CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan BP Egmondhof Koningsbosch

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan "Egmondhof Koningsbosch"25.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

figuur 5.1: ligging plangebied ten opzichte van basisschool, gymzaal en sportveldje Autobedrijf - Prinsenbaan 155 Aan Prinsenbaan 155 is een autobedrijf gesitueerd. Voor autobedrijven, waarbij naast verkoop ook reparaties worden uitgevoerd, geldt de milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 37 meter van de bedrijfsbestemming. Aan de richtafstand kan worden voldaan. Detailhandel voorzover n.e.g. - Kerkstraat 156 Aan Kerkstraat 156 is een ijssalon gevestigd. Voor dit type detailhandel geldt de milieucategorie 1 en een richtafstand van 10 meter. Gezien het feit dat de afstand tussen het plangebied en de detailhandelsbestemming 40 meter bedraagt kan aan de richtafstand worden voldaan.

36/122

Voor het overige zijn er geen niet-woonfuncties in de omgeving gelegen met een ruimtelijke impact. Gelet op het voorgaande en met inachtneming van voornoemde voorwaardelijke verplichting kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Enerzijds is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Anderzijds worden niet-woonfuncties niet in de bedrijfsvoering belemmerd.

5.2

Geluid

5.2.1 Algemeen Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. 5.2.2 Wegverkeerslawaai Vanwege het feit dat het plan gelegen is binnen de geluidzone van wegen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestisch onderzoek (met kenmerk 20220010.02) is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de resultaten en conclusies uit het onderzoek. De geluidbelasting op 18 van de 20 woningen bedraagt maximaal 57 dB. Dit betekent dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar dat de maximale ontheffingswaarde niet worden overschreden. Voor deze woningen moet hogere grenswaarden worden verleend. Dit kan echter alleen indien bron- of overdrachtsmaatregelen niet doelmatig zijn. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Derhalve wordt verzocht hogere grenswaarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook de cumulatieve geluidbelasting bepaald.

Hieruit is gebleken dat voor de woningen aan de Prinsenbaan mogelijk nader onderzoek nodig is ter bepaling van de karakteristieke geluidwering van de gevel. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt namelijk 62 dB. Om een vereist binnenniveau van 33 dB te behalen is meer nodig dan de minimale 20 dB geluidwering conform het Bouwbesluit. 5.2.3 Railverkeerslawaai Voor spoorweglawaai is het plan niet gelegen binnen de geluidzone van een spoorlijn. 5.2.4 Industrielawaai Het plangebied ligt niet in een zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. 5.2.5 Conclusie De aspecten wegverkeer-, industrie-, en spoorweglawaai vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen, al is het voor wegverkeerslawaai een besluit hogere grenswaarde noodzakelijk.

37/122

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:  een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;  ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven;  een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht;  een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

5.3.2 Niet in betekenende mate (NIBM) In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:  aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM;  op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen).

Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBM-project en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

38/122

5.3.3 Goede ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

5.3.4 Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 20 wooneenheden. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht. Een overschrijding van de grenswaarden door het onderhavige project is dan ook niet aan de orde en op basis van artikel 5.16 lid 1 aanhef en onder c Wm kan het bestemmingsplan zonder nader onderzoek doorgang vinden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat westen en ten oosten van het plangebied (Prinsenbaan) zowel in de huidige situatie als voor de jaren 2020 en 3030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.

De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

5.4

Bodem

5.4.1 Algemeen In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een (historische) bodemonderzoek plaats te vinden. Met dit vooronderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie. Om te bepalen of er op de locatie sprake is van bodemverontreiniging is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De rapportage (kenmerk 2112/076/KB-01) van dit onderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies van dit bodemonderzoek.

39/122

5.4.2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bodemonderzoek Zintuiglijk zijn plaatselijk in de bovengrond bijmengingen aangetroffen met puin, asfalt en kolengruis. Verder is op twee plaatsen een puinverharding aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de puinhoudende bovengrond licht verontreinigd is met kobalt, koper, cadmium, lood, zink, PAK en minerale olie. Plaatselijk is de toplaag met kolengruis bijmengingen matig verontreinigd met minerale olie en licht verontreinigd met PAK. Voor de volledigheid zijn rondom boring 16 drie aanvullende boringen geplaatst om vast te stellen of de bijmengingen over een groter oppervlakte aanwezig zijn. Dit is niet het geval. Omdat de tussenwaarde geen formele status heeft is verder geen nader onderzoek uitgevoerd. Met eventuele graafwerkzaamheden ter plaatse dient er rekening mee gehouden te worden dat de grond elders niet toepasbaar is. Verder is de zintuiglijk schone bovengrond plaatselijk licht verontreinigd met cadmium en zink. De zintuiglijk schone ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. Nader onderzoek hiernaar wordt niet noodzakelijk geacht. PFAS De concentratie aan PFAS van de gehele locatie is niet verhoogd ten opzichte van de risicogrenswaarden.

