Motivering
Tekst van het document
Inhoudsopgave
2
Motivering
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerende plannen 1.4 Leeswijzer
7 7 7 8 10
Hoofdstuk 2 Planvoornemen 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde ontwikkeling
11 11 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid en instructieregels 3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 17 24
Hoofdstuk 4 Fysieke leefomgeving en milieu 4.1 Inleiding 4.2 Gezondheid 4.3 M.e.r.-beoordeling 4.4 Archeologie en cultuurhistorie 4.5 Bodem 4.6 Activiteiten en milieuzonering 4.7 Omgevingsveiligheid 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Geur (veehouderijen) 4.10 Trillingen 4.11 Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen 4.12 Natuur 4.13 Verkeer en parkeren 4.14 Weging van het waterbelang
27 27 27 27 31 35 35 37 40 41 41 41 43 46 48
Hoofdstuk 5 Juridische planvorm 5.1 Algemeen 5.2 Plankaart 5.3 Planregels
53 53 53 53
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Participatie 6.2 Vooroverleg 6.3 Zienswijzen
55 55 55 56
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen 7.2 Kostenverhaal Louerveld 7.3 Nadeelcompensatie
57 57 57 58
3
4
Motivering
5
6
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om aan de noordzijde van Susteren de woningbouwlocatie Louerveld tot ontwikkeling te brengen. Dit om invulling te geven aan de grote en actuele vraag naar (nieuwbouw)woningen. Omdat de beoogde ontwikkeling op basis van het 'Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren' niet rechtstreeks is toegestaan, dient het Omgevingsplan gewijzigd te worden. In dit kader is de voorliggende wijziging van het Omgevingsplan opgesteld. Hiermee wordt voorzien in een actueel juridisch-planologisch kader waarmee de realisatie van de woonwijk mogelijk wordt gemaakt.
1.2 Ligging plangebied De locatie Louerveld ligt aan de noordzijde van de kern Susteren, in de driehoek tussen de Louerstraat, Oude Rijksweg Noord en N276. Aan de westzijde en zuid/zuidoostzijde grenst het plangebied aan bestaande woningen binnen de kern Susteren. Ten noordoosten ligt het bedrijventerrein Wolfskoul. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de N276 met daarachter voornamelijk tot natuur en als agrarisch bestemde gronden.
Topografische kaart met ligging plangebied (aangeduid met een gele pijl). De exacte begrenzing van het plangebied is weergegeven op de onderstaande afbeelding.
7
Begrenzing plangebied (bolletjeslijn), geprojecteerd op een kadastrale ondergrond en de Basisregistratie Grootschalige Topografie.
1.3 Vigerende plannen Na inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is voor het grondgebied van de gemeente Echt-Susteren een omgevingsplan van rechtswege ontstaan, zijnde het 'Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren'. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit ruimtelijke regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen en rijksregels over activiteiten (de 'bruidsschat'). Voor het plangebied is binnen het 'Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren' het 'Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren' van toepassing.
8
Uitsnede bestemmingsplan 'Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren' als onderdeel van het 'Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren'. Op basis van het bestemmingsplan 'Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren' geldt voor het overgrote deel van het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is de beoogde ontwikkeling niet toegestaan. Evenmin is in het bestemmingsplan een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt. Voor een deel van de te realiseren rotonde aan de Oude Rijksweg Noord gelden de bestemmingen 'Bedrijventerrein', 'Groen' en 'Verkeer'. Binnen de bestemming 'Verkeer' is de rotonde rechtstreeks toegestaan. Binnen de bestemmingen 'Bedrijventerrein' en 'Groen' is dit niet het geval. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' en voor vrijwel het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en zijn voor het volledige plangebied de gebiedsaanduidingen 'specifieke vorm van waarde - landschapswaarden', 'milieuzone - boringsvrije zone roerdalslenk II', 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'overige zone - zone buitengebied' van toeppassing. Binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn ondergrenzen voor het uitvoeren van onderzoek opgenomen.
Deze ondergrenzen zijn 500 m² oppervlakteverstoring in combinatie met een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm onder maaiveld. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.4.1. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' is een deel van de bebouwing langs de Oude Rijksweg-Noord aangewezen als 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorische ensemble oude rijkseweg-noord'. De als zodanig aangewezen gronden vallen echter buiten het plangebied. Verder zijn enkele wegen binnen en langs het plangebied aangeduid als 'weg, voor 1842' en zijn twee panden aan de oostzijde van het plangebied aangeduid als 'beeldbepalend pand, waarvan score groter dan 80'. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.4.2. De gebiedsaanduidingen 'milieuzone - boringsvrije zone roerdalslenk II' en 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied' dienen ter bescherming van het grondwater en zijn overgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De gebiedsaanduiding 'overige zone - zone buitengebied' is bedoeld om een onderscheid te kunnen maken tussen gronden met de bestemming 'Agrarisch' in het buitengebied en in het stedelijk gebied. Voor zover aan gronden de gebiedsaanduiding 'specifieke vorm van waarde - landschapswaarden' is gekoppeld, geldt ter plaatse een aanlegvergunningstelsel voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Conclusie Voorliggend plan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen met bijbehorende voorzieningen. Op basis van het
9
van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet volledig toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, wordt door middel van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan in een passend juridisch-planologisch toetsingskader voorzien.
