Bestemmingsplan Woningbouwontwikkeling Vlaskuilseweg
Tekst van het document
In het kader van PFAS is geconcludeerd dat mogelijk een partijkeuring grond nodig is om de te ontgraven grond af te kunnen voeren. Met betrekking tot de parkeerplaats is het navolgende geconcludeerd: De parkeerplaats, met een oppervlakte van circa 450 m 2, is verhard met asfalt van onbekende dikte en kwaliteit. Om de afzetkosten van het op te breken asfalt te bepalen wordt geadviseerd onderzoek naar polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) conform de CROW 210 uit te voeren. Zodra het volume af te voeren asfalt in beeld is, zal een check moeten uitwijzen in hoeverre de onderzoekskosten opwegen tegen de (meer)kosten die gepaard gaan met de acceptatiekosten voor teerhoudend asfalt. Er wordt vanuit gegaan dat er sprake is van een puinhoudende fundatielaag onder het asfalt. Afhankelijk van de aan te treffen situatie zou aanvullend onderzoek achterwege kunnen blijven, of zal een verkennend onderzoek asbest in bodem (NEN 5707) dan wel puin (NEN 5897) passend zijn. Het geadviseerde onderzoek naar PAK en asbest kan deels gecombineerd worden uitgevoerd. 4 5
Anteagroup, Rapport verkennend bodemonderzoek Vlaskuilseweg 67 te Maria Hoop, kenmerk: 412036, d.d. 17 september 2016 Rouwmaat groep, Vooronderzoek NEN5725 Vlaskuilseweg 67 te Maria Hoop, projectnummer MT-19376, d.d. 8 november 2022
Hoofdstuk 4
27
In 2022 heeft in het kader van voorliggend bestemmingsplan een milieuhygiënisch vooronderzoek plaatsgevonden6. De hiervoor genoemde onderzoeken uit 2016 en 2019 zijn toegevoegd aan het rapport uit 2022 dat als bijlage 2 onderdeel uitmaakt van dit bestemmingsplan. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot uiterst siltig, uiterst fijn tot zeer grof zand. De bovengrond (tot maximaal 0,7 m -mv) is bovendien plaatselijk zwak humeus of zwak tot sterk grindig. Plaatselijk bestaat de ondergrond uit sterk zandig leem. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. Onder de klinkerverharding bevindt zich een stolfundatie. De bovengrond is plaatselijk zwak tot sterk baksteenhoudend, zwak puinhoudend en zwak slakhoudend. Bij boring 08 is over het traject 0,5-0,6 m -mv een zwakke kolengruishoudende laag waargenomen. Aanvullend heeft een verkennend bodemonderzoek 7 plaatsgevonden. Dit onderzoek maakt als bijlage 13 onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Omdat de locatie mogelijk te maken heeft met een verhoogd risico op voorkomen van niet gesprongen conventionele explosieven uit de Tweede Wereld Oorlog.
Het risico is gereduceerd op plekken waar aanwezige wegverhardingen, voetpaden, rioleringen, kabels en leidingen na 1945 zijn aangelegd. Derhalve is voorgesteld om eerst een NGO onderzoek uit te voeren en/of begeleid te boren onder toezicht van een geaccrediteerd explosieve onderzoek bedrijf. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 De zwak baksteenhoudende stolfundatie onder de klinkerverharding ten oosten van het pand is sterk verontreinigd met PAK. De zandige bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, lood, nikkel, zink, PCB en minerale olie. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met kobalt en nikkel geconstateerd. Daar het grondwater zich dieper dan 5,0 m -mv bevindt, heeft er conform de NEN 5740 geen grondwateronderzoek plaatsgevonden. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Econsultancy adviseert de sterk verontreinigde stolfundatie op termijn te saneren. Indien sprake is van de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dient er gesaneerd te worden.
Onder de Omgevingswet zijn in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) twee mogelijke saneringsdoelstellingen voorgeschreven: het ontgraven van de verontreiniging tot de noodzakelijke bodemkwaliteitsklasse of door het aanbrengen van een afdeklaag (duurzaam aaneengesloten verhardingslaag of leeflaag). Voor de MBA ‘saneren’ dient 4 weken vóór aanvang in het Omgevingsloket, onderdeel van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), een melding ingediend te worden.