Op basis van een indicatieve toetsing aan het tijdelijke handelingskader blijkt dat de bovengrond voldoet aan de landelijke toepassingsnormen voor functieklasse “landbouw/natuur”. Asbestonderzoek Zintuiglijk is op het maaiveld van de drie deellocaties geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Deellocatie A: westelijke puinverharding In het puin is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat het puin niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Deellocatie B: puinhoudende grond In de grond is zintuiglijk asbestverdacht materiaal waargenomen. Het materiaal betreft plaatmateriaal en bevat 1015% hechtgebonden chrysotiel en 2-5% crocidoliet. In de grond is een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 40 mg/kg d.s. Het aangetoonde asbest betreft hechtgebonden chrysotiel. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Deellocatie C: oostelijke puinverharding In het puin is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat het puin niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie en aanbevelingen De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor de voorgenomen aankoop van de onderzoekslocatie, de voorgenomen bestemmingswijziging en in een later stadium de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen.

40/122

Indien grond of puin wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze materialen elders niet zonder meer toepasbaar zijn. Met betrekking tot het elders hergebruiken van deze materialen zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.

5.4.3 Niet-gesprongen explosieven In de Tweede Wereldoorlog hebben in Koningsbosch oorlogshandelingen plaatsgevonden. Hierdoor mag de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven of delen daarvan niet worden uitgesloten. Om inzicht te verkrijgen in de mogelijke risico's is onder andere in dit plangebied in 2012 een risicoanalyse uitgevoerd met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen conventionele explosieven. Het advies uit de risicoanalyse is om voorafgaand daar waar graafwerkzaamheden plaatsvinden een onderzoek te laten doen op niet-gesprongen conventionele explosieven. Dit kan worden gedaan door het toepassen van een oppervlakte detectie, waarbij gemeten verstoringen worden verwijderd door OCE personeel. Omdat in dit geval in grote delen van het plangebied reeds verstoringen hebben plaatsgevonden, zoals door toedoen van de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek, wordt verwacht dat er geen explosieven meer aanwezig zijn in het plangebied. Voorafgaand aan de eerste graafwerkzaamheden wordt geadviseerd een detectie uit te voeren. Dit advies wordt meegenomen in de verdere planuitwerking. Het aspect niet-gesprongen explosieven staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

5.5

Externe veiligheid

5.5.1 Algemeen Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied.

5.5.2 Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van toepassing. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

41/122

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht.

5.5.3 Beoordeling plan Op basis van de Signaleringskaart is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden. Daarbij is bekeken of er in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, of er wellicht transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) in de nabijheid gelegen zijn en of dat het plangebied gelegen is binnen een zone waarbinnen het risico op een luchtvaartongeval verhoogd is. Hieruit is gebleken dat er geen gevaarlijke transporten of inrichtingen - waarvoor maatregelen benodigd zijn aanwezig zijn . Het plaatsgebonden risico van een tweetal inrichtingen is niet van invloed op het plangebied, daar de contour niet verder reikt dat de inrichtingen zelf. Dit geldt ook voor de hoogspanningslijn en de magneetveldzone ten oosten van het plangebied. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

figuur 5.2: uitsnede signaleringskaart (plangebied rood omlijnd)

42/122

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Exploitatieplan Er is in dit geval sprake van een 'bouwplan' als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Daardoor is tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. De realisering van onderhavige ontwikkeling en de daarmee samenhangende kosten zijn geheel voor risico van de initiatiefnemer, overeenkomstig de anterieure overeenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer is gesloten.

