CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Gemeenteraad 7 november 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug'28.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug In opdracht van De Vlaamse Waterweg NV

NL.IMRO.1711.TAMSangersbrug-VG01 VASTGESTELD 4 september 2024

Contactpersoon T M E

Arcadis Nederland B.V. Maastricht

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Inhoudsopgave

Motivering Hoofdstuk 1

7 Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Wijzigingsgebied

7

1.3

Omgevingsplan van rechtswege

11

1.4

Planvorm

11

1.5

Leeswijzer

12

Hoofdstuk 2

Voorgenomen wijziging

13

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

18

3.1

Rijksbeleid en Rijksregels

18

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

25

3.3

Regionaal beleid

28

3.4

Beleid Waterschap

30

3.5

Gemeentelijk beleid

31

Hoofdstuk 4 4.1

Beperkingengebieden

Beperkingengebieden waterstaatswerken in beheer bij het Rijk

33 33

3

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 5 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden

34

5.1

Landschap

34

5.2

Cultuurhistorie

34

5.3

Archeologie

35

Hoofdstuk 6

Aspecten van de fysieke leefomgeving

37

6.1

Natuur

37

6.2

Water

51

6.3

Rivierkunde

52

6.4

Klimaatadaptatie

56

6.5

Verkeer

59

6.6

Externe veiligheid

61

6.7

Bodem

62

6.8

Geluid

65

6.9

Luchtkwaliteit

69

6.10 Ontplofbare oorlogsresten

74

6.11 Duurzaamheid

76

6.12 Gezondheid

76

6.13 Mer-beoordeling

77

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

79

7.1

Economische uitvoerbaarheid

79

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

79

Hoofdstuk 8

Artikelsgewijze toelichting

83

8.1

Uitwerking in de regels

83

8.2

Functies en activiteiten

85

4

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

5

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

6

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Motivering

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

De Vlaamse Waterweg NV heeft het voornemen om de Pater Sangersbrug, die een verbinding (N296) vormt over de Maas tussen België en Nederland, te vervangen. De huidige Pater Sangersbrug dateert uit 1952 en is de opvolger van een eerder ter plaatse gelegen brug die is opgeblazen in de Tweede Wereldoorlog. Deze brug tussen Roosteren (NL) en Maaseik (B) is verouderd en verkeerd in slechte staat. Op basis van inspecties van De Vlaamse Waterweg NV dient de brug dringend aangepakt te worden. De Vlaamse Waterweg NV wil de Pater Sangersbrug herbouwen ten zuiden van de huidige brug in het verlengde van de weg Schansberg. Na realisatie van de nieuwe brug zal de huidige Pater Sangersbrug worden verwijderd. De herbouw wordt tevens aangegrepen om zowel de functionele als recreatieve fiets- en voetgangersvoorzieningen op de brug te optimaliseren, zodat de brug een vlotte en veilige verbinding vormt tussen België (Vlaanderen) en Nederland. Om de realisatie van de nieuwe Pater Sangersbrug planologisch mogelijk te maken en de huidige brug weg te bestemmen, is voorliggend TAM-omgevingsplan opgesteld om een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Echt-Susteren te bewerkstelligen, waarmee de realisatie van de nieuwe brug, de reconstructie van de provinciale weg en de hiermee samenhangende voorzieningen kunnen worden uitgevoerd.

1.2

Wijzigingsgebied

De Pater Sangersbrug vormt de verbinding over de Maas tussen de kernen Roosteren (gemeente Echt-Susteren) in Nederland en Maaseik in België en is onderdeel van de N296 (Maaseikerweg). Het startpunt van de brug ligt aan Nederlandse zijde in een open, agrarisch gebied. Ten zuiden van de brug liggen een voormalig horecapand (Schansberg 7), een voormalige intensieve veehouderij (Schansberg 5) met bedrijfswoning en een burgerwoning (Schansberg 3). Aan de Belgische zijde is de brug onderdeel van de N761 en sluit aan op de N78 nabij het centrum van Maaseik.

7

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Wijzigingsgebied (rechts panden Schansberg met huisnummers)

Huidige situatie Sinds 1952 is de huidige Pater Sangersbrug in gebruik en vormt deze de verbinding tussen Roosteren (NL) en Maaseik (B). De brug vormt een belangrijke verbinding voor het dagelijkse verkeer tussen Maaseik en Roosteren en is tevens onderdeel van een grensoverschrijdende recreatieve fietsverbinding en een bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk. Hoewel de Pater Sangersbrug onderdeel is van de landsgrens tussen België en Nederland (de brug gaat van de Nederlandse N296 over in de Belgische N761), is de brug volledig in eigendom van het Vlaams Gewest.

8

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Huidige locatie Pater Sangersbrug

Ligging in het landschap De kern Roosteren ligt op het middenterras van de Maas, op een hoogte van ruim 28 meter. De huidige kern is gelegen tussen de huidige Maasbedding en het in 1934 geopende Julianakanaal. De Pater Sangersbrug verzorgt de verbinding over de Maas naar Maaseik. Aan Nederlandse zijde landt de Pater Sangersbrug op de Schansberg, een verhoging die is ontstaan door restanten van het 17e eeuwse verdedigingswerk van de stad Maaseik. De Schans was omringd door een gracht die in verbinding stond met de Maas en had de functie van bruggenhoofd ter bescherming van de brug over de Maas. Vanuit Maaseik bereikt men via de N296, die het natuurgebied ‘De Rug’ doorkruist, de dorpskern van Roosteren. Natuurgebied 'De Rug' dankt zijn naam aan het goed bewaarde reliëf in de vorm van talrijke restgeulen afgewisseld met hogere zand- en grindruggen. Dit unieke landschap dat deel uitmaakt van het rivierpark Maasvallei bestaat uit hooiland en delen begrazingsgebied. De rivierbedding maakt deel uit van het Natura2000-gebied "Grensmaas". De Grensmaas heeft het karakter van een heuvellandrivier. Het landschap wordt gekenmerkt door een smalle, diep ingesneden bedding, die als het ware bekneld ligt tussen hogere gronden van oudere oorsprong. De sterk meanderende en betrekkelijk ondiepe rivierloop is mede door de aanwezigheid van zand- en grindbanken onbevaarbaar.

