CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide Vastgesteld

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan Uitbreiding Hoogspanningsnet Born-Graetheide23.475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide Bijlagen bij de toelichting Gemeente Echt-Susteren

Vastgesteld, 30 september 2021

Opdrachtgever: TenneT TSO

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. De Bilt Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Sweco projectnummer 365047

Bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide

Verantwoording Naam bestemmingsplan

150kV Born-Graetheide Bijlagen bij de toelichting

Bevoegd gezag Projectnummer

365047

Referentienummer

240/365047/LV

Status

Vastgesteld

Revisie

D1

Datum

30 september 2021

Auteur

drs. Luuk Vranken

E-mailadres

luuk.vranken@sweco.nl

Gecontroleerd door

Pim Verhoef MSc

Goedgekeurd door

mr. Lourens Hogenbirk

Bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide

Bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide

Inhoudsopgave bijlagen bij de toelichting

1. Vormvrije m.e.r.-beoordeling 2. Archeologisch onderzoek 3. Ecologisch onderzoek 4. Bodemonderzoek 5. Niet gesprongen explosieven 6. Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

Bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide

1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide

Aanmeldingsnotitie Onderwerp: Vormvrije m.e.r.-beoordeling ondergrondse hoogspanningsverbinding Born - Graetheide Projectnummer: 365047 Referentienummer: 240/365047/JvR-LV Datum: 31-03-2021

1

Inleiding

TenneT is voornemens om een nieuwe ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding aan te leggen. Deze verbinding verbindt de bestaande hoogspanningsstations Born (gemeente Echt-Susteren) en Graetheide (gemeente Sittard-Geleen). De versterking van het 150kV-net tussen de stations Born en Graetheide maakt onderdeel uit van een grotere versterking van het hoogspanningsnet in Zuid-Limburg. Het voornemen is de volgende werkzaamheden uit te voeren: - Het realiseren van een nieuwe 150kV- (150.000 Volt) kabelverbinding tussen de hoogspanningsstations Born (gelegen ten noorden van het VDL Nedcar terrein en ten oosten van de rijksweg A2) en Graetheide (gelegen ten noorden van Chemelot-terrein en ten oosten van de rijksweg A2). De nieuwe hoogspanningsverbinding wordt ondergronds aangelegd. - Aanpassing van de aankoppeling nabij hoogspanningsstation Born. - Realisatie van een portaal ten westen van het station Born. - Aanpassing en uitbreiding van hoogspanningsstation Graetheide. Met twee bestemmingsplannen (één per gemeente) wordt de aanleg van de ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding planologisch mogelijk gemaakt. De aanpassingen aan de stations zijn reeds mogelijk binnen de geldende bestemmingsplannen.

Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over deze bestemmingsplannen moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. In deze aanmeldingsnotitie is de vormvrije m.e.r.-beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen (formeel ook aangeduid als aanmeldingsnotitie). Achtereenvolgens wordt ingegaan op het voornemen (hoofdstuk 2), de m.e.r.-procedure (hoofdstuk 3) en de vormvrije m.e.r.-beoordeling (hoofdstuk 4) waarin de potentiële effecten van het voornemen worden beschreven.

2

Voornemen

TenneT is voornemens een ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding aan te leggen tussen hoogspanningsstations Born en Graetheide. Het plangebied is in figuur 1 aangegeven. Het betreft een tracé van circa 7,8 kilometer lengte. De breedte van het tracé, inclusief beschermingszone betreft grotendeels 11 meter. Tevens voorziet het project in de realisatie van een portaal ten westen van het station Born. Het tracé ligt aan de noordzijde grofweg parallel aan de A2 en het tracé van de bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding. Aan de zuidzijde is gekozen voor een tracé door overwegend agrarisch gebied, met afstand tot zowel de kern Limbricht als de kern Guttekoven, richting station Graetheide. Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Jules van Riel Adviseur T +31 88 811 49 73 M +31 6 30 57 14 96 1 (13)

Figuur 1: Tracé ondergrondse hoogspanningsverbinding Born - Graetheide

2 (14)

Waar mogelijk wordt het tracé met een open ontgraving aangelegd. Op delen van het tracé is gekozen voor een boring of persing. Bij deze uitvoeringsmethode wordt de oppervlakte niet verstoord, zodat de hinder voor de huidige gebruikers van de locatie beperkt is. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij kruisingen met doorgaande wegen, bestaande kabels en leidingen en ook onder bestaande bomen. Bij een open ontgraving worden op de plek waar de kabels komen te liggen, sleuven gegraven. Hierbij wordt de grond tijdelijk langs het werkterrein opgeslagen. Het betreft ontgravingen met een breedte van 5 tot 10 meter en een diepte van 1,5 tot 2 meter. De kabel wordt namelijk 1,20 tot 1,80 onder maaiveld aangelegd. Op locaties waar niet met open ontgraving gewerkt kan worden, worden de kabels in mantelbuizen getrokken. Om die te leggen moeten gestuurde boringen of persingen worden uitgevoerd. Op deze locaties wordt de kabel doorgaans dieper aangelegd, zodat geen verstoring van het bestaande grondgebruik plaatsvindt. Na afloop van de werkzaamheden zorgt TenneT ervoor dat de gronden weer in oude staat worden hersteld.

3

Toets aan Besluit m.e.r.

3.1 Welke m.e.r.-procedure is van toepassing Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze activiteiten geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Het Besluit m.e.r. geeft aan of voor een project een m.e.r.-(beoordelings)plicht van toepassing is. De onderhavige ontwikkeling betreft de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding, wat als activiteit is opgenomen in de D-lijst onder categorie D24.2 (De aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding), zie tabel 3.1.

3 (14)

Tabel 3.1: Activiteit D24.2 uit het Besluit milieueffectrapportage (d.d. 19-06-2019) Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Activiteiten Gevallen Plannen D24.2 De aanleg, wijziging In gevallen waarin de De structuurvisie, of uitbreiding van een activiteit betrekking heeft bedoeld in de ondergrondse op een leiding met: artikelen 2.1, 2.2 en hoogspanningsleiding. 2.3 van de Wet 1° een spanning van 150 ruimtelijke ordening, kilovolt of meer, en en de plannen, bedoeld in de 2° een lengte van 5 artikelen 3.1, eerste kilometer of meer in een lid, 3.6, eerste lid, gevoelig gebied als onderdelen a en b, bedoeld onder a, b of d van die wet. van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage.

Kolom 4 Besluiten Het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet of het besluit, bedoeld in artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.

Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Met de aanleg van de onderhavige ondergrondse hoogspanningsverbinding worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden, zodat op basis daarvan geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. De spanning van de ondergrondse hoogspanningsverbinding bedraagt namelijk 150 kilovolt en de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding heeft geen lengte van 5 kilometer of meer in gevoelig gebied. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de ‘Europese richtlijn milieueffectbeoordeling’ te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.- beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. 3.2 Te volgen procedure Met deze aanmeldingsnotitie verzoekt de initiatiefnemer de gemeente Echt-Susteren en de gemeente Sittard-Geleen (bevoegde gezagen) om te beoordelen of een m.e.r. nodig is (conform artikel 7.16 Wet milieubeheer, óf artikel 7.17 lid 2) voor de in paragraaf 3.1 genoemde activiteit. In deze aanmeldingsnotitie is de benodigde informatie opgenomen die voor deze beoordeling nodig is.

Gelijktijdig met het besluit van de gemeenten om het ontwerp bestemmingsplan in procedure te brengen, nemen zij het m.e.r.beoordelingsbesluit. Tegen dit besluit is geen bezwaar of beroep mogelijk, wel kan een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan worden ingediend of beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan worden ingesteld.

4 (14)

3.3 Doel van de aanmeldnotitie De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het kader van een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld. In een aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r-procedure nodig is. Er kunnen twee uitkomsten zijn: • belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden → er dient een m.e.r.-procedure doorlopen te worden; • belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op → er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij …. (zie hiervoor verder kader 3.1). Dit uitgangspunt betekent dat er geen nadere m.e.r.- nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit: a.

Omvang van het project; b. Cumulatie met andere projecten; c. Gebruik natuurlijke hulpbronnen; d. Productie afvalstoffen; e. Verontreiniging en hinder; f. Risico op ongevallen. 2. Plaats van de activiteit: a. bestaand grondgebruik; b. rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden. 3. Kenmerken van het potentiële effect: a. bereik van het effect; b. grensoverschrijdend karakter; c. orde van grootte en complexiteit effect; d. waarschijnlijkheid effect; e. duur, frequentie en omkeerbaarheid effect. In hoofdstuk 4 wordt de toetsing behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit, de plaats van de activiteit en de potentiële effecten die daaruit naar voren komen. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van deze effecten. Hierbij wordt gekeken of er sprake is van mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen.

5 (14)

KADER 3.1: UITLEG AANMELDINGSNOTITIE Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken. Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de Dlijst van het Besluit m.e.r., waarvoor tevens geldt dat de activiteit onder de drempelwaarde ligt zoals in deze D-lijst genoemd. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht.

Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken.

6 (14)

4

Vormvrije m.e.r.-beoordeling 1.

Kenmerken van het project

Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)

Aanleggen van een ondergrondse 150kV hoogspanningsverbinding Het project omvat de aanleg van een ondergrondse 150kV hoogspanningsverbinding tussen de hoogspanningsstations Born en Graetheide. De aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding, inclusief een portaal wordt mogelijk gemaakt via een nieuw bestemmingsplan. Daardoor is het een project (kolom 4) in de zin van het Besluit m.e.r.. Activiteit D24.2 uit Besluit m.e.r. drempelwaarden zijn: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1° een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2° een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of d van punt 1 van onderdeel A van deze bijlage.

De gevoelige gebieden betreffen: a: een gebied dat krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is aangewezen als Natura 2000-gebied; b: een kerngebied, begrensd natuurontwikkelingsgebied of begrensde verbindingszone, dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur, zoals die structuur is vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening, of, bij het ontbreken daarvan, zoals die structuur voorkomt op de kaart Ecologische Hoofdstructuur, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte (LNV-kenmerk GRR-95194); d: een krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet bij provinciale verordening aangewezen gebied met uitzondering van de zones waar het met het oog op de bescherming van het diepe grondwater is verboden te boren; Dit initiatief omvat: Een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een spanning van 150kV en een lengte van circa 7,8 kilometer, waarvan minder dan 5 kilometer in gevoelig gebied. Conclusie: het project blijft onder de drempelwaarden van 150kV en 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied. Daarom is voor dit project geen ‘formele’ m.e.r.-beoordeling, maar een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling nodig.

7 (14)

Cumulatie met andere projecten

Gebruik natuurlijke hulpbronnen1

Productie afvalstoffen2

Verontreiniging en hinder

In de omgeving van het plangebied spelen enkele ontwikkelingen. Het betreft de verbreding van de rijksweg A2 (inclusief het verleggen van kabels/leidingen), de uitbreiding van het bedrijf NedCar in Born en de aanleg van een provinciale weg. In de permanente situatie (na de realisatiefase) is er geen sprake van effecten die cumuleren met het aanleggen van deze hoogspanningskabel. Cumulatie van effecten kan tijdens de aanlegfase mogelijk aan de orde zijn, als de uitvoering gelijktijdig plaatsvindt met de andere projecten. Het betreft effecten als gevolg van bouwverkeer en het gebruik van machines gedurende de bouw, met effecten op luchtkwaliteit, verkeer, geluid en stikstofdepositie. Bij deze aspecten wordt ook ingegaan op de gecumuleerde effecten. Bij het aanleggen van de ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt geen gebruik gemaakt van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen zoals hout, glas, (bak)steen en grond. In principe wordt de grond na aanleg weer teruggeplaatst. Voor zover vrijgekomen grond niet ter plaatse kan worden gebruikt, wordt deze afgevoerd en elders gebruikt, bijvoorbeeld voor ophoging. Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. Bij de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding komt afval vrij. Tijdens de gebruiksfase komen geen afvalstoffen vrij.

(Bouw)afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. Verontreiniging: Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden tijdelijk een beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Dit effect is groter als in de directe nabijheid gelijktijdig werkzaamheden plaatsvinden van omliggende projecten (cumulatie van effect). Gelet op de beperkte effecten van dit project, zijn belangrijke nadelige effecten niet te verwachten. Effecten kunnen eventueel beperkt worden door de planning van werkzaamheden af te stemmen op de uitvoeringsplanning van de omliggende projecten. De ontwikkeling zal verder niet leiden tot een andere vorm van verontreiniging. Er is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Uit dit onderzoek blijkt dat de kwaliteit geschikt voor de beoogde functie. Wel zijn enkele aandachtspunten naar voren gekomen voor de uitvoering.

1 Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op,

of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 2 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.

8 (14)

Indien TenneT nader onderzoek laat uitvoeren, en rekening houdt met deze aandachtspunten in de uitvoeringsfase, zijn negatieve effecten niet te verwachten. Hinder: Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden lokaal een beperkte verkeershinder en geluidhinder optreden. Dit effect is groter als in de directe nabijheid gelijktijdig werkzaamheden plaatsvinden van omliggende projecten (cumulatie van effect). Gelet op de beperkte effecten van dit project, zijn belangrijke nadelige effecten niet te verwachten. Effecten kunnen eventueel beperkt worden door de planning van werkzaamheden af te stemmen op de uitvoeringsplanning van de omliggende projecten.