6.1.2 Planschade Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. De verwachting is dat er geen sprake zal zijn van planschade. Mocht dit onverhoopt wel aan de orde zijn dan komen de kosten voor rekening van de initiatiefnemer, ingevolge de bepalingen in de anterieure overeenkomst.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Op 28 september 2022 heeft een informatieavond plaatsgevonden voor omwonenden en andere geïnteresseerden. Tijdens deze inloopavond zijn de plannen gepresenteerd en was er de gelegenheid tot het stellen van vragen. De plannen zijn over het algemeen positief ontvangen en van de inloop is veel gebruik gemaakt. Aanvullend hebben 'keukentafelgesprekken' plaatsgevonden met direct omwonenden. Ook is een enquête gehouden. Dit alles is in een participatieverslag toegelicht dat als Bijlage 10 bij dit bestemmingsplan gevoegd.

figuur 6.1: posters t.b.v. inloopavond d.d. 28 september 2022

43/122

Uitgebreide voorbereidingsprocedure Gelet op (de resultaten van) de Omgevingsdialoog wordt geen (facultatieve) inspraakprocedure gevolgd. Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan iedereen zienswijzen op het plan kenbaar te maken. Indien nodig wordt het plan als gevolg van deze zienswijzen aangepast, waarna het bestemmingsplan ter vaststelling wordt aangeboden aan de gemeenteraad. De zienswijzennota is als Bijlage 11 bij dit bestemmingsplan gevoegd.

44/122

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planbeschrijving

Onderdelen bestemmingsplan

Het bestemmingsplan 'Egmondhof Koningsbosch' is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan 'Egmondhof Koningsbosch'.

7.2

Toelichting op de verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond (BGT) getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

7.3

Toelichting op de regels

Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Bij de totstandkoming van de bestemmingsregels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied' en 'Facetbestemmingsplan Deregulering'. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Groen Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het Koningsplein, op de locatie waar conform het vigerend bestemmingsplan de bouw van 6 woningen is toegestaan. Door het toekennen van de bestemming Groen (zonder bouwvlak) is de voornoemde bouw niet meer juridisch-planologisch mogelijk. Verder is deze bestemming ook opgenomen ter plaatse van de wadi (groenvoorziening) in het oostelijk plangebied.

45/122

Maatschappelijk Een klein gedeelte van het plangebied is ondergebracht in de bestemming Maatschappelijk (zonder bouwvlak). Dit betreft een reparatie van een omissie in het geldend bestemmingsplan 'Stedelijk gebied': een klein gedeelte van het kadastrale perceel van de sporthal en de basisschool heeft daarin abusievelijk de bestemming Wonen gekregen. Verkeer De bestemming Verkeer is opgenomen voor de nieuwe straten bij de woningen en bijbehorende trottoirs en parkeervoorzieningen. Wonen De maximaal 20 te realiseren woningen zijn ondergebracht in de bestemming Wonen. Aansluiting is gezocht bij het handboek van de gemeente Echt-Susteren. Dit betekent dat de regels aansluiten bij de regelingen zoals die ook binnen de andere plangebieden van de gemeente van toepassing zijn. De levensloopbestendige woningen hebben een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 9 meter. Voor de gezinswoningen betreft dit 6 en 10 meter. Waarde - Archeologie 3 en 5 De archeologische verwachtingswaarden zijn met een dubbelbestemming juridisch-planologisch verankerd. Daarbij is de geldende bestemming overgenomen, zoals toegelicht in paragraaf 4.2.1. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied.

Het betreft de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.

46/122

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Programma van eisen archeologisch onderzoek

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -yersíe-210220-DEF

l[']i (,r,,'ri ,:l irj tti,r riiiL MitltÍtl jl,iiil;,r.';tilt Locatie

Prinsenbaan I 44 -l 46, Koningsbosch

Projectnaam

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144 - 146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren

Plaats binnen archeologisch proces a

Protocol Naam, adres, telefoon, e-mail

Opsteller

datum

pamaf

w

Auteur (KNA-archeoloog)

Mewouw J. Melis, SOB Research Postbus 5060,3274 ZK Heinenoord Tel.: 0186 - 604432/ 06-53151221 E-mail : j.melis@sobresearch.nl

Interne controle en autorisatie (Senior KNA-Archeoloog)

De heer J. E. van den Bosch, SOB Research Postbus 5060,3274 ZK Heinenoord Tel.: 0186 - 6044321 0575 -476439 E-mail: j.e.vandenbosch@sobresearch.nl