1.4 Leeswijzer Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een plankaart en een motivering (inclusief bijlagen). Deze motivering dient als motivering bij de te volgen procedure. De motivering bij dit TAM-omgevingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en de toekomstige situatie voor het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het vigerend beleid op zowel rijks-, provinciaal-, regionaal- als gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de wijze waarop bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De juridische planbeschrijving van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is opgenomen in hoofdstuk 5. De maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt toegelicht in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt tot slot ingegaan op de economische uitvoerbaarheid.
10
Hoofdstuk 2 Planvoornemen 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan de noordzijde van de kern Susteren in de gemeente Echt-Susteren. Het plangebied betreft in de huidige situatie overwegend een agrarisch gebied, ingeklemd tussen de bebouwing van Susteren aan de westen zuid/zuidoostzijde en agrarische percelen aan de noordoostzijde. Hoewel het gebied grotendeels uit akkers bestaat, liggen er ook enkele loofbosjes binnen het plangebied. Ten noorden van de N276 is sprake van agrarische gronden met landschappelijke waarden en natuurfuncties. Aan de oostzijde van het plangebied ligt verder het bedrijventerrein Wolfskoul.
Luchtfoto plangebied en omgeving.
2.2 Beoogde ontwikkeling Algemeen Het voornemen bestaat om aan de noordzijde van Susteren de woningbouwlocatie Louerveld tot ontwikkeling te brengen. De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 167 grondgebonden woningen. Dit om invulling te geven aan de grote en actuele vraag naar (nieuwbouw)woningen. Woningtypologie Er is sprake van een mix aan woningtypen, zowel rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, patiowoningen, vrijstaande woningen en bouwkavels. Gestapelde woningen zijn niet toegestaan. Er is bewust gekozen voor een mix van typologieën met een groot aandeel levensloopbestendige woningen. Met een potentiële beroepsbevolking die relatief kleiner wordt, gaat het niet meer lukken om de zorg die nu geboden wordt te behouden. Oplossingen hiervoor moeten daarom steeds meer gezocht worden in het wonen, zoals woningen waarin ouderen (samen) oud kunnen worden, om eenzaamheid tegen te gaan en langer thuis te kunnen blijven wonen. In een leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeten en bewegen, waar het omzien naar elkaar (verschillende doelgroepen) een belangrijke rol gaat spelen. Binnen de genoemde woningtypen worden sociale huur- en koopwoningen gerealiseerd, levensloopbestendige
11
woningen, vrije sectorwoningen en bouwkavels. Van belang is dat een deel van de woningen ook binnen het betaalbare segment valt. Onderstaand is een overzicht weergegeven van de beoogde woningtypen en bijbehorende aantallen: 26 sociale huurwoningen (huur, betaalbaar); 16 rug-aan-rug-woningen (koop, betaalbaar); 16 seniorenpatio's (koop, betaalbaar); 4 seniorenpatio's (koop); 54 twee-onder-een-kapwoningen (koop, betaalbaar); 10 vrijstaand geschakelde woningen (koop); 41 kavels/vrijstaande woningen (koop). Betaalbare koopwoningen zijn koopwoningen met een prijs van maximaal € 390.000 v.o.n. (prijspeil 2024). Wonen in een landschappelijke omgeving In het schetsontwerp, zoals weergegeven op de navolgende afbeelding, is veel aandacht voor groen en natuur. Daarnaast zijn de oude historische lijnen leidend geweest voor het stedenbouwkundig ontwerp. Een versie van de situatietekening op schaal is opgenomen als bijlage 1 bij deze motivering. De gemeente Echt-Susteren hecht veel belang aan klimaatadaptatie en richt zich op een duurzame toekomst. Het bestaande groen wordt zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk opgewaardeerd. Overal in de straten en langs de randen van de wijk zijn bomen voorzien en gebiedseigen beplanting. Daarnaast is overwegend sprake van een groene overgang naar percelen van bestaande aanliggende woningen. Gestreefd wordt naar een zo minimaal mogelijke verharding.
Dit in verband met de groene uitstraling en het voorkomen van hittestress. Dit alles zorgt voor een groene wijk, met oog voor het bevorderen van de biodiversiteit en het stimuleren van natuurlijk spelen. In Louerveld wordt in de toekomst in een landschappelijke omgeving gewoond.
Stedenbouwkundige schets plangebied (impressie).
12
Oog voor duurzaamheid Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt bij de ontwikkeling van Louerveld. Er worden onder meer natuurlijke wadi's aangelegd om het hemelwater op te vangen en te beheren. Hergebruik van hemelwater wordt gestimuleerd en waar mogelijk toegepast, zodat optimaal kan worden geprofiteerd van deze waardevolle hulpbron. In de regels is in ieder geval een bepaling opgenomen dat per woning dient te worden voorzien in de opvang van hemelwater met een omvang van 5 m³ voor huishoudelijk hergebruik. Verder wordt de wijk gasloos aangelegd en er wordt onderzocht hoe maximaal gebruik kan worden gemaakt van zonne-energie. Ook de wijze van verwarmen van de woningen wordt nader onderzocht, met als ambitie om een energie neutrale wijk te realiseren. Er wordt gestreefd naar een duurzame en toekomstbestendige wijk. Ontsluiting De ontsluiting van Louerveld vindt plaats via een nieuw aan te leggen rotonde aan de zijde van de Oude Rijksweg Noord. Binnen het plangebied zelf wordt een wegprofiel gerealiseerd met een breedte van 5 meter, met daarnaast ruimte voor groen en parkeren. Tevens zijn enkele geclusterde parkeerhavens voorzien binnen het gebied. Voor langzaam verkeer worden diverse verbindingen gerealiseerd richting de Louerstraat en de Oude Rijksweg Noord.
