Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Weijenpasweg SintJoost” Gemeente Echt-Susteren Bijlagenboek
Bestemmingsplan “Weijenpasweg SintJoost” Gemeente Echt-Susteren Bijlagenboek
Rapportnummer BRO:
P04246
Identificatienummer:
NL.IMRO.1711.BP20220204-VG01
Datum:
Februari 2024
Opdrachtgever:
Ruimte voor Ruimte Limburg C.V.
Projectleider BRO:
IMo
Ontwerp:
Juli 2023
Vaststelling:
Februari 2024
Trefwoorden:
6 woningbouwkavels, Ruimte voor Ruimte, Weijenpasweg, Echt, gemeente Echt-Susteren
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 4
Beknopte inhoud:
Nieuw bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van 6 Ruimte voor Ruimte kavels aan de Weijenpasweg in Echt, in het buitengebied van de gemeente EchtSusteren.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan
4
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
20
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek Weijenpasweg 33
97
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
119
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek industrielawaai
168
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek
258
Bijlage 7
Quickscan flora en fauna
292
Bijlage 8
AERIUS-berekening
309
Bijlage 9
Infiltratieonderzoek
329
Bijlage 10
Aanmeldnotitie m.e.r.
359
2
Bestemmingsplan "RvR Weijenpasweg, Sint Joost" (vastgesteld)
Bijlagen bij toelichting
Bestemmingsplan "RvR Weijenpasweg, Sint Joost" (vastgesteld)
3
Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan
4
Bestemmingsplan "RvR Weijenpasweg, Sint Joost" (vastgesteld)
Landschappelijke inpassing Ruimte-voor-Ruimte woningen Weijenpasweg, gemeente Echt-Susteren Concept
colofon
projectnaam Landschappelijke inpassing Ruimte-voor-Ruimte woningen Weijenpasweg datum 22 november 2022 projectnummer P04246 opdrachtgever Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. BRO projectleider DA projectteam IB bron kaft BRO
Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400 info@bro.nl www.bro.nl
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 1.2
1.3 1.4
2
Aanleiding en initiatief Kaders en uitgangspunten
4 4
1.2.1
Plangebied
4
1.2.2
Planvoornemen
4
1.2.3
Beleidskaders
5
Bestemmingsplan
5
Ontwerp structuurvisie Wonen Midden- Limburg 2022-2025
5
Structuurvisie 2012 – 2025: Ontwikkelen met Kwaliteit
5
Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM)
5
Historische kenschets
6
Landschapstype
6
Huidige situatie
8
Inpassingsplan 2.1 2.2 2.3
4
Inrichtingsmaatregelen Beplantingsindicatie Beheer
9
10 11 12
Landschappelijke inpassing - Ruimte-voor-Ruimte woningen Weijenpasweg, gemeente Echt-Susteren
3
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en initiatief
De initiatiefnemer heeft het voornemen aan de Weijnpasweg in Echt-Susteren zes woningbouwkavels te ontwikkelingen in aansluiting op de openbare ruimte. Vijf van de kavels worden mogelijk gemaakt op basis van de Ruimte voor Ruimte regeling. De gemeente Echt-Susteren heeft aangegeven positief tegenover deze ontwikkeling te staan. In het kader van dit project heeft BRO reeds een stedenbouwkundige schets opgesteld, die als basis dient bij het verkrijgen van formele, bestuurlijke principemedewerking. De stedenbouwkundige schets zal tevens de basis vormen voor het opstellen van het landschappelijke inpassingsplan. Om de transformatie mogelijk te maken, dient er een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld met bijhorende onderzoeken. BRO is gevraagd in het kader van dit nieuwe bestemmingsplan een landschappelijke inpassing op te stellen. Er dient te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke inpassing die aansluit op het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Bij het toestaan van een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang dat alle ruimtelijke waarden worden meegewogen. Een plan kan immers afbreuk doen aan bestaande landschappelijke of cultuurhistorische waarden. De landschappelijke inpassing bestudeert de omgeving en aan de hand daarvan worden ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld.
Als aan deze voorwaarden worden voldaan kan de bebouwing op een natuurlijke en verzorgde wijze worden ingepast en aansluiten op de aanwezige landschapsstructuren. Onderhavig advies geeft inzicht in welke inrichtingsmaatregelen er genomen moeten worden opdat de beoogde ontwikkeling kan worden gerealiseerd.
Landschappelijke inpassing - Inleiding
1.2
Kaders en uitgangspunten
Het plan voldoet in beginsel aan de kaders vanuit het vigerende beleid dat relevant is voor de landschappelijke inpassing en aan de eisen/wensen vanuit het planvoornemen. Het initiatief sluit aan bij de gewenste ‘robuuste’ groenstructuur binnen de ‘Structuurvisie 2012 – 2025: Ontwikkelen met Kwaliteit’. 1.2.1 Plangebied Het plangebied betreft een perceel aan de Weijenpasweg, kadastraal bekend als: gemeente Echt, sectie S, nummer 601 (deels). Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern Sint- Joost in het buitengebied. Het plangebied is momenteel in gebruik als akker/grasland en heeft een oppervlak van ca. 5416 m2.
Waterschap zal moeten uitwijzen of dit mogelijk is en beheerstechnisch haalbaar is. Daarnaast zullen de wadi’s zelf zorgen voor de aanwezigheid van ruigten binnen het plangebied. Er wordt geadviseerd minimaal 3-4 bomen in de berm van de Weijenpasweg aan te planten, richting het noorden. Hiermee wordt de verbinding met de foerageergebieden ten noordwesten van het plangebied verbeterd. De nieuwe Ruimte- voor Ruimte woningen worden daarnaast ingepast met groene erfafscheidingen, zoals struweelhagen en knip- en scheerhagen. Het planvoornemen wordt in onderstaande schets gepresenteerd.
1.2.2 Planvoornemen Op het perceel worden vijf Ruimte-voor-Ruimte kavels en één reguliere woonkavel mogelijk gemaakt. Verder wordt voorzien in ontsluiting in de vorm van een doodlopende weg met een keerlus aan de achterkant. Eveneens zal worden voorzien in een groenvoorziening met (water-)infiltratievoorziening (wadi) aan de oostelijke zijde van het plangebied. Daarnaast wordt er langs de doodlopende weg ingezet op aanplant van bomen en wordt er per woning minimaal 1 parkeerplaats in het openbaargebied gerealiseerd, conform de gemeentelijke parkeernormen. Ook is er binnen het LIP rekening gehouden met de uitgevoerde Quickscan flora en fauna. Er wordt geadviseerd om in het oosten van het plangebied, waar binnen de toekomstige situatie wadi’s komen te liggen, een rij bomen aan te planten op de perceelsgrens. Deze zullen, naast het zorgen voor foerageermogelijkheden en uitkijkposten voor de steenuil, tevens zorgen voor een betere verbinding met de paardenweide ten noordoosten van het plangebied. De bomen worden hierbij wel aangeplant binnen de beschermingszone watergang. Een nadere afstemming met het
Figuur 1: Planvoornemen
4
1.2.3
Beleidskaders Structuurvisie 2012 – 2025: Ontwikkelen met Kwaliteit Het plangebied ligt in de structuurvisie net buiten het stedelijk gebied, aan de rand van de kern Sint-Joost. Wat betreft wonen geeft de gemeente de voorkeur aan de realisatie van nieuwe woningen in de (hoofd)kernen boven nieuwe woningen in het buitengebied. Ten aanzien van het buitengebied geldt dat het toevoegen van nieuwe woningen ongewenst is. Incidentele nieuwbouw is enkel nog onder voorwaarden mogelijk.