30-092022

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

datum

paraaf

datum

paraaf

Opdrachtgever

t9-022021

@

VanWijnen

Postbus 23 14, 5202 CH's-Hertogenbosch Proj ectontwikkeling Zuid, B.Y . Contactpersoon: de heer D. Penders

Tel.: 073 - 6899170 E-mail: d.penders@vanWijnen.nl

Goedkeuring bevoegde overheid Naam, adres, telefoon, e-mail a

College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Echt-Susteren

Contactpersoon: mewouw M. P. A. P. Stokbroelo<

Nieuwe Markt 55, 6101 CV Echt

Tel.: 0475 -255196 E-mail:

marielle. stokbroekx@servicecentrum-mer.nl a

Archeologisch adviseur

ArchAeO

van de bevoegde overheid

Rapelenburglaan 9, 5654 AP Eindhoven Contactpersoon: de heer F. P. Kortlang 040 -2519270 E-mail : advies@archaeo.nl

Tel.:

Kennis gevin g Depothouder/ Deponering a

Depothouder: het College van Gedeputeerde Staten

van de

Provincie

Limburg Deponering vondstrnateriaal :

Naam, adres, telefoon, e-mail De heer S. J. J. Kusters Tel.: 043 -3897049 Mob.: 06 - 52720731

E-mail: sjj.kusters@prvlimburg.nl

Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburg Raadhuisplein 20, 6411 HK Heerlen Depotbeheerder: de heer S. J. J. Kusters 043 -3897049 Mob.: 06 - 52720731 E-mail: sjj. kusters@prvlimburg. nl https ://www. archeodepot.nl

Tel.:

Deponering documentatie:

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Versie-210220-DEF

INTIOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK 1 Administratieve gegevens onderzoeksgebied

5

HOOFDSTUK 2 Aanleiding en motivering van het onderzoek

5

2.1 Aanleiding en motivering

5

HOOFDSTUK 3 Eerder uitgevoerd onderzoek

6

HOOFDSTUK 4 Archeologische verwachting

6

4. I Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke

4.2 Aarden ouderdom van de vindplaats(en)

context

6 6

4.3 Begenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) 4.4 Structuren en sporen 4.5 Anorganische artefacten 4.6 Organische artefacten 4.7 Archeozoólogische en botanische resten 4.8 Motivatie van de archeologische verwachtingen 4.9 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen 4.10 Gaafheid en conservering

8

HOOFDSTUK 5 Doelstelling en vraagstelling

9

5.1 Doelstelling 5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders 5.3 Vraagstelling 5.4 Onderzoeksvragen

9 9

HOOFDSTUK 6 Methoden en technieken

10

6.1 Strategie 6.2 Methoden en technieken 6.3 Omgang met kwetsbare vondsten en monsters

l0

8 8 8 8 8

8

9

9 9

10

ll 11 ll 11 ll

6.4 Structuren en grondsporen

6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek 6.6 Anorganische artefacten 6.7 Organische artefacten 6.8 Archeozoólogische en -botanische resten 6.9 Overige resten

t2 12

6.11 Beperkingen

t2 t2

HOOFDSTUK 7 Uitwerking en conservering

t2

6. 1 0 Dateringtechnieken

t2

7.1 Evaluatiefase 7.2 Wetenschappelijke uitwerking - algemeen 7.3 Structuren, grondsporen, vondstspreidingen 7.4 Analyse aardwetenschappelijke gegevens 7.5 Anorganische artefacten 7.6 Organische artefacten 7.7 Archeozoólogische en -botanische resten 7.8 Beeldrapportage

12 13 13

13

l3 13

13 2

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-susteren -Versie-210220-DEF

HOOFDSTIJK 8 @e)selectie en conservering

t4

8.1 Selectie materiaal voor uitwerking 8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering 8.3 Selectie materiaal voor conservering

l4 t4 t4

HOOFDSTUK 9 Deponering

t4

9. 1 Eisen betreffende depot

t4

9.2Te leveren product

l4

HOOFDSTUK 10 Randvoorwaarden en aanvullende eisen

15

I 0. I Personele randvoorwaarden 10.2 Overlegmomenten 10.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie 10.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen

l5 l5 l5 l5

HOOFDSTUK 11 Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE

15

I 1.1 Wijzigingen tijdens het veldonderzoek

wijzigingen I 1.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldonderzoek 11.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering

l5 l5 t6 l6

Literatuur en bijlagen

t6

Literatuur Bijlagen

t6 t6

Bijlage l Kaarten

t7

Bijlage 2 Overzicht te raadplegen specialisten/ specialismen

23

1 1.2 Belangdjke

J

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Yersíe-210220-DEF

HOOFDSTUK 1 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED Projectnaam

Archeologische Opgraving Prinsenbaan I 44 -l 46, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren

Provincie

Limburg

Gemeente Plaats

Gemeente Echt-Susteren Koningsbosch Prinsenbaan 144 - 146

Toponiem Kaartblad nr. Kadastrale gegevens: Coórdinaten Plangebied

608 Kadastrale Gemeente Echt, Sectie P, nr. 350, 610,725 en 817

tlm820. Zuid:

194.9s31340.213 194.8671340.275

West: Oost:

CMA/ AMK-status Waarneming nr Vondstmelding m Onderzoeksmelding nr. Archeologisch Bureauonderzoek: Onderzoeksmeldine nr. IVO-P: Onderzoeksmeldine nr. AO: Oooervlakte planeebied Oppervlakte onderzoeks gebied

t94.9671340.242

Noord: N.v.t.

r94.90s1340.331

425.029, gerelateerd aan Zaakidentifi catie nr. : 2 1 5 I 5 65 I 00 404.967 . eerelateerd aan ZaaKdentifi catie nr. : 2 I 5 I 5 65 I 00

214777st00 2151565100 In te vullen na artikel 5.6-melding Circa 0.53 hectare Zone A:350 m2

ZoneB:400 m2 Bodemopbouw

(lóss) Afzettingen van de Formatie van Boxtel. Laapakket van

Grondwatertrap Maaiveldhooete

Bebouwing/ VIII Circa64.5 - 65.7 meter +NAP

Huidie srondgebruik

Bestratine en prasland. Bebouwins. bestratine en tuinen.

Schimmert.

Toekomstige situatie

HOOFDSTUK 2 AAIILEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK 2.1 Aanleiding en motivering

Het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging en vergunningprocedure (omgevingsvergunning) voor de realisatie van nieuwe woningen, riolering, bestrating en tuinen ter plaatse van Plangebied Prinsenbaan 144 - 146 te Koningsbosch (Gemeente Echt-Susteren). De

oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 0.53 hectare (zie Bijlage 1, Afbeelding l, 2 en 3). De oppervlakte van het primaire onderzoeksgebied (Zone A) bedraagt circa 350 m2. De oppervlakte van het secundaire onderzoeksgebied (Zone B) bedraagt circa 400 m2 (zie Bijlage 1, Afbeelding 4).

De belangrijkste te voorziene bodemverstoringen betreffen de graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de bouwputten voor de nieuwe woningen, de aanleg van riolering en bestrating. Het is nog onbekend tot op welke diepte de bodem zal worden verstoord.r De nieuwe woningen worden waarschijnlijk op staal gefundeerd en zullen niet worden onderkelderd.

' Schrifteli.lke mededeling L. Corsten, l7 februarí 2021 4

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Versie-210220-DEF

Op de kaart van het vigerende bestemmingsplan 'stedelijk gebied' 2 wordt ter plaatse van het zuidelijke deel va! het plangebied een zone weergegeven met een archeologische dubbelbestemming (Waarde - Archeologie

5).3 Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 34 van de bestémmingsplanregels een onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van een bestemmingsplanwijziging of de aanvraagvan een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een diepte van meer dan 0.4 meter beneden het maaiveld en een oppervlakte van meer dan 30 m'z.

Deze dubbelbestemming is gebaseerd op het eerder door SOB Research uitgevoerde archeologisch onderzoek. Op basis van het in2007 Archeologisch Bureauonderzoek is in eerste instantie geconcludeerd dat nieuwbouwwerkzaamheden ter plaatse van het plangebied zouden kunnen leiden tot de aantasting van archeologische resten.a Vanwege de aard van de mogelijk aanwezige archeologische resten werd een booronderzoek (IVO-Overig) niet zinvol geacht. Er is dan ook een vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een lnventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). Ook dit onderzoek is in 2007 uitgevoerd door SOB Research.' Op basis van het proefsleuvenonderzoek is geconcludeerd dat er ter plaatse van het grootste deel van het plangebied geen relevante archeologische resten kunnen worden verwacht. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied werden direct onder de bouwvoor archeologische sporen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met een nederzettingsterrein uit de Vroege- enlof Midden IJzertijd. Er werden geen sporen aangetroffen die behoorden tot een huisplattegrond en er is geconcludeerd dat de kern van het nederzettingsterrein hoogstwaarschijnlijk ten zuiden van het plangebied was gelegen. Er is geadviseerd om ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een Archeologische Opgraving te doen uitvoeren.