9

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Bestaande situatie Pater Sangersbrug, gezien vanaf Schansberg, kijkend richting het noorden.

Bebouwing In de omgeving van de Pater Sangersbrug is aan de Nederlandse zijde weinig bebouwing aanwezig: aanpalend aan de brug bevindt zich een leegstaand horecapand (Schansberg 7). Verder ten zuiden ligt een voormalige intensieve veehouderij met bedrijfswoning (Schansberg 5) en een burgerwoning (Schansberg 3). Verkeer De Pater Sangersbrug is onderdeel van de N296. Het snelheidsregime op de N296 bedraagt 80km/u. Aan de Nederlandse zijde heeft de N296 vrijliggende fietspaden aan weerszijden van de weg, die door een groene berm gescheiden worden van de rijbaan. Komende uit Nederland bevindt zich vlak voor en ten noorden van de brug een parkeerterrein. Deze wordt met name gebruik door recreanten. De Schansberg is een smalle weg enkel bedoeld voor de bereikbaarheid van de aanliggende bebouwing. Aan de zuidzijde van de brug ligt een trap tussen de N296 en de Schansberg. Kenmerken brug De brug heeft een lengte van circa 150 meter, bestaat uit twee rijstroken en heeft een totale breedte van 11 meter. Op de huidige brug bestaat het dwarsprofiel uit een rijbaan van 6,50 meter (exclusief goten) met aan weerszijden een verhoogde fiets-voetgangersvoorziening van 2,00 meter breed (inclusief schuwruimten). Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat de voorgenoemde 2,00 meter plaatselijk minder kan bedragen.

10

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Dwarsprofiel Pater Sangersbrug bestaande situatie

1.3

Omgevingsplan van rechtswege

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Echt-Susteren (/akn/nl/act/gm1711/2020/omgevingsplan, 1 januari 2024). Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt onder andere de geldende bestemmingsplannen binnen het wijzigingsgebied die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. Het betreft de volgende bestemmingsplannen: Bestemmingsplan Grensmaas 2016, vastgesteld op 6 juli 2016. Facetbestemmingsplan Deregulering, vastgesteld 6 november 2019. Bestemmingsplan Cultuurhistorie Echt-Susteren, vastgesteld op 22 september 2022. De herbouw van de Pater Sangersbrug ten zuiden van de huidige brug en de nieuwe wegaansluiting met de N296 zijn niet mogelijk op basis van het omgevingsplan.

1.4

Planvorm

Deze wijziging van het omgevingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen: 1. een plankaart (NL.IMRO.1711.TAMSangersbrug-VG01), waarop de functies van het wijzigingsgebied zijn weergegeven. Deze functies zijn gerelateerd aan de regeling. 2. de regeling waarin het gebruik van de binnen het wijzigingsgebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch is geregeld. De regeling is conform de Omgevingswet opgesteld. Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Deze wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld met een motivering waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten zijn opgenomen.

11

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van deze wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen wijziging. Hoofdstuk beschrijft het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 besteed aandacht aan de relevante beperkingengebieden. Hoofdstuk 5 schetst de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid van deze wijziging uiteengezet. Hoofdstuk 8 biedt een artikelsgewijze toelichting van de in de wijziging van dit omgevingsplan opgenomen regels.

12

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 2

Voorgenomen wijziging

Voor de nieuwbouw van de Pater Sangersbrug is een variantenstudie uitgevoerd om de meest geschikte locatie voor de nieuwe brug te bepalen. Uit die variantenstudie is naar voren gekomen dat het bouwen van de nieuwe brug ten zuiden van de huidige brug (variant 2) de voorkeur geniet. Met deze variant kan tijdens de realisatie van de nieuwe brug, de bestaande in stand worden gehouden en daarmee dus ook de verkeersrelatie tussen België en Nederland. Tevens wordt hiermee een betere aansluiting op de N296 voorzien, hetgeen de verkeerssituatie verbeterd.

Onderzochte varianten locatie nieuwbouw Pater Sangersbrug (variant 2 is de gekozen variant)

Het ontwerp van de nieuwe brug houdt in dat aan Nederlandse zijde het tracé van de N296 ter hoogte van de kern van Roosteren rechtdoor wordt getrokken. Hierdoor komt de nieuwe brug circa 75 meter zuidelijker (stroomopwaarts) te liggen. Op de nieuwe Pater Sangersbrug wordt een rijsnelheid van maximaal 60 km/uur geïntroduceerd.

13

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Plattegrond toekomstige situatie nieuwe Pater Sangersbrug.