6 7
Econsultancy, Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Vlaskuilseweg 67 Maria Hoop, rapportnummer: 19356.001, d.d. 3 november 2022 Econsultancy, Rapport verkennend bodemonderzoek Vlaskuilseweg, Maria Hoop, rapportnummer: 19356.001, d.d. 13 november 2023
Hoofdstuk 4
28
Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Er zijn op het maaiveld geen asbesthoudende (plaat)materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. Doorlatendheidsonderzoek De doorlatendheid van de bodem wordt als sterk wisselend beschouwd. Van de (grindige) bodemlagen onder het leempakket wordt verwacht dat deze vrij goed tot goed doorlatend zijn. De resultaten geven geen eenduidig beeld over de doorlatendheid van de bodem. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 4.1.3 Conclusie Er geldt een sanering voor de 2 punten waar sterke PAK-verontreiniging is geconstateerd. Die sanering kan na vaststelling van het bestemmingsplan worden uitgevoerd. Er is een BUS-melding gedaan bij de provincie Limburg ten behoeve van de sanering.
Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is afdoende om de uitvoerbaarheid van de planontwikkeling in het kader van deze bestemmingsplanprocedure aan te kunnen tonen.
4.2 Geluid 4.2.1 Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als geluidhinder als gevolg van (spoor-)wegverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.
Hoofdstuk 4
29
Het voorliggende bestemmingsplan maakt geluidgevoelige objecten mogelijk. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Springweg en Vlaskuilseweg. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. 8 Spoorweglawaai Via Hoofdstuk VII “Zones langs spoorwegen” biedt de Wet geluidhinder (vooral) in het ruimtelijk spoor (Wro, Wabo) bescherming aan geluidgevoelige bestemmingen tegen spoorweglawaai. Daarbij gaat het om nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs spoorwegen en om bestaande geluidsgevoelige bestemmingen bij de aanleg/wijziging van spoorwegen (die zijn aangegeven op de zonekaart). In onderhavige situatie is geen toets aan de Wet geluidhinder van toepassing voor spoorweglawaai, aangezien er geen sprake is van een spoorweg in de wijde omgeving van het plangebied. De dichtstbijzijnde spoorweg is gelegen op een afstand van ruim 6 km ten westen van het plangebied. Gezoneerde industrieterreinen In onderhavige situatie is geen toets aan de Wet geluidhinder van toepassing voor een gezoneerd industrieterrein, aangezien er geen gezoneerd industrieterrein is. 4.2.2 Onderzoek Het uitgevoerde onderzoek is als bijlage 3 opgenomen. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Wegverkeerslawaai De geluidgevoelige bestemmingen zijn zoals vermeld gelegen in de geluidszone van de Springweg en Vlaskuilseweg.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen nietgezoneerde wegen Diergaarderstraat-West, Diergaarderstraat-Zuid, Hertestraat-Schellaertstraat, Kerkweg en de nieuwe binnenplanse weg in het onderzoek betrokken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is als afwegingskader aangesloten op het normenstelsel van de Wet geluidhinder. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen In het akoestisch onderzoek zijn rekenpunten gelegd op de bouwvolumes van 2 bouwlagen. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.21. Ten gevolge van de Vlaskuilseweg (30 km/uur) en Kerkweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Voor beide wegen is een afweging van geluidsreducerende maatregelen wenselijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Voor de Vlaskuilseweg (30 km/uur) en Kerkweg kan vanwege het ontbreken van een zone formeel geen hogere waarde worden vastgesteld. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. 8
Econsultancy, Rapportage akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Vlaskuilseweg, Maria Hoop, rapportnummer: 19356.004, d.d. 12 juni 2023
Hoofdstuk 4
30
Uit het akoestisch onderzoek volgt welke gevels van woningen vanwege wegverkeerslawaai een hogere geluidwering dan de standaard eis dienen te hebben, zie tabel 4.1 Zie ook paragraaf 4.4.2. Tabel 4.1: Overzicht hogere geluidwering dan de standaard eis
Wegverkeer Rekenp. Norm B en M Binnenniveau Kavel 5 VG, bgg 11_A VG, 1e verd. 11_B ZG, 1e verd 12_B Kavel 6 VG, bgg 14_A VG, 1e verd. 14_B ZG, 1e verd. 15_B Kavel 7 VG, bgg 17_A VG, 1e verd. 17_B ZG, 1e verd. 18_B Kavel 8 VG, bgg 20_A VG, 1e verd. 20_B ZG, 1e verd. 21_B Kavel 9 VG, bgg 23_A VG, 1e verd. 23_B ZG, 1e verd. 26_B Kavel 13 VG, bgg 42_A VG, 1e verd. 42_B Kavel 14 VG, bgg 46_A VG, 1e verd. 46_B 1)
Geluidb. Lden1)
Geluidwering
53 dB zonder aftr.
33 dB
63 63 57
30 30 24
63 62 54
30 29 21
62 62 55
29 29 22
62 62 53
29 29 20
61 61 53
28 28 20
57 57
24 24
56 57
23 24
zonder aftrek, vanwege Vlaskuilseweg. Cumulatief geluid is helaas niet berekend, maar de bijdragen van andere wegen is laag en is hierom verwaarloosd.