Dit advies betrof in eerste instantie Zone A, met een mogelijke uitbreiding naar Zone B (zie Bijlage 1, Afbeelding 4). Dit advies is overgenomen door de Gemeente Echt-Susteren. Het onderzoeksgebied van de Archeologische Opgraving bedraagt derhalve circa 350 rrf lZone A), met een eventuele uitbreiding van circa 400 m2 (Zone B).

De in dit PvE uitgewerkte onderzoekssfrategie is in overeenstemming met de uitgangspunten van het landelijke (Erfgoedwet en KNA 4.1) en gemeentelijke archeologiebeleid. In dit PvE zijn de eisen en randvoorwaarden vastgelegd, die door de Gemeente Echt-Susteren zijn verbonden aan de uitvoering van de Archeologische Opgraving.

HOOFDSTUK 3 EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK Soort onderzoek Uitvoerder Uitvoeringsperiode

Archeologisch Bureauonderzoek

Rapportage

Ras, J. en L. R. van Wilgen: Archeologisch Bureauonderzoek Woningen Koningsbosch, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren; SOB Research,

Documentatie

Archief SOB Research'/ Archis

Soort onderzoek Uitvoerder Uitvoerinssperiode

Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven SOB Research 2007

Rapportage

Wattenberghe, J. E. M.: Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven Woningen Koningsbosch, Koningsbosch, Gemeente Echt-

Documentatie

Archief SOB Research/ Archis

SOB Research 2007

Heinenoord: 2007

Susteren; SOB Research, Heinenoord: 2007

2

Dit bestemmingsplan is door de Gemeente Echt-Susteren vastgesteld op 26 mei2016. en de daarbij behorende bestemmingsplanregels zijn gebaseerd op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor Gemeente Echt-Susteren, Kaartbijlage Il-4 wÍurop ter plaatse van het

3 Deze dubbelbestemming

plangebied en de omgeving daarvan een nederzetting wordt weergegeven uit de IJzertijd; zie Verhoeven, et al., 2010. 4 Ras en Van Wilgen, 2007 5 Wattenbergh e, 2007 5

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Versie-210220-DEF

HOOFDSTUK 4 ARCHEOLOGISCHE VER\ilACHTING 4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context6

Zuid-Limburg en het ten zuiden daarvan gelegen Ardenne-gebied liggen sinds het Laat Mioceen (de afgelopen 6 miljoen jaar) ter plaatse van een gebied dat door tektonische stuwing in de aardkorst steeds hoger is komen te liggen. De grens met het ten noorden daarvan gelegen dalingsgebied ligt ter plaatse van de westelijke breukzone van de Centrale Slenk. De verschuiving van de loop van de Maas vanuit een oorspronkelijk zuidwest - noordoost georiënteerde loop, naar een ongeveeÍ zuid - noord georiënteerde stroomrichting en de meestal vlakke ligging en soms zelfs zwakke helling van de terrasbases tegen de stroomrichting zyn daarvan het gevolg geweest. Daarnaast leidde dit er ook toe dat het stroomdal van de Maas zich steeds dieper insneed in het omringende landschap. Zodoende zijn eerst de hoogterassen, vervolgens de middenterrassen en ten slotte de laagterassen van de Maas ontstaan.

Tijdens de laatste twee ijstijden, het Saalien en het V/eichselien, werd wijwel geheel Zuid-Limburg bedekt met lóss (Afzettingen van de formatie van Boxtel, Laapakket van Schimmert). Deze lóssdeken met een dikte van enkele decimeters tot meer dan 15 meter deed het relief van het landschap vervlakken. De lóss is voomamelijk afgezer in de koudste perioden van de glacialen, gedurende perioden met een beworen bodem (permafrost) en maar weinig begroeiing. Uit molluskenfauna 's afkomstig uit de lóss kan worden afgeleid dat er gedurende de glacialen niet altijd sprake was van een permanent bevroren bodem. Gedurende de interstadialen en interglacialen heeft in de lóss bodemvorming plaatsgevonden, waardoor een lóssstratigrafie is ontstaan met een bovenste, middelste en onderste lóss. Later erodeerde lóss van de hellingen en de plateaus en werd in de dalen weer afgezet (colluvium).