Risico voor ongevallen

2. Plaats van de activiteit Bestaande grondgebruik

In de gebruiksfase zal de ondergrondse hoogspanningsverbinding geen hinder opleveren. De verkeersaantrekkende werking in de gebruiksfase als gevolg van onderhoud en inspectie is te verwaarlozen. Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht.

De ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt voornamelijk aangelegd in het buitengebied van de gemeente Sittard-Geleen en voor een beperkt deel in het buitengebied van de gemeente Echt-Susteren. De gronden ter plaatse van de ondergrondse hoogspanningsverbinding zijn grotendeels in gebruik als agrarische grond / grasland. Op enkele plaatsen kruist de ondergrondse hoogspanningsverbinding gronden die in gebruik zijn ten behoeve van infrastructuur, groenvoorzieningen en water. Aan de noordzijde ligt het tracé over gronden die in gebruik zijn als bedrijventerrein. Het betreft het onbebouwde deel van het terrein van NedCar in Born.

Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het portaal ten westen van station Born wordt gerealiseerd op agrarische gronden. De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Er zijn geen effecten op natuurlijke hulpbronnen.

9 (14)

Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang

Natuur Natura 2000 In de omgeving van het plangebied bevinden zich vier Natura 2000-gebieden: Grensmaas: 1,8 km; Abdij Lilbosch & Voormalig Klooster Mariahoop: 6,1 km; Bunder- en Elsloërbos: 6,7 km; Geleenbeekdal: 6,8 km. Gelet op de afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden en de relatief kleinschalige aard van de werkzaamheden zijn directe effecten op voorhand uitgesloten. Uit een berekening van de stikstofdepositie blijkt dat er zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000-gebied is waarvoor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Daarmee zijn effecten op voorhand uitgesloten. Het project draagt ook niet bij aan stikstofdepositie in cumulatie met andere projecten. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het plangebied doorkruist op drie punten het NNN. Op twee van de drie punten wordt het tracé aangelegd door middel van gestuurde boring. Op de overige locatie vindt een open ontgraving plaats. Omdat er sprake is van een bestemmingsplanprocedure dient een ’nee-tenzij’-toets te worden uitgevoerd, waarmee een zorgvuldige afweging is geborgd. Aantasting van NNN kan voorkomen worden door de kabels hier tevens aan te leggen met een gestuurde boring.

Omdat in de provincie Limburg verder geen sprake is van externe werking op het NNN zal op deze wijze het NNN in zijn geheel worden ontweken. Binnen het NNN gebied bevindt zich ook het beschermd natuurmonument Grasbroek (Natuurbeschermingswet). De nieuwe verbinding wordt ten oosten van het natuurgebied aangelegd. In het natuurgebied ontspringen enkele bronnen die naar verwachting worden gevoed door neerslag uit de omgeving die door aanwezige zandbanen in de ondergrond naar het bronnengebied worden geleid. De invloed van de aanleg van de nieuwe verbinding op het in stand houden van deze bronnen is onderzocht, inclusief eventueel noodzakelijke en/of mogelijke maatregelen. Met boringen is beter inzicht ontstaan in de bodemopbouw. Daaruit blijkt dat er sprake is van een zandtussenlaag die voor de voeding van de beken zorgt. In noordelijke richting lijkt deze zandlaag te ontbreken, waardoor het water naar de lager gelegen delen wordt geleid in het Grasbroek. Door de aanleg van de kabelverbinding, is er een kans dat het ondiepe grondwater door de sleuf in noordelijke richting ‘wegstroomt’ langs de kabel. Om de kans op ‘wegstromen’ te minimaliseren, dient het gebruik van back fill zand voorkomen te worden en de sleuf opgevuld te worden conform de oorspronkelijke bodemopbouw. Versmering van de

10 (14)

ontgravingssleuf dient te worden voorkomen, zodat het ondiepe water na aanleg van de kabel weer naar de (bron)beken kan stromen. Bij toepassing van back fill zand dient gekeken te worden naar mogelijkheden om kleidammen in de sleuf aan te brengen, waardoor het water niet langs de kabelverbinding naar lager gelegen delen afstroomt. Met toepassing van een van deze maatregelen worden geen effecten op het bronnengebied verwacht. Beschermde soorten (Wnb) Binnen het voorkeurstracé zijn mogelijk soorten aanwezig of te verwachten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden als gevolg van de voorgenomen ingreep. Het betreft hier mogelijke groeiplaatsen beschermde plantensoorten wolfskers, grote leeuwenklauw en groot spiegelklokje, Alpenwatersalamander, levendbarende hagedis en hazelworm (Andere soorten art. 3.10 Wnb). Aanvullend soortgericht onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk om aanwezigheid en effecten van de ingreep te kunnen bepalen. Dit onderzoek vindt gedurende de bestemmingsplanprocedure plaats. De Wet natuurbescherming borgt dat geen onaanvaardbare ingrepen plaatsvinden. Voor de reptielen hazelworm en levendbarende hagedis gelden vrijstellingsperiodes van respectievelijk juli t/m september en half augustus t/m half oktober.

Indien in deze periode gewerkt wordt in geschikt habitat (bosranden en bosschages en structuurrijke bermen) dan is aanvullend onderzoek formeel niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht, wat inhoudt dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Voor vleermuizen geldt dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is, mits er geen sprake is van bomenkap, zoals momenteel het uitgangspunt is. Tot slot dient men tijdens de uitvoeringsfase rekening te houden met de aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels tijdens het broedseizoen. Alle broedgevallen zijn beschermd tijdens het broedseizoen. Vanwege de lengte van het tracé adviseren we de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren en aantasting van bosschages geheel te vermijden. Indien dit niet mogelijk is dient het werkterrein vóór de start van het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Dit geldt voornamelijk ten aanzien van grondbroedende soorten op de locaties van de open ontgravingen in de akkers. Landschap, cultuurhistorie & archeologie De ondergrondse hoogspanningsverbinding is na realisatie niet zichtbaar. Enkel het portaal ten westen van station Born is zichtbaar. Deze wordt gesitueerd ter plaatse van bestaande

11 (14)

hoogspanningsmasten, waardoor het landschappelijk effect gering is. Tijdens de aanleg wordt, met aandacht voor de aanwezige functies en waarden in het gebied, gekozen voor de passende aanlegmethode. Na de aanleg worden de bestaande kwaliteiten zo veel mogelijk weer hersteld: de ontgraven gronden worden zover als dit mogelijk is weer in de oude staat hersteld. Bestaande bomen worden zo veel mogelijk gespaard. Hierdoor is geen sprake van belangrijke nadelige effecten voor het landschap. Voor het tracé van de ondergrondse hoogspanningsverbinding is archeologisch onderzoek verricht. Het voorkeursalternatief is tijdens de tracéstudie dusdanig vormgegeven dat er zich zo min mogelijk vastgestelde archeologische waarden binnen het gebied bevinden. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er binnen het plangebied overwegend een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische resten (op basis van landschap, grondwaterstanden et cetera). Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het plangebied vervolgonderzoek aanbevolen. Het wordt geadviseerd om archeologisch inventariserend vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van proefsleuven (IVO-P) en daarbij direct door te kunnen starten naar een opgraving (DO) indien daar aanleiding toe is.

Voor het plangebied grenzend aan het NedCar parkeerterrein (boorpunt 12 t/m 19) wordt, indien de werkzaamheden hier niet door middel van gestuurde boring kunnen worden uitgevoerd, geadviseerd de werkzaamheden archeologisch te laten begeleiden (DO variant begeleiding) omdat de strook van de berm hier geen praktische uitvoering van een proefsleuvenonderzoek toelaat. Op deze wijze worden belangrijke nadelige effecten voorkomen. Het project bedreigt geen gebouwde monumenten, cultuurhistorische vlakken, of -lijnobjecten bedreigd. Uitzondering hierop is het Rijksmonument 509.931, de buitenplaats Wolfrath met parkaanleg. Voor ingrepen die hier in de bodem worden uitgevoerd dient een monumentenvergunning te worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (via de gemeente). Bij de verdere planuitwerking worden ingrepen binnen de begrenzing van het Rijksmonument voorkomen, bijvoorbeeld door middel van een gestuurde boring. Geohydrologisch onderzoek Globaal gezien is het gebied ten zuiden van de Bornerweg/Sittarderweg hoog gelegen. De grondwaterstand ligt op een diepte van meer dan 2,5m -mv. Ten behoeve van de aanleg van de kabels is voor dit gedeelte zeer waarschijnlijk geen bemaling noodzakelijk. Opgemerkt wordt dat mogelijk bij

12 (14)

het meest zuidelijk gelegen gebied bemaling nodig is wanneer de werkzaamheden bij een GHS-situatie worden uitgevoerd. In het gebied ten noorden van de Bornerweg/Sittarderweg is het maaiveld lager gelegen waardoor de GHS hoger is dan de ontgravingsdiepte. Hierdoor is zeer waarschijnlijk bemaling noodzakelijk om de werkzaamheden in den droge uit te kunnen voeren. De effecten van bemaling zijn in een bemalingsadvies in beeld gebracht. Zettingsschade als gevolg van bemalingswerkzaamheden wordt niet verwacht, omdat de deklaagdikte zeer beperkt. Ook zijn de zettingsgevoelige lagen in het verleden al ontwaterd geweest, waardoor deze lagen al zijn voorgezet. Ter plaatse van het Nedcarterrein is tijdens het milieukundig bodemonderzoek een grondwaterverontreiniging (hb-28) aangetroffen. Aangezien dit ter plaatse van de perskuip en een gedeelte van de open ontgraving is, zijn mogelijk zuiveringsmaatregelen noodzakelijk om te kunnen lozen op het oppervlaktewater. Aanbevolen wordt om het bemalingswater vóór en na zuivering te bemonsteren en te laten analyseren. Voor de uitvoering van de bemalingswerkzaamheden is het opstellen van een (deel)saneringsplan noodzakelijk. Daarnaast zijn diverse grondwaterverontreinigingen bekend in de omgeving van het tracé.

Deze grondwaterverontreinigingen liggen niet in het invloedsgebied bij een GLG-situatie, maar wel in het invloedsgebied bij een GHG-situatie. Gezien de bemalingsduur op één locatie beperkt is en de berekeningen zijn uitgevoerd voor een stationaire situatie, wordt geen negatieve invloed op de verontreinigingen verwacht. Binnen het invloedsgebied van de tijdelijke grondwaterstandsverlaging bevinden zich enkele onttrekkingen van derden. Omdat de onttrekkingsfilters relatief diep onder maaiveld aanwezig zijn en de bemalingsduur zeer beperkt is op één locatie, wordt geen negatieve invloed verwacht. Op de atlas van Limburg is te zien dat het tracé binnen de boringvrije zone ‘Roerdalslenk zone II’ ligt. Verder ligt het tracé niet in een grondwaterbeschermings- en/of waterwingebied. Voor de boringsvrije zone geldt dat deze gemeld dienen te worden, indien deze dieper dan 30 m-mv worden gezet. Er zijn daarom geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Tijdelijke grondwaterstandsverlagingen in de deklaag en/of watervoerend pakket kunnen archeologische objecten negatief beïnvloeden. Binnen het invloedsgebied van de bemalingen (verlagingscontour ten opzichte van de GLG) bevinden zich 14 objecten met een archeologische waarde. Tijdelijke grondwaterstandsverlagingen in de deklaag kunnen leiden tot negatieve beïnvloeding van natuur.

In het invloedsgebied zijn geen gebieden aanwezig die behoren tot

13 (14)

een Natura 2000-gebied. Door Natuurmonumenten is aangegeven dat zij zich zorgen maken over de grondwaterstand tijdens de bemalingswerkzaamheden binnen het gebied Limbrichterbos en Grasbroek. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd in een periode met een lage grondwaterstand, wordt een beperkte invloed op het bos verwacht. Dit kan voorkomen worden door de werkzaamheden in een periode met een gemiddelde of hoge grondwaterstand uit te voeren. Het zoet-brakgrensvlak bevindt zich op circa 300 à 400 m-mv. Gelet op de diepte en/of bodemopbouw, wordt er geen invloed verwacht op de zoet-zoutgrensvlak. 3.

Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)

Grensoverschrijdend karakter Orde van grootte en complexiteit effect

Waarschijnlijkheid effect

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect Conclusie

In alle gevallen zullen potentiële effecten slechts lokaal optreden, in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Hinder voor omwonenden beperkt zich tot de woningen rondom het plangebied en mogelijk in beperkte mate tot woningen langs de aan/-afvoerroutes. Er zijn geen landsgrensoverschrijdende effecten. De verwachte effecten zijn, gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden, beperkt en lokaal van aard. Hinder wordt daardoor niet verwacht. Naar verwachting zal, gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden, geen sprake zijn van significant negatieve effecten. De aanlegfase leidt tijdelijk tot beperkte effecten, na de bouwfase verdwijnen deze effecten. In de gebruiksfase treden geen effecten op. Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en de verwachte effecten, zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten. Nadere analyse in een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

14 (14)

2

Archeologisch onderzoek

Bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide

Rapport Projectnummer: 365047 Referentienummer: SWNLxx Datum: 29-7-2020

Bureauonderzoek archeologie en cultuurhistorie Versterken 150kV-net Born-Graetheide SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2233

Definitief

Verantwoording Titel

Bureauonderzoek archeologie en cultuurhistorie

Subtitel

Versterken 150kV-net Born-Graetheide SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2233

ISSN-nummer

2468-4813

Projectnummer

365047

Referentienummer

SWNLxx

Revisie

D1

Datum

29-7-2020

Auteur

C.A. Paré MSc mr. W.J. Weerheijm MA (sr. KNA-BO archeoloog, actornummer 38767204)

E-mailadres

Cesco.pare@sweco.nl

Gecontroleerd door

dr. J.J. Hekman, senior KNA-archeoloog (64229705)

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door Paraaf goedgekeurd

J. van Rooij, teamleider

Sweco voert archeologisch onderzoek uit onder procescertificaat SIKB BRL 4000 ’Archeologie’ en de protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004. De archeologische werkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA).

Administratieve gegevens Uitvoerder

Sweco Nederland B.V.

Provincie Gemeente Plaats Toponiem Kaartbladnummer Kadastrale gegevens x/y-coördinaten

Limburg Sittard-Geleen, Echt-Susteren Born, Graetheide Born-Graetheide 60W meerdere N x:186128 / M x:185468 / Z x:186525 / TenneT TSO BV Utrechtseweg 310 6812AR ARNHEM 4711343100 Ca. 198 hectare Gemeente Sittard-Geleen Ruimtelijk Beleid Team Ruimtelijke Ontwerp Mevr. drs. M.E.N. Aarts E-mail: marion.aarts@sittard-geleen.nl

Opdrachtgever

Onderzoeksmeldingsnummer Archis monumentnummer Archis waarnemingsnummer Oppervlakte plangebied Bevoegde overheid

Projectmedewerker Periode van uitvoering Beheer en plaats van documentatie

Gemeente Echt-Susteren Contactpersoon Archeologie en Monumenten Mevr. M.P.A.P. Stokbroekx Vergunningverlener/bouwplantoetser Team Wabo E-mail: marielle.stokbroekx@servicecentrum-mer.nl C.A. Paré MSc, mr. W.J. Weerheijm MA Concept: juni 2019; definitief: juli 2020 Sweco Nederland B.V. De Bilt

y:340115 y:337562 y:334645

Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 7 1

Inleiding .................................................................................................................. 9

1.1

Aanleiding van het onderzoek ................................................................................. 9

1.2

Kader onderzoek ..................................................................................................... 9

1.3

Methodiek ................................................................................................................ 9

1.4

Doelstelling en vraagstelling .................................................................................. 10

2

Bureauonderzoek archeologie ........................................................................... 11

2.1

Afbakeningen plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik ......................... 11

2.1.1

Afbakening plan- en onderzoeksgebied ..............................................................................11

2.1.2

Huidig gebruik van het plangebied ......................................................................................12

2.1.3

Toekomstig gebruik van het plangebied .............................................................................12

2.2

Aardwetenschappelijke kenmerken ....................................................................... 12

2.3

Archeologische waarden ....................................................................................... 15

2.3.1

Archeologische verwachtings- en beleidskaart ...................................................................15

2.3.2

Archeologische Monumenten ..............................................................................................16

2.3.3

Archeologische waarnemingen en onderzoeken ................................................................17

2.3.4

Ondergrondse bouwhistorische waarden en mogelijke verstoringen ..................................20

2.4

Historische situatie................................................................................................. 21

3

Gespecificeerde archeologische verwachting ................................................. 22

4

Conclusie en advies archeologie ....................................................................... 23

4.1

Conclusie ............................................................................................................... 23

4.2

Advies .................................................................................................................... 23

5

Bureauonderzoek cultuurhistorie ...................................................................... 25

5.1

Bronnen ................................................................................................................. 25

5.2

Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 25

5.3

Bekende cultuurhistorische waarden .................................................................... 27

6

Conclusie en advies cultuurhistorie .................................................................. 29

6.1

Conclusie ............................................................................................................... 29

6.2

Advies .................................................................................................................... 29

Literatuurlijst en gebruikte bronnen .................................................................................. 30

Bijlage 1.

Locatie van het plangebied

Bijlage 2.

Geomorfologische kaart

Bijlage 3.

Bodemkaart

Bijlage 4.

Hoogtekaart (AHN)

Bijlage 5.

Archeologische inventarisatie (Archis)

Bijlage 6.

Topografische kaart 1850

Bijlage 7.

Bonneblad 1894-1937

Bijlage 8.

Waarden gemeentelijke beleidskaarten

Bijlage 9.

Cultuurhistorische inventarisatie

Bijlage 10.

Selectiebesluit gemeente Sittard-Geleen en beoordeling RAAP

Tabel 1

Overzicht van archeologische perioden1

Periode

Tijd

Laat-Paleolithicum (Oude Steentijd)

tot

9.000 v.Chr.

Mesolithicum (Midden Steentijd)

9.000 v.Chr.

-

4.900 v.Chr.

Neolithicum (Nieuwe Steentijd)

5.325 v.Chr.

-

1.900 v.Chr.

Bronstijd

1.900 v.Chr.

-

800 v.Chr.

IJzertijd

800 v.Chr.

-

12 v.Chr.

Romeinse Tijd

12 v.Chr.

-

450 n.Chr.

Vroege Middeleeuwen

450

-

1.050 n.Chr.

Late Middeleeuwen

1.050

-

1.500 n.Chr.

Nieuwe Tijd

1.500

-

heden

Tabel 2

Indeling van het Kwartair

chronostratigrafie Kwartair

Holoceen

Pleistoceen

jaren geleden Subatlanticum Subboreaal Atlanticum Boreaal Preboreaal Laat Weichselien (ijstijd) Eemien Midden Saalien (ijstijd) Elsterien (ijstijd) Vroeg

1

Bron: Archeologisch Basis Register 1992.