4.2.3 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai levert geen belemmeringen op voor onderhavige woningbouwontwikkeling.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. c. Een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
Hoofdstuk 4
31
d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg
Minimaal 2 ontsluitingswegen
3%-norm
3%-norm
1.500
3.000
Getalsmatige grenzen Regeling NIBM
De realisatie van 14 woningen leidt slechts tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen en daarmee niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder b. 4.3.2 Toetsing Bij voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van 14 wooneenheden, waarmee ruim binnen het 3& criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM lag de concentratie fijnstof (PM 10) ter plaatse in 2020 beneden de 15 µg/m³, de concentratie stikstof (PM2,5) beneden de 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) beneden de 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten ven het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de nieuwe (woon)functie.
4.3.3 Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
Hoofdstuk 4
32
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Algemeen Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 9. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Toetsing Het plangebied ligt in de kern Maria Hoop. Het plangebied is voornamelijk omringd door woningen, waardoor er sprake is van een omgevingstype rustig woongebied. Installatiebedrijf Direct aan de overkant van de Vlaskuilseweg is op circa 15 meter is het installatiebedrijf V.O.F. van Wandelen gelegen.
In geen geval mag deze bedrijfsbestemming/-activiteit ingeperkt mag worden door de realisatie van de nieuwe woningen. Ten aanzien van het aspect geluid geldt een richtafstand van 30 meter. Gelet op de bedrijfsactiviteiten van het installatiebedrijf, met name door het laden en lossen in de nacht, is de geluidruimte van het bedrijf feitelijk groter dan geldt op basis van de richtafstand. Dit is ook gebleken in eerder onderzoek. Volgens vaste jurisprudentie dient hiermee rekening te worden gehouden. Vanwege de ligging van enkele woningen op een kortere afstand dan 30 meter is een
9
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
33
akoestisch onderzoek industrielawaai10 uitgevoerd. Aangetoond moet worden dat ondanks het installatiebedrijf ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Industrielawaai Het installatiebedrijf is een type B inrichting, welke volledig onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is getoetst aan de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (verder: publicatie). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren heeft geen geluidbeleid met betrekking tot industrielawaai. De berekeningen zijn uitgevoerd conform methode II.8 van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM, 1999) met behulp van het softwarepakket Geomilieu V2022.21. Toets ruimtelijke ordening Ter hoogte van meerdere kavels wordt niet voldaan aan de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveau uit stap 2 van de publicatie. Ter hoogte van kavels 5 t/m 9 vinden overschrijdingen plaats van de richtwaarden uit stap 3 van de publicatie in de dag-, avond- en nachtperiode. De overschrijding wordt veroorzaakt door de stationair draaiende BE-wagen en dichtslaande portieren. De noordgevels van kavel 5 t/m 9 zijn voor alle woningen geluidluwe gevels.
Bij de indeling van de woningen is rekening gehouden met de situering van de geluidgevoelige verblijfsruimtes aan de geluidluwe zijde. Dit houdt in dat de woonkamer en slaapkamers voor alle woningen zijn gesitueerd aan de noordzijde van de woning, waarbij de geluidbelastingen ter hoogte van deze ruimtes acceptabel zijn. De ruimtes die aan de voorzijde van de woningen (de zijde met de hoogste geluidsbelasting) zijn gesitueerd hebben de functie keuken, toilet, hal, berging en werkkamer. Dit betreffen geen geluidgevoelige verblijfsruimtes waardoor de hogere geluidbelastingen op de gevels van deze ruimtes acceptabel worden geacht. De berekende geluidbelasting afkomstig van bestemmingsverkeer (de indirecte hinder) voldoet ter hoogte van alle woningen en gedurende het gehele etmaal aan de richtwaarden. Toets Activiteitenbesluit Ter hoogte van kavel 5 t/m 8 wordt niet voldaan aan de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en ter hoogte van kavel 5 t/m 9 niet aan de grenswaarde voor het maximale beoordelingsniveau. Maatregelen De overschrijdingen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau worden veroorzaakt door de stationair draaiende BE-wagen. De overschrijdingen van het maximale beoordelingsniveau worden veroorzaakt door de dichtslaande portieren.
