CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Commissie Omgeving 19 mei 2025, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)-Omgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Louerveld'22.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing

Tabel: m.e.r.-beoordeling Conclusie De ontwikkeling die middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten. Nadere analyse in een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk.

4.4 Archeologie en cultuurhistorie In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is opgenomen wat wordt verstaan onder cultureel erfgoed. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee.

Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.

4.4.1 Archeologie Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Voor het plangebied geldt de functie 'Waarde - Archeologie 3'. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde; dan wel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of

31

middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Echt-Susteren ligt het plangebied in de zone met een hoge archeologische verwachting. Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld. Voor een klein deel van het zuidoosten van het plangebied geldt een middelhoge verwachting. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is deze onderzoeksplichtig is. Archeologisch bureauonderzoek Om te ondervinden of er historische resten in de bodem ter plaatse van het gehele plangebied aanwezig zijn, is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 2 bijgevoegd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Op basis van de resultaten uit het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied archeologische resten vanaf het laat paleolithicum tot en met de nieuwe tijd kunnen worden aangetroffen. Potentiële archeologische niveaus worden vanaf het maaiveld tot in de top van de terrasafzettingen verwacht. Een archeologisch vervolgonderzoek wordt noodzakelijk geacht voor het gehele plangebied, dan wel voor de zones waar graafwerkzaamheden zijn beoogd.

Dit kan plaatsvinden in de vorm van een verkennend booronderzoek om de intactheid van de bodem en de diepteligging van potentiële archeologische niveau(s) vast te stellen. Echter gezien de vondst van meerdere archeologische resten uit zowel het neolithicum, ijzertijd, Romeinse tijd en de vroege en late middeleeuwen, zowel binnen als in de directe omgeving van het plangebied, en het vermoedelijk intacte bodemprofiel (afwezigheid van bekende bodemverstoringen), kan de fase van een (verkennend) booronderzoek zo nodig worden overgeslagen en kan direct een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd voor het hele plangebied (exclusief het te behouden bosgebied in het noordelijk deel van het plangebied). Archeologisch inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen Naar aanleiding van e conclusies uit het bureauonderzoek is een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 3 bijgevoegd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld de bodem in het plangebied grotendeels intact is en bestaat uit zandige bedding- of oeverafzettingen met daarop een oude akkerlaag die is afgedekt door een bouwvoor.

Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond uit fluvio-eolische sedimenten, onderdeel van de Formatie van Beegden, bestaat. Dit Maasterras is ontstaan in het Pleniglaciaal (circa 40.000 tot 20.000 jaar geleden). In de Maasterrasafzettingen heeft weinig tot geen bodemvorming plaatsgevonden. Er zijn ook geen (diepe) bodemverstoringen waargenomen. In de top van de Maasterrasafzettingen kunnen eventueel sporen en vindplaatsen uit laat-paleolithicum B tot mesolithicum worden aangetroffen. Voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting ook goed aangetroffen kunnen worden. In het plangebied zijn eerder al archeologische oppervlakte vondsten gedaan daterend uit de periode laat-paleolithicum tot en met late middeleeuwen. Op basis hiervan blijft de hoge verwachting voor de periode laat-paleolithicum B tot vroege middeleeuwen gehandhaafd. Ook de middelhoge verwachting voor de periode volle middeleeuwen tot en met nieuwe tijd blijft gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder de humushoudende bovengrond (0 - 40 centimeter beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn.

Hierbij is rekening gehouden met een bufferzone van 30 centimeter. Wanneer er in het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Echt-Susteren). Archeologisch Programma van Eisen Naar aanleiding van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen, is een Programma van Eisen opgesteld. Dit PvE is als bijlage 4 te raadplegen. Conclusie