Bestemmingsplan Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, dat op 14 december 2017 door de gemeenteraad van Echt-Susteren is vastgesteld. Het plangebied kent in het huidige bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waterstaat – Waterlopen’ (gedeeltelijk) van toepassing op het plangebied. De voor ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor agrarisch grondgebruik, behoud en bescherming van onverharde en halfverharde wegen, de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven en recreatief medegebruik. De voor ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. De voor ‘Waterstaat - Waterlopen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beheer en het onderhoud van de aangrenzende waterloop, alsmede voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecologische waarden van de waterloop. Het bouwen van zes woningen en het beoogde gebruik voor woondoeleinden past niet binnen de aangegeven bestemmingen voor deze locatie.
Landschappelijke inpassing - Beleidskaders
Figuur 2: Vigerend bestemmingsplan, bron: Ruimtelijke plannen
Ontwerp structuurvisie Wonen Midden- Limburg 2022-2025 Op 6 juli 2022 is structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 -2025 vastgesteld door de gemeenteraad van Echt-Susteren. In de Ontwerp Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 wordt ruimte gemaakt om te bouwen voor de juiste woning, op de juiste plek. In Echt is met name behoefte aan appartementen met lift, vrijstaande woningen, grondgebonden seniorenwoningen en overige woningen/nichemarkten. Zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt is het realiseren van zes woningen aan de Weijenpasweg, aansluitend aan de kern Sint-Joost, in overeenstemming met de Ontwerp Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025.
Op basis van de gemaakte afspraken tussen Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. en de gemeente worden Ruimte voor Ruimte kavels gerealiseerd op geschikte locaties, aansluitend op het bestaand stedelijk gebied. Het voorliggende plangebied betreft een dergelijke geschikte locatie, die aansluit op de bestaande kern. De nieuwbouw van zes woningen op onderhavige planlocatie is daarmee passend binnen de uitgangspunten voor wonen uit de structuurvisie. Door open bebouwingsstructuur te realiseren en een krachtige robuuste groene rand sluit het plan aan op het landelijke karakter van de Weijenpasweg en de aangrenzende omgeving. Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) Het nieuwe bestemmingsplan maakt de realisatie van zes vrijstaande woningen mogelijk waarvan vijf Ruimte voor Ruimte kavels. In het kader van de Ruimte voor Ruimte regeling is middels de sloop van verouderde veestallen reeds een kwaliteitsverbetering van het buitengebied bewerkstelligd. In ruil voor deze sloop mogen woningbouwkavels worden uitgegeven. Voor deze woningbouwkavels, waaronder de voorliggende kavel, is daarom geen aanvullende kwaliteitsverbetering of GKM-bijdrage vereist.
5
1.3
Historische kenschets
Landschapstype Het landschap van Echt-Susteren heeft zijn identiteit en verschijningsvorm gekregen door de Maas en de Rijn. Doordat deze rivieren zich verlegden lieten zij steeds nieuwe rivierbeddeningen achter. De wind had tevens een grote factor voor het ontstaan van riviervlaktes en landduinen. Op de terrassen ontstonden kwelmoerassen en watererosie zorgde voor het ontstaan van droogdalen, beken en beekdalen. Dit waren ook de plaatsen waar de mens zich als eerste vestigden. Door de opkomst van het cultuurlandschap hebben er in de loop der jaren vele veranderingen plaatsgevonden. Denk aan een duidelijke opkomst van de agrarische sector met rationele ontginningen van de bos- en heidegebieden, met aanleg voor spoor- , weg- en waterwegen, grootschalige woonuitbreidingen, windmolens en opkomst van natuurgebieden. De ontstaansgeschiedenis is nog altijd goed herkenbaar binnen de gemeente Echt-Susteren door de diverse maasterrassen en subtiele hoogte verschillen. Het plangebied zelf behoort tot de oude ontginningen en ligt in overgang naar de aanwezige landduinen. Bepalend voor dit type landschap was de intrede van de landbouw en de veeteelt. De hooggelegen gronden waren het meest geschikt voor de agrarische bedrijfsvoering. Om op de akkers permanent gewassen te kunnen telen werd het potstalsysteem toegepast. Het landschap van de oude ontginningen is halfopen en kleinschalig.
De wegen liggen onregelmatig en organisch in het landschap. De verkavelingsstructuur sluit hierop aan en is eveneens onregelmatig. De grote diversiteit aan landschapselementen, zoals lanen, houtwallen, bomenrijen, solitaire bomen, hakhoutbosjes en droge en natte boscomplexen typeren het landschap.
Landschappelijke inpassing - Historische kenschets
Ontwikkelperspectief • behoud van kernachtige clusters in open gebied; • behoud van openheid in oude akkercomplexen; • aandacht voor randen van akkers; • dorpsranden verzachten; • natuurontwikkeling in oude Maasgeulen. Kwaliteitsverbeterende maatregelen die hieraan bijdragen zijn: 1. volgen oude lijnen in het landschap: landwegen, houtwallen, greppels beplanten of beplanting herstellen, akkercomplexen open houden; 2. overgangen verzachten door middel van solitaire bomen, hagen, hoogstamboomgaarden in inheems materiaal; 3. rondom kernen aanplant van hagen, singels, boomgaarden, erfbeplanting; 4. extensieve akkers en graslanden op de akkers, geen opgaande beplanting; 5. In de randen en op de wallen is versterking met opgaande beplanting mogelijk; akkerrandenbeheer langs veldwegen, natuur ontwikkelen in oude Maasgeulen: Op de volgende pagina is een reeks kaarten zichtbaar die de ontstaansgeschiedenis van het landschap weergeven.
6
Figuur 3: Historische kaart 1890, bron: topotijdreis
Figuur 5: Historische kaart 1950, bron: topotijdreis
Figuur 7: Historische kaart 2000, bron: topotijdreis
Figuur 4: Historische kaart 1900, bron: topotijdreis
Figuur 6: Historische kaart 1980, bron: topotijdreis
Figuur 8: Historische kaart 2021, bron: topotijdreis
Landschappelijke inpassing - Historische kaarten
7
1.4
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen aan het Weijenpasweg, in het buitengebied ten zuiden van de kern Sint- Joost en ten oosten van de kern Echt. Het plangebied wordt ten noorden begrensd door reeds aanwezige woningen (behorend tot de kern Sint-Joost), voornamelijk bestaande uit ruim opgezette percelen met vrijstaande woningen. Ten zuiden van het plangebied ligt eveneens een vrijstaande woning. Voor het overige wordt het plangebied aan de oost- en westzijde begrensd door andere agrarische percelen. Direct ten oosten van het plangebied stroomt de Vulensbeek. De planlocatie wordt ontsloten via de Weijenpasweg, die in zuidoostelijke richting aansluit op de Doorderweg. Laatstgenoemde weg vormt de verbindingsroute tussen de kernen Echt en Sint-Joost. Deze weg sluit eveneens aan op provinciale weg N276 en Rijksweg A2.
Figuur 9: Ligging plangebied, luchtfoto
Landschappelijke inpassing - Huidige situatie
Figuur 10: Zicht vanaf de Weijenpasweg naar het noorden
Figuur 12: Zicht over het perceel naar het zuidwesten
Figuur 11: Zicht over de Vulensbeek naar het noorden
Figuur 13: Zicht over het perceel naar het zuidoosten
8
2
Inpassingsplan
Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld die op basis van het planvoornemen, de beleidskaders en kennis van het landschap en locatie zijn vormgegeven. Naaststaande schets illustreert de voorgestelde maatregelen, gevolgd door een argumentatie. De inpassingsmaatregelen zetten in op het versterken van de aanwezige landschappelijke elementen en het huidige straatbeeld. Dit stuk van de Weijenpasweg kenmerkt zich door de aanwezigheid van besloten woonpercelen dicht aan de weg, welke zijn ingepast met robuuste landschapselementen. Met de nieuwe Ruimte-voor-Ruimte percelen sluiten we aan bij de aanwezige zichtlijnen naar de Vulensbeek. Ook wordt er een geschikte afstand gewaarborgd voor de aangrenzende buurpercelen. Op deze manier draagt de ontwikkeling bij aan de bestaande karakteristiek. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld: 1. Aanplanten struweelhaag; 2. De woonkavels worden aan de voorzijde ingekaderd met een lage knip- en scheerhaag; 3. De knip- en scheerhaag mag op het achterterrein uitgroeien tot een hoogte van max. 2.00 meter. 4. Aanplanten bomenrijen langs de insteekweg gecombineerd met langsparkeren; 5. Aanplanten bomenrij langs de Weijenpasweg; 6. Aanplanten knotbomen langs de Vulensbeek; 7. Aanleggen natte laagtes in de vorm van wadi’s langs de Vulensbeek; 8. Aanplanten bomen en struiken t.b.v.
afstand/ privacy buurperceel.
Landschappelijke inpassing - RvR Weijenpasweg
9
2.1
Inrichtingsmaatregelen
Aanplanten struweelhaag Aan de noord- en zuidzijde van het perceel aan de Weijenpasweg is het voorstel een struweelhaag aan te planten. Door de toepassing van een struweelhaag ontstaat er een sterke en robuuste begrenzing. Deze grove landschappelijke elementen benadrukken tevens de verkavelingsstructuur in oost-westrichting (haaks op de Vulensbeek). Een bijkomstigheid is dat struweelhagen een belangrijke schuil- en nestelgelegenheid vormen voor verschillende soorten fauna. Door het toepassen van besdragende struiken kan tevens de biodiversiteit ter plaatsen worden vergroot. Tevens wordt er invulling gegeven aan de wens van de omwonenden om de privacy zoveel mogelijk te waarborgen. De woonkavels worden aan de voorzijde ingekaderd met een lage knip- en scheerhaag Door de aanplant van knip- en scheerhagen wordt de erfafscheiding bepaald. Door het toepassen van een haag ontstaat er een eenduidig beeld. De hagen aan de voorzijde langs de insteekweg hebben maximaal een hoogte van ca. 1.20 meter. Door deze hagen laag te houden blijft de beeldkwaliteit hoog en is de voorgevel van de woning nog altijd zichtbaar, ook vanuit de Weijenpasweg. De knip- en scheerhaag mag op het achterterrein uitgroeien tot een hoogte van max. 2.00 meter De hagen achter de achtergevelrooilijn mogen oplopen tot een hoogte van maximaal 2.00 meter. Hiermee blijft de privacy van de bewoners gewaarborgd.
Dit geldt enkel voor de zuidwestelijke grens van het plangebied. Daarnaast is het van belang een dezelfde soort toe te passen, zodat de overgang van de lage naar de hoge haag een uniform beeld vormen. De keuze voor het toepassen van een haag tussen de nieuwe woonkavels staat vrij. Echter mag de hoogte van de erfafscheiding tot en met de achtergevel niet meer als 1,20 meter bedragen. Vanaf de achtergevel kan de erfafscheiding oplopen tot maximaal 2 meter hoog.
Aanplanten bomenrijen langs de insteekweg gecombineerd met langsparkeren Er bestaat de wens om de insteekweg te vergroenen. Dit wordt gedaan door aan weerszijden groene bermen te realiseren van 2,5-3 meter breed. In deze bermen wordt op basis van een onregelmatig patroon bomen aangeplant. Deze bomen zullen de gevels vergroenen, zonder dat het zicht op de voorgevels wordt aangetast. Ter versterking van de biodiversiteit gaat de voorkeur uit naar een gemengde bomenlaan. De bermen worden daarnaast benut voor het realiseren van parkeerplaatsen. Het is noodzakelijk per woning 1 parkeerplaats in de openbare ruimte te ontwikkelen. Door langsparkeren toe te passen ontstaat er eveneens een uniform beeld. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding (grastegels), zodat het regenwater in de bermen kan blijven infiltreren. De overige parkeerplaatsen zullen op eigen terrein worden opgelost.
Aanleggen natte laagtes in de vorm van wadi’s langs de Vulensbeek Aan de oostzijde van het perceel is een beschermingszone opgenomen ‘Waterstaat – Waterlopen’. Hier staat het beheer en het onderhoud van de waterloop, als het herstellen en het ontwikkelen van ecologische waarden voorop. Daarom wordt er in deze zone ingezet op vernatting door middel van de aanleg van natte laagtes/ wadi’s. Hiermee wordt er een nieuw milieu gecreëerd. Dit zorgt voor nieuwe vegetatietypen en een versterking van de biodiversiteit ter plaatse. Op deze manier krijgt het perceel een ecologische impuls. Aanplanten bomen en struiken t.b.v. afstand/ privacy buurperceel Ten zuidwesten van het perceel wordt er in het verlengde van de struweelhaag bomen aangeplant. Deze zone dient zo robuust mogelijk te worden ingericht. Enerzijds voor het waarborgen van de privacy en anderzijds om afstand te houden tot de omwonende.
Aanplanten bomenrij langs de Weijenpasweg Ten behoeve van aanwezige foerageergebieden is het advies bomen aan te planten langs de Weijenpasweg. Hiermee wordt de verbinding naar het noorden versterkt. Aanplanten fruitbomen langs de Vulensbeek Langs de Vulensbeek worden eveneens bomen aangeplant. Hier gaat de voorkeur uit naar knotbomen. Hiermee wordt de verbinding met de aan de oostzijde gelegen paardenweide versterkt. Daarnaast zorgen de bomen voor een geschikte rustpost voor uilen. Door de aanplant van bomen wordt tevens de Vulensbeek geaccentueerd.
Landsschappelijke inpassing - Inrichtingsmaatregelen
10
2.2
Beplantingsindicatie
De soortensamenstelling voor de toe te voegen beplanting is toegespitst op inheemse soorten die passen bij het karakter van het gebied en de bodemgesteldheid. In de hiernaast weergegeven tabel zijn de verschillende vakken, maatvoering, voorgesteld sortiment, plantverband en het aantal aan te schaffen stuks opgenomen.
Aanplanten struweel S1 Aanplanten struweel: 2 tot 3 meter brede struweelhaag, 1/2 rijen in driehoeksverband met een onderlinge plantafstand van 1,25 x 1,25m. Aanplanten in groepen van 5 tot 7 stuks van dezelfde soort, aanplant 60-80 cm met een eindhoogte van 2 meter.
Richtlijnen aanleg en beheer
S2
Aanplanten hagen H1 Aanplant lage knip- en scheerhaag: 7 stuks per meter in drie hoeksverband met een omvang van 80/100 cm en met een eindhoogte van 100-120 cm. H2
Aanplant hoge knip- en scheerhaag: 7 stuks per meter in drie hoeksverband met een omvang 100/150 cm met een eindhoogte van 200 cm.
Aanplanten bomen B1 Aanplant bomenrij Weijenpasweg: met een minimale stamom trek van 14/16 cm met een eindhoogte van 20 meter, plantafstand 10-12 meter hart op hart. B2
B3
Aanplant bomenrij langs insteekweg: met een stamomtrek van minimaal 14/16 cm met een eindhoogte van 10 meter, plantaf stand 10-12 meter hart op hart. Aanplant knotbomen langs Vulensbeek: 3 jarige onbewortelde stek met een lengte van ca. 2,5 meter, eindhoogte ca. 5 meter, afknotten op 1.5 meter hoogte. Plantafstand min. 5 meter hart op hart.
Landschappelijke inpassing - Beplantingsindicatie
Aanplanten boomvormers: Plantafstand tussen de 10 en 12 meter hart op hart met een minimale stamomtrek van 12/14 cm en een eindhoogte van 15 - 20 meter. Locatie nader te bepalen
Kruidenrijke vegetatie Inzetten op spontane ontwikkeling natuurlijke vegetatie in natte laagtes/ wadi’s voor gebiedseigen soorten. Omvang aanplant
80-100
100-150
14/16
14/16
10/12 60-80
12/14
Code
H1
H2
B1
B2
B3
S1
S2
Plantverband
7 p/m1
7 p/m1
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
1.25 x
n.v.t.
Omvang element
120 m1/840 st.
20 m1/ 140
7 st.
14 st.
12 st.
x
x
1.25
Acer campestre
Veldesdoorn
Acer pseudoplatanus
Gewone esdoorn
Amelanchier lamarckii
Krent (hoogstam)
Carpinus betulus
haagbeuk
Crataegus monogyna
Meidoorn
Gleditsia triacanthos
Valse christusdoorn
Quercus robur
Eik
Rosa canina
Hondsroos
Salix alba
Knotwilg
Sorbus aucuparia
Lijsterbes
x
477 m2
3 st.
x
x x x x x x x x x
11
2.3
Beheer
Struweel/bossingel/houtsingel Het struweel kan vrij uitgroeien. Eens per zes jaar zal het struweel op tenminste 1 meter hoogte gesnoeid worden. Overhangende takken worden 1 maal per 3 jaar teruggesnoeid. Boomvormers binnen de houtsingel behouden. Knotbomen Knotwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 november en 15 maar. De stam van een knotboom wordt minimaal op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld afgezet (geknot).
Voor het beheer van het openbaar groen dienen duidelijke afspraken te worden gemaakt. Het groen aan de achterzijde van de kavels en tussen de kavels, is voor de gemeente niet te onderhouden. Hiervoor dient dan ook in de koopovereenkomsten met de kopers van de kavels een onderhouds- en instandhoudingsverplichting opgenomen te worden. Binnen deze onderhouds- en instandhoudingsverplichting vallen de knip- en scheerhagen en de struweelhaag op de achterperceelsgrens. De overige groene ruimten, zoals de bermen, bomenrijen en natte vegetaties/ wadi’s dienen door de gemeente te worden beheerd.
Bloem- en kruidenrijk grasland Het gewas wordt jaarlijks 1 keer gemaaid en het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd. De eerste maaibeurt is tussen 1 juli en 1 augustus en bij deze maaibeurt wordt 50% van de beheereenheid niet gemaaid en blijft overstaan. De tweede maaibeurt is tussen 15 september en 15 november en dan wordt het deel dat nog niet gemaaid is gemaaid. Het overige deel blijft staan. Bomenrij/laan De bomen worden periodiek gesnoeid, hierbij zal ten alle tijden rekening gehouden worden dat de kroon (onderste takken tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van de takvrije stam bedraagt. Haag De haag: minimaal 1x per jaar snoeien in het najaar. Het snoeien begint al bij het aanplanten van de haag. Hoe vaker de haag geknipt wordt des te rechter en ook des te dichter hij wordt. Snoei de bovenkant van de haag pas als deze de juiste hoogte heeft bereikt.
Landschappelijke inpassing - Beheer
12
Bijlage 1 - Inpassingsplan
Landschappelijke inpassing - Bijlage 1
we g
te r
w Weijenpas
Aanplanten struweelhaag (bosplantsoen/ doorn- en besdragend) ca. 2 meter breed sbee
ek
eg
Vule n
Aanplanten kleine boomsoorten i.c.m. langs parkeren (Gleditsia triacanthos, Acer campestre en Amelanchier lamarckii)
1
Aanplanten knotbomen 4
Aanplanten lage knip- en scheerhaag max. 1.20 meter hoog (Acer campestre)
2
2
5
Ontwikkelen natte laagtes met natuurlijke vegetatie
2 6 7
3
Aanplanten bomenrij langs straatzijde (Acer pseudoplatanus)
Inrichtingsmaatregelen 1) 2) 8
3) 1
Aanplanten struweel met boomvormers
4) 5) 6) 7) 8)
Landschappelijke inpassing Ruimte-voor-Ruimte woningen Gemeente Echt-Susteren
Aanplanten struweelhaag, breedte 2 meter; De woonkavels worden aan de voorzijde ingekaderd met een lage knip- en scheerhaag; De knip- en scheerhaag mag op het achterterrein uitgroeien tot een hoogte van max. 2.00 meter. Aanplanten bomenrijen langs de insteekweg gecombineerd met langsparkeren; Aanplanten bomenrij langs de Weijenpasweg; Aanplanten knotbomen langs de Vulensbeek; Aanleggen natte laagtes in de vorm van wadi’s langs de Vulensbeek; Aanplanten bomen en struiken t.b.v. afstand/ privacy buurperceel.
datum
getekend
projectnr.
pagina
formaat
schaal
22-11-2022
IB
P04246
1/1
A3
1: 500
Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam +31 (0)20 506 19 99
Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400
Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
20
Bestemmingsplan "RvR Weijenpasweg, Sint Joost" (vastgesteld)
Verkennend bodem- en asfaltonderzoek Weijenpasweg (ong.) te Sint Joost MA210659.R01.V1.0 8 april 2022
Verkennend bodem- en asfaltonderzoek Weijenpasweg (ong.) te Sint Joost Rapportnummer MA210659.R01.V1.0 8 april 2022
Opdrachtgever Gemeente Echt-Susteren Nieuwe Markt 55 6101CV Echt
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Functie
Naam
Adviseur
Caroline Mariotti
Projectleider
Marijn Hilbrandie
MA210659.R01.V1.0
Paraaf
2 van 20
Inhoud 1
Inleiding ..........................................................................5
2
Achtergrondinformatie ............................................. 6
2.1
Algemeen
6
2.2
Situering onderzoekslocatie
6
2.3
Historie
6
2.4
Vergunningen
7
2.5
Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie
7
2.6
PFAS
9
2.7
Ontplofbare oorlogsresten (OO)
9
2.8
Archeologie
9
2.9
Terreininspectie
9
2.10
Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie
10
2.10.1
Bodem ........................................................................................................................................................ 10
2.10.2
PFAS ........................................................................................................................................................... 10
2.10.3
Asbest in bodem..................................................................................................................................... 10
2.10.4
Asfalt .......................................................................................................................................................... 10
3
Veldwerk en analyses .............................................. 13
3.1
Onderzoeksprogramma
3.2
Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters
13
3.3
Veldwerk verkennend bodemonderzoek
13
3.4
Bodemprofiel
14
3.5
Watermonstername
14
4
Analyseresultaten...................................................... 15
4.1
Toetsingskader
4.1.1
Wet bodembescherming ..................................................................................................................... 15
4.1.2
Handelingskader PFAS ........................................................................................................................ 15
4.1.3
Besluit en Regeling bodemkwaliteit ............................................................................................... 15
4.1.4
Veiligheidsmaatregelen CROW 400 ................................................................................................. 16
4.2
Toetsing van de analyseresultaten
4.2.1
Bodem ........................................................................................................................................................ 16
5
Asfalt .............................................................................. 18
5.1
Veldwerk
5.1.1
Dikte asfalt ............................................................................................................................................... 18
5.2
Analyseresultaten
18
5.3
Interpretatie
19
6
Conclusies en aanbevelingen ............................... 20
6.1
Conclusies
MA210659.R01.V1.0
13
15
16
18
20
3 van 20
Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Overzicht bronnen vooronderzoek Bijlage 8 Situatietekening
MA210659.R01.V1.0
4 van 20
1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Gemeente Echt-Susteren een verkennend bodem- en asfaltonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Weijenpasweg (ong.) te Sint Joost. Aanleiding voor dit verkennend bodem- en asfaltonderzoek wordt gevormd door de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de geplande nieuwbouw op de locatie (woningbouwontwikkeling). In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V. en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V.
en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek. Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven. Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd.
MA210659.R01.V1.0
5 van 20
2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. De hierbij gehanteerde bronnen zijn opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.
2.2 Situering onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een braakliggende akker en een strook asfalt (aan de westelijke perceelsgrens), gelegen aan de Weijenpasweg (ong.) te Sint Joost. In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 8 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie
Circa 5.200 m2
Maaiveldhoogte
Circa 28 m + NAP
X-coördinaat, Y-coördinaat
X: 190.863, Y: 346.710
Kadastrale gegevens Kadastrale aanduiding
Gemeente Echt, sectie S, nummer 601
Oppervlakte kadastrale percelen
14.149 m2
Eigenaar
Gemeente Echt-Susteren, Nieuwe Markt 55 te Echt
Locatie in eigendom sinds
1 april 2003
2.3 Historie Op basis van de geraadpleegde historische kaarten blijkt, dat de eerst raadpleegbare kaart dateert uit ca. 1850. In deze periode is de locatie in gebruik als bos. Tevens is op de locatie een weg waarneembaar. De Hingenderstraat ten noorden van de locatie is reeds aanwezig. Ten oosten van en aangrenzend aan de locatie bevindt zich de Vulensbeek. Op de kaart van 1896 is de weg ter plaatse van de locatie niet meer waarneembaar. De eerste bebouwing, in de omgeving, is sinds circa 1958 waar te nemen. In de loop van de jaren is de bebouwing in de omgeving uitgebreid. Momenteel is de onderzoekslocatie braakliggend en in gebruik als landbouwgrond. Ten noorden en ten zuiden van de locatie bevindt zich bebouwing (woonhuizen). De directe omgeving bestaat voornamelijk uit agrarisch gebied. De Vulensbeek bevindt zich ten oosten van de locatie. Ten noorden en ten westen van de locatie bevinden zich respectievelijk de Hingenderstraat en de Weijenpasweg. Enkele uitsneden van historisch kaartmateriaal zijn opgenomen in onderstaande Figuur 2.1.
MA210659.R01.V1.0
6 van 20
[Ca. 1850]
[Ca. 1940]
[Ca. 1980]
[Ca. 2021]
Figuur 2.1: uitsneden historische kaarten
2.4 Vergunningen Voor de onderzoekslocatie zijn geen vergunningen afgegeven in het kader van de voormalige Hinderwet, Wet milieubeheer, Bouwvergunningen, Sloopvergunningen of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dan wel niet bekend/aanwezig in de geraadpleegde bronnen. Uit de geraadpleegde bronnen (o.a. BOOT-archief) blijken geen gegevens die duiden op de aanwezigheid van één of meerdere tanks op de onderzoekslocatie.
2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie In Tabel 2.2 staat de bodemopbouw, geohydrologie, gegevens Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer en een samenvatting van de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie vermeld. Tabel 2.2: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en -kwaliteit Bodemopbouw Diepte in m-mv
Hydrogeologische eenheid
Lithologie
[0 - 16]
Formatie van Beegden, eerste t/m derde zandige
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof
eenheid.
zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken.
[16 - 40]
Formatie van Stramproy, tweede t/m vierde zandige
Zandige eenheid,
hoofdzakelijk bestaande uit
eenheid.
midden, fijn en grof zand, met weinig klei en zandige klei en een spoor veen, bruinkool en grind.
MA210659.R01.V1.0
7 van 20
Bodemopbouw [> 40]
Kiezeloöliet Formatie, eerste kleiige eenheid.
Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig bruinkool en fijn en grof zand en een spoor grind.
Geohydrologische gegevens Hoogte freatisch grondwater
Circa 25 m + NAP / Circa 3 m-mv
Stromingsrichting grondwater
Noordelijk
Ligging van oppervlaktewater op en/of nabij de locatie
Ja, aan de achterzijde (oostelijk) van het perceel loopt de Vulensbeek
Het voorkomen van brak of zout grondwater
Nee
Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied
Ja,
het
perceel
is
gelegen
in
grondwater-
beschermingsgebied “Roerdalslenk, Zone II” Aanwezigheid van grondwateronttrekkingen op de locatie of in de omgeving
Nee
Aanwezigheid van breukstelsels op of nabij de locatie
Nee
Bodemkwaliteitskaart / Nota bodembeheer Kenmerk, datum
Omschrijving
Sweco Nederland B.V. Projectnummer: 349858
Bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Regio Limburg Noord
Referentienummer: SWNL0244275, d.d. 24.05.2019 Deelgebied
Wonen - overige gemeenten
Bodemfunctieklasse
Wonen
Ontgravingsklasse
Bovengrond (0-0,5 m-mv): Wonen Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Landbouw/Natuur
Bodemonderzoeken ter plaatse van onderzoekslocatie Kenmerk, datum
Omschrijving
Envicon,
Verkennend onderzoek
02121903,
Weijenpasweg te Sint Joost
d.d. 19.12.2002 Het grondwater is licht verontreinigd met chroom en koper. Envicon,
Verkennend bodemonderzoek
05081811,
Weijenpasweg te Sint Joost
d.d. 28.09.2005 In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte aan per aangetroffen. Envicon,
Orienterend onderzoek
Kenmerk onbekend,
Weijenpasweg te Sint Joost
d.d. 03.09.2008 Resultaten van eerder uitgevoerd onderzoek zijn representatief voor huidige bodemkwaliteit. Bodemonderzoeken in directe omgeving onderzoekslocatie Kenmerk, datum
Omschrijving
Luons Business,
Ten oosten van de locatie
98037.LBS,
Verkennend onderzoek
d.d. 05.05.1998
Hingendersstraat 12 te Sint Joost
MA210659.R01.V1.0
8 van 20
Bodemonderzoeken in directe omgeving onderzoekslocatie Er zijn geen belemmeringen voor de huidige transactie. In de bovengrond zijn bijmengingen met puin en koolas aangetroffen. Verder is de bovengrond licht verontreinigd met PAK, zink en minerale olie. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
2.6 PFAS In opdracht van Provincie Limburg is een historisch onderzoek uitgevoerd naar specifieke PFAS-verdachte locaties binnen de gehele provincie. Hierbij is een inventarisatie gemaakt op basis van UBI-codes. Onderhavige onderzoekslocatie komt in deze inventarisatie niet naar boven. Onderhavige onderzoekslocatie is derhalve geen verdachte locatie (puntbron) voor PFAS, waardoor geen sprake zal zijn van een bodemverontreiniging met PFAS.
2.7 Ontplofbare oorlogsresten (OO) Op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend omtrent “ontplofbare oorlogsresten”.
2.8 Archeologie Uit de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart van de gemeente Echt-Susteren blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een gebied waarvoor een middelhoge archeologische verwachting geldt. Het perceel is gelegen in een gebied waarvoor een archeologische verwachting geld in de klassen “middelhoog voor natte landschappen” en tevens heeft het de markering “onderzoeksgebied (niet vrijgegeven of onbekend)”.
2.9 Terreininspectie Op 14 maart 2022 is door de heer J. Beugels een terreininspectie uitgevoerd. De onderzoekslocatie is momenteel braakliggend en in gebruik als landbouwgrond. De Hingenderstraat bevindt zich ten noorden van de locatie. De Weijenpasweg bevindt zich ten westen van de locatie. Het terrein is via de Weijenpasweg goed toegankelijk. Er zijn geen gebouwen of opstallen aanwezig ter plaatse van de locatie. Er zijn eveneens geen verhardingen, muren, of hekwerken aanwezig. Ook zijn er geen aanwijzingen over ligging van tanks, kabels, rioolsystemen, dempingen, stortplekken en andere plaatsen waar verdachte activiteiten m.b.t. bodemverontreiniging plaats kunnen vinden. Tijdens het terreininspectie is het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie niet waargenomen.
MA210659.R01.V1.0
9 van 20
2.10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 2.10.1 Bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie geen activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Derhalve is voor de onderzoekslocatie hypothese “onverdacht” van toepassing. De strategie ”onverdacht niet lijnvormig” (ONV-NL) is van toepassing op locaties waarvoor geen belastende bronnen/activiteiten zijn te verwachten op basis van het vooronderzoek.
2.10.2 PFAS Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning is het in principe niet nodig onderzoek te doen naar de stofgroep PFAS (poly- en perfluor alkyl-verbindingen), omdat de onderzoekslocatie geen bron voor deze stof is en er dus geen specifieke verdenking is op deze stof. Echter indien tijdens de bouwwerkzaamheden grond dient te worden afgevoerd is het in het kader van hergebruik wel noodzakelijk onderzoek te doen naar deze stofgroep. Derhalve dient het stoffenpakket in onderhavig bodemonderzoek te worden uitgebreid met de stofgroep PFAS. Omdat de locatie onverdacht is ten aanzien van GenX wordt deze niet op deze parameter onderzocht.
2.10.3 Asbest in bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem de hypothese ”onverdacht” van toepassing is. Voor deze hypothese zijn geen belastende bronnen/activiteiten voor asbest in bodem te verwachten op basis van het vooronderzoek. Conform de NEN 5707 is in dit geval een onderzoek naar asbest in bodem niet per definitie noodzakelijk. Om een verkennend onderzoek naar asbest in bodem achterwege te kunnen laten, moet, in aanvulling op het locatiebezoek tijdens het vooronderzoek, tijdens het verkennend bodemonderzoek ook een beoordeling van de uitgekomen grond worden uitgevoerd, waarbij geen asbestverdachte materialen (plaatjes, buis etc.) of bodemvreemde bijmengingen die worden geassocieerd met een mogelijke verontreiniging met asbest (puin, resten baksteen etc.) worden waargenomen. In onderhavig geval wordt voor de locatie de hypothese “onverdacht” gesteld en is aanvullend onderzoek conform NEN 5707 niet noodzakelijk. Tijdens de veldwerkzaamheden ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek wordt de opgeboorde grond beoordeeld op de eventuele aanwezigheid van asbest, ter onderbouwing en bevestiging van de hypothese niet verdacht voor asbest.
2.10.4 Asfalt Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK-gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). In deze richtlijnen zijn eisen aangegeven voor de acceptatie van asfaltgranulaat.
MA210659.R01.V1.0
10 van 20
Op basis van historisch vooronderzoek en een visuele inspectie van het te frezen/ op te breken weggedeelte worden eventueel te onderscheiden vakken aangegeven. Naast het “gewone” wegvak dient rekening gehouden te worden met “bijzondere weggedeelten” vakken zoals bushaltes, opstelvakken, reparatievakken, naden, etc. In onderstaande Tabel 2.3 is het minimum aantal boringen per onderzoeksvak aangegeven. Tabel 2.3: minimum aantal boringen per onderzoeksvak Situatie
Minimum aantal boringen per onderzoeksvak
Asfalt dat geheel of gedeeltelijk vóór 1995 is aangelegd Onderzoeksvak < 100 m2
1
Onderzoeksvak < 500 m2
2
Onderzoeksvak ≥ 500 m
2
1 per (gedeelte van) elke 500 m2 +1 extra per onderzoeksvak
Asfalt dat volledig na 1994 is aangelegd (het werk wordt beschouwd als één onderzoeksvak) Onderzoeksvak < 1.000 m2
2
Onderzoeksvak ≥ 1.000 m2
1 boring per (gedeelte van) elke 1.000 m2 +1 extra per onderzoeksvak
Bij zeer grote homogene asfaltoppervlakten (≥ 10.000 m2) is een verminderde onderzoeksinspanning van toepassing.
Bij het plaatsen van de boringen dient volgens CROW publicatie 210 rekening te worden gehouden met onderstaande zaken: ·
Als het vak een rijstrook betreft moet de helft van de kernen in de rijsporen en de andere helft buiten de rijsporen worden geboord.
·
Het boren van de asfaltkernen wordt uitgevoerd met een boor met een diameter van minstens 100
·
De asfaltboringen moeten worden doorgezet tot minstens 10 centimeter onder de opgegeven
millimeter. onderzoeksdiepte, maar bij voorkeur tot de onderzijde van het asfalt. ·
De locatie van de asfaltkernen moet worden vastgesteld (bij voorkeur in x- en y-coördinaten) én worden vastgelegd ten opzichte van vaste referentiepunten met een afwijking van maximaal 20 centimeter.
In onderstaande Tabel 2.4 is het minimum te analyseren asfaltanalyses volgens CROW publicatie 210 en BRL 9320, d.d. 24 april 2009, weergegeven. Tabel 2.4: analysestrategie asfalt Hoeveelheid vrijkomend potentieel teervrij asfalt per onderzoeksvak
Minimum aantal analyses
Gehele werk na 1994 aangelegd èn in de PAK- detectorproef
0 analyses
0 -25 ton (alleen indien hele werk < 25 ton)
0 analyses
0-200 ton
1 analyse
200-1.000 ton
2 analyses
1.000-2.000 ton
3 analyses
Elke 2.000 ton meer
1 analyse extra
Op de kernen is een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK-detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken is in eerste instantie bepaald of sprake is van voldoende homogeen asfalt. Indien dit niet het geval is dienen mogelijk aanvullende kernboringen en laagdiktebepalingen en PAKdetectorproeven worden uitgevoerd.
MA210659.R01.V1.0
11 van 20
Vervolgens dienen PAK in asfalt analyses te worden ingezet om de samenstellingswaarden te bepalen. Conform de CROW publicatie 210 dient bij het samenstellen van de mengmonsters met de volgende zaken rekening te worden gehouden: ·
Monsters mogen worden samengesteld uit ten hoogste 3 verschillende lagen, als deze in één keer kunnen worden gefreesd.
·
Per monster mag materiaal van maximaal 3 verschillende boorkernen gebruikt worden.
·
De dikte van het asfaltpakket dat in één (meng)monster mag worden verzameld (totaal van de 3 kernen) bedraagt maximaal 20 centimeter.
·
Als meerdere boorkernen in een onderzoeksvak overeenkomstige lagen bevatten, hoeven niet alle boorkernen bemonsterd te worden. Wel moet asfalt uit de verschillende lagen in het monster aanwezig zijn.
MA210659.R01.V1.0
12 van 20
3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodem- en asbestonderzoek Strategie Oppervlakte Veldwerk (m2) Asfaltonderzoek Bodem (CROW210) Gehele locatie Ca. 5.200 Asfalt <500 12 x 0,5 m-mv 3 x 2,0 m-mv (ONV-NL) 1 x peilbuis
Analyses1) Asfalt 2 x PAK-marker test (RAW 77.2) + laagdikte-bepaling (RAW 77.1) 1 x PAK in asfalt (GCMS)
1)
Grond
Grondwater
Bovengrond: 2 x standaardpakket 2 x PFAS
1 x standaardpakket
Ondergrond: 2 x standaardpakket 2 x PFAS
Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB’s, som-PAK’s (10) en minerale olie Stofgroep PFAS poly- en perfluor alkyl-verbindingen (30 verbindingen) Standaardpakket grondwater: 9 zware metalen vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform) minerale olie
De chemische analyses van de grondmengmonsters, het grondwatermonster zijn conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 en AS3000erkend. De analyses op de stofgroep PFAS zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam.
3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Naar aanleiding van het zintuiglijk onderzoek zijn conform de gevolgde strategie uit de NEN 5740 4 grond(meng)monsters uit de opgeboorde grond samengesteld. De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740. In Tabel 4.1 (hoofdstuk 4) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. Het grondwatermonster is conform de onderzoeksopzet onderzocht op het standaardpakket grondwater uit de NEN 5740:2009. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven.
3.3 Veldwerk verkennend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 14 maart 2022 conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018).
MA210659.R01.V1.0
13 van 20
De veldmedewerker die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, de heer J. Beugels, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer S.H.M. Ortmans. Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 8. Tijdens de werkzaamheden zijn voor wat betreft de parameter PFAS maatregelen getroffen om contaminatie zoveel als mogelijk te voorkomen, zoals staat omschreven in het “Kennisdocument voor Bemonstering en analyse van PFAS-verbindingen in grond- en grondwater”. Het mechanisch veldwerk is conform BRL SIKB 2100 en de daarbij behorend protocol 2101 (Mechanisch boren versie 4.0, 1 februari 2018) uitgevoerd. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden.
3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden. De boorstaten zijn als bijlage 3 zijn toegevoegd. Uit de terreininspectie blijkt dat het maaiveld geheel braakliggend is. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Vanaf het maaiveld wordt in de bovenrond (0 – 50 cm-mv) wordt over het algemeen zeer fijn, matig siltig en zwak humeus zand aangetroffen. In de ondergrond (50 tot 300 cm-mv) wordt zeer fijn, matig tot sterk siltig zand met roest aangetroffen. Het grondwater wordt op circa 300 cm-mv aangetroffen. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen.
3.5 Watermonstername Op 22 maart 2022 is het grondwater bemonsterd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters, versie 6.0, 1 februari 2018). De monsternemer, de heer M.J.W. Damen, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van IenW. Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door R. Florentinus. Voor de watermonstername is de grondwaterstand, zuurgraad, turbiditeit en geleidbaarheid bepaald. Deze zijn weergegeven in Tabel 4.2. De grondwaterstand is locatie- en seizoensgebonden en kan derhalve variëren.
MA210659.R01.V1.0
14 van 20
4 Analyseresultaten 4.1 Toetsingskader 4.1.1 Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan de streefwaarden (S) voor grondwater, de interventiewaarden (I) voor grond en grondwater uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De streefwaarden voor grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire bodemsanering en Besluit bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen.
In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: ·
Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde
·
Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”- en interventiewaarde.
·
Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.
van achtergrond- en interventiewaarde).
4.1.2 Handelingskader PFAS De analyseresultaten van de stofgroep PFAS zijn getoetst aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem) uit het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (versie december 2021).
4.1.3 Besluit en Regeling bodemkwaliteit In het geval van bodem c.q. grond zijn de analyseresultaten (indicatief) getoetst aan de maximale waarden behorende bij de diverse functieklassen zoals vermeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit.
MA210659.R01.V1.0
15 van 20
4.1.4 Veiligheidsmaatregelen CROW 400 Bij eventuele graafwerkzaamheden dient rekening gehouden worden met de veiligheidsvoorschriften en Arbowetgeving voor grondwerk en bodemsanering. Indien een veiligheidsklasse van toepassing is dient de aannemer vóór aanvang van het werk een (beknopt) V&G-plan uitvoeringsfase op te stellen, welke onderdeel uit kan maken van het veiligheidsplan voor het gehele civiele werk. Het bepalen van de veiligheidsklassen heeft plaatsgevonden conform de CROW Publicatie 400 (werken in of met verontreinigde grond), de 2e gewijzigde druk: december 2017. Bij het bepalen van de veiligheidsklasse zijn de hoogst verkregen waarden van de geanalyseerde parameters gehanteerd. Ten aanzien van de berekeningen wordt vermeld dat het een indicatie geeft van de betreffende gezondheidsrisico's. Bij werkzaamheden waarbij mogelijke blootstelling aan toxische stoffen mogelijk is wordt geadviseerd contact op te nemen met een deskundige zoals omschreven in module 5 “eisen aan de deskundigheid” van CROW-publicatie 400, 2e gewijzigde druk, december 2017. De aannemer is verantwoordelijk voor de veiligheidsmaatregelen die hij bij de werkzaamheden voor zijn personeel doorvoert.
4.2 Toetsing van de analyseresultaten 4.2.1 Bodem Voor zware metalen en organische verbindingen dient een correctie plaats te vinden op basis van het gemeten lutum- en/of organisch stofgehalte in de bodem. Op basis van de gemeten gehalten aan lutum en organische stof worden de gerapporteerde gehalten omgerekende naar standaard bodem (10% organisch stof en 25% lutum). Bij het toetsen van de stofgroep PFAS aan de toepassingsnormen uit het Handelingskader hoeft bij een organisch stofpercentage tot 10% geen bodemtypecorrectie toegepast te worden. Als het organisch stofpercentage tussen 10% en 30% is gelegen, wordt wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd. In Tabel 4.1 (grondmonsters) en Tabel 4.2 (watermonsters) zijn alleen de onderzochte parameters vermeld waarvan de gehalten dan wel concentraties de achtergrondwaarden (grondmonsters) c.q. streefwaarden (grondwater) overschrijden. De toetsing van alle parameters is opgenomen als bijlage 5. In Tabel 4.1 staat per (meng)monster de indicatieve kwaliteitsklasse vermeld met betrekking tot de stofgroep PFAS. Tabel 4.1: getoetste analyseresultaten grond(meng)monsters in mg/kg ds Analysemonster BG001 BG002
OG001
Boring 007 004 005 012 010 003 014 018 017 015 008 005
003
Traject
Textuur
Visuele waarneming
Analyse pakket
> AW
Toets
Toets
CROW
(m -mv) 0,00 - 0,50 0,25 - 0,50 0,00 - 0,25 0,00 - 0,50 0,00 - 0,30 0,00 - 0,30 0,00 - 0,30 0,00 - 0,50 0,00 - 0,30 0,30 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 2,00 0,70 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 2,00
Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand
sp. baksteen zw. roesth.
St.pakket + PFAS St.pakket + PFAS
Geen Geen
Wbb -
Bbk AW AW
400 Basis Basis
sp. roest br. klei, zw. roesth. sp. roest br. klei
St.pakket + PFAS
Geen
-
AW
Basis
MA210659.R01.V1.0
16 van 20
Analyse-
Boring
monster OG002
014
008
Traject
Textuur
Visuele waarneming
Analyse pakket
> AW
Toets
Toets
CROW
(m -mv) 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 2,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 2,00
Zand Zand Zand Zand Zand Zand
zw. roesth., br. klei 200 ppm 200 ppm
St.pakket + PFAS
Geen
Wbb -
Bbk AW
400 Basis
Parameters
Conc.
Toets Wbb
-
-
Tabel 4.2: getoetste analyseresultaten grondwatermonsters in µg/l Nr.
005
Waterstand
Zuurgraad
Geleidbaarheid
Turbiditeit
(cm-mv)
(pH)
(µS/cm)
(NTU)
230
6,3
156
32,59
Verklaring gebruikte afkortingen Wbb : Wet bodembescherming AW : achtergrondwaarde 2000 S : streefwaarde GSSD : gestandaardiseerde meetwaarde Bbk : Besluit bodemkwaliteit (indicatief) AW : voldoet indicatief aan klasse “achtergrondwaarde” Verklaring der tekens * : groter dan AW/S en kleiner of gelijk aan T ** : groter dan T en kleiner of gelijk aan I *** : groter dan I : geen waarde vastgesteld
MA210659.R01.V1.0
Analyseparameter
>S St. pakket
-
st. pakket sp. zw. br. -h.
: standaard pakket : sporen : zwak : brokken : -houdend
Gehalte Conc.
: gemeten gehalten in mg/kg d.s. PCB in µg/kg : gemeten concentratie in µg/l
17 van 20
5 Asfalt 5.1 Veldwerk De asfaltkernen zijn voorzien van een barcode en verstuurd naar het laboratorium van SGS. te Rotterdam. De gaten in het asfalt zijn gedicht met koud asfalt. De ligging van de kernen is conform CROW publicatie 210 met een nauwkeurigheid van 20 centimeter vastgelegd. De locaties van de asfaltboringen zijn aangegeven op de situatietekening die als bijlage 8 is toegevoegd.
5.1.1 Dikte asfalt Het asfalt ter plaatse van de Weijenpasweg heeft een dikte variërend van circa 7 tot 14 centimeter. Met een oppervlakte van circa 220 m2 en een gemiddelde dikte van 11 centimeter bedraagt de hoeveelheid vrijkomend asfalt circa 25 m3 (circa 62,5 ton).
5.2 Analyseresultaten Op basis van de PAK-markertesten is bepaald van welke delen van de asfaltkern(en) analytische bepaling van de teerhoudendheid zinvol is. Gezien de opbouw en uitslagen van de PAK-marker testen zijn vervolgens, rekening houdend met het tonnage en de aanwezige asfaltvakken, 2 PAK-analyses uitgevoerd (voor een toelichting zie Tabel 5.1). De resultaten van de PAK-marker en/of analyses PAK in asfalt zijn opgenomen in Tabel 5.2. Tabel 5.1: PAK-markertest en PAK-analyses Analysepakket en -parameter Omschrijving PAK-markertest
PAK-analyses
Als bij een PAK-markertest een verkleuring ontstaat (++) is het asfalt teerhoudend. Indien geen verkleuring ontstaat (--) betekent dit niet automatisch dat het asfalt niet-teerhoudend is. Dit omdat de PAK marker pas verkleurt boven een PAK-gehalte van circa 250 mg/kg, terwijl de bovengrens voor niet-teerhoudend asfalt 75 mg/kg bedraagt. Daarom kunnen op basis van interpretatie van de PAKmarker geen uitspraken worden gedaan over de teerhoudendheid in het gebied tussen 75 mg/kg en circa 250 mg/kg. Uitsluitsel vindt plaats op basis van PAK-analyses. PAK-analyses worden verricht overeenkomstig NEN 7331 (Soxhlet extractie met PE, analyse volgens GCMS, danwel DLC)
De certificaten van de laagdiktebepaling en de PAK-markertest zijn bijgevoegd als bijlage 4. De certificaten van de PAK in asfaltbepaling zijn eveneens bijgevoegd als bijlage 4.
MA210659.R01.V1.0
18 van 20
Kern
Tabel 5.2: resultaten PAK-markertesten en PAK-analyses Laagdikte-opbouw en PAK-marker PAK-analyse Laagdikte Opbouw PAK-marker Mengmonster (mm) nummer (traject in mm)
PAKgehalte2) (mg/kg d.s.)
Toetsing Conclusie3)
Indicatief advies Bbk4)
Wegvak 1: gem. dikte 11 cm, opp. 220 m²; vol. 62,5 ton 001 0 - 29 STAB 0/16 -Niet teerhoudend (0-98) Herbruikbaar (0-98) 29 -77 STAB 0/16 -Niet teerhoudend (0-98) Herbruikbaar (0-98) <10 Mm1-pak (0-98) 77 – 118 STAB 0/16 -Niet teerhoudend (0-98) Herbruikbaar (0-98) 118 - 139 DAB 00/8 ++ Teerhoudend (98-139) Niet herbruikbaar (98-139)* 002 0 - 57 STAB 0/16 -Mm1-pak (0-37) <10 Niet teerhoudend (0-37) Herbruikbaar (0-37) 57 - 74 DAB 00/8 ++ Teerhoudend (37-57) Niet herbruikbaar (37-74)* Verklaring 1) PAK-marker: ++ PAK-gehalte is hoger dan 250 mg/kg ds -> asfalt is teerhoudend PAK-marker: -PAK-gehalte is lager dan 250 mg/kg ds -> asfalt is mogelijk teervrij, uitsluitsel via PAK-analyse 2) PAK-gehalte Som 10-VROM volgens de NEN 7331 (GCMS- danwel DLC-analyse) 3) Conclusie De analytische bepaling geeft de doorslag bij het bepalen van de teerhoudendheid indien de indicatieve bepaling en de analytische bepaling tegenstrijdig zijn. 4) Indicatief advies Indien het asfalt een PAK(10)-gehalte bevat van minder dan 75 mg/kg ds wordt dit geclassificeerd als nietteerhoudend en dan kan dit warm in asfaltmengsels worden herverwerkt. Indien het asfalt een PAK(10)-gehalte Bbk heeft van meer dan 75 mg/kg ds wordt dit geclassificeerd als teerhoudend en mag het asfalt niet worden hergebruikt. * Niet herbruikbaar, aangezien het niet rendabel wordt geacht deze laag te frezen.