13
14
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid en instructieregels 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de Omgevingswet heeft de rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving.
Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden hiervan zijn het: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte; waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoet water; verbeteren en beschermen van biodiversiteit; behouden en versterken van cultureel erfgoed en
landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Analyse Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de algemene belangen zoals het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte en het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid van belang. Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen specifieke nationale belangen zoals genoemd in de NOVI in het geding zijn. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de algemene beleidskaders zoals opgenomen in de NOVI.
3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB’s) De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):
15
het Omgevingsbesluit (Ob); het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels: Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl); Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl); Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl); Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl); Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl); Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.
Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Analyse Ten aanzien van dit project wordt in deze motivering getoetst aan de volgende instructieregels uit het Bkl: Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl), nader toegelicht in paragraaf 4.7; Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl), nader toegelicht in paragraaf 4.14; Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl), nader toegelicht in de diverse paragrafen in hoofdstuk 4. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl), nader toegelicht in de paragrafen 2.2, 4.4 en 3.1.3. Hieruit volgt dat voldaan wordt aan de instructieregels opgenomen in het Bkl. Conclusie Het plan geeft invulling aan de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, en detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
16
4.
b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsing Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de ladder voor duurzame verstedelijking betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Gelet op het beoogde aantal woningen kan mede op grond van jurisprudentie uit het verleden worden gesteld dat in het voorliggende geval sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. In het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking geldt dat de nieuwbouwopgave voor Echt-Susteren is vastgelegd in de op 14 juli 2022 vastgestelde 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025' (zie paragraaf 3.2.3). Op basis van de regionale structuurvisie en het daarvoor uitgevoerde behoefteonderzoek is er een sterke vraag naar woningen voor verschillende doelgroepen.
Hoewel de ontwikkeling niet plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, is het plangebied in directe aansluiting op het bestaand bebouwd gebied gelegen en ook al vele jaren in beleidsstukken aangewezen als potentieel uitbreidingsgebied voor de kern Susteren. Het plangebied is als zodanig ook opgenomen in de 'Structuurvisie Echt-Susteren 2025' en beschreven in de regionale 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025'. Verder wordt met de ontwikkeling aangesloten bij de in maart 2023 ondertekende 'Woondeal Limburg' waarin afspraken zijn gemaakt om het actuele woningtekort op te lossen door in Limburg 900.000 goede nieuwe woningen te bouwen tot 2030, waarvan een groot deel betaalbaar. Samen met de aanvullende motiveringen uit paragraaf 3.2.3 is de behoefte in voldoende mate aangetoond, waarmee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie De ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Op basis van het voorgaand wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. Limburgse principes Op grond van de kaart 'Limburgse principes' is de locatie Louerveld aangeduid als 'Buitengebied', zoals ook weergegeven op de navolgende afbeelding.
17
Uitsnede kaart 'Limburgse principes'. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Visie wonen en leefomgeving De provincie Limburg streeft naar een woningaanbod/planvoorraad waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, in kwalitatief en kwantitatief opzicht. Dit betekent voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek op het juiste moment beschikbaar moeten zijn. Alle woningbouwontwikkelingen worden als een provinciaal belang beschouwd. Verder streeft de provincie Limburg naar een gezonde en veilige leefomgeving voor iedere Limburger. Een inrichting van de leefomgeving die bewegen, ontmoeten, zelfredzaamheid, educatie en een gezonde leefstijl stimuleert.
Analyse Hoewel het plangebied op grond van de Omgevingsvisie Limburg binnen het 'buitengebied' ligt, is sprake van een logische invulling van een nog open deel binnen het bestaand bebouwd gebied van de kern Susteren. Door de ligging tussen de provinciale randweg en de aansluiting op het bestaande woongebied van Susteren, is vanuit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt sprake van een logische locatie voor de uitbreiding van Susteren ten behoeve van woningbouw. De ontwikkeling vindt daarbij, overeenkomstig de bestaande woonkern, volledig binnen de contour van de N276 plaats. De locatie is binnen de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 (en de voorganger) ook opgenomen als stedelijk ontwikkelingsproject. Het feit dat deze locatie al geruime tijd in de structuurvisie is opgenomen en er geen andere locatie beschikbaar is waar het beoogde aantal woningen binnen de gewenste termijn kan worden gerealiseerd om daarmee invulling te geven aan de concrete en actuele woningbehoefte, maakt de locatie Louerveld bij uitstek geschikt. De ontwikkeling wordt daarmee passend geacht op deze locatie. Verder is in het ontwerp veel aandacht voor groen en natuur, duurzaamheid, klimaatadaptatie, gezondheid en veiligheid.
Met de ontwikkeling wordt ook een belangrijke bijdrage geleverd aan invulling van de actuele en urgente woningbehoefte en aan de 'Woondeal Limburg', die onder meer door de Limburgse gemeenten en ook de provincie Limburg in maart 2023 is ondertekend. Hiermee is het plan in lijn met de provinciale visie voor wonen en de leefomgeving. Conclusie
18
De ontwikkeling wordt passend geacht binnen de beleidskaders zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg.