32

In dit TAM-omgevingsplan is de functie 'Waarde - Archeologie 3' aan gronden binnen het plangebied toegekend. Hierdoor is geborgd dat voorafgaand aan de werkzaamheden een nader onderzoek dient plaats te vinden. Hiermee vormt het aspect archeologie geen planologische belemmering voor het plan en is vanuit het oogpunt van archeologische belangen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.2 Cultuurhistorie Het plangebied is grotendeels in agrarisch gebruik. Binnen het plangebied en de directe omgeving is op basis van de Erfgoedkaart Limburg geen sprake van elementen, panden of objecten gelegen met een hoge cultuurhistorische waarde, waarop met de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Echt-Susteren, is ter hoogte van het plangebied sprake van een droge kampontginning, type open akker. Rondom het plangebied is sprake van wegen van voor 1842, waarvan er één onderdeel uitmaakt van het plangebied. Deze weg is geïntegreerd in het stedenbouwkundig ontwerp. Een tweetal panden aan de oostzijde van het plangebied is aangeduid als 'beeldbepalend pand, waarvan score groter dan 80'. Deze panden blijven als zodanig behouden. Een deel van de bebouwing langs de Oude Rijksweg-Noord is aangewezen als 'specifieke vorm van waarde cultuurhistorische ensemble oude rijksweg-noord'. De als zodanig aangewezen gronden vallen echter buiten het plangebied. De betreffende bebouwing blijft ook als zodanig behouden. Verder zijn binnen het plangebied geen bijzondere (bouwkundige) elementen aangeduid waarop met de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend. Nader onderzoek voor wat betreft cultuurhistorische aspecten is dan ook niet vereist.

Een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart voor het plangebied en de directe omgeving is navolgend weergegeven.

33

De gemeente Echt-Susteren heeft de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente vertaald in het op 22 september 2016 vastgestelde bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren', dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren'. De regeling uit het betreffende bestemmingsplan is vervolgens overgemomen in het op 11 december 2024 vastgestelde bestemmingsplan 'Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren'. Voor het plangebied is weliswaar de functie 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen, maar er zijn voor het plangebied binnen deze functie geen specifieke aanduidingen opgenomen. De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, in z'n algemeenheid mede bedoeld voor de instandhouding en versterking van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden, een en ander conform de als bijlage bij de regels van het plan opgenomen cultuurhistorische waardenkaarten. Zoals voorgaand reeds beschreven, bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan er geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling.

De oude historische lijnen zijn leidend geweest voor het stedenbouwkundig ontwerp. Er is vanuit het oogpunt van cultuurhistorie sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

34

4.5 Bodem Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Toetsing Ten behoeve van het plangebied is een vooronderzoek bodem conform NEN5725 uitgevoerd. Onderstaand zijn de voornaamste conclusies opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze motivering. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse sprake is van een bodemverontreiniging. De verwachte bodemkwaliteit (landbouw/natuur) op basis van de bodemkwaliteitskaart vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik (wonen). De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem ter plaatse van de agrarische percelen en het bosperceel wordt niet verwacht (niet verdacht). De aanwezigheid van asbest in het half verharde grind-/asfalt pad met bijmengingen van baksteen en betonresten kan niet worden uitgesloten. Voorafgaand aan de nieuwbouw of grondroerende werkzaamheden kan het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek (strategie ONV_NL conform de NEN 5740) noodzakelijk zijn.

Om de aanwezigheid van asbest half verharde pad te onderzoeken, wordt geadviseerd om een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5897 uit te voeren. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS van toepassing. Conclusie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek conform NEN5725 is de bodemkwaliteit voor wat betreft de procedure in relatie tot de wijziging van het omgevingsplan in voldoende mate in beeld gebracht. In het kader van de verdere uitwerking wordt geadviseerd het half verharde pad te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest.

4.6 Activiteiten en milieuzonering Algemeen Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan.

35

In het voorliggende geval heeft de gemeente Echt-Susteren een omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd. Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling. Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. Toetsing Woningen zelf vormen geen milieubelastende activiteit. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een menging van verschillende functies.

Het plangebied wordt aan zowel de westzijde als de zuidzijde omgeven door woonbestemmingen. Aan de noordzijde is sprake van agrarische gronden en natuurbestemmingen. Aan de oostzijde is op enige afstand van het plangebied bedrijventerrein Wolfskoul gelegen. Op de navolgende afbeelding zijn de functies binnen en in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Weergave functies binnen het plangebied en de directe omgeving. Zoals aangegeven, is ten westen en ten zuiden van het plangebied sprake van woonfuncties. Vanuit de ligging ten opzichte van de woonfuncties bestaan er geen belemmeringen. Ten noorden is sprake van agrarische gronden met landschappelijke waarden en natuurbestemmingen. Ook vanuit de ligging ten opzichte van deze functies bestaan er geen belemmeringen gelet op het huidige gebruik hiervan. Aan de oostzijde van het plangebied ligt bedrijventerrein Wolfskoul. Op dit bedrijventerrein zijn op grond van het