Het verplaatsen, wijzigen en/of beperken van de bedrijfsactiviteiten van het installatiebedrijf beperkt de inrichting in haar bedrijfsactiviteiten en is daarom geen wenselijke maatregel. Bij maatregelen in de overdracht kan gedacht worden aan de realisatie van een geluidscherm of wal tussen de geluidbron en ontvanger. De ruimte tussen de inrichting en de beoogde woningbouwkavels is erg beperkt en betreft openbare weg waardoor de realisatie van een scherm of wal niet mogelijk is. Tevens stuit de realisatie van een scherm of wal in stedelijk gebied op bezwaren van landschappelijke en stedenbouwkundige aard. Aangezien maatregelen bij de bron en overdracht 10
Econsultancy, Rapportage akoestisch onderzoek industrielawaai Vlaskuilseweg, Maria Hoop, rapportnummer: 19356.003, d.d. 12 juni 2023
Hoofdstuk 4
34
niet mogelijk zijn of stuiten op bezwaren worden maatregelen bij de ontvanger beschouwd. Gelet op de indeling en de beperkte ruimte op het kavel wordt het niet mogelijk geacht om de maatgevende kavels 5 t/m 9 verder naar het noorden te verplaatsen. Gevelwering Uit het akoestisch onderzoek volgt welke gevels van woningen vanwege industrielawaai een hogere geluidwering dan de standaard eis dienen te hebben, zie tabel 4.2. Tabel 4.2: Overzicht hogere geluidwering dan de standaard eis
Industrielawaai Rekenp. Norm B en M
Etm.w. LAr,LT
Nachtw. LAmax
45 dB(A)
55 dB(A)
Binnenniveau
Geluidwering
e35/n45 dB(A)
Kavel 5 VG, bgg
11_A
55
71
20/26
VG, 1e verd.
11_B
54
70
19/25
e
12_B
41
64
-/19
VG, bgg
14_A
57
73
22/28
VG, 1e verd.
14_B
55
72
20/27
ZG, 1e verd.
15_B
52
69
17/24
VG, bgg
17_A
56
73
21/28
VG, 1e verd.
17_B
58
74
23/29
ZG, 1e verd.
18_B
53
69
18/24
VG, bgg
20_A
55
71
20/26
VG, 1e verd.
20_B
57
73
22/28
ZG, 1e verd.
21_B
-
62
-/17
VG, bgg
23_A
52
68
17/23
VG, 1e verd.
23_B
50
66
-/21
ZG, 1e verd.
26_B
44
67
-/22
ZG, 1 verd Kavel 6
Kavel 7
Kavel 8
Kavel 9
Kavel 13 VG, bgg
42_A
VG, 1e verd.
42_B
Kavel 14 VG, bgg
46_A
VG, 1e verd.
46_B
Dove gevels Door de belaste gevels (vanwege de industrielawaai LAr,LT en LAmax en wegverkeerslawaai Lden) uit te voren als dove gevel en de voorwaarde dat de geluidgevoelige verblijfsruimtes worden gesitueerd aan de geluidluwe kant van de woningen wordt installatiebedrijf V.O.F. van Wandelen niet beperkt en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het bestemmingsplan is dat geborgd door voor de betreffende kavels de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' op te nemen. Uit de
Hoofdstuk 4
35
waarden, zoals opgenomen in tabel 4.1 en 4.2 voor de geluidwering vanwege de industrielawaai LAr,LT en LAmax en wegverkeerslawaai Lden, is de maatgevende waarde opgenomen in tabel 4.3. In de regels is deze vereiste geluidwering geborgd. Tabel 4.3: Vereiste geluidwering en dove gevels/gewone gevels
Kavel
Rekenpunt
Geluidwering
Gevel
VG
11
30
Dove gevel
ZG
12
24
Dove gevel
1 Bouwlaag VG
-1)
Zie rekenpunt 112)
Dove gevel
VG
14
30
Dove gevel
ZG
15
24
Dove gevel
1 Bouwlaag VG
-1)
Zie rekenpunt 142)
Dove gevel
VG
17
29
Dove gevel
ZG
18
24
Dove gevel
1 Bouwlaag VG
-1)
Zie rekenpunt 172)
Dove gevel
VG
20
29
Dove gevel
ZG
21
20
Dove gevel
1 Bouwlaag VG
-1)
Zie rekenpunt 202)
Dove gevel
VG
23
28
Dove gevel
ZG
26
22
Dove gevel
1 Bouwlaag VG
-1)
Zie rekenpunt 232)
Dove gevel
42
24
Kavel 5
Kavel 6
Kavel 7
Kavel 8
Kavel 9
Kavel 13 VG Kavel 14 VG 1)
Gewone gevel 46
24
Gewone gevel
In het akoestisch onderzoek is hier geen rekenpunt geplaatst
Aspecten zoals geur, stof en externe veiligheid spelen geen rol en hier is dan ook verder geen onderzoek naar gedaan. Voor het overige zijn er geen inrichtingen in de buurt van de woningen gelegen waardoor het woon- en leefklimaat negatief wordt beïnvloed, of waar de woningen een negatieve impact op de bedrijfsactiviteiten kunnen uitoefenen. Parkeren In een akoestisch onderzoek11 is de geluidbelasting, in casu het maximale geluidniveau (piekgeluiden), op de zij- en voorgevel van de bestaande woning Vlaskuilseweg 59 vanwege de 4 langsparkeerplaatsen die in het plangebied worden gerealiseerd, onderzocht.