N296 Het bestaande tracé van de N296 wordt ter hoogte van de aansluiting met Schansberg verlaten. In plaats van noordelijk af te buigen, wordt de N296 nu recht door getrokken over de Schansberg. Komende van Roosteren behoudt de N296 haar bestaande profiel (GOW-II) met een rijsnelheid van maximaal 80 km/u. Conform de richtlijnen heeft de weg 1x2 rijstroken met vrijliggende fietspaden aan weerszijden van de weg. De fietspaden worden door een berm van ongeveer 4,50 meter gescheiden van de rijbaan. Het huidige deel van de N296 wordt, vanaf de aansluiting Schansberg, ingericht als erftoegangsweg naar het leegstaande horecapand en de parkeerplaats. Voor de T-splitsing Schansberg / N296 wordt een zogenaamde komremmer geplaatst om enerzijds de naderingssnelheid naar de brug te verlagen en anderzijds om de fietsoversteek te beveiligen. Bij de komremmer worden de fietspaden naar de noordzijde van de nieuwe weg en brug geleid. De breedte van de tussenberm (tussen rijweg en fietspad) varieert tussen 2,95 en 5 meter. Aan Belgische zijde wordt de bestaande ovonde in zuidelijke richting verlengd om de verbinding te maken met de nieuwe brug.

Erftoegangsweg De rijweg die aan de Nederlandse zijde naar het bestaande parkeerterrein leidt, en tevens de toekomstige ontsluitingsweg vormt voor Schansberg 5 en 7, wordt gedimensioneerd op een verhardingsbreedte van 5 meter en krijgt een maximale rijsnelheid van 30 km/u. Het bestaande parkeerterrein wordt verplaatst naar de oksel van de Schansberg en de nieuwe erftoegangsweg. Het parkeerterrein vervuld een maatschappelijke behoefte, waarbij de nieuwe locatie bijdraagt aan een grotere mate van sociale veiligheid. De brug Op de nieuwe Pater Sangersbrug bedraagt de verhardingsbreedte 6,90 meter, met weggoten aan weerszijden van 0,50 meter.

14

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Impressie toekomstige situatie nieuwe Pater Sangersbrug, gezien vanaf de Belgische zijde, kijkend richting het noorden.

De nieuwe Pater Sangersbrug wordt aan Nederlandse zijde in het verlengde van de N296 gerealiseerd. Hierdoor wordt de huidige weg Schansberg de aanloop naar de nieuwe brug. Het talud van deze aanloophelling kan enkel worden uitgevoerd door een deel van de aangrenzende percelen te benutten. Het tracé is zo ontworpen dat de impact minimaal is. Het perceel Schansberg 3 wordt in het voorliggende TAM-omgevingsplan gewijzigd naar de functie 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. De woonfunctie zal op het moment dat de realisatie van de brug start worden beëindigd. De huidige Pater Sangersbrug zal worden verwijderd nadat de nieuwe brug in gebruik is genomen. Fietspad en voetgangersvoorziening De fietspaden langs de huidige N296 worden verwijderd. De nieuwe weg (N296) en Pater Sangersbrug worden voorzien van een éénzijdig dubbelrichtig fietspad met een breedte varierend van 4 tot 4,50 meter. Vanaf de komremmer richting Roosteren worden deze fietspaden weer aangesloten op de bestaande fietspaden aan weerszijden van de N296. Aan de zuidzijde van de brug bevindt zich de voetgangersvoorziening met een breedte van 3,50 meter. Aan de Nederlandse zijde wordt het voetpad doorgetrokken tot aan het fietspad t.h.v. de komremmer (met het oog op het comfort voor Schansberg 3).

Vanaf voornoemde voetgangersvoorziening op de brug, leiden zowel een trap- als een hellingbaanconstructie naar de oever van de Maas en sluiten daar aan op het bestaande pad langs de rivier. Vanaf dat punt kan de voetganger verder langs de Maas wandelen, natuurgebied ‘De Rug’ bezoeken of het verplaatste parkeerterrein bereiken. Ruimtelijke inpassing Door het ontwerp van het nieuwe tracé licht te knikken, ontstaat een rechte zichtlijn naar de Sint-Catharinakerk in Maaseik.

15

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Ruimtelijke inpassing van de brug, met zichtas richting Sint-Catharinakerk

In het ruimtelijk ontwerp van de omgeving van de brug wordt ingezet op een eigen identiteit voor beide oevers. Aan Belgische zijde wordt ingezet op Maaseik als ‘stad aan de Maas’, door vanaf de Bleumerstraat een fiets- en wandelboulevard te voorzien die over de ovonde leidt tot aan de Maas, waar men een wijds uitzicht heeft. Deze configuratie zorgt voor een verknoping tussen de stedelijke as Bleumerstraat met het fiets- en wandelpad langs de Maas. Tussen de brug en deze boulevard wordt de groenzone behouden en waar nodig versterkt en wordt, langs de keermuur, een pad voorzien met zitbanken. Aan de zuidzijde van de brug wordt aan het voetpad een verbreding toegevoegd die als uitkijkplatform en rustplek fungeert. Een ruime trap biedt toegang tot het pad langs de Maas. Voor minder mobiele personen geeft een half verhard pad op comfortabele wijze toegang richting de Maas. Enkele nieuwe bomen worden op één lijn van noord naar zuid geplant om de overgang van stad naar Maas te signaleren en tegelijkertijd zichten vanaf de oever te vrijwaren. Aan Nederlandse zijde wordt een landschappelijke, natuurlijke oever nagestreefd. Vanaf de brug biedt een trap toegang tot het natuurgebied De Rug, waar een recreatief instappunt voor wandelroutes ingericht kan worden. Aan deze oever wordt de verharding dan ook tot het minimum beperkt en wordt ruimte gegeven aan natuurontwikkeling.

Aanwezige bebouwde functies (planologisch) Het perceel Schansberg 3 wordt in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan gewijzigd naar de functie 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. De huidige woning komt daarmee onder het overgangsrecht te vallen. De woonfunctie wordt beëindigd zodra gestart wordt met de realisatie van het project. Voor het perceel Schansberg 5 is al ruim 10 jaar geleden de milieuvergunning ingetrokken omdat ter plaatse op dat moment reeds langere tijd geen agrarische bedrijf (intensieve veehouderij) meer werd uitgeoefend. Met het oog hierop zijn in voorliggende wijziging van het omgevingsplan de aanduiding 'intensieve veehouderij' en de mogelijkheid tot realisatie van een tweede bedrijfswoning komen te

16

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

vervallen. Voor het perceel Schansberg 7 blijft de functie 'Horeca' gehandhaafd.

17

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid en Rijksregels

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken. In Nederland zijn er een aantal dringende maatschappelijke opgaven, die niet apart van elkaar kunnen worden opgelost, maar in samenhang bekeken moeten worden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving van Nederland. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbeterd het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig.

Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede

18

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet stedelijk gebied moet plaatvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht. ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem. Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid. Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast.

Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermd en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut. Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt. Om beleidskeuzes op een voorspelbare en heldere wijze te maken, worden er door de NOVI drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen bij het prioriteren van de diverse opgaven en belangen: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende, brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten: We werken als één overheid, samen met de samenleving. We stellen de opgave(n) centraal. We werken gebiedsgericht. We werken permanent en adaptief aan de opgaven. In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda: De Omgevingsagenda is de basis voor de samenwerking tussen Rijk en regio bij opgaven in de fysieke leefomgeving.

Het doel van de Omgevingsagenda is om als overheden samen gebiedsgericht (dus met het gebied als uitgangspunt) uitwerking te geven aan de gedeelde ambities en opgaven. . In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en de regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. Voor landsdeel Zuid, waar Limburg deel van uitmaakt is een omgevingsagenda opgesteld. In landsdeel Zuid worden opgaven in beeld gebracht die bijdragen aan een aantrekkelijk, bereikbaar, concurrerend en duurzaam Limburg (en Noord-Brabant). Vanuit overlappende opgaven en te ontwikkelen verbindende thematische strategieën worden acties en bestuurlijke afspraken gemaakt. Opgaven waar het hier om gaat zijn onder meer: waterkwaliteit en -kwantiteit, het samenvallen van diverse transities in het landelijk gebied en het accommoderen van verdere verstedelijking. 2. De NOVI-gebieden: Een NOVI-gebied is een instrument waarmee het Rijk en de regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. In landsdeel Zuid liggen de NOVI-gebieden De Peel en Zuid-Limburg. Relatie met het voorliggend plan

19

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Het Rijk richt zich op het verbeteren van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker centraal staat. Om dit te bewerkstellen dient er geïnvesteerd te worden in de ontwikkeling van netwerken, waarbij onderhoud essentieel is. De huidige Pater Sangersbrug is verouderd en verkeert in slechte staat. Tevens biedt de huidige brug te weinig ruimte om de verkeersveiligheid te kunnen blijven garanderen. Er zijn geen specifieke uitspraken over de Pater Sangersbrug in de NOVI opgenomen, maar de Pater Sangersbrug is van groot belang op zowel provinciaal als lokaal niveau. De herbouwde Pater Sangersbrug zal ertoe bijdragen dat de infrastructurele verbinding met België behouden blijft en de verkeersveiligheid verbeterd wordt.

3.1.2

Instructieregels Rijk

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's: Voldoen aan de Dienstenrichtlijn (paragraaf 5.1.1). Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2). Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3). Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking. Behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) zoals autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden.

Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving (afdeling 5.2). In de volgende paragrafen zijn de voor deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.

3.1.2.1 Externe veiligheid Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het wijzigingsgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen (artikelen 5.7 en 5.11 Bkl). Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende

20

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. Relatie met het omgevingsplan Voor het aspect externe veiligheid wordt verwezen naar paragraaf 6.6.

3.1.2.2 Water Op grond van artikel 5.37 Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. Op Europees niveau is dit de Kaderrichtlijn Water (KRW), op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt, is opgenomen in de waterschapsverordening. Daarnaast moet op grond van artikel 5.46 Bkl bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met activiteiten in het stroomvoerend deel van het rivierbed. Relatie met het omgevingsplan Door de toenemende verstedelijking en klimaatverandering dient steeds meer rekening te worden gehouden met water binnen ruimtelijke plannen. De toename van verhard oppervlak zorgt naast hitte en verdroging ook voor een vergrote kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten alle waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het wijzigingsgebied expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen.

Vroegtijdig overleg en afstemming met de waterbeheerders is daarom van groot belang. Voor de weging van het waterbelang wordt verwezen naar paragraaf 6.2. De regels ten aanzien van activiteiten in het stroomvoerend deel van het rivierbed zijn opgenomen in de regeling van dit omgevingsplan.

3.1.2.3 Luchtkwaliteit Het Bkl geeft in hoofdstuk 5 (paragraaf 5.1) instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten (artikel 5.51 Bkl): die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of

21

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bkl wijst in artikel 5.50 ook enkele activiteiten aan waarvoor de gemeente altijd een luchtkwaliteitstoets moet uitvoeren, als ze de activiteit wil toelaten in een omgevingsplan. Dus ook als geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is. Het gaat om: de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt. de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Bij deze specifieke activiteiten kan niet worden uitgesloten dat de aanleg leidt tot een overschrijding, ook in gebieden waar de achtergrondconcentratie laag is. De instructieregels van de artikelen 5.50 en 5.51 gelden niet voor locaties waar de bescherming van de gezondheid niet of nauwelijks relevant is. Er is bijvoorbeeld geen toetsing nodig op plekken waar mensen niet mogen komen of op arbeidsplaatsen Relatie met het omgevingsplan Voor het onderzoek luchtkwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 6.9.

3.1.2.4 Geluid Op grond van het Bkl moet bij een wijziging van een omgevingsplan rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door wegen, zodat wordt gewaarborgd dat de geluidbelasting geen aanleiding tot geluidhinder geeft. Relatie met het omgevingsplan In deze wijziging van het omgevingsplan gaat het om de verplaatsing van de provinciale weg N296. Voor provinciale wegen dienen GPP's te worden vastgesteld. In art.12.6 Bkl is geregeld dat zolang de geluidproductieplafonds niet zijn vastgesteld (conform paragraaf 3.5.4.2 Bkl) de oude Wet geluidhinder geldt (artikel 3.5 Aanvullingsweg geluid Omgevingswet). De provincie Limburg streeft erna om de GPP's per 1 januari 2025 vast te stellen. Voor het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 6.8.

3.1.2.5 Trillingen Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. Doorwerking in het omgevingsplan In hoofdstuk 22 van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Echt-Susteren zijn de bedoelde standaardwaarden voor continue trillingen reeds opgenomen.

3.1.2.6 Landschap, stedenbouw en cultuurhistorie Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Bkl in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten

22

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

archeologische monumenten. Relatie met het omgevingsplan Voor de aspecten landschap, stedenbouw en cultuurhistorie wordt verwezen naar Hoofdstuk 5.

3.1.2.7 Toegankelijkheid openbare buitenruimte Paragraaf 5.1.8 van dit besluit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte in dat plan rekening gehouden wordt met het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. In artikel 5.162 Bkl zijn instructieregels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Dit artikel brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder. Zo kan bij regels in het omgevingsplan over de inrichting expliciet aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid voor mensen in een rolstoel en mensen met bijvoorbeeld visuele beperkingen. Als maatregelen nodig zijn kunnen deze geborgd worden in de regels van het omgevingsplan. Door bij nieuwe ontwikkelingen vroegtijdig, dat wil zeggen bij inrichting en ontwerp, met toegankelijkheid van openbare ruimten rekening te houden, leidt deze instructieregel naar verwachting niet tot hogere kosten en bestuurslasten. De "Integrale toegankelijkheidsstandaard" (ITS) wordt hierbij betrokken voor zover die gaat over de openbare buitenruimte.

In de ITS zijn algemene toegankelijkheidsrichtlijnen en normen omgewerkt naar bouwtechnische eisen die kunnen worden toegepast bij ontwerp en realisatie van integraal toegankelijke projecten. Het gaat er in de openbare buitenruimte, die heel divers is, niet om dat de ITS naar de letter wordt toegepast, maar dat deze behulpzaam is bij het maken van een afweging welke onderdelen van de openbare ruimte voor een ieder toegankelijk moeten zijn en tot welke regels dit in het omgevingsplan leidt. Daarnaast heeft bijvoorbeeld ook het kennisplatform CROW-richtlijnen voor integrale toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Relatie met het omgevingsplan Bij het ontwerpen van de nieuwe Pater Sangersbrug is met name rekening gehouden met de toegankelijk voor personen met een functiebeperking die gebruik maken van een rolstoel/scootmobiel, zodat ook deze personen de brug kunnen gebruiken om zich tussen Nederland en België te verplaatsen.

3.1.3

Duurzaam Veilig Wegverkeer 2018 - 2023 (DV3)

In de Visie Duurzaam Veilig Wegverkeer wordt door vele verkeersveiligheidsprofessionals gedeeld wat de optimale aanpak zou zijn om de verkeersveiligheid in Nederland te verbeteren. De Visie Duurzaam Veilig Wegverkeer schetst hoe er naar een veilige toekomst op de weg toegewerkt kan worden. Door veranderingen in zowel de maatschappij als de verkeerssystemen is een optimale aanpak belangrijker dan ooit. DV3 maakt gebruik van nieuwe kansen en spoort tegelijkertijd aan om, waar relevant, te kijken hoe reeds ingezette, effectieve maar nog onvoltooide maatregelen verder kunnen worden afgemaakt. Het uiteindelijke doel van DV3 is om uiteindelijk tot een verkeersslachtoffervrij verkeerssysteem te komen. Dit doel zal bereikt worden aan de hand van vijf verkeersveiligheidsprincipes. 1. Functionaliteit van wegen; 2. (Bio)mechanica: afstemming van snelheid, richting, massa, afmetingen en bescherming van de verkeersdeelnemer; 3. Psychologica: afstemming van de verkeersomgeving en competenties van verkeersdeelnemers; 4. Effectief belegde verantwoordelijkheid; 5. Leren en innoveren in het verkeerssysteem. Om naar deze verkeersveiligheidsprincipes toe te werken, wordt er een gefaseerde benadering gevolgd:

23

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Elimineren: idealiter worden gevaarlijke situaties fysiek onmogelijk gemaakt zodat mensen niet met deze situatie in aanraking komen; Minimaliseren: keuzen voor gevaarlijke situaties of vervoerswijzen worden onaantrekkelijk gemaakt, zodat mensen zo min mogelijk aan de risico's worden blootgesteld; Mitigeren: daar waar mensen zich blootstellen aan risico's, worden de consequenties hiervan zo klein mogelijk gemaakt door gerichte maatregelen. Relatie met het voorliggend plan Bij voorliggende wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met de verkeersveiligheidsprincipes zoals deze centraal staan in het DV3.

3.1.4

Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 - veilig van deur tot deur

Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de vervoersregio's hebben samen met maatschappelijke partijen een nieuwe aanpak bedacht en beschreven om de verkeersveiligheid structureel te kunnen verbeteren. Het aantal verkeersslachtoffers neemt de laatste jaren toe en een daling van het aantal verkeersdoden is niet meer vanzelfsprekend. Beleid en maatregelen uit het verleden hebben tot vele successen geleid en het aantal verkeersslachtoffers sterk verlaagd. Maar in die toekomst heeft het Strategisch Plan Verkeersveiligheid (hierna: SPV) de ambitie om dit aantal terug te dringen naar nul verkeersslachtoffers. Om de bestaande risico's te verkleinen dient verkeersveiligheidsbeleid een impuls te krijgen waar het gaat om structurele aandacht, een proactief beleid en een brede samenwerking met partijen. De opkomst van nieuwe manieren waarop mensen zich verplaatsen, de opkomst van sociale media in het verkeer en de toenemende technologie brengen nieuwe vraagstukken met zich mee. Enerzijds kan dit leiden tot nieuwe verkeersveiligheidsrisico's, anderzijds ook tot nieuwe kansen om de veiligheid te verbeteren. Het SPV heeft aan de hand van negen thema's onderzocht hoe deze verkeersveiligheid verbeterd kan worden. Hierin bevat ieder thema oplossingsrichtingen voor de verschillende risico's voor de verkeersveiligheid.

Hoewel het SPV 2030 geen concrete afspraken maakt, worden er in samenwerking met overheden wel vijf hoofddoeleinden opgesteld: 1. Meer structurele aandacht voor verkeersveiligheid. 2. Meer verbondenheid en samenwerking. 3. Risicogestuurd beleid door analyse van de grootste risico's. 4. Risicogestuurd werken bevordert integraliteit in verkeersveiligheidsbeleid. 5. Monitoren en bijsturen van de uitvoering door nieuwe governancestructuur. Concrete maatregelen zullen worden opgenomen in landelijke en regionale uitvoeringsplannen. Relatie met het voorliggend plan De voorliggende wijziging van het omgevingsplan voor de nieuwbouw van de brug kan als uitwerking gezien worden van onder andere dit SPV.

24

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1

Provinciale omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Limburg fungeert als de leidraad voor de opgestelde ambities van de provincie Limburg om de kwaliteiten van Limburg in de toekomst te versterken. De provincie streeft ernaar om Limburg zo toekomstbestendig mogelijk te ontwikkelen waarbij steeds de balans gezocht wordt tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is vastgesteld op 1 oktober 2021 en bevat de belangrijkste ambities voor de periode 2021 tot 2030 en 2050. De Omgevingsvisie is opgedeeld in verschillende thema's, waarbij tevens ingegaan wordt op een gebiedsgericht onderdeel. Centraal binnen de Omgevingsvisie staan een drietal hoofdopgaven. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving Ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, energie en economie hebben een grote impact op de samenleving. Uit prognosecijfers blijkt dat de samenstelling van de bevolking van Limburg verandert. Voor het jaar 2050 zal er een daling zijn ten opzichte van 2020 van ongeveer 45.000 - 115.000 inwoners. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op de fysieke leefomgeving, zowel in landelijk als stedelijk gebied. In stedelijke gebieden heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid en de bereikbaarheid en/of toegankelijkheid van voorzieningen.

Een toekomstbestendige,innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie Limburg kent een economie waarbij innovatieve bedrijven en MKB goed gerepresenteerd zijn. Tot 2020 groeide het aantal banen in Limburg, waarbij de welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau toenamen. Echter is gebleken dat de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag is. De provincie Limburg wil de arbeidsparticipatiegraad verhogen, waarbij tevens ingezet wordt op het aantrekken van internationale werknemers. Op deze manier kunnen ontwikkelingen zoals digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten tegengaan. Daarnaast kan het harmoniseren van sociaal-economische spelregels, het verbeteren van (grensoverschrijdende) bereikbaarheid en de aansluiting op de (inter)nationale energiehoofdstructuur en/of digitale netwerken veel kansen bieden voor de provincie Limburg. Het is daarom uiterst belangrijk dat er geïnvesteerd wordt in infrastructuur en bereikbaarheid via de weg, het spoor, water, lucht, buis of digitaal. Klimaatadaptatieen energietransitie Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Ook voor de provincie Limburg zal er in de komende jaren een grote verandering in de energievoorzieningen ontstaan.

Energiebesparing en het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie zal een grote impact hebben op de leefomgeving in Limburg. Limburgse principes Elke afweging die gemaakt wordt binnen de thema's wordt gedaan op basis van de Limburgse principes: 1. 2. 3. 4. 5.

We streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal Meer stad, meer land We gaan zorgvuldig om met onze ruimte en voorraden; boven- en ondergronds Procesmatige uitgangspunten zoals gebiedsgericht en adaptief werken

Relatie met het voorliggend plan De voorgenomen ontwikkeling heeft voornamelijk een raakvlak met de tweede hoofdopgave, een

25

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie. Om dit doel te bereiken, dient de bereikbaarheid en de daarbij behorende verkeersveiligheid gewaarborgd te worden. De nieuwbouw van de Pater Sangersbrug zorgt ervoor dat de aansluiting met het internationale netwerk gegarandeerd blijft.Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de Omgevingsvisie van Limburg. Daarnaast is de brug van belang voor de bereikbaarheid van voorzieningen aan Belgische zijde. Inwoners van Roosteren, maar ook de rest van de regio aan Nederlandse zijde, is afhankelijk van deze brug over de Maas. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan bij de eerste hoofdopgave van de provinciale omgevingsvisie.

3.2.2

Omgevingsverordening Limburg

In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Provinciale Staten hebben deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021 en gewijzigd op 16 december 2022. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke omgevingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke omgevingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven; regels voor activiteiten die voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. Met de Omgevingsverordening Limburg wordt beoogd om de doorwerking van het provinciaal beleid naar gemeenten en andere partners te borgen. De instructies die in de omgevingsverordening staan, moeten door de gemeenten in acht worden genomen bij het opstellen (of wijzigen) van het omgevingsplan. In de volgende paragrafen zijn de van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.

3.2.2.1 Instructieregel reserveringszone provinciale weg In artikel 2.1 is de Instructieregel reserveringszone provinciale weg opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan de functie reserveringszone provinciale weg aan de zone van 15 meter aan weerszijden grenzend aan de buitenste kantstreep van een op de kaart aangeduide provinciale weg geeft. Tevens laat een omgevingsplan in de reserveringszone provinciale weg geen bouwwerken toe. Dit geldt niet voor tijdelijke bouwwerken en bouwwerken als bedoeld in artikel 2.15f van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Doorwerking in het omgevingsplan De regel is opgenomen in de regeling van deze wijziging van het omgevingsplan. Tevens is op de plankaart de aanduiding "vrijwaringszone - reserveringszone provinciale weg 15 meter" opgenomen.

3.2.2.2 Instructieregel Klimaatadaptatie In artikel 3.5 is de Instructieregel Klimaatadaptatie opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de risico’s wateroverlast, overstroming en droogte betrokken. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten.

26

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Relatie met het omgevingsplan In paragraaf 6.4 van deze motivering is de beschrijving van het aspect klimaatadaptatie opgenomen.

3.2.2.3 Instructieregel Groenblauwe mantel In artikel 7.6 is de Instructieregel Groenblauwe mantel opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel een beschrijving bevat van: a. de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel; b. de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg in het bijzonder met het oog op de impact voor de in het aanwijzingsbesluit aangewezen habitattypen en soorten in de Natura 2000-gebieden (inclusief Natura 2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven) en overige bedreigde soorten die er hun leefgebied hebben; c. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg; d. de waarde van het plangebied voor het bieden van ruimte voor water en als waterberging in laagten en beekdalen e. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a tot en met d; f. hoe op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van de waarden onder a t/m d. g. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “het groene karakter” worden de regels opgenomen in bijlage IX van de omgevingsverordening gevolgd.

Relatie met het omgevingsplan In paragraaf 6.1.5 van deze motivering is de beschrijving van het aspect groenblauwe mantel opgenomen.

3.2.2.4 Instructieregel Natuurnetwerk Limburg In artikel 8.2 is de instructieregel Natuurnetwerk Limburg opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan dat van toepassing is op locaties binnen het Natuurnetwerk Limburg geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten toelaat als deze: a. nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg; of b. kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. De motivering bij een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan voornoemde voorwaarden is voldaan. In artikel 8.3 is aangegeven dat artikel 8.2 niet van toepassing is op nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, als: a. b. c. d.

er sprake is van een groot openbaar belang; en er geen reële andere mogelijkheden zijn om in dit belang te voorzien; en uit het omgevingsplan blijkt hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt; en uit het omgevingsplan blijkt hoe negatieve effecten voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: 1. de compensatie niet mag leiden tot verlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; 2. de compensatie tijdig plaatsvindt: op financiële wijze; of in natura in nog niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Limburg.

27

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

In artikl 8.7 is tot slot opgenomen dat bij de compensatie van ingrepen van een groot openbaar belang in het Natuurnetwerk Limburg en bij ingrepen met negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “groene karakter” de regels opgenomen in bijlage IX van de omgevingsverordening worden gevolgd. Relatie met het omgevingsplan In paragraaf 6.1.5 van deze motivering wordt ingegaan op het Natuurnetwerk Limburg.

3.3

Regionaal beleid

De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen namelijk het lokale belang.

3.3.1

Waterbeheerprogramma 2022 - 2027

Het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (vastgesteld op 8 december 2021) biedt kaders voor het strategische grondwaterbeheer, de regionale normering wateroverlast, de functietoekenning voor de oppervlaktewateren en de waterkwaliteitsdoelen voor de KRW-waterlichamen en de overige wateren. Aan de hand van vier overkoepelende thema's zijn er doelen opgesteld voor de komende planperiode: Hoogwaterbescherming Maasvallei: de Maas beschermen tegen overstromingen. Klimaatadaptatie: een goede balans realiseren tussen water afvoeren én water vasthouden. Waterkwaliteit en ecologie: wateren natuurlijk inrichten waarbij het water schoon blijft. Zuiveren en waterketen: rioolwater zuiveren en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Regionaal beleid. Een onderliggend speerpunt van het Waterschap Limburg is het verduurzamen van de huidige processen. Waterschap Limburg heeft zich verbonden aan landelijke doelen rondom klimaat en energie, waarbij het Waterschap in het streven heeft om in 2025 energieneutraal te zijn. Relatie met het voorliggend plan Met de voorgenomen nieuwbouw van de Pater Sangerbrug wordt er geen inbreuk gedaan op het toekomstige beleid uit het waterbeheerprogramma van de provincie Limburg. De ontwikkeling is gezien het bovenstaande niet strijdig met het waterbeheerprogramma van het Waterschap Limburg.

3.3.2

Intergemeentelijke structuurvisieMaasplassen 2030

Met de Intergemeentelijke Structuurvisie hebben de gemeenten Maasgouw, Roermond, Leudal, Beesel en Echt-Susteren in 2014 hun gezamenlijke ruimtelijke beleid geformuleerd, aan de hand van de thema's: water (hoogwaterveiligheid); natuur en landschap. recreatie en toerisme. watergerelateerde woon- en werkfuncties. De gemeente Echt-Susteren heeft per thema een streefbeeld uitgewerkt. Water De gemeente Echt-Susteren vormt het verwevingsgebied tussen de Grensmaas en het Maasplassengebied. Hierbinnen is het belangrijk dat de continuïteit van de beleving en de herkenbaarheid van de Maas wordt versterkt. Ter plaatse van Visserweert worden vanuit het Grensmaasproject rivierkundige ingrepen in de vorm van weerdverlagingen en stroomgeulverbreding

28

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

uitgevoerd. Hierdoor ontstaat in dit gebied weer een natuurlijk rivierenlandschap met hoge natuurwaarden. Ter plaatse van natuurgebied ‘de Rug’ zal de weerdverlaging voor de ontwikkeling van een belangrijke schakel in de doorlopende natuurstructuur aan de Nederlandse zijde van de Maas zorgen. De beoogde weerdverlaging ligt aan de oostzijde van de rivier en is het breedst ter hoogte van de Pater Sangersbrug. Natuur en landschap De gemeente zet voor het Maasdal in op een landschapstype dat past bij de identiteit van het Maasdal en waarin de schaal en de kenmerken van dit landschapstype bepalen welke andere functies mogelijk zijn. De gemeente wil komen tot een groen-blauwe ecologische ladder, waarbij natuurgebieden met elkaar worden verbonden, ook gemeentegrensoverschrijdend. Concreet wil de gemeente zowel in oostelijke als in westelijke richting het Maasdal op meerdere plekken verbinden met het hoogterras, maar ook met het Belgische en Duitse achterland. Recreatie en toerisme De gemeente Echt-Susteren is op toeristisch recreatief gebied een kleine(re) speler, maar ook voor deze gemeente is wel duidelijk dat toerisme een belangrijke economische motor is. De gemeente wil voor de toekomst voldoende aantrekkingskracht houden voor de consumenten. Het huidige aanbod bestaat vooral uit extensieve vormen van recreatie zoals wandelen en fietsen.

Er wordt ingezet op het verder ontwikkelen van kwalitatieve routestructuren waarbij niet alleen eenduidige en overzichtelijke bewegwijzering, maar ook goed begaanbare paden en wegen, voldoende rust- en picknickplaatsen en horecagelegenheden langs deze routes ervoor zorgen dat men op een prettige manier kan recreëren in deze gemeente. De gemeente wil zich vooral profileren en onderscheiden met haar “natuurlijke” sterke punten, zoals het landschap en de hierin aanwezige natuurgebieden, de Grensmaas en het Maasplassengebied en de ligging van de gemeente in het smalste stukje van Nederland “schakel in de Euregio”. Daarbij wil de gemeente vooral insteken op een oriëntatie die meer op de Maas is gericht. In het kader van het project ‘Stad aan de Maas’ wil de gemeente Maaseik op de huidige plek van de Pater Sangersbrug een nieuwe brug bouwen. De nieuwe brug moet een grote architectonische uitstraling krijgen en de poortfunctie van de stad Maaseik vervullen. De nieuwe brug zorgt voor de duurzaam veilige passage voor langzaamverkeer en biedt tevens kansen om de huidige stuwing te verminderen. Midden op de brug ligt de grensovergang tussen Nederland en België. Aan Nederlandse zijde liggen enkele minder kwaliteitsvolle gebouwen en dito functies.

Relatie met het voorliggend plan Met de voorgenomen nieuwbouw van de Pater Sangerbrug wordt voldaan aan het streefbeeld dat de gemeente Echt-Susteren heeft opgesteld binnen de Intergemeentelijke Structuurvisie Maasplassen 2030. De nieuwbouw van de Pater Sangersbrug is al opgenomen als maatregel binnen deze structuurvisie.

29

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

3.4

Beleid Waterschap

3.4.1

Waterschapsverordening Limburg

Het beleid van het waterschap Limburg is vastgelegd in de Waterschapsverordening. De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. In de waterschapsverordening staan regels voor verschillende soorten activiteiten met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving in samenhang met water. De regels zijn nodig om het watersysteembeheer en de zuiveringstaak, en eventueel het wegenbeheer, goed te kunnen vervullen. Ze gaan over: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste veilig en doelmatig gebruik, in overeenstemming met de functies die volgens de wet aan het watersysteem toegedeeld zijn. Denk aan drinkwatervoorziening, voedselvoorziening, industrie, landbouw, visserij, transport, recreatie, enzovoorts de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de chemische grondwaterkwaliteit. In de waterschapsverordening staan niet alleen regels voor het waterschap. Er gelden ook verplichtingen voor een initiatiefnemer. Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=8d0103eb-a1ff-4419-9d3e-7c5c2dbd7170