36

van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan bedrijven toegestaan variërend van milieucategorie 2 tot en met 3.2. De bijbehorende richtafstanden tot milieugevoelige functies als woningen, zoals opgenomen in het betreffende bestemmingsplan, variëren van 30 meter voor milieucategorie 2 tot 100 meter voor milieucategorie 3.2. Het bedrijventerrein is destijds gezoneerd vanuit de reeds bestaande woningen ten zuiden van het bedrijventerrein. Direct grenzend aan de Prins Clauslaan zijn nabij het plangebied, binnen een afstand van 50 meter van bestaande woningen, uitsluitend bedrijven van milieucategorie 2 toegestaan. Binnen een afstand van 50 tot 100 meter zijn uitsluitend bedrijven van milieucategorie 3.1 toegestaan en buiten de 100 meter vanaf bestaande woningen zijn bedrijven van milieucategorie 3.2 toegestaan. De woningen binnen het plangebied komen niet dichter bij het bedrijventerrein te liggen dan bestaande woningen en de woningen vallen daarmee automatisch ook buiten de richtafstanden van de toegestane bedrijven op het bedrijventerrein. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. De rechten van de ter plaatse gevestigde bedrijven worden hierdoor niet beperkt.

Voor de woningen kan gelet op de ligging ten opzichte van het bedrijventerrein en het bovenstaande, ervan uitgegaan worden dat de milieubelastende activiteiten op het bedrijventerrein geen onaanvaardbare effecten tot gevolg hebben. Tot slot blijft de functie 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' van toepassing voor de gronden direct ten oosten van het plangebied. Deze gronden zijn overwegend in gebruik als (maïs)akker. Vanuit dit kader bestaan er evenmin belemmeringen. Conclusie Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er op basis van de bovengenoemde uitgangspunten sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7 Omgevingsveiligheid Beleid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 'waarborgen van de veiligheid' van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van risicovolle activiteiten moet rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Daarnaast kunnen één of meerdere aandachtsgebieden (brandaandachtsgebied, gifwolkaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied) van toepassing zijn. Mogelijke risicobronnen zijn het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over het water, het spoor en wegen en risicovolle inrichtingen.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans op overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht, als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties betreft de kans van 1 op de 1.000.000 (PR 10-6 ) een grenswaarde, met uitzondering van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen op een locatie die parallel aan een tunnel is gelegen of boven een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen niet is toegestaan. Voor de afstanden wordt verwezen naar bijlage VII behorende bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.9 van het Bkl wordt aangegeven tot waar deze afstanden gelden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico's.

Er zijn drie typen aandachtgebieden die onderscheid maken tussen drie gevaren: Brandaandachtsgebied (BAG) is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m² is Explosieaandachtsgebied (EAG) is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (BLEVE) de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m² is

37

2. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. Gifwolkaandachtsgebied (GAG) is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof gedurende een daarbij aangegeven periode. Een gifwolkaandachtsgebied wordt voorlopig begrensd op een afstand van 300 m vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit. Aangewezen omgevingsdiensten dienen middels een berekening aan te tonen wat de werkelijke grens van het gifwolkaandachtsgebied is. Voor wegen, spoorwegen en binnenwateren zijn bij ministeriële regeling de navolgende afstanden aangewezen voor het aandachtsgebied: Brandaandachtsgebied: 30 meter Explosieaandachtsgebied: 200 meter Voor een overzicht van de aan te houden afstanden voor de overige activiteiten met vastgestelde afstanden wordt verwezen naar bijlage VII van het Bkl. Binnen het aandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans dat 10 personen of meer per jaar overlijden als rechtstreeks gevolg van een incident binnen een aandachtsgebied.

Gewaarborgd dient te worden dat maatregelen getroffen zijn ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die personen aanwezig zijn beperkt is. Voorschriftengebieden Binnen een aandachtsgebied kunnen door gemeenten voorschriftengebieden aangewezen worden. In dit deel van het aandachtgebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd aangewezen worden als voorschriftengebied. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. De maatregelen voor brand- en explosievoorschriftengebieden zijn opgenomen in paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Belemmeringengebied buisleidingen gevaarlijke stoffen Een belemmeringengebied buisleiding is het gebied aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, tot een afstand van: 5 meter 4 meter, als door de buisleiding aardgas vervoerd wordt, met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa. Binnen deze afstand is het niet toegestaan kwetsbare gebouwen, tenzij die een functionele binding hebben met de buisleiding, of zeer kwetsbare gebouwen toe te staan.

Relevante aandachtsgebieden N276 (explosieaandachtsgebied) Op circa 35 meter van de bebouwing binnen het plangebied is de provinciale weg N276 gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er worden zowel brandbare vloeistoffen als brandbare gassen vervoerd. Op grond van de afstand tot de bebouwing ligt het plan niet binnen het brandaandachtsgebied (tot 30 meter), maar wel deels binnen het explosieaandachtsgebied als gevolg van deze weg (tot 200 meter). Spoorlijn Sittard - Roermond (gifwolkaandachtsgebied) Op een afstand van circa 425 meter ten opzichte van het dichtstbij gelegen beoogde woningen binnen het plangebied, ligt de spoorlijn Sittard - Roermond. Hiermee zou het plangebied binnen het gifwolkaandachtsgebied (GAG) kunnen liggen. Hoewel de afstand van het GAG gemaximeerd is tot 300 meter, wordt door aangewezen Omgevingsdiensten de exacte afstand berekend. Geadviseerd wordt rekening te houden met de ligging binnen het GAG en de hierbij behorende voorschriften.

38

Beschouwing externe veiligheid Uit de bovengenoemde inventarisatie blijkt het plangebied binnen het explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied te liggen. Bestrijding calamiteit Bij een explosie als gevolg van een koude BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) omdat de tankwagen meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.

De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie "Handreiking bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019" van Brandweer Nederland. Uit de voornoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Aan de westzijde van het plan is een calamiteitenontsluiting gepland, via de geplande langzaam verkeersverbinding naar de Louerstraat naar de Chris Plitcherlaan in Middelveld II. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Uitgangspunt is dat binnen het plangebied geen functies worden gerealiseerd die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen.

Bij een calamiteit kunnen eventueel aanwezige verminderd zelfredzame personen met behulp van personen die wel zelfredzaam zijn, tijdig de gebouwen ontvluchten. Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het explosieaandachtsgebied als gevolg van een BLEVE van brandbare gassen, is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van het spoor af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3).

Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg of het spoor is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Aangezien het nieuwbouw betreft, zal op grond van de vigerende bouwregelgeving voldoende aandacht geschonken worden aan de naad- en kierdichting, zodat het gebouw zo goed als mogelijk luchtdicht is. Gezien de ligging binnen het

39

gifwolkaandachtsgebied dient op grond van artikel 4.124 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een mechanisch ventilatiesysteem toegepast te worden dat handmatig uitgeschakeld kan worden. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. Hier dient in de verdere planuitwerking meegenomen te worden. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Conclusie Vanuit het kader van omgevingsveiligheid, is met inachtname van de adviezen zoals opgenomen in deze paragraaf, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10 ). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Toetsing In artikel 5.54 'standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit' is voor woningen aangegeven dat ontwikkelingen met ten hoogte 1.500 woningen met één ontsluitingsweg, niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van maximaal 167 woningen, waarmee ruimschoots binnen de genoemde grens van 1.500 woningen gebleven wordt.

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40

4.9 Geur (veehouderijen) Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. Hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Toetsing Binnen het plangebied of de direct aangrenzende gronden zijn geen veehouderijen aanwezig. De dichtbij gelegen veehouderij betreft een paardenhouderij op meer dan 350 meter ten noorden van het plangebied. Overige veehouderijen zijn op grotere afstand gelegen. Op basis van de kaarten in de PlanMER behorende bij het voormalige bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Echt-Susteren, blijkt dat de luchtkwaliteit vanuit het aspect geurhinder als gevolg van veehouderijen is te kwalificeren als zeer goed. De achtergrondbelasting bedraagt ter hoogte van het plangebied minder dan 3 Ou/m³. In de 'Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Echt – Susteren 2009' is voor gebieden binnen de bebouwde kom een norm van 3 Ou/m³ opgenomen.

Het plangebied gaat onderdeel uitmaken van de bebouwde kom en voldoet aan deze norm. Omgekeerd geredeneerd, worden binnen het plangebied geen activiteiten toegestaan die geurhinder op de omgeving kunnen veroorzaken. Conclusie Vanuit het aspect geur als gevolg van veehouderijen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10 Trillingen Algemeen Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing Binnen het plangebied en de omgeving is geen sprake van activiteiten die leiden tot onevenredige hinder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11 Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven.

41

Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 6 bij deze motivering. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Nieuwe woningen De geluidbelasting vanwege verkeer op de provinciale weg N276 voldoet op drie woningen nabij deze weg niet aan de voorkeursgrenswaarde.

Tevens voldoet het geluid op één woning nabij de Oude Rijksweg Noord niet aan de standaardwaarde voor vanwege verkeer op de gemeentewegen, echter wel aan de grenswaarde. Maatregelen om het geluid te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde / standaardwaarde zijn onderzocht. Deze zijn echter ofwel niet doelmatig dan wel stuiten op overwegende bezwaren. Aangezien de woningen niet zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchtvaart, en er ook geen sprake is van andere geluidbronnen (windturbine, windpark, buitenschietbaan of militair springterrein), is enkel sprake van gecumuleerd en gezamenlijk geluid vanwege de beschouwde provinciale en gemeentewegen. Het gecumuleerd geluid bedraagt voor de drie woningen nabij de N276 maximaal 58 dB en voor de woning nabij de Oude Rijksweg Noord maximaal 55 dB. Aangezien alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel die voldoet aan de voorkeursgrenswaarde dan wel, ten opzichte van de maatgevend geluidbelaste gevel, relatief weinig belast wordt door geluid, en voorzien is in voldoende geluidwering op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving, kan het gecumuleerd geluid als aanvaardbaar worden beoordeeld. Voor de drie woningen nabij de N276 dienen hogere waarden vastgesteld te worden.

Voor de woning nabij de Oude Rijksweg Noord dient de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit te worden vastgelegd. Hiervoor is een regeling opgenomen in artikel 9.5 van de regels. Middels een in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning bouwen uit te voeren onderzoek dient aangetoond te worden dat de karakteristieke geluidwering van de geluidbelaste gevels van de geluidgevoelig gebouwen voldoet aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Aanleg nieuwe weg en wijziging gemeenteweg Door de aanleg van de nieuwe wegen binnen het plangebied bedraagt het geluid vanwege gemeentewegen op meerdere bestaande woningen meer dan de standaardwaarde, met een maximum van 61 dB. De T-splitsing van de Oude Rijksweg Noord ter hoogte van de Handelsweg wordt ten behoeve van de ontsluiting van het plan omgebouwd tot een rotonde. Vanwege deze wijziging van de gemeentewegen neemt het geluid op bestaande woningen met maximaal 1 dB toe, en is daarmee hoger dan het geluid op die geluidgevoelige gebouwen op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, en bedraagt het geluid tevens meer dan de standaardwaarde (voor gemeentewegen 53 dB). Maatregelen om het geluid te reduceren tot de standaardwaarde zijn onderzocht. Deze zijn echter ofwel niet doelmatig dan wel stuiten op overwegende bezwaren.

Het gecumuleerd geluid kan, op basis van de aanwezigheid van een geluidluwe gevel en voldoende geluidwering, als aanvaardbaar worden beoordeeld. De grenswaarde voor het binnenniveau conform tabel 3.53 (artikel 3.53 Bkl) wordt niet overschreden zodat geen besluit tot vaststelling van geluidwerende maatregelen moet worden genomen.

42

Conclusie Vanuit het aspect geluid als gevolg van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, is met inachtneming van de genoemde voorwaarden, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de geluidwal aan de noordzijde van het plangebied is in de regels een gebodsbepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de geluidwal behouden dient te blijven.

4.12 Natuur 4.12.1 Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang.

Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

43

4.12.2 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, Grensmaas en Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop bevinden zich op circa 3 à 4 kilometer afstand ten oosten van de onderzoekslocatie. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Limburg en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Verstorende effecten Om na te gaan of voorliggend plan verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland, is een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 7 bij deze motivering te raadplegen. Op basis van de resultaten uit het verkennend flora- en faunaonderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied niet is gelegen in een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Limburg. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. Stikstofdepositie Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen.

Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van het plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bij deze motivering te raadplegen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie in het maatgevende (eerste) jaar 0,01 mol N/ha/jaar bedraagt ten gevolge van de aanlegfase ter plaatse van het Natura 2000-gebied 'Roerdal'. De overige jaren en, het belangrijkst, de uiteindelijke gebruiksfase leiden niet tot stikstofdepositie in nabijgelegen natuurgebieden. Significant negatieve gevolgen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Hiermee is mogelijk sprake is van een vergunningplicht Natura 2000-activiteit. Ten behoeve van het vervolgtraject zijn een tweetal vervolgstappen mogelijk: 1.

2.

Géén Natura 2000-activiteit (vergunningvrij) Hierbij is het hoofddoel om geen stikstofdepositie (0,00 mol N/ha/jaar) te veroorzaken op Natura 2000-gebieden waardoor significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten. Feitelijk dient hiervoor aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar een aanvullende reductie op de stikstofemissie. In dit geval kan hierbij gedacht worden aan optimaliseren van de benodigde werkzaamheden ofwel het inzetten van emissiearm- of emissieloos (elektrisch) materieel. Géén Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied Er zijn activiteiten met mogelijk nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden, echter deze gevolgen hoeven niet significant te zijn. In dat geval is conform de Omgevingswet sprake van "Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied". Aangezien het project leidt tot een relatief beperkte stikstofdepositie en de stikstofdepositie maar tijdelijk is, kan aanvullend een ecologische beoordeling naar de berekenende stikstofdepositie meer duidelijkheid geven over de gevolgen van deze stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden.

Ecologische voortoets Naar aanleiding van de resultaten van het stikstofdepositieonderzoek is een ecologische voortoets opgesteld. Op basis hiervan blijkt dat significant negatieve gevolgen van het voornemen voor de betrokken habitattypen, zijnde H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver), H9120 Beuken-eikenbossen met hulst, inclusief het gelijknamige zoekgebied en H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) in deelgebied 11 (Landgoed Hoosden) van Natura 2000-gebied Roerdal door een tijdelijke toename van stikstofdepositie met 0,01 mol N/ha in één jaar zijn uit te sluiten. Dit geldt eveneens voor de leefgebiedtypen L6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) en Lg01 Permanente bron en Langzaam stromende bovenloop in het meest zuidoostelijke deelgebied 15 (Voorsterveld). Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van deze typen wordt door de beoogde ontwikkeling niet doorkruist, ook al vanwege de overwegend licht positieve trend wat betreft de overbelasting door stikstof. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet zijn niet nodig. Voor meer

44

informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapportage die als bijlage 9 bij deze motivering is te raadplegen.

4.12.3 Soortenbescherming Verkennend flora- en faunaonderzoek Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied is een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 7 bij deze motivering te raadplegen. Opgemerkt dient te worden dat het verkennend flora- en faunaonderzoek is uitgevoerd onder de voormalige Wet natuurbescherming. De voorwaarden ten aanzien van soortenbescherming zijn nagenoeg beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. De bevindingen uit de quickscan worden daarom nog actueel geacht. Op basis van de resultaten uit het verkennend flora- en faunaonderzoek wordt het volgende geconcludeerd Er dient een nader onderzoek naar vleermuizen te worden gedaan, om zodoende te kunnen bepalen of er sprake is van overtreding van artikel 3.10 van de voormalige Wnb, aangezien er een loofbosje wordt gerooid, waarvan niet duidelijk is of dit al dan niet essentieel leefgebied vormt voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger, die verblijfplaatsen hebben in de aangrenzende woonwijken. Van de das is een vaste rust- en verblijfplaats aanwezig in het noordelijke loofbosje in het onderzoeksgebied.

De burcht zal als zodanig niet worden aangetast, maar er is wel nader onderzoek nodig naar de omvang van de dassenfamilie en met name de effecten van het verlies van leefgebied op de functionaliteit van de dassenburcht, om zodoende te kunnen bepalen of er sprake is van overtreding van artikel 3.10 van de voormalige Wnb. Er is nader onderzoek nodig naar het voorkomen van de teunisbloempijlstaart, waarvoor geldt dat, wanneer het voorkomen van de gelijknamige waardplant wordt uitgesloten, deze soort ook niet binnen het onderzoeksgebied kan voorkomen en er van een overtreding van artikel 3.10 (lid 1) van de voormalige Wnb ook geen sprake is. Het onderzoeksgebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën. De omgeving van het onderzoeksgebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Permanent significant negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling worden daarom niet verwacht. Bescherming van houtopstanden Het te kappen loofbosje in het zuiden van het onderzoeksgebied valt buiten de bebouwde komgrens voor de Boswet (thans onderdeel van de Wet natuurbescherming).

Hierdoor is het onderdeel houtopstanden (Wnb) van toepassing en dient voor het kappen van het bosje een melding te worden gedaan bij de provincie Limburg en dient te worden voorzien in compensatie. Conclusie verkennend flora- en faunaonderzoek Uit het verkennend flora- en faunaonderzoek komt naar voren dat een nader soortgericht onderzoek naar vleermuizen, das en de teunisbloempijstaart uitgevoerd dient te worden. Deze onderzoeken worden thans uitgevoerd. De resultaten hiervan worden in de vast te stellen wijziging van het omgevingsplan verwerkt. Ecologisch vervolgonderzoek Naar aanleiding van de conclusies van het verkennend flora- en fauna onderzoek is een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 10 bij deze motivering te raadplegen. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven. Uit het ecologisch onderzoek is naar voren gekomen dat er als gevolg van de beoogde woningbouwontwikkeling mogelijk negatieve gevolgen zijn voor vleermuizen en de das. Omdat de aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart binnen het onderzoeksgebied kan worden uitgesloten, wegens het ontbreken van de waardplanten waar deze soort van afhankelijk is, zijn er geen negatieve gevolgen voor deze streng beschermde nachtvlinder en is geen sprake van strijdigheid met de Wet natuurbescherming (thans Omgevingswet).

Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies ten aanzien van vleermuizen en de das. Vleermuizen Het project zal leiden tot het verlies van de foerageerfunctie van het gebied voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger, maar het verlies is niet zodanig dat de gunstige staat van instandhouding van beide soorten in het geding is. Er zijn voldoende alternatieve mogelijkheden voor vleermuizen in de directe omgeving om te foerageren. Verder krijgt het noordoosten van het gebied, ten noordoosten van de Oude Kromstraat, een groene invulling, waardoor ter plaatse nieuw foerageergebied ontstaat.

45

Er zijn geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel wordt aanbevolen de bestaande foerageerfunctie van te handhaven elementen, met name de groenstrook langs de westgrens, te versterken door het toepassen van vleermuisvriendelijke verlichting. Das Het project zal leiden tot het verlies van circa 7 ha foerageergebied van de das binnen zijn preferente leefgebied, zijnde het gebied binnen een straal van 500 meter rond de burcht. Het zijn overigens alleen laagwaardige foerageergebieden binnen het onderzoeksgebied, namelijk maïsakkers. Dit betekent een verlies van 15% van alle foerageergronden binnen het preferente leefgebied. De burcht zelf zal niet worden aangetast, deze ligt in een grondwal langs de N276, die geheel intact blijft. Door het verlies van preferent leefgebied wordt voor de das de noodzaak naar hoogwaardige foerageergronden aan de overkant van de N276 te trekken groter. Voor een veilige oversteek is het nodig langs deze weg aan beide kanten een dassenraster te plaatsen over minimaal 400 m inclusief een dassentunnel, ter plaatse van een wissel. Door de voorgenomen woningbouw binnen het onderzoeksgebied komen er op relatief korte afstand van de burcht ongeveer 100 meter - woningen te staan en kan er sprake zijn van verstoring door bewoners, met name vanwege loslopende honden.

Gezien de afstand zal dit vermoedelijk beperkt van omvang zijn en de verstoring kan min of meer worden uitgesloten door te zorgen voor een goede afscherming in de vorm van aanplant van doornige struiken aan de voet van de grondwal. Deze zijn nu al in zekere mate aanwezig, maar de afschermende functie kan zeker nog worden versterkt, zodat betreding door honden of ook spelende kinderen wordt voorkomen. Wat betreft eventuele verstoring van de burcht tijdens de bouw, er kan, volgens het kennisdocument, geen gunstige periode worden aangegeven om de werkzaamheden uit te voeren. Zeker de werkzaamheden binnen een straal van 20 meter van de dichtstbijzijnde toegang tot een dassenburcht moeten zo veel mogelijk vermeden worden. In het voorliggende geval worden geen werkzaamheden binnen deze afstand van de burcht uitgevoerd. Het gebied dat grenst aan de burcht behoort tot de randzone, die niet bebouwd wordt (zie het stedenbouwkundig plan). In verband met het verlies van foerageergebied binnen het preferentie leefgebied van de das dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (thans omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit) te worden aangevraagd bij de provincie Limburg.

In het kader van deze procedure moet een onderbouwing ('activiteitenplan') worden opgesteld, waarin wordt aangegeven op welke wijze wordt voorzien in compensatie van het verlies van het foerageergebied van de das. Ook komen daarin de mitigerende maatregelen, met name de passage van de N276, aan de orde. In de onderbouwing moet ook worden aangegeven welke alternatieven zijn onderzocht en moet worden beargumenteerd dat de gekozen inrichting de best mogelijke oplossing voor de das is, gegeven de keuze hier woningbouw te realiseren. Activiteitenplan Naar aanleiding van de resultaten van het nader soortenonderzoek is een activiteitenplan opgesteld. Hierin zijn mitigerende en compenserende maatregelen beschreven. Zo wordt voorzien in een dassenraster en een dassentunnel om ervoor te zorgen dat de das veilig de N276 kan oversteken. Daarnaast is voor diverse gronden aan de noordzijde van de N276 voorzien in een zodanig beheer (met name kruidenrijk akker) dat deze gronden meer voedsel bevatten voor de das. Omdat met de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen de burcht iet aangetast of vernietigd wordt, heeft de provincie Limburg aangegeven dat er geen omgevingsvergunning nodig is voor een flora- en fauna-activiteit. Wel dient de gemeente zorg te dragen voor voldoende compensatie, zoals omschreven in het activiteitenplan. Voor meer informatie wordt verwezen naar bijlage 11.

Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de natuurwetgeving kan worden uitgevoerd. Voor wat betreft het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13 Verkeer en parkeren Om zowel de huidige en toekomstige verkeerssituatie als ook de toekomstige parkeerbehoefte in beeld te krijgen is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 12 bij deze motivering opgenomen. Hoewel maximaal 167 woningen mogelijk worden maakt, is in het onderzoek worstcase uitgegaan van 170 woningen. Verkeer

46

Verkeersaantrekkende werking Het plangebied wordt middels één hoofdontsluiting op de Oude Rijksweg Noord ontsloten. Om de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen te berekenen is gebruik gemaakt van de rekentool van het CROW. In de huidige situatie heeft het plangebied een voornamelijk agrarische functie met op enkele percelen een natuur/groen functie. Voor deze functies zijn geen kencijfers beschikbaar voor het bepalen van de verkeersgeneratie. De huidige verkeersgeneratie bestaat voornamelijk uit enkele agrarische voertuigen en is daardoor verwaarloosbaar. In de toekomstige situatie is een woongebied beoogd met een mix van verschillende type woningen. Voor deze woningtypes kent het CROW verschillende kencijfers om de verkeersgeneratie te berekenen. Onderstaande tabel toont de berekende verkeersgeneratie (huidig en beoogde situatie) van het plangebied op basis van de CROW kencijfers. Met de kencijfers wordt het aantal verkeersbewegingen (heen en terug) op een gemiddelde weekdag berekend. Bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeersintensiteit op een gemiddelde werkdag bepalend. De weekdaggemiddeldes worden daarom omgerekend naar werkdaggemiddeldes. Dit wordt gedaan aan de hand van de standaard CROW omrekenfactor 1,11 voor woonfuncties. Uit de tabel blijkt dat de beoogde ontwikkeling 1.417,2 extra motorvoertuigen per werkdagetmaal genereert.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=a205c665-21e9-4b03-ae3e-63892f290b75