3.2.2 Omgevingsverordening Limburg Op 1 januari 2024 is de 'Omgevingsverordening Limburg' in werking getreden. Hierin staan de (instructie)regels die het omgevingsbeleid van de Omgevingsvisie Limburg juridische binding geven. Onderstaand wordt ingegaan op de voor het plangebied van belang zijnde aspecten. Klimaatadaptatie In paragraaf 3.2.3, artikel 3.5 'Klimaatadaptatie' van de Omgevingsverordening Limburg zijn de volgende regels opgenomen met betrekking tot klimaatadaptatie: 1. De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van: a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken: a. wateroverlast; b. overstroming; c. droogte. 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. In het voorliggende geval wordt in voldoende mate rekening gehouden met de risico's en gevolgen van de klimaatverandering.
Er wordt in ruime mate voorzien in groenvoorzieningen en zo wordt voor wat betreft de waterhuishouding rekening gehouden met de meest actuele normen van Waterschap Limburg voor de berging van hemelwater (zie paragraaf 4.14). Wateroverlast is daardoor niet te verwachten. Doordat water binnen het plangebied zelf wordt opgevangen, onder meer in de vorm van diverse wadi's, wordt ook droogte tegengegaan. Evenmin is sprake van een gebied waarbij sprake is van direct overstromingsgevaar. Op basis van de kaart 'kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier' van de Atlas Leefomgeving, is sprake van een gebied dat niet overstroomt.
19
Uitsnede kaart 'kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier '. Grondwater In hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening Limburg zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot grondwater. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II ligt, waarvoor de volgende regels gelden: Artikel 4.16 Meldingsplichten 3. Het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in deelzone II van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.15, derde lid valt en dat dieper ligt dan 30 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten. 7. De meldingsplichten, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, gelden niet voor het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem waarvoor: a. een omgevingsvergunning vereist is; of b. een melding is gedaan op grond van artikel 4.13. 8. De meldingen bevatten de coördinaten en de diepte van het bodemenergiesysteem. Het plangebied ligt daarnaast binnen een freatisch grondwaterbeschermingsgebied (Roosteren). Ter plaatse gelden nadere voorwaarden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.
Verder ligt het plangebied niet binnen een stiltegebied, waterwingebied, grondwaterbeschermingszone of overige boringsvrije zone. In de regels zijn voorwaarden opgenomen die toezien op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water. Tevens zijn regels opgenomen in relatie tot de ligging binnen de Roerdalslenk, deelzone II. Vanuit dit kader wordt invulling gegeven aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Natuurgebieden
20
In hoofdstuk 8 van de Omgevingsverordening Limburg zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot natuurgebieden. Op basis van de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg ligt het plangebied niet binnen of grenzend aan het Natuurnetwerk Limburg of Natura 2000-gebieden. Evenmin ligt het plangebied binnen of grenzend aan de groenblauwe mantel. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen nadere instructieregels van toepassing. Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen In paragraaf 12.1.1, artikel 12.1 zijn de volgende instructieregels met betrekking tot een nieuwe planvoorraad woningen opgenomen: Artikel 12.1 Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d.
het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. In het voorliggende geval: a. past het plan weliswaar niet geheel binnen de Limburgse principes, maar is wel sprake van een logische situering in de nog onbebouwde oksel van de kern Susteren en is rekening gehouden met de aspecten wonen en leefomgeving van de provinciale omgevingsvisie, met onder meer woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek; b. is sprake van een ontwikkeling waarbij invulling wordt gegeven aan een concrete behoefte, zowel in kwaliteit als kwantiteit (zie paragraaf 3.2.3); c. heeft afstemming plaatsgevonden met zowel de provincie Limburg als de regio Midden-Limburg over de behoefte en is ook sprake van overeenstemming (zie ook paragraaf 3.2.3); d. is het plan door zowel de provincie Limburg als binnen de regio Midden-Limburg akkoord bevonden en is het plan opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor van de provincie Limburg; e. wordt ernaar gestreefd om het plan binnen 5 jaar na vaststelling en onheroepelijk zijn van het TAM-omgevingsplan te realiseren.
Voor een deel is dit echter ook afhankelijk van externe factoren, waaronder aspecten als de benodigde omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit i.v.m. de das en bijvoorbeeld grondverwerking. Indien het als gevolg van onvoorziene omstandigheden noodzakelijk blijkt te zijn een langere looptijd te hanteren, dan wordt met alle partijen in overleg getreden over de te volgen koers. Alles is er echter op gericht om het plan als geheel te realiseren. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg. Vanuit dit kader wordt invulling gegeven aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.2.3 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 De Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 is op 14 juli 2022 vastgesteld. In deze regionale visie wordt de ontwikkelingsrichting op het gebied van wonen van de zeven gemeenten in Midden-Limburg vastgelegd waaronder ook voor de gemeente Echt-Susteren. Algemene uitgangspunten In de visie is minder dan voorheen de nadruk gelegd op het schrappen van plannen voor woningen. De nadruk wordt meer gelegd op het realiseren van plannen, zodat de juiste woningen op de juiste plaats worden gebouwd. Ook omvorming van woningbouwplannen naar segmenten die beter bij de behoefte passen is uitgangspunt. De structuurvisie gaat over het gehele grondgebied van de regio Midden-Limburg, met inbegrip van de gemeente Echt-Susteren.