3.000 5.000 8.000 9.000 10.000 130.000 120.000 130.000 800.000 200.000 400.000 2.400.000

-

heden 3.000 5.000 8.000 9.000 10.000 10.000 120.000 130.000 130.000 315.000 800.000

Samenvatting In opdracht van Tennet TSO BV heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek uitgevoerd naar een toekomstig kabeltracé tussen Born en Graetheide, in de gemeenten Echt-Susteren en Sittard-Geleen. De aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen van de opdrachtgever om een 150kV kabelverbinding te realiseren tussen de bestaande hoogspanningsstations Born en Graetheide. Op basis van voorgaande onderzoeken is een voorkeursalternatief (VKA) bepaald waarbinnen de kabelverbinding zal worden aangelegd. Het plangebied van het VKA bestaat uit een gedefinieerde corridor waarbinnen de 150kV verbinding zal worden aangelegd. De corridor is ca. 8 kilometer lang en max. 300 meter breed, met een totale oppervlakte van ca. 198 hectare. De exacte locatie, breedte en diepte van de bodemingrepen binnen het VKA zijn ten tijde van het opstellen van dit document nog niet bekend. Binnen het VKA zal een werkstrook worden aangelegd met naar verwachting een breedte van ca. 40 meter; daarbinnen vindt een open ontgraving plaats met een breedte van 5 tot 10 meter, en een diepte van 1,5 tot 2 meter beneden maaiveld. Archeologische waarden en verwachtingen Het VKA is tijdens de tracéstudie dusdanig vormgegeven dat er zich zo min mogelijk vastgestelde archeologische waarden binnen het gebied bevinden.

Binnen het VKA bevinden zich geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), en relatief weinig vondstlocaties. Bij de Dorpsstraat/Maasweg te Guttecoven ligt het plangebied direct tegen een niet-Rijksbeschermd archeologisch monument (AMK terrein 11.212 - terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd). De vondstlocaties binnen het plangebied zijn veelal wel een aanwijzing voor een archeologische vindplaats. Binnen het VKA bevindt zich een clustering aan vondstlocaties tussen de Bornerweg en de Beukenboomsweg bij Limbricht. Hoewel het plangebied dus weinig bekende archeologische waarden kent, heeft het plangebied volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaarten wel overwegend een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten (op basis van landschap, grondwaterstanden etc.). Het gaat dan om een brede archeologische verwachting voor het aantreffen van resten uit de periode vanaf het Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. In principe is vanaf het Paleolithicum al menselijke bewoning en activiteit mogelijk geweest binnen het plangebied. De mogelijke archeologische sporen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum/Mesolithicum tot nederzettingsterreinen uit de periode vanaf het Neolithicum/Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd.

Binnen het plangebied zijn veel vondstlocaties uit deze perioden bekend. Tot de eerste vondstcategorie behoren voornamelijk vondsten van bewerkt vuursteen en houtskool; tot de tweede categorie behoren o.a. grondsporen van structuren zoals boerderijen, bijgebouwen, sloten, greppels en afvalkuilen, en vondsten van o.a. aardewerk, bot en metaal. Deze sporen kunnen in principe op of vlak onder het maaiveld worden aangetroffen. Voor de periode Nieuwe tijd zijn op basis van historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen voor bewoning aangetroffen; dit kan echter ook niet geheel worden uitgesloten. Mogelijk kunnen binnen het plangebied nog sporen van verkaveling of agrarisch landgebruik worden aangetroffen. Advies archeologie Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt geadviseerd om op de locatie van de geplande ingrepen binnen het VKA een dubbelbestemming archeologie op te nemen conform Bijlage 8. Verder wordt voor het plangebied geadviseerd om de geplande

bodemingrepen binnen het VKA zoveel mogelijk uit te voeren in gebieden die in Bijlage 8 staan aangegeven met waarde 5 of 6 binnen de gemeente Sittard-Geleen. Dit zijn de zones met de relatief minst hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Geadviseerd wordt om de zones die staan aangegeven met waarde 2 zoveel mogelijk te vermijden omdat hier sprake is van een vastgestelde archeologische vindplaats, of een hoge/zeer hoge kans daarop. Het gedeelte binnen het VKA binnen de gemeente EchtSusteren heeft vrijwel geheel een hoge archeologische verwachting, en slechts voor een klein gedeelte een middelhoge archeologische verwachting, zodat er voor de ingrepen binnen dat gedeelte van het plangebied weinig mogelijkheden tot alternatieven zijn. Gezien de lengte van het tracé en het feit dat vrijwel het gehele VKA een middelhoge tot hoge archeologische verwachting heeft, wordt geadviseerd om zodra het concrete tracé bekend is voorafgaand aan de werkzaamheden een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Er wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een booronderzoek waarbij het archeologisch verwachtingsmodel wordt getoetst en de mate van intactheid van de bodem in kaart wordt gebracht, bijvoorbeeld door te boren in een raai met een tussenruimte van 50 meter tussen de boringen.

Cultuurhistorische waarden Binnen het VKA bevindt zich het Rijksmonument 509.931, de buitenplaats Wolfrath met parkaanleg. De gebouwde elementen binnen het Rijksmonument zullen niet door de geplande ingrepen worden bedreigd. Het Rijksmonument buitenplaats Wolfrath heeft echter ook een ondergrondse component: bij buitenplaatsen worden ook ingrepen in de bodem vergunningplichtig geacht. Daarnaast bevinden zich enkele lijnobjecten binnen het VKA, met name bestaande uit historische wegen die doorgaans haaks worden gekruist. Advies cultuurhistorie TenneT realiseert in principe geen assets daar waar cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. In het geval van het onderhavige project betreft het werk de aanleg van een (ondergronds) kabeltracé waardoor er geen gebouwde monumenten, cultuurhistorische vlakken, of -lijnobjecten worden bedreigd. Uitzondering hierop is het Rijksmonument 509.931, de buitenplaats Wolfrath met parkaanleg. Voor ingrepen die hier in de bodem worden uitgevoerd dient een monumentenvergunning te worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (via de gemeente). Daarom wordt geadviseerd om ingrepen binnen de begrenzing van het Rijksmonument te voorkomen, bijvoorbeeld door middel van een gestuurde boring. Selectiebesluit bevoegde overheid De conceptversie van dit rapport is voorgelegd aan de gemeente Sittard-Geleen.

De gemeente heeft het rapport laten toetsen door RAAP.2 Op basis van de beoordeling door RAAP heeft de gemeente Sittard-Geleen besloten niet in te stemmen met het advies zoals opgesteld door Sweco. De voornaamste opmerkingen betreffen het gebrek aan maatwerk vanwege de ten tijde van het opstellen van dit rapport nog niet exact bekende ligging van het tracé en het advies van Sweco om vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een booronderzoek. De documenten behorend tot het selectiebesluit zijn in de bijlagen van deze rapporte toegevoegd. 2

Hensen, G., 2019. Toetsing bureauonderzoek in de gemeente Sittard-Geleen, d.d. 01-10-2019. Bijlage bij toetsing: Document SIT19a09, d.d. 01-10-2019.

1

Inleiding

1.1 Aanleiding van het onderzoek Als onderdeel van het project 'Versterken 150 kV-net Born-Graetheide' dient een nieuwe ondergrondse 150 kV hoogspanningsverbinding gerealiseerd te worden tussen de 150 kVhoogspanningsstations Born en Graetheide in midden-Limburg. De versterking van het 150 kV-net tussen de stations Born en Graetheide maakt onderdeel uit van een grotere versterking van het hoogspanningsnet in de regio. Op basis van een tracéstudie is een voorkeursalternatief (VKA) tussen beide stations gekozen. Het VKA is weergegeven in Figuur 2-1 en dient voor dit bureauonderzoek als het onderzoeksgebied. De maximale breedte van het VKA bedraagt 300 m. Het doel van het archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek is na te gaan of er, en zo ja in welke vorm, vervolg(veld)onderzoek noodzakelijk met betrekking tot de toekomstige aanlegwerkzaamheden van de 150kV verbinding. Daarnaast wordt aan de hand van de resultaten van dit bureauonderzoek het definitieve tracé binnen het VKA ingetekend.

Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Onderhavig bureauonderzoek is een eerste stap van waarborging van de aspecten archeologie en cultuurhistorie binnen dit nieuwe bestemmingsplan. 1.2 Kader onderzoek Het archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek is uitgevoerd op basis van de vigerende gemeentelijke beleidsdocumenten en -kaarten. 1.3 Methodiek Het rapport met betrekking tot het aspect archeologie heeft de vorm van een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4002 en bestaat uit elf processtappen: 1. Afbakenen plan- en onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik (LS01) 2. Aanmelden onderzoek bij Archis 3. Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid (LS01) 4. Beschrijven huidig gebruik (LS02) 5. Beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03) 6. Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond (LS02, LS03, LS04) 7. Beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijke kenmerken (LS04) 8. Opstellen gespecificeerde verwachting en formuleren onderzoeksstrategie (LS05) 9. Opstellen standaardrapport bureauonderzoek (LS06) 10. Aanleveren standaardrapport - afmelden onderzoek in Archis 11. Aanleveren digitale gegevens bij e-depot (DS05)

Processtappen 1 tot en met 7 leveren gegevens op basis waarvan de gespecificeerde verwachting (stap 8) wordt opgesteld. Deze stappen worden behandeld in paragraaf 1.1 en hoofdstuk 2. Processtap 9 resulteert in het voorliggende rapport. Processtappen 10 en 11 hebben betrekking op het openbaar maken van het bureauonderzoek voor derden bij onder meer Archis en het e-Depot. Er bestaan nog geen algemeen geldende richtlijnen voor cultuurhistorische inventarisaties. Een goede inventarisatie is in de meeste gevallen dan ook maatwerk. In dit rapport zijn zoveel als mogelijk het Stappenplan en Richtlijnen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) gevolgd voor Cultuurhistorisch onderzoek in de vormgeving van de Ruimtelijke Ordening (2013). 1.4 Doelstelling en vraagstelling De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden zullen eventueel aanwezige archeologische resten en cultuurhistorische waarden in de bodem verstoren en/of vernietigen. Derhalve dienen voorafgaand aan die werkzaamheden de archeologische en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied in kaart te worden gebracht. Het doel van het bureauonderzoek is inzicht te krijgen in de archeologische/cultuurhistorische waarde van het VKA. Het onderzoek richt zich op de vraag of er in het plangebied dergelijke waarden aangetroffen kunnen worden.

Voor het bureauonderzoek archeologie zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig? • Is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader onderzoek of welke maatregelen worden geadviseerd? Voor het bureauonderzoek cultuurhistorie zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Zijn mogelijk cultuurhistorische waarden in het plangebied aanwezig? • Is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader onderzoek of welke maatregelen worden geadviseerd?

2

Bureauonderzoek archeologie

2.1 Afbakeningen plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik 2.1.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied ligt in de provincie Limburg, binnen de gemeenten Sittard-Geleen en EchtSusteren. De exacte locatie van het VKA (hierna te noemen: plangebied) wordt weergegeven in bijlage 1. Het plangebied bestaat uit het VKA waarbinnen de 150 kV verbinding zal worden aangelegd. Het plangebied is ca. 8 kilometer lang en max. 300 meter breed, met een totale oppervlakte van ca. 198 hectare. De exacte locatie, breedte en diepte van de bodemingrepen binnen deze corridor zijn nog niet bekend. Ten behoeve van de overzichtelijkheid is het VKA/plangebied in twee deelgebieden gesplitst (zie figuur 1): deelgebied Noord-Centraal (opp. 655.492 m2) en deelgebied Zuid-Oost (opp. 1.325.760 m2).

Figuur 2-1: ligging plangebied (luchtfoto).

2.1.2 Huidig gebruik van het plangebied Het plangebied is grotendeels voor agrarische doeleinden in gebruik. Binnen het plangebied is ca. 5.000 m2 verspreid bosgebied aanwezig. Ca. 122.000 m2 van het noordelijke deel van het plangebied bestaat uit bedrijventerrein. 2.1.3 Toekomstig gebruik van het plangebied De opdrachtgever heeft het voornemen om een 150 kV kabelverbinding te realiseren tussen de bestaande hoogspanningsstations Born en Graetheide. Binnen het VKA zal een werkstrook worden aangelegd met naar verwachting een breedte van ca. 40 meter. Daarbinnen vindt een open ontgraving plaats met een breedte van 5 tot 10 meter, en een diepte van 1,5 tot 2 meter beneden maaiveld. Ter plaatse van kruisingen met (water)wegen, bossasches en dergelijke worden de kabels aangelegd middels gestuurde boringen. De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden zullen eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem verstoren en/of vernietigen. 2.2 Aardwetenschappelijke kenmerken Om de landschapsgenese in beeld te brengen is gebruik gemaakt van bodemkaarten en geologische en geomorfologische kaarten. Met behulp hiervan worden de bodem en het landschap beschreven. Onderdeel van deze studie vormt een analyse van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Tabel 3

Aardwetenschappelijke informatie

Bron

Informatie

Geologie

Noordelijk: Fm. Boxtel, Lp. V. Schimmert (leem/löss). Zuidelijk: Fm. v. Beegden veelal met een dek van de Fm. v. Boxtel, Lp. v. Wierden; rivierzand en -grind veelal met een zanddek. Dalvlakteterras (E44) met restgeul (R43) en dalvormige laagtes (R23); Daluitspoelingswaaier (G21) met dalvormige laagtes (R23); Tussenterras (E42) met losswanden (A51), droogdalen (R21), holle wegen (R91) en laagtes ontstaan door afgraving (N94). Radebrikgronden (BLd5) met een afwisseling van poldervaaggronden (Lnd5, Ln5), kuilbrikgronden (BLn5) en ooivaaggronden (Ld5, KRd1). Van 31 m +NAP in het noorden tot 54 m +NAP in het zuiden