11
Econsultancy, Onderzoek parkeergeluid Vlaskuilseweg, Mariahoop, d.d. 21 februari 2024
Hoofdstuk 4
36
Toets ruimtelijke ordening Voor de toetsing is aangesloten bij de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie voor het maximale geluidsniveau LAmax (piekgeluiden), namelijk 65, 60 en 55 dB(A) voor respectievelijk de dag, avond en nacht voor omgevingstype rustige woonwijk. Rekenresultaten Uit het akoestisch onderzoek volgt dat het maximale geluidsniveau LAmax (piekgeluiden) in elke etmaalperiode hoger is dan de hierboven genoemde richtwaarden. Hierom zijn drie varianten voor een geluidsscherm onderzocht en stedenbouwkundig afgewogen. Een geluidsscherm waarmee aan de richtwaarden wordt voldaan, blijkt van zodanig grote omvang te zijn, dat deze om stedenbouwkundige redenen wordt afgewezen. Een geluidscherm van 1,7 meter hoog met een lengte van 23 meter wordt gemotiveerd, aanvaardbaar geacht. Er is een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan opgenomen dat het in gebruik nemen en gebruik houden van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - voorwaardelijke verplichting parkeren' voor parkeervoorzieningen uitsluitend is toegestaan onder de voorwaarde dat een geluidwerende voorziening met een hoogte van minimaal 1,7 meter en een lengte van 23 meter is gerealiseerd en deze na realisatie in stand wordt gehouden. Met deze voorwaardelijke verplichting is de realisatie van een geluidscherm juridisch geborgd.
4.4.3 Conclusie Gelet op het voorgaande bestaan er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bij de realisering van onderhavig planvoornemen.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Algemeen Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.5.2 Toetsing en conclusie Onderhavig bestemmingsplan maakt geen veehouderij mogelijk. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen de geurcirkel van veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op een afstand van ca. 1,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied.
Vanuit het aspect geurhinder en veehouderijen bestaan er geen belemmeringen tegen het planvoornemen.
Hoofdstuk 4
37
4.6 Kabels en leidingen Binnen (of in de directe omgeving van) het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Hoofdstuk 4
38
4.7.2 Toetsing Risicovolle inrichtingen In een straal van 1 kilometer rondom het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven gevestigd. Op circa 1,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied ligt een veehouderij met een propaantank. De gehanteerde risicoafstanden van bovenstaande inrichtingen reiken niet tot aan het plangebied. Risicovol transport over (spoor- en water)wegen In de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Risicovol transport buisleiding Op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied is een buisleiding aanwezig. Het plangebied ligt ruim buiten de risicocontour van deze buisleiding. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.8 Ecologie 4.8.1 Algemeen De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid
Hoofdstuk 4
39
niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming,
Hoofdstuk 4
40
geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. 4.8.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel betreft de goudgroene natuurzone. Deze ligt ongeveer op 15 meter ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden; Abdij Lilbosch & Voormalig Klooster Mariahoop’ en ‘Roerdal’, bevinden zich respectievelijk op circa 460 meter afstand ten noorden en circa 5,0 kilometer ten noordoosten van het projectgebied.
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 14 nieuwe woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd.12 De berekening betreft een worst-case berekening. Uit deze berekeningen blijkt dat bij zowel de aanleg- als gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. In de bijlage is de AERIUS-berekening met een aanvullende notitie aan deze toelichting toegevoegd.
Soortenbescherming Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 22 september 2022 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg geraadpleegd. Aan de hand van het
12
BRO, AERIUS-berekening Vlaskuilseweg te Maria Hoop, projectnr. P04888, d.d. 30 oktober 2023
Hoofdstuk 4
41
verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. De resultaten van het veldonderzoek en de bureaustudie zijn vastgelegd in een rapportage 13 dat als bijlage aan deze toelichting is toegevoegd. Hierna volgt een korte samenvatting. De sloop van de bebouwing binnen het plangebied kan negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen, huiszwaluw, gierzwaluw en/of huismus en de steenmarter, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie nest- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Een vervolgonderzoek naar vleermuizen loopt van half mei tot en met eind september. Een vervolgonderzoek naar gierzwaluwen valt binnen de onderzoeksperiode van vleermuizen. Een onderzoek naar de huismus begint echter al eerder en loopt van april tot half mei. Voor de steenmarter geldt een periodieke vrijstelling binnen provincie Limburg. De vrijstelling geldt vanaf half augustus t/m februari. Binnen deze periode mogen steenmarterverblijfplaatsen worden vernietigd.
Indien de sloop van de bebouwing niet binnen deze periode kan plaatsvinden dient onderzoek plaats te vinden. Tevens geldt ten alle tijden de zorgplicht tijdens het slopen. Aanvullend is in de quickscan flora en fauna het volgende geconcludeerd: Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bosschage ten oosten van het plangebied te worden vermeden, zowel tijdens de werkzaamheden als in de toekomstige situatie. Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Er heeft soortgericht vervolgonderzoek plaatsgevonden. Tijdens dit vervolgonderzoek zijn twee nestlocaties van de huismus aangetroffen. De werkzaamheden omtrent de sloop van de bebouwing zijn ontheffingsplichtig. Hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd bij de Provincie Limburg.
In de regels is de gebiedsaanduiding ‘Wetgevingszone – Wet natuurbescherming’ opgenomen om te borgen dat er geen sloop- of bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd voordat ontheffing is verleend en het plangebied is vrijgegeven. Daarnaast loopt er een vliegroute van meerdere (20-25) laatvliegers over het plangebied. Met de beoogde plannen zal deze vliegroute niet worden doorbroken, gezien de nieuwbouwwoningen met 1 verdieping betreffen. Wel dient er rekening te worden gehouden met lichtuitstraling naar boven. Het verlichtingsplan van de nieuwbouw dient opgesteld te worden in samenwerking met een te zaken kundige ecoloog. Tevens dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen:
De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus;
13
BRO, Quickscan flora en fauna Vlaskuilseweg Maria Hoop, projectnummer P04888, d.d. 14 oktober 2022
Hoofdstuk 4
42
Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.
Houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. 4.8.3 Conclusie Voor wat betreft gebiedsbescherming en houtopstanden zijn er geen belemmeringen. Voor wat betreft soorten is ontheffing nodig voor de huismus. In de regels is de gebiedsaanduiding ‘Wetgevings-zone – Wet natuurbescherming’ opgenomen om te borgen dat er geen sloop- of bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd voordat ontheffing is verleend en het plangebied is vrijgegeven.
4.9 Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de eventuele gevolgen voor de verkeersstructuur als voor het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 4.9.1 Verkeer Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van in totaal 14 woningen in de kern Maria Hoop. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”. Hierbij is uitgegaan van 2 woningen in de categorie ‘koop, huis, vrijstaand’ voor de twee vrijstaande woningen en 12 woningen in de categorie ‘koop, huis, tussen/hoek’ voor de 8 senioren-/ gezinswoningen, twee tussenwoningen en twee hoekwoningen. Deze categorieën zijn gekozen in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente EchtSusteren (weinig stedelijke gemeente). In totaal neemt de verkeersgeneratie met maximaal 111 ((2 x 8,6) + (12 x 7,8) = 110,8) motorvoertuigen per etmaal per gemiddelde weekdag toe. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de omliggende wegen berekend op de gestelde toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de wooneenheden binnen het plangebied. 4.9.2 Parkeren Wat betreft het aantal vereiste parkeerplaatsen bij deze woningen kan uitgegaan worden van de ‘Parkeerkencijfers’, die onderdeel zijn van de regels (bijlage 3 van de regels).
De gemeente Echt-Susteren kan worden aangemerkt als een weinig stedelijke gemeente en het gebiedstype van onderhavig plangebied betreft ‘buitengebied’. Hierbij is uitgegaan van 2 woningen in de categorie ‘koop vrijstaand’ voor de twee vrijstaande woningen, 8 twee-onder-één kap woningen en 4 koop, tussen/hoekwoningen.
Hoofdstuk 4
43
De gemeente heeft eigen parkeerkencijfers die als bijlage aan de regels zijn toegevoegd. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte gaat de gemeente in eerste instantie uit van de ‘maximale’ parkeerbehoefte. Casusafhankelijk kan hiervan afgeweken worden indien die afwijking gedragen kan worden door een motivering. In onderstaande tabel zijn de parkeernormen toegepast op de onderhavige woningbouwontwikkeling. De betreffende parkeerkencijfers zijn tussen haakjes weergegeven. Soort woning Parkeerkencijfers koop, vrijstaand Parkeerkencijfers koop, 2-onder-1-kap Parkeerkencijfers koop, tussen/hoek Totaal benodigde parkeerplaatsen
Aantal woningen 2 8 4
Minimale norm 4,0 (2,0) 14,4 (1,8) 6,4 (1,6)
Maximale norm 5,6 (2,8) 20,8 (2,6) 9,6 (2,4)
Gemiddelde norm 4,8 (2,4) 17,6 (2,2) 8,0 (2,0)
24,4
36,0
30,4
Er is in de nabije omgeving voldoende parkeergelegenheid en er is geen sprake van overbezetting waardoor van de minimale norm kan worden uitgegaan. Uit het voorgaande volgt dat minimaal (afgerond) 25 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 4
44
De parkeerbehoefte wordt opgevangen door elke woning te voorzien van minimaal één parkeerplaats op eigen terrein, uitgezonderd van de twee tussenwoningen en twee hoekwoningen. De woningen aan de Kerkweg hebben twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven worden er 12 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd, 18 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. In totaal worden er 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de zijde van de Vlaskuilseweg komen ook nog 4 parkeerplaatsen. Dit zijn veelal bestaande parkeerplaatsen die vanwege de nieuwe woningen en bijbehorende ontsluiting net iets anders komen te liggen.
Situering parkeerplaatsen
Het plan voldoet derhalve aan de minimale parkeernormen die worden gehanteerd door de gemeente Echt-Susteren.
4.10 Water 4.10.1 Algemeen De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
45
Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie (2021) het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. 4.10.2 Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het besluitgebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater en waterkwaliteit Op basis van de voormalige Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II.
Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter in zone II tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Binnen het plangebied zullen geen diepe grondwaterboringen plaatsvinden. Oppervlaktewater Op basis van de Leggerkaart van het waterschap Limburg is in het plangebied zelf geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Hemel- en afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater wordt aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt binnen het plangebied wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld (gescheiden afvoer van afvalen hemelwater). Via daken en dakgoten wordt het hemelwater naar een infiltratievoorziening binnen het plangebied geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een afwateringsplan gemaakt.14 Het afwateringsplan is toegevoegd aan de bijlagen. Er is een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van het Verkennend bodemonderzoek dat als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd.
De doorlatendheid is sterk afhankelijk van de bodemsamenstelling (aantal, grootte en vorm van de poriën en de onderlinge verbindingen tussen de poriën). Aangezien een bodem altijd een bepaalde mate van heterogeniteit vertoont en er slechts op enkele punten is gemeten, dienen de afgeleide k-waarden zoals bepaald op de locaties te worden beschouwd als een gemiddelde. Volgens de leidraad riolering
14
Brouwers Adviesbureau, Afwateringsplan 14 woningen Maria Hoop, projectnr. ECH-083-01, d.d. 10-10-2023
Hoofdstuk 4
46
module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ is voor infiltratie van hemelwater minimaal een doorlatendheid van 0,2 m per dag nodig. De doorlatendheid van de bodem wordt als sterk wisselend beschouwd. Van de (grindige) bodemlagen onder het leempakket wordt verwacht dat deze vrij goed tot goed doorlatend zijn. De resultaten geven geen eenduidig beeld over de doorlatendheid van de bodem. Voor het plangebied kan de 45mm die de gemeente hanteert op basis van het Rioleringsprogramma 2022-2026. De infiltratiewaarde is hier namelijk erg goed, waardoor er geen problemen zijn te verwachten.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 in werking getreden is. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2024 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’ heeft de locatie de dubbelbestemming ’Waarde – Archeologie 3’ gekregen.
De voor 'Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde; danwel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. In geval van bouwwerken of werkzaamheden met een verstoringsoppervlakte van 500 m² of meer en een diepteverstoring van 40 centimeter of meer, geldt een archeologische onderzoeksplicht. Aangezien het totale verstoringsoppervlak van het onderhavige planvoornemen groter is dan 500 m², is een archeologisch onderzoek uitgevoerd15. Hieronder wordt volstaan met een beknopte weergave van de rapportage, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Onderzoek Archeologische resten kunnen in principe binnen het gehele plangebied verwacht worden. Gezien de waarnemingen rondom het plangebied kunnen met name resten uit de steentijd en de Romeinse tijd worden verwacht. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente EchtSusteren heeft het plangebied een grotendeels middelhoge verwachtingswaarde gekregen. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase, geadviseerd.
Met dit booronderzoek kan de bodemopbouw 15
Antea Group Archeologie, Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Vlaskuilseweg te Maria Hoop (gemeente Echt – Susteren, Projectnummer 41036, d.d. 6 oktober 2016
Hoofdstuk 4
47
en kunnen eventuele verstoringen in kaart worden gebracht. Gezien de grote van het plangebied (4300m2) worden zes boringen geadviseerd tot in ieder geval 0,3 m in de onverstoorde C-horizont of tot maximaal 2 m – mv. De boringen worden uitgevoerd met Edelmanboor met een diameter van 7/10 cm. Boorkernen worden visueel geïnspecteerd op eventueel aanwezig vondstmateriaal. Conclusie De projectlocatie is deels bebouwd en daarnaast is het plangebied verdacht op ontplofbare oorlogsresten (zie paragraaf 4.12). Het vervolgonderzoek kan nog niet worden uitgevoerd en wordt uitgesteld tot uiterlijk de vergunningfase. Wel is reeds een Programma van Eisen16 opgesteld welke aan het bevoegd gezag zal worden voorgelegd. Om de archeologische waarden de borgen is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming ’Waarde – Archeologie 3’ gehandhaafd. 4.11.2 Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen monumenten of overige cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. Daarnaast is het plangebied op basis van het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' niet voorzien van een aanduiding, waardoor redelijkerwijs kan worden aangenomen dat in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen.
Conclusie Door de realisatie van de wooneenheden zal de huidige bebouwing worden gesloopt. De huidige bebouwing is echter in dermate slechte staat dat dit geen toegevoegde waarde meer heeft aan het cultuurlandschap. Onderhavig voornemen vormt derhalve geen belemmering voor de cultuurhistorie.
4.12 Ontplofbare oorlogsresten De in de Nederlandse bodem aanwezige Ontplofbare Oorlogsresten (OO) – voorheen Conventionele Explosieven (CE) - uit de Tweede Wereldoorlog vormen al jaren een wezenlijk probleem voor onze samenleving. Om risico’s en stagnaties bij grondroerende werkzaamheden te voorkomen is een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten noodzakelijk. Het doel van het onderzoek is het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten zodat, binnen het kader van zowel de Arboveiligheid als de Openbare Orde en Veiligheid, grondroerende activiteiten door derden veilig kunnen worden uitgevoerd. Omdat uit eerder onderzoek op en rondom de planlocatie is gebleken dat het gebied verdacht is op Ontplofbare Oorlogsresten is een vooronderzoek uitgevoerd. 17 Het vooronderzoek inclusief een tweetal bijlagen (Bodembelastingkaart en Gebeurtenissenkaart) zijn toegevoegd als bijlagen. Hieronder is een korte samenvatting van het onderzoek opgenomen.
16
17
Econsultancy. Programma van Eisen Proefsleuvenonderzoek Vlaskuilseweg te Maria Hoop, in de gemeente Echt-Susteren, kenmerk 19356.005, d.d. 19 december 2023 BeoBOM, Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten Woningbouw Vlaskuilseweg Maria Hoop, kenmerk BB22-148-VO-01, d.d. 11 oktober 2022
Hoofdstuk 4
48
Onderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd conform het vrijwillig Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten. Voorliggend onderzoek is opgesteld conform de bij opdrachtverstrekking meest actuele versie van het vrijwillig CS-VROO (29 januari 2021). Daar het CS-VROO nog geen concrete richtlijnen kent met betrekking tot de afbakening van verdachte gebieden, is tevens gebruik gemaakt van de richtlijnen uit het tot 1 januari 2021 van kracht zijnde Werkveldspecifiek Certificatieschema Opsporing Conventionele Explosieven (WSCS-OCE, versie juli 2016). In de voor dit vooronderzoek geraadpleegde bronnen zijn feitelijke indicaties voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten binnen het projectgebied aangetroffen. Verdacht gebied geschutmunitie 75 mm t/m 5.5 inch (geallieerd), verschoten Op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal is gebleken dat binnen het zuidelijke gedeelte van het projectgebied sprake is van de mogelijke aanwezigheid van geschutmunitie met een maximaal kaliber van 5.5 inch, verschoten, als gevolg van verschillende artilleriebeschietingen tijdens operatie Blackcock. Genoemde ontplofbare oorlogsresten kunnen worden aangetroffen tot een diepte van maximaal 1,80m-MV (minimaal 0,80m-MV), oftewel 38,00m+NAP.
Advies: Voorafgaande aan het uitvoeren van de geplande werkzaamheden in verdacht gebied, adviseert BeoBOM over te gaan tot de uitvoering van een opsporingsproces zoals beschreven in het CS-OOO. Tenslotte adviseert BeoBOM ten zeerste om voorliggend rapport te overleggen aan de gemeente(n) waarbinnen het projectgebied is gelegen en waarop het vooronderzoek betrekking heeft. N.B.: op het kaartmateriaal in- en behorende bij deze rapportage worden mogelijk verdachte gebieden, indicaties en gebeurtenissen buiten het projectgebied getoond, welke niet direct van invloed zijn op het projectgebied maar die wel zijn geconstateerd. Omwille van de volledigheid worden deze tevens weergegeven. Buiten de contouren van het projectgebied, zoals getoond, kan niet worden gewerkt zonder aanvullend onderzoek.
4.13 M.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” In het voorliggende geval is sprake van een netto toename van 14 wooneenheden. Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied.