Bijlage NvW BP De Loop - Mer paragraaf
Tekst van het document
onderstaande afbeelding. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er ruim voldoende wordt voorzien in de opvang van hemelwater.
Inrichtingsplan bedrijventerrein ‘De Loop’ (in het blauw de retentievijvers)
Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied geen belemmeringen voor de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein ‘De Loop’.
4.8 M.e.r.-plicht 4.8.1
Beoordeling directe m.e.r.-plicht
Het bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een bedrijventerrein mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van bedrijventerreinen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk
Hoofdstuk 4
62
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.5 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied.
Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. 4.8.2
M.e.r.-beoordeling
Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is.
Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Hoofdstuk 4
63
Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van circa 17,41 hectare. Het project richt zich op de uitbreiding van het bedrijventerrein De Loop, ten noorden van het bestaande bedrijventerrein
Cumulatie met andere projecten
Nee.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats op agrarische percelen, aansluitend op het stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.2.2): Het bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten mogelijk zoals bedoeld in de Wgh. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat voorgenomen ontwikkeling zelf zal geen significante toename van de verkeersintensiteiten over de A2 veroorzaken. Derhalve is de geluidbelasting voor de huidige situatie en na de realisatie van de ontwikkeling gelijk. Luchtkwaliteit: (zie ook paragraaf 4.2.3) -
zowel in de huidige als de situatie na planrealisatie is geen sprake van overschrijding van grenswaarden voor de stoffen NO2, PM10 en PM2,5;
Hoofdstuk 4
64
Kenmerken van het project Criteria
Toets -
aangezien de toename van de concentraties van voornoemde stoffen minder bedraagt dan 3% van de grenswaarden is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) van het plan;
Geur: Vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan er geen belemmeringen voor de uitbreiding van het bedrijventerrein De Loop. Bovendien worden de veehouderijen in de omgeving niet beperkt als gevolg van deze ontwikkeling. Daarnaast is geen sprake van bedrijven die industriële geuroverlast veroorzaken. Verkeersaantrekkende werking: Ook zonder de realisering van het bedrijventerrein ontstaan knelpunten op het omliggende wegennet. De realisering van het bedrijventerrein zorgt ervoor dat de knelpunten vaker voorkomen. Door het treffen van maatregelen kunnen deze knelpunten opgelost worden. Risico van ongevallen
In de toekomstige situatie wordt overwogen om ter plaatse van het plangebied gevaarlijke stoffen op te slaan. Hiermee zal echter geen sprake zijn van een Bevi-inrichting ter plaatse van het plangebied. De impact op de omgeving van het plangebied is hiermee beperkt. Ingeval sprake zal zijn van de opslag van gevaarlijke stoffen zal hier bij de verdere planuitwerking rekening mee worden gehouden, daar mogelijk veiligheidsvoorschriften van toepassing zijn.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden waar de uitbreiding van het bedrijventerrein is voorzien in gebruik als agrarische gronden (akkerland en weilanden). In het plangebied is sprake van een bomenrij aan de huidige Oude Lakerweg. Deze zal worden verwijderd ten behoeve van de ontwikkeling. (zie ook paragraaf 4.5 Ecologie)
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.5 ‘Ecologie.
den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
gebieden waarin bij communau-
Nee.
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.3): binnen het plangebied en de directe omge-
tureel of archeologisch belang
ving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Wel heeft de
Hoofdstuk 4
65
Plaats van het object Criteria
Toets Molenbeek een cultuurhistorische waarde. De ingrepen aan de Molenbeek zijn beperkt en ter plaatse is de cultuurhistorische waarde geborgd middels een dubbelbestemming. Archeologie (zie ook paragraaf 4.3): Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt de kans gering geacht dat er in het plangebied nog archeologische waarden aanwezig zijn. In het gehele plangebied hebben ontgrondingen plaatsgevonden tot in de top van de natuurlijke afzettingen. Het plangebied kan dan ook worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 4.5 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale beteke-
Nee.
nis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op NNN-ge-
(voormalige EHS)
bieden in de nabijheid wordt geen negatieve invloed uitgeoefend door de uitgifte van de bedrijfskavels.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebieden,
Nee, zie paragraaf 4.7 ‘Waterhuishouding’.
en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Ook zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig waarop een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend.
Belvedère-gebied
Nee.
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
N.v.t.
zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het
Nee.
effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals
van het effect
echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Hoofdstuk 4
66
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 4
67