Geomorfologie (noord naar zuid)

Bodemkunde (zuid naar noord) AHN

Terrassen van Zuid-Limburg In Zuid-Limburg liggen de oudste afzettingen van Nederland aan de oppervlakte. In tegenstelling tot het westen van Nederland, waar de bodem sinds het Tertiair (2,5 – 67 miljoen jaar gelegen) langzaam gedaald is, behoort het Zuid-Limburgse heuvellandschap tot een gebied dat sinds die tijd langzaam omhoog gekomen is. Het Zuid-Limburgse heuvellandschap is in feite een plateau, dat door vele rivier- en beekdalen doosneden wordt. De rivier de Maas heeft de afgelopen drie miljoen jaar het kalksteenplateau bedekt met lagen grind en grof zand. Door insnijding van de Maas zijn rivierterrassen ontstaan: vlakke delen begrensd door een meer of minder steile helling. Lokaal wordt het riviergrind bedekt door een laag fijn zand en löss afgezet in de laatste ijstijd.3 Er zijn in totaal 31 rivierterrassen in Zuid-Limburg.

3

Informatie TNO via: https://www.grondwatertools.nl/zuid-limburg-uniek.

Figuur 2-2:

Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000; Maasterrassen en Hellingklassen. Genk – Sittard – Maastricht – Heerlen. Staring Centrum / M.W. van den Berg 1988.

Het plangebied bevindt zich binnen de contouren van 3 van deze terrassen, te weten het Terras van Caberg 24 (deelgebied Zuid-Oost), het Terras van Caberg 35 (deelgebied NoordCentraal en Zuid-Oost), en het Terras van Eisden-Lanklaar6 (deelgebied Noord-Centraal), zie Figuur 2-2. Geologie Volgens de geologische kaart wordt het zuidelijk deel van het plangebied gevormd door afzettingen van de Formatie van Beegden met veelal een dek van de Formatie van Boxtel (laagpakket van Wierden). Dit zijn afzettingen die bestaan uit rivierzand en -grid met veelal een zanddek. Het noordelijk deel van de corridor wordt geologisch gevormd door de Formatie van Boxtel (laagpakket van Schimmert). Deze afzettingen bestaan uit leem/löss. Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt deelgebied Noord-Centraal in een dalvlakteterras (E44) waar in het uiterste noorden een deel van een restgeul (R43) aanwezig is, en verder doorsneden door wordt door dalvormige laagtes (R23). De overgang naar deelgebied Zuid-Oost wordt gevormd door een oost-west georienteerde daluitspoelingswaaier (G21) doorsneden door dalvormige laagtes (R23). Deelgebied Zuid-Oost ligt in een tussenterras (E42), plaatselijk doorsneden door lösswanden (A51) met droogdalen (R21). Droogdalen zijn gedurende de laatste ijstijd ontstaan toen de bodem nog bevroren was. Deze dalen zorgden voor de afwatering van de lössplateaus.

In het meest zuidelijke deel van de corridor komen holle wegen (R91) en laagtes ontstaan door afgraving (N94) voor in het tussenterras, beide hebben een antropogene oorsprong. Bodemkunde Volgens de bodemkaart bestaat het plangebied grotendeels uit radebrikgronden op zandige leem (BLd5) met naar het noorden toe vanaf de overgang van deelgebied Zuid-Oost naar Noord-Centraal een afwisseling van poldervaaggronden op zandige leem/colluvium in dal (Lnd5), kuilbrikgronden in zandige leem (BLn5), ooivaaggronden met roest beginnend dieper dan 80 cm in zandige leem in situ (Ld5), en poldervaaggronden in zandige leem in situ (Ln5) wat in het uiterste noordelijke puntje van de corridor overloopt in ooivaaggronden in lichte zavel (KRd1). Brikgronden hebben zich meestal in relatief vlakgelegen lössgronden ontwikkeld. Archeologische sporen en resten zijn bij intacte bodems in of vlak onder de bouwvoor te verwachten. Radebrikgronden vertegenwoordigen de hoger gelegen delen terwijl ’kuil’ in kuilbrikgronden de relatief lage ligging weergeeft. Kalkloze poldervaag- en ooivaaggronden vertegenwoordigen relatief jonge bodems. Archeologische resten worden direct aan maaiveld of vlak hieronder verwacht.

AHN 4

330.000 jaar geleden ontstaan, gedurende het Saalien. 250.000 jaar geleden ontstaan, gedurende het Saalien. 6 Ontstaan als gevolg van een insnijding van de Maas gedurende het Eemien, toen de Maas op een lager niveau een nieuwe terras vormde. Het terras bestaat uit grof Maas-sediment dat tussen circa 225.000 en 130.000 jaar geleden is afgezet. 5

De contouren van de op de geomorfologische kaart aangegeven scheiding tussen het noordelijk gelegen dalvlakteterras en het zuidelijk gelegen tussenterras is op het AHN duidelijk te onderscheiden. Het dalvlakteterras ligt relatief lager dan het tussenterras. Ook de dalvormige laagtes en droogdalen kunnen op het AHN worden onderscheiden. Het noorden van het plangebied ligt met ca. 31 meter +NAP een stuk lager dan het zuiden met ca. 54 meter +NAP. 2.3 Archeologische waarden Om de reeds bekende archeologische waarden in beeld te krijgen, zijn diverse bronnen geraadpleegd, zoals de Archeologische Monumentenkaart, Archis3 en archeologische waarden- en/of beleidskaarten van het betreffende gebied. 2.3.1 Archeologische verwachtings- en beleidskaart De provincie Zuid-Limburg heeft enkele archeologische aandachtsgebieden vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan (2014). Het plangebied loopt voor een deel door het provinciaal aandachtsgebied ’Graetheide’. Het aandachtsgebied Graetheide herbergt een groot aantal vindplaatsen uit voornamelijk het Neolithicum, de IJzertijd en de Romeinse tijd. De gemeente Sittard-Geleen heeft een archeologische beleidskaart vastgesteld. 7 Op deze kaart wordt aangegeven of bij bodemingrepen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het grootste gedeelte van het plangebied ligt in een zone van hoge en middelhoge verwachting (categorie 4).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=461a3d8f-a2ac-4a3e-b8b7-b0d6d395b142