21
Als naar de kwantitatieve behoefte gekeken wordt blijkt dat er duidelijk verschillen zijn in de situatie per gemeente. Daarbij is vooral het verschil in het bereiken van de huishoudenstop opvallend te noemen. Over de gehele regio bezien geven de prognoses aan dat er in de periode 2021 tot en met 2025 nog een toename van het aantal huishoudens zal plaatsvinden. Bovendien wil de regio niet alleen in de eigen behoefte voorzien, maar ook in een aanvullende ambitie. Hiertoe wordt ingezet met de realisatie van extra woningen. Uitgangspunt hierbij is het principe van 'de juiste woningen op de juiste plaats'. Vanwege demografische ontwikkelingen neemt het aantal jongere huishoudens af en het aantal oudere huishoudens fors toe. De woningbehoefte wordt dan ook grotendeels bepaald door de woonwensen van de groeiende groep ouderen. Daarbij neemt ook het aantal 1- en 2-persoonhuishoudens toe en het aantal gezinnen af. Hierdoor ontstaat een grotere vraag naar kleinere en betaalbare woningen in zowel de huur- als koopsector. De kwalitatieve woningbehoefte bestaat grotendeels uit appartementen met lift en grondgebonden seniorenwoningen, zowel in de huur als in de koopsector. De grootste mismatch gaat ontstaan bij appartementen zonder lift en rij-/hoekwoningen in de huursector en tweekappers in de koopsector.
Door de druk op de woningmarkt is in Midden-Limburg nog geen sprake van uitval van bepaalde woningtypen. Al met al zet de regio ambitieus in voor wat betreft woningbouw, namelijk 975 - 1.150 woningen per jaar. Echt-Susteren Specifiek voor Echt-Susteren blijkt uit de prognose van Etil 2021 dat de top van het aantal huishoudens verschuift naar 2029. Tot dat jaar vertoont het aantal huishoudens een stijgende lijn, met een toename van 339 ten opzichte van 01-01-2021. Regionaal groeit het aantal huishoudens nog met zo’n 5.400 tot 2034. In de gemeente Echt-Susteren wordt uitgegaan van het Cittaslow principe. De kwaliteit van het leven staat voorop. De gemeente kent een rijk verenigingsleven, bruisende dorpskernen en veel groen. Niet voor niets heeft de gemeente de slogan: "het smalste stukje Nederland, breed genoeg om volop te genieten." Binnen de gemeente Echt-Susteren wordt hard gewerkt aan de transitie van het centrum van de kern Echt en de kern Susteren. Samen met woningcorporatie en projectontwikkelaars worden plannen ontwikkeld en gerealiseerd van woningen voor specifieke doelgroepen zoals jongeren, starters op de woningmarkt en senioren. Nieuwe woonconcepten en ontwikkelingen als transformatie en verduurzaming van de woningvoorraad zijn hierbij aanvullende opgaven.
Andere specifieke groepen die de komende jaren aandacht vragen binnen de gemeente zijn: particuliere initiatieven; het realiseren van zorgwoningen; de arbeidsmigranten en dan met name de buitenlandse werknemers die de intentie hebben hier langer te verblijven (mid- en longstay); woningzoekenden vanuit de zuidoostelijke regio van de provincie Noord-Brabant en vanuit westelijk Nederland; de hoog opgeleide kenniswerkers vanuit het industriegebied Chemelot, het ontwikkelgebied rondom Nedcar en het bedrijventerrein Midden-Limburg. Met name de goede bereikbaarheid en een uitgebreid voorzieningenaanbod in combinatie met een prima woon- en leefklimaat, maken Echt-Susteren een zeer geschikte uitvalsbasis voor diegenen die op zoek zijn naar rust en ruimte. Als bijlage bij de structuurvisie is onder meer een planvoorraadlijst voor Echt-Susteren opgenomen per 1 januari 2022. Hierop is het project onder de oorspronkelijke werktitel (Middelveld III) opgenomen, waarbij is aangegeven dat de planvorming wordt gestart voor zowel huur- als koopwoningen. Analyse Kwantitatieve onderbouwing Voor de gemeente Echt-Susteren is er op basis van de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 behoefte aan 339 woningen vanaf 1 januari 2021 tot de zogenaamde huishoudentop (in 2029).
In de structuurvisie is de ambitie uitgesproken om, aanvullend aan deze huishoudenprognose, tegemoet te komen aan extra toekomstige behoefte. Voor de periode 2021-2025 is in de regionale structuurvisie 2022-2025 daarom voor de gemeente Echt-Susteren een groeiambitie van 100-125 woningen per jaar opgenomen. In 2022 zijn 118 woningen gerealiseerd.
22
Kwalitatieve onderbouwing De regionale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 is gebaseerd op een regionaal woningmarktonderzoek uit 2018. Uit dit onderzoek blijkt dat 48,7% van de verhuisgeneigden in Susteren de voorkeur heeft voor eigendom (koopwoning) en 34,9% de voorkeur heeft voor een huurwoning. Het aantal inwoners in de gemeente Echt-Susteren is met 31.967 personen in 2023 bijna gelijk gebleven ten opzichte van het aantal in 2003 (bron: alle cijfers). Volgens de oorspronkelijke prognoses zou de gemeente Echt-Susteren vanaf 2020/2021 qua bewonersaantallen krimpen. Deze trend heeft zich niet ingezet, prognoses geven een verschuiving aan naar latere jaren (piek 2025). Het plan betreft een groot deel levensloopbestendige woningen, dit past geheel bij de ontwikkelingen zoals voorgaand weergegeven. Uit het woningmarktonderzoek 2018 komt naar voren dat er behoefte is binnen de kern Susteren naar vrijstaande woningen, bungalows (patio's) en twee-onder-een-kapwoningen. Voor de gemeente EchtSusteren in zijn geheel ligt de behoefte bij vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en kleine woningen 80 m² (patio's). Mix woningen en doelgroepen Er is bewust gekozen voor een mix van typologieën met een groot aandeel levensloopbestendige woningen.
Met een potentiële beroepsbevolking die relatief kleiner wordt, gaat het niet meer lukken om de zorg die nu geboden wordt te behouden. Oplossingen hiervoor moeten daarom steeds meer gezocht worden in het wonen, zoals woningen waarin ouderen (samen) oud kunnen worden, om eenzaamheid tegen te gaan en langer thuis te kunnen blijven wonen. In een leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeten en bewegen, waar het omzien naar elkaar (verschillende doelgroepen) een belangrijke rol gaat spelen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij het principe van 'de juiste woningen op de juiste plaats'. Er is dit geval sprake van de realisatie van woningen voor verschillende doelgroepen, deels sociale huur, deels woningen in het betaalbare segment en deels woningen in de vrij sector. Het betreft een mix aan woningen voor zowel gezinnen, senioren als starters, zoals ook blijkt uit het navolgende overzicht van de beoogde typen woningen en aantallen. 26 sociale huurwoningen (huur, betaalbaar); 16 rug-aan-rug-woningen (koop, betaalbaar); 16 seniorenpatio's (koop, betaalbaar); 4 seniorenpatio's (koop); 54 twee-onder-een-kapwoningen (koop, betaalbaar); 10 vrijstaand geschakelde woningen (koop); 41 kavels/vrijstaande woningen (koop). Betaalbare koopwoningen zijn koopwoningen met een prijs van maximaal € 390.000 v.o.n. (prijspeil 2024).
Het plan is in z'n algemeenheid ook opgenomen in de planvoorraad van de structuurvisie. Conclusie Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat het planvoornemen zowel vanuit kwalitatief als kwantitatief oogpunt aansluit bij de uitgangspunten van de regionale structuurvisie.
3.2.4 Woondeal Op 9 maart 2023 is door de Minister voor VRO, Provincie Limburg, Limburgse Gemeenten, Waterschap Limburg en Limburgse Woningcorporaties de 'Woondeal Limburg' ondertekend. In de Woondeal staat dat er in Limburg 26.550 woningen bij komen in de periode tot en met 2030 met een ambitie voor 20.000 extra. Het grootste deel in de sociale huur, de middenhuur en de betaalbare koop. In Limburg zijn er drie woonregio's te onderscheiden binnen de Woondeal, te weten Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. Venray maakt onderdeel uit van de regio Noord-Limburg. Noord-Limburg bouwt in de eerste termijn van 2022 tot en met 2024, 5.239 woningen, waarvan 2.654 (51%) in het betaalbare segment. In de opmaat naar én gedurende de tweede termijn van 2025 tot en met 2030 voeren de partijen, daar waar de kwaliteit in relatie tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad op een zodanige wijze dat minimaal 2/3 betaalbaar wordt gerealiseerd. Deze zullen dan ook in de daadwerkelijke realisatie vanaf 2025 landen. De programmering van de tweede termijn (2025 - 2030) is structureel onderwerp van gesprek op de regionale woontafel. Voor de gemeente Venray is in de eerste termijn (2022-2024) voorzien in een toevoeging van circa 608 woningen. De woningbouwopgaven en -kansen worden voor de tweede termijn (2025 - 2030) nog nader geduid voor de regio
23
Noord-Limburg middels een op te stellen 'Toekomstvisie wonen Noord-Limburg'. Analyse Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt grotendeels aangesloten bij de Woondeal 2023. Zo wordt invulling gegeven aan de behoefte aan woningen en wordt tevens ingezet op een aanzienlijk aandeel betaalbare woningen, zoals ook blijkt uit het navolgende overzicht van de beoogde typen woningen en aantallen. 26 sociale huurwoningen (huur, betaalbaar); 16 rug-aan-rug-woningen (koop, betaalbaar); 16 seniorenpatio's (koop, betaalbaar); 4 seniorenpatio's (koop); 54 twee-onder-een-kapwoningen (koop, betaalbaar); 10 vrijstaand geschakelde woningen (koop); 41 kavels/vrijstaande woningen (koop). Betaalbare koopwoningen zijn koopwoningen met een prijs van maximaal € 390.000 v.o.n. (prijspeil 2024). Conclusie Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat het planvoornemen aansluit bij de uitgangspunten van de Woondeal 2023.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2025 De gemeenteraad heeft op 12 december 2012 de 'Structuurvisie Echt-Susteren 2025' vastgesteld. Met de structuurvisie wordt gekozen voor een benadering waar ontwikkelingen worden toegestaan indien de kwaliteiten van het buitengebied en de kernen er per saldo ook op vooruit gaan. In de structuurvisie is voor zowel het buitengebied als het stedelijk gebied een aantal ambities opgenomen. De ambities voor het stedelijk gebied luiden daarbij als volgt: 1. Realisatie van een woningvoorraad die kwantitatief en kwalitatief aansluit op de vraag. 2. Gericht ruimtegebruik voor en door alle type bedrijven. 3. Concentratie van verstedelijking gericht op behoud van een onderscheidend detailhandelsaanbod. Concentratie en combinatie van maatschappelijke voorzieningen. 4. Behoud van (be)leefbare kernen. 5. Optimale bereikbaarheid van stedelijke functies. 6. Het zijn van een veilige en duurzame gemeente. Wonen Het algemene beleidsuitgangspunt voor het aspect wonen is dat in het stedelijk gebied de nadruk ligt op inbreiden, herstructureren en temporiseren.
Daarbij gelden voor woningbouwplannen de volgende afwegingscriteria: Juridisch harde plannen waarover al met derden ontwikkelingsafspraken zijn gemaakt, hebben voorrang boven de minder harde plannen, zijnde de potentiële nog niet uitgewerkte plannen voor uitleggebieden en de initiatiefplannen. Inbreiden en herstructureren vóór uitbreiden. Woningbouw afstemmen op kwalitatieve behoefte in relatie tot de bestaande voorraad (doelgroepenbenadering: senioren, starters, zorg, nultreden, huur/koop, gestapeld/grondgebonden etc.). Concurrentie tussen plannen voorkomen. Nieuwbouw het liefst bij voorzieningen en/of op een knooppunt van openbaar vervoer; Initiatief moet iets toevoegen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (bv. behoud of ontwikkeling van cultuurhistorische waarden, voorkomen leegstand en verpaupering, komen tot beter stedenbouwkundig geheel, komen tot bijzondere (kleinschalige) woonmilieus etc.). Per kern moeten er concrete bouwmogelijkheden zijn in de planperiode. Initiatief moet geen onaanvaardbare of niet-oplosbare knelpunten opleveren vanuit externe veiligheid. Initiatief moet geen belemmeringen hebben van milieutechnische en milieuhygiënische overwegingen (geluid, fijnstof etc.). Het absolute streven is per saldo niet meer woningen aan de voorraad toe te voegen; bij voorkeur vindt verdunning plaats.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat de uitgangspunten ten aanzien van 'wonen' inmiddels achterhaald zijn, door bijvoorbeeld de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025' (zie paragraaf 3.2.3) en de 'Woondeal Limburg'.
24
Leidende principes De gemeente heeft in de structuurvisie een aantal leidende principes geformuleerd die bij elke ruimtelijke afweging gehanteerd worden. Deze principes dragen ertoe bij dat de ruimtelijke kwaliteit leidend is bij het dagelijks handelen van de gemeente. Deze principes zijn: Meer aandacht voor de onderste lagen (bodem, water, landschap, natuur, cultuurhistorie en infrastructuur). Zorgvuldig ruimtegebruik (met oog voor beeldkwaliteit én economie). Grensoverschrijdend handelen en denken. Tegengaan van verstening van het buitengebied. Kwaliteit belangrijker dan kwantiteit. Bereikbaarheid belangrijker dan aanwezigheid of nabijheid. In de structuurvisie wordt het plangebied onder de naam 'Middelveld' genoemd als potentieel uitbreidingsgebied voor Susteren, zoals ook weergegeven op de navolgende uitsnede van de kaart 'speerpunten stedelijk gebied' uit de structuurvisie.
Uitsnede kaart 'speerpunten stedelijk gebied'. Analyse Voorliggend plan betreft de realisatie van een nieuwbouwlocatie die in de structuurvisie is aangewezen als potentiële uitleglocatie voor woningbouw. Bij de ontwikkeling wordt voor zover mogelijk aangesloten bij de leidende principes zoals de gemeente die heeft geformuleerd voor ruimtelijke afwegingen. Zo is de ruimtelijke kwaliteit een belangrijk uitgangspunt geweest bij het ontwerp, met aandacht voor aspecten als bodem, water, landschap, natuur, cultuurhistorie en infrastructuur (zie paragraaf 2.2 en hoofdstuk 4). Verder is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities, uitgangspunten en principes van de structuurvisie.
25
3.3.2 Welstandsnota Echt-Susteren 2022 De gemeenteraad van Echt-Susteren heeft op 15 december 2021 de 'Welstandsnota Echt-Susteren 2022' vastgesteld. In de Welstandsnota Echt-Susteren 2022 zijn welstandscriteria en welstandskaders vastgelegd, die worden toegepast bij de beoordeling van bouwplannen. Het plangebied ligt op basis van de kaart behorende bij de welstandsnota buiten de begrenzing van het welstandsgebied. Voor het plangebied wordt een beeldkwaliteitplan opgesteld, dat als toetsingskader op het vlak van beeldkwaliteit gaat gelden voor toekomstige ontwikkelingen. Analyse Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het welstandsgebied. Door middel van het op te stellen beeldkwaliteitplan wordt de gewenste beeldkwaliteit van de bebouwing en de buitenruimte geborgd.
26
Hoofdstuk 4 Fysieke leefomgeving en milieu 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.
4.2 Gezondheid Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Toetsing De genoemde aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen nader gemotiveerd. Volledigheidshalve wordt hier dan ook verwezen naar de betreffende paragrafen. Uit de nadere motivering blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is als gevolg van de ontwikkeling geen sprake van een onevenredige verslechtering van de fysieke leefomgeving. Conclusie Er is vanuit het oogpunt van gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3 M.e.r.-beoordeling 4.3.1 Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.
Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
27
4.3.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en staat genoemd onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn voor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het Omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor de voor dit plan relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in hoofdstuk 4 van deze motivering, blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg heeft. Kenmerken van het plan De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik natuurlijke hulpbronnen
Productie afvalstoffen
Het betreft de ontwikkeling van een woongebied met maximaal 167 woningen. De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt 104.705 m² (10,47 hectare). De oppervlakte van het te ontwikkelen woongebied, zonder de groenzone en grondwal aan de noordzijde van het plangebied, bedraagt 90.307m² (9,03 hectare). Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten met andere projecten. Daarmee is er voor wat betreft cumulatie met andere projecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen bij de realisering van de voorgenomen activiteiten zoals hiervoor beschreven. De woningen zullen allen aardgasvrij worden gerealiseerd. Er worden (bouw)materialen gebruikt zoals staal, hout, steen en beton, maar dit betreft een eenmalig gebruik en deze materialen zijn niet bijzonder schaars. Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Bouw- en sloopafval tijdens de aanlegfase zal door de betreffende aannemers worden afgevoerd en verwerkt. Tijdens de gebruiksfase is sprake van de productie van huishoudelijk afval GFT, papier, plastic, restafval en overige stromingen zoals textiel.
Bij het complex worden gezamenlijke voorzieningen voor afvalverzameling geplaatst die met regelmaat geleegd worden. Tijdens zowel de aanleg- als de gebruiksfase vindt er kortom geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Daarmee is voor wat betreft de productie van afvalstoffen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten.
28
Verontreiniging en hinder
Risico voor ongevallen
De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt buiten de reguliere hinder gedurende de aanlegfase, die gebruikelijk is bij een dergelijke stedelijke ontwikkeling, geen onevenredige hinder die leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Één en ander blijkt ook uit paragraaf 4.4 tot en met 4.14, waaruit valt af te leiden dat voor wat betreft de diverse (milieu)aspecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling. De ontwikkeling brengt geen significante risico's voor ongevallen met zich mee. Verkeersbewegingen van, naar en binnen het plangebied kunnen op een veilige manier plaatsvinden. Er worden daarnaast binnen het plangebied geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Daarmee is voor wat betreft risico's voor ongevallen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten.
Plaats van het project Bestaand grondgebruik
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het plangebied bestaat in de huidige situatie voor het overgrote deel uit agrarische en onbebouwde gronden. Voor de locatie van de aan te leggen rotonde geldt dat grotendeels reeds sprake is van een verkeersfunctie. Voor enkele delen van de rotonde is in de bestaande situatie sprake van groenvoorzieningen en een bedrijfsperceel. Niet van toepassing. Er zijn geen bijzondere aardkundige waarden of andere natuurlijke hulpbronnen aanwezig.
29
Opname vermogen milieu met aandacht voor Wetlands: niet van toepassing wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, Kustgebieden: niet van toepassing reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, Berg- en bosgebieden: niet van toepassing gebieden waar milieunormen worden Reservaten en natuurparken: niet van toepassing overschreden, gebieden met hoge Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: Nee. cultureel of archeologische gebieden van belang Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische gebieden van belang: nee. Op basis van het onderzoek dat in het kader van de planvorming is uitgevoerd blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving. Er is geen sprake van aantasting van archeologische waarden. Archeologische waarden zijn in voldoende mate geborgd middels een archeologische functie (zie paragraaf 4.4.1). Het plan heeft geen significant negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving (zie paragraaf 4.4.2) Op basis van de uitgevoerde flora en fauna onderzoeken blijkt dat vervolgonderzoek nodig is (zie paragraaf 4.12). Dit vervolgonderzoek is thans in uitvoering en de resultaten hiervan worden opgenomen in het vast te stellen TAM-omgevingsplan.
Voor zover eventuele maatregelen en/of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn, worden deze uitgewerkt c.q. aangevraagd in het kader van het vast te stellen TAM-omgevingsplan. Uit het nader onderzoek naar stikstofdeppositie (zie paragraaf 4.12.2 is naar voren gekomen dat de stikstofdepositie in het maatgevende (eerste) jaar 0,01 mol N/ha/jaar bedraagt ten gevolge van de aanlegfase ter plaatse van het Natura 2000-gebied 'Roerdal'. De overige jaren en de uiteindelijke gebruiksfase leiden niet tot stikstofdepositie in nabijgelegen natuurgebieden. Op basis van een ecologische voortoets blijkt dat significant negatieve gevolgen van het voornemen voor de betrokken habitattypen van Natura 2000-gebied Roerdal door een tijdelijke toename van stikstofdepositie met 0,01 mol N/ha zijn uit te sluiten. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken habitattypen wordt door het voornemen niet doorkruist, ook al vanwege de overwegend licht positieve trend wat betreft de overbelasting door stikstof. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet zijn niet nodig. Ten behoeve van verkeerslawaai is een onderzoek uitgevoerd waarbij naar voren is gekomen dat vanuit het aspect verkeerslawaai geen belemmeringen bestaan.
Wel dient voor enkele woningen een hogere grenswaarde te worden vastgesteld en dient in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag bouwen door middel van een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de geluidbelaste gevels van de geluidgevoelige gebouwen, aangetoond te worden dat wordt voldaan aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (zie paragraaf 4.11). Voor de beoogde ontwikkeling is een vooronderzoek bodem
30
conform NEN 5725 uitgevoerd (zie paragraaf 4.5) Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de bodemkwaliteit voor wat betreft de procedure van het TAM-omgevingsplan in voldoende mate in beeld gebracht. In het kader van de verdere uitwerking wordt geadviseerd het halfverharde pad te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest. Gelet op de resultaten van het bodemonderzoek en de aard van de ontwikkeling, zijn er als gevolg van de ontwikkeling naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van noemenswaardige landschappelijke waarden die als gevolg van de ontwikkeling worden aangetast. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toenemende parkeerdruk op het openbaar gebied omdat voldoende parkeerruimte gerealiseerd wordt binnen het plangebied zelf (zie paragraaf 4.13). Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) Grensoverschrijdend karakter Orde van grootte en complexiteit effect Waarschijnlijkheid effect Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect