes van vleermuizen een ontheffing dient te worden aangevraagd. Uit het onderzoek blijkt dat deze ontheffingen verleenbaar zijn.

De ontheffing voor de muurhagedis is enkel vereist indien de berm langs de Havenweg intensiever gaat worden bereden of de duiker van de Oude Lakerweg wordt verlegd. Door vooruitlopend daarop maatregelen te treffen kan een overtreding van de Wnb worden voorkomen. Dat geldt ook voor de aanleg van de nieuwe Oude Lakerweg. Doordat deze weg eerst wordt aangelegd, voordat de huidige Oude Lakerweg wordt verwijderd kunnen de vleermuizen al aan de nieuwe vliegroute wennen. Als bijlage 38 wordt de voortoets Natura 2000 op de locatie Havenweg in Echt van Foreest Green Consult van 4 oktober 2022 aan de plantoelichting toegevoegd. Daaruit blijkt dat ook het ingestelde verdere onderzoek leidt tot de conclusie dat geen significante effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Als bijlage 39 wordt nog toegevoegd de omgevingscheck voor de buizerd, waaruit volgt dat wordt voldaan aan de beleidsregels passieve soortenbescherming onder de Wnb in Limburg.

De verkeers- en milieuonderzoeken zijn inderdaad afgestemd op de bestemming. Omdat het inderdaad mogelijk is dat het plangebied geheel of nagenoeg geheel met logistieke bedrijvigheid wordt ingevuld, is ook aanvullend onderzoek gedaan. De oplegnotitie Milieuonderzoeken (bijlage 12 bij de plantoelichting) en de oplegnotitie Verkeersanalyse (bijlage 29 bij de plantoelichting) zijn daarop geactualiseerd. De verkeersgeneratie is opnieuw berekend voor zowel een invulling met gemengde bedrijvigheid als voor een invulling met louter logistieke bedrijvigheid. Voor beide situaties is de berekening uitgevoerd op basis van het exacte deel van het plangebied dat de bestemming bedrijventerrein heeft gekregen, te weten 15,07 ha. Op grond van de CROW-richtlijnen dient de verkeersgeneratie immers te worden bepaald aan de hand van de oppervlakte terrein die bestemming bedrijventerrein heeft gekregen.

Pagina 19 van 66 - REFNUMBER

De conclusie ten aanzien van verkeer is dat geen sprake is van nieuwe knelpunten als gevolg van het plangebied c.q. het plan. Vanwege de autonome verkeersontwikkeling kan tegen het jaar 2030 sprake zijn van een tweetal mogelijke knelpunten, te weten een lange wachtrij op de oprit van de A2 richting noorden of een wachtrij tussen de twee rotondes (zie figuur verkeersstructuur hieronder, meetpunt 102).

Van de op deze figuur met een nummer voorziene meetpunten zijn met het verkeersmodel de wachtrijlengtes voor de verschillende situaties berekend. De tabel met uitkomsten is hieronder weergegeven.

In de tabel is te zien dat er één knelpunt is, te weten meetpunt 202, waarbij dat knelpunt in de autonome situatie al ontstaat in de avondspits en dat knelpunt ook niet groter wordt in de verschillende plansituaties. Of het knelpunt zich zal voordoen is bovendien nog maar zeer de vraag, omdat uit verkeerstellingen is gebleken dat de verkeersaantallen waarvan in het gebruikte model gebruik is gemaakt, in werkelijkheid substantieel lager liggen in de voor de analyse maatgevende avondspits. Buiten de avondspits zijn hoe dan ook geen knelpunten voorspeld. Mocht het knelpunt zich in 2030 toch voordoen vanwege de autonome ontwikkeling, dan zijn daarvoor oplossingen beschikbaar. 

Het is niet mogelijk bij het in procedure brengen van een bestemmingsplan rekening te houden met een (op dat moment overigens nog niet) "verwachte" uitspraak van de Afdeling

Pagina 20 van 66 - REFNUMBER

Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Desalniettemin is een aanvullende berekening gemaakt van de stikstofdepositie die aanleg- en bouwfase met zich brengt in te beoordelen Natura 2000-gebieden met overbelaste habitats. Daaruit blijkt dat geen sprake is van een significant effect. 

Met het ontwerpbestemmingsplan is op het zuidelijk deel van het plangebied dat de bestemming bedrijf tot en met categorie 5.1 kent (De Loop 2012, 1e herziening), de toegelaten milieucategorie al teruggebracht van 5.1 naar 4.1. Met het betrekken van de woningen aan de Slagmolen in de planontwikkeling is bovendien de noodzaak om zwaardere bedrijvigheid te beperken, vervallen. Vanuit die optiek bestaat er geen aanleiding de toegelaten milieucategorieën te beperken. Hoewel dit de mogelijkheden om regionale productiebedrijven te vestigen beperkt wordt er desalniettemin voor gekozen de toegelaten categorieën te beperken tot categorie 3.2. Het ontwerpbestemmingsplan wordt daarom gewijzigd vastgesteld, zodanig dat nog slechts bedrijven t/m categorie 3.2 worden toegelaten. Dit betekent dus dat waar het geldende bestemmingsplan deels al bedrijven categorie 5.1 toeliet en het ontwerpbestemmingsplan in het zuidelijk deel categorie 4.1 bedrijven en in het noordelijk deel categorie 3.2 bedrijven, het vast te stellen bestemmingsplan nog enkel voor het gehele plangebied bedrijven t/m categorie 3.2 zal toestaan. Met het plan wordt daarmee (nu een flinke oppervlakte met categorie 5.1 wordt wegbestemd) de ruimtelijke impact op de omgeving aanzienlijk beperkt, hetgeen ook ten goede komt aan de geluidzonering die op bedrijventerrein De Loop geldt.

Opgemerkt moet worden dat deze beperking niet is ingegeven door een ruimtelijke noodzaak nu de afstand tot gevoelige bestemmingen zodanig groot is dat ook hogere milieu categorieën toelaatbaar zijn.

Er is noch was sprake van een directe plan-mer plicht. De regels c.q. lijst van toegelaten bedrijven, bijlage bij de regels, zijn zodanig opgesteld dat geen sprake is van een directe plan-mer-plicht. De vestiging van dergelijke bedrijven is immers niet de bedoeling. Doordat de rechtstreekse mogelijkheid categorie 4.1 bedrijven te vestigen bij de vaststelling wordt geschrapt vervalt ook de indirecte mogelijkheid categorie 5.1 bedrijven te vestigen. Overigens moet worden opgemerkt dat het geldende bestemmingsplan reeds rechtstreeks en niet eens indirect categorie 5.1 bedrijvigheid toeliet.

Er is uitsluitend sprake van een mer-beoordelingsplicht. Daaraan is voldaan. De verwijzing naar onderdeel D (11.2) in de plantoelichting (een verschrijving) is gewijzigd naar onderdeel D (11.3) bijlage bij het besluit milieueffectrapportage. De mer-beoordeling opgenomen in paragraaf 4.8.2 van de plantoelichting beantwoordt aan de daaraan in gevolge de jurisprudentie te stellen eisen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat in de plantoelichting de beoordeling integraal is opgenomen in paragraaf 4.8.2 en wordt verwezen naar de daarvoor verrichte onderzoeken die ook als bijlagen bij het plan zijn bijgevoegd. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significante nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een merprocedure noodzakelijk maken. Zo is het ook in de plantoelichting verwoord. Onderdeel van de beslissing tot terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is het merbeoordelingsbesluit van burgemeester en wethouders van 5 juli 2022, inhoudende dat wordt ingestemd met de mer-beoordelingsnotitie zoals opgenomen in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan en op basis hiervan geen milieueffectrapportage te laten opstellen. De concrete voorbeelden in de zienswijze die een verdergaande beoordeling nodig zouden maken, treffen geen doel.

Zo wordt aangegeven dat het criterium "gebruik van natuurlijke

Pagina 21 van 66 - REFNUMBER

hulpbronnen" ten onrechte alleen op permanent gebruik zou zijn beoordeeld. Dit berust op een verkeerde lezing van de beoordeling. Beoordeeld is of sprake is van aanzienlijke milieueffecten van het voorgestelde project ten gevolge van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Vastgesteld is dat dit niet het geval is. In de zienswijze wordt ook niet aangevoerd dat dit wel het geval zou zijn. In de zienswijze wordt aangegeven dat geen inzicht wordt geboden in de milieueffecten van de aanlegfase ten opzichte van de huidige agrarische gebruiksfunctie. Ten onrechte zou een beoordeling hebben plaatsgevonden, waarbij als referentie "reguliere bouwwerkzaamheden" is genomen. Of sprake is van aanmerkelijke gevolgen voor het milieu (dat is het criterium) moet worden bepaald aan de hand van de hinder die tijdens de aanlegfase ontstaat, in absolute zin. Hinder die ontstaat bij reguliere bouwwerkzaamheden leidt daarbij in beginsel – uitzonderingen, die zich hier niet voordoen, daargelaten – niet tot aanmerkelijke milieugevolgen. De constatering dat de in de aanlegfase mogelijk te ontstane tijdelijke hinder niet groter is dan bij reguliere bouwwerkzaamheden, is dan ook een beoordeling die aanmerkelijke milieugevolgen uitsluit.

Wat betreft de beoordeling van het aspect verkeer in relatie tot een eventuele mer-plicht wordt in de zienswijze opgemerkt dat niet duidelijk is waarom geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, los van te treffen maatregelen voor reeds bestaande knelpunten. De mer-beoordeling steunt voor wat betreft het aspect verkeer op de Verkeersanalyse Echt-Susteren en de oplegnotitie verkeersanalyse, bijlagen 28 en 29 bij de plantoelichting. Deze onderzoeken maken duidelijk dat geen sprake is van aanmerkelijke milieugevolgen als gevolg van het plan. De autonome ontwikkeling leidt tot een mogelijk knelpunt op de oprit van de A2 richting het noorden in 2030. Zeker is dat niet omdat het model waarop de berekening is gebaseerd hogere aantallen aanhoudt dan recent nog zijn gemeten en vastgesteld is dat dit knelpunt niet door een bijdrage vanuit het bedrijvenpark ontstaat en ook niet dat het daardoor groter wordt. Zie ook de hiervoor opgenomen fragmenten uit het verkeersonderzoek. Wat betreft de gevolgen van het plan blijkt uit de stukken dat met initiatiefnemer afspraken zijn gemaakt omtrent een aanpassing van de rotonde op de Aasterbergerweg, ten westen van de A2 en aansluitend op de Havenweg en Oude Lakerweg, alsmede voor delen van de Havenweg.

Een gedeelte van die werkzaamheden komt overigens ook ten goede aan het opvangen van de gevolgen vanwege de autonome ontwikkelingen die losstaan van het plan. Met betrekking tot het risico op ongevallen in relatie tot een mer-plicht wordt in de zienswijze opgemerkt dat onvoldoende in de planregels is geconcretiseerd dat wanneer sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen daar bij de verdere planuitwerking rekening mee moet worden gehouden. De opslag van gevaarlijke stoffen wordt in beginsel uitgesloten door een aanpassing in artikel 3 lid 3.1 door te voeren (zie ook de ambtshalve aanpassingen aan het plan). De opslag van gevaarlijke stoffen wordt slechts mogelijk gemaakt door middel van een binnenplanse afwijkingsprocedure, waarmee zekergesteld wordt dat het risico op ongevallen, wanneer sprake is van opslag van gevaarlijke stoffen, bij de verdere planuitwerking wordt beoordeeld. Verder blijkt uiteraard uit de quickscan Externe veiligheid, bijlage 17 bij de plantoelichting, dat en waarom het risico op ongevallen geen aanleiding geeft tot verdergaande maatregelen of beperkingen op te nemen in het plan. Ook op dit punt is de mer-beoordelingsplicht daarom correct uitgevoerd.

In de zienswijze wordt nog opgemerkt dat bij een aantal criteria, waaronder "bestaand grondgebruik" slechts iets wordt gezegd over het huidige gebruik en de wijziging die daarin plaatsvindt, zodat niets wordt gezegd over de impact daarvan op het milieu. De impact daarvan op het milieu wordt echter elders in de mer-beoordeling weergegeven. Zoals te doen gebruikelijk is de mer-beoordeling opgebouwd door een beschrijving van de kenmerken van het project, gevolgd door de plaats van het object, waarbij het bestaande grondgebruik aan de orde komt. In dat kader kan worden volstaan met een beschrijving

Pagina 22 van 66 - REFNUMBER

van dat bestaand grondgebruik, nu daaropvolgend in de mer-beoordeling de overige kenmerken van de plaats van het object, beschrijving van gevoelige gebieden, landschappen, etc. plaatsvindt. Met de beschrijving van het bestaand grondgebruik is gegeven dat een wijziging daarvan op zichzelf geen aanmerkelijke milieugevolgen heeft. Tot slot wordt in dit kader (mer-beoordelingsplicht) in de zienswijze opgemerkt dat de effecten van permanente nieuwbouw mogelijk tot een onevenredige aantasting zouden kunnen leiden, zodat de beoordeling dat dit niet het geval is door de provincie niet wordt gevolgd. In de zienswijze wordt ter onderbouwing verwezen naar het elders in de zienswijze gestelde, waarmee met name zal zijn gedoeld op het onderdeel natuur/landschap. Daarop is hiervoor al ingegaan. De beoordeling dat de nieuwbouw niet zal leiden tot een onevenredige aantasting is correct, mede gezien de versterkende maatregelen die worden genomen alsmede de overige maatregelen opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan, zomede de (natuur)compensatie die plaatsvindt. Samenvattend wordt in de zienswijze vermeld dat het onvoldoende is dat een merbeoordeling zich beperkt tot de vaststelling dat aan de normen moet worden voldaan.

Ook dit standpunt berust op een verkeerde lezing van hetgeen is vermeld in de plantoelichting op pagina 67: "Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit mer, kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maken." De verwijzing naar het voldoen aan normen is derhalve slechts als onderdeel van de conclusie opgenomen en vormt niet de enige grondslag om af te zien van een merprocedure. Met betrekking tot het aspect mer-beoordelingsbesluit wordt onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2019:2298 nog gesteld dat door het gemeentebestuur geen expliciet merbeoordelingsbesluit zou zijn genomen. Zoals uit het voorgaande blijkt, is dat wel het geval, namelijk voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, door het besluit van 5 juli 2022. 

Over zorgvuldig ruimtegebruik wordt in de zienswijze opgemerkt dat de redeneerlijn "behoefte – bestaan – uitbreiding – nieuw" wordt gevolgd om zo zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik te stimuleren. In de als bijlage 4 bij de plantoelichting gevoegde laddertoets is de behoefte aangetoond. Verwezen wordt naar de ontwerpwijzigingsverordening van de Omgevingsverordening die van 25 juli tot en met 5 september 2022 ter inzage heeft gelegen en naar verwachting op 16 december 2022 zal worden vastgesteld. Vooropgesteld moet worden dat met mogelijk aankomend beleid niet zonder meer rekening kan worden gehouden. Dat geldt temeer waar dat beleid nog geen vorm heeft gekregen. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan was nog slechts sprake van een "sonderend stuk grip op grootschalige bedrijvigheid". Met de als bijlage 36

Pagina 23 van 66 - REFNUMBER

bij de plantoelichting opgenomen notitie Regionale waarde Bedrijvenpark De Loop is in anticipatie op dat mogelijk komende beleid een beoordeling gegeven die positief uitvalt. Met de initiatiefnemer zijn in de exploitatieovereenkomst, na consultatie van de provincie, afspraken gemaakt omtrent het stimuleren en voorrang verlenen aan plaatselijke en regionale bedrijvigheid. Bij gebrek aan voldoende concreet beleid was het op dat moment ook niet mogelijk verdergaande afspraken te maken. In de ontwerpwijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 is opgenomen dat een ruimtelijk plan geen bedrijfskavel toelaat met een oppervlakte van meer dan 5 ha, niet toelaat dat bedrijfskavels worden samengevoegd indien zij daardoor groter dan 5 ha worden, noch toestaat dat gebouwen zodanig worden gerealiseerd of met elkaar verbonden dat zij de grens van een bedrijfskavel overschrijden. Vervolgens wordt voorgeschreven dat de toelichting bij het ruimtelijk plan een verantwoording bevat van de wijze waarop onder meer aan deze bepaling invulling is gegeven. Als overgangsbepaling is opgenomen dat bedrijven die op het moment van inwerkingtreding van artikel 2.4.5, vierde lid, reeds op bedrijfskavels groter dan 5 ha zijn gevestigd of vergund, niet worden geraakt door de instructieregels van artikel 2.4.5., vierde lid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=0ce3d3da-0ead-4012-9c79-dbee47e0da73