Het plangebied is gelegen ter plaatse van een door lóss afgedekt hoogterras. Op en in de top van de lóssafzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit de periode van het Midden Paleolithicum t/m de Nieuwe Tijd. Op en in de top van de onder de lóss aanwezige en in het Vroeg- en Midden Pleistoceen afgezette rivierafzettingen met matig grof en grindig zand (Afzettingen van de Formatie van Sterksel), kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit het Midden Paleolithicum.

Het plangebied is gelegen ten noorden van de Prinsenbaan, in de bebouwde kom van Koningsbosch. De bodemopbouw ter plaatse van het plangebied bestaat uit eolische lóssafzettingen van de Formatie van Boxtel, die zijn afgezet op fluviatiele Pleistocene rivierafzettingen, bestaande uit matig grof en gnndig zand. Er is sprake geweest van uitspoeling van lutum, waardoor er een A2-horizont tot ontwikkeling is gekomen. De uitgespoelde lutum is neergeslagen en heeft een Bt-horizont gevormd. Het lintvormige dorp Koningsbosch ontstond in de tweede helft van de 19d" eeuw langs de hier aangelegde weg (de Prinsenbaan). Het is mogelijk dat daar in de Romeinse tijd ook al een weg heeft gelegen, maar dat is

niet zeker. ln de omgeving van het plangebied zijn tot nu toe voornamelijk archeologische resten aangetroffen uit de periode van de lJzertijd ím de Nieuwe Tijd. 4.2 Awd en ouderdom van de vindplaats(en)

Op basis van het ter plaatse van het plangebied uitgevoerde proefsleuvenonderzoek (IVO-P) is geconcludeerd dat ter plaatse van het grootste deel van het plangebied geen relevante archeologische waarden aanwezig zijn. Ter plaatse van het zuidelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied zijn echter archeologische resten aangetroffen die kunnen worden gerelateerd aan een nederzettingsterrein uit de Vroege- tot Midden IJzertijd. Tijdens het in 2007 door SOB Research uitgevoerde proefsleuvenonderzoek zijn ín eerste instantie tien proefsleuven aangelegd. Omdat er relevante archeologische sporen werden aangetroffen is het aantal proefsleuven uitgèbreid tot zestien proefsleuven, met een gezamenlijke oppervlakte van circa 600 m2. In Proefsleuf nr . 4, 6, 11 en 16 werden relevante archeologische sporen aangetroffen (zie Bijlage I , Afbeelding 5). Dit betrof archeologische sporen en vondsten uit de Vroege- en Midden IJzertijd, die werden aangetroffen in Proefsleuf nr.4,6 en 16. 6

Wattenberghe,200T 6

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-susteren -Versie-210220-DEF

Het betrof een paalkuil, diverse afvalkuilen en andere sporen die direct kunnen worden gerelateerd aan een nederzettingsterrein. De resten van huisplattegronden enlofleeflagen werden echter niet aangetroffen. De archeologische resten uit de Vroege- en Midden lJzertijd zijn alleen aangetroffen ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied. De losse aardewerkvondsten namen ook sterk in aantal toe in de richting van de zuidelijke en zuidwestelijke begrenzing van het plangebied. Hier lijkt ook een verband aanwezig te

zijn met de topografie van het plangebied. De vondstdichtheid nam namelijk evenredig toe met de maaiveldhoogfe. Zo ligt het maaiveld ter plaatse van het noordelijke deel van het plangebied,waar weinig tot geen aardewerk uit de lJzertijd werd aangetroffen op een hoogte van circa 64.5 meter +NAP, terwijl het

maaiveld ter plaatse van het zuidwestelijke deel van het plangebied, waar sprake was van een hoge vondstdichtheid, ongeveer een meter hoger ligt.

De exacte omvang en horizontale begrenzing van de vindplaats uit de Vroege- tot Midden IJzertijd kon binnen het kader van het proefsleuvenonderzoek niet worden vastgesteld. Dit komt doordat de kern van het nederzettingsterrein hoogstwaarschijnlijk ten zuiden van het plangebied is gelegen. Op basis van de aangetroffen sporen wordt de vindplaats binnen het onderzoeksgebied in het westen begrensd door Proefsleuf 5, in het noorden door Proefsleuf 12 en in het oosten door Proefsleuf 4. Hoewel het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied, ter hoogte van Proefsleuf 9, het maaiveld het hoogst ligt, werden, behalve aardewerk, geen sporen uit de IJzertijd aangetroffen. Vermoedelijk heeft het nederzettingsterrein zich hier niet verder uitgestrekt, al dient wel te worden vermeld dat mogelijk aanwezig geweeste sporen hier door subrecente graafurerkzaamheden zouden kunnen zijn verstoord. Cultuur- enlof leeflagen werden niet vastgesteld. Deze zijn, net zoals de bovenzijde van de archeologische sporen, opgenomen in de bouwvoor. De aanwezigheid van een (restant) van de oude A2-horizont, geeft aan dat de bodem redelijk intact is gebleven. Hoewel duidelijk aanwezig, is de A2-horizont niet zo sterk ontwikkeld dat sporen compleet verbruind en niet meer waarneembaar waren.

De grotere kuilen werden reeds waargenomen in de A2horizont, terwijl kleinere, iets vagere sporen, pas duidelijk herkenbaar waren in de onderliggende Bthorizont. Gezien de bewaard gebleven diepte van de archeologische sporen (paalkuil Spoor nr. 6002: 0.3 meter, afvalkuil Spoor nr. 6003: 0.7 meter) en de beperkte mate van verstoring kan de gaafheid van de sporen worden aangemerkt als redelijk tot goed. Intacte structuren werden niet aangetroffen maar dit is, gezien de beperkÍe wijgelegde oppervlakte en het vermoeden dat de kern van de nederzetting ten zuiden van het plangebied heeft gelegen, geen goede graadmeter.

Het vondstenspectrum bestond voomamelijk uit keramiek uit de Vroege tot Midden IJzertijd. Het betreft grote vormen en lage kommetjes met rechte tot licht, naar buiten wijkende randen. De potten zijn besmeten tot hoogte van de schouder, de randen zijn vaak geglad. Het merendeel van het aardewerk heeft een magering met kwarts en chamotte en is reducerend gebakken en licht oxiderend afgestookt. Versieringen zijn spaarzaam aangebracht en bestaan uit kamstreekversiering, vingertop- en spatelindrukken, die zowel op de schouder/ buik alsook op de rand zijn aangebracht. Een fragment was voorzien van een Kalenderbergversiering. Er werden tevens een spinklosje en twee versinterde fragmenten van (een) smeltLrroesje(s)

aangetroffen.

Er werd tevens een matig geconserveerd spijkertje uit de IJzertijd aangetroffen. De andere metaalvondsten dateerden allen uit de Nieuwe Tijd. Daarnaast werden in de afizalkuilen een aantal fragmenten gebroken natuursteen teruggevonden, waaronder kwarts en kwartsiet. De conserveringsomstandigheden van het anorganische vondstmateriaal kan als matig tot goed worden aangemerkt. Organische vondstcategorieën werden slechts in heel kleine hoeveelheden aangetroffen. Dit is vermoedelijk te wijten aan zeer slechte conserveringsomstandigheden. Er werden alleen enkele houtskoolbrokjes en minuscule stukjes verbrand bot aangetroffen. De fragmenten verbrand bot bleken echter te broos om te bemonsteren. Ecologisch materiaal werd niet aangetroffen. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de conserveringsomstandigheden voor het organische vondstmateriaal, niet ongebruikelijk voor dit type bodem, moeten worden aangemerkt als relatief slecht.

Behalve sporen van (de rand van) een nederzettingstenein werden indirecte aanwijzingen aangetroffen voor

productie van metaal en aardewerk. Het verbrande botmateriaal en de gebroken fragmenten natuursteen werden in de IJzertijd gebruikt om de klei waaruit potten werden vervaardigd te mageren. 7

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Versie-210220-DEF

Aanwijzingen voor metaalproductie betroffen de twee fragmenten van vermoedelijke smeltkroezen, met een volledig versinterde binnenzijde. 4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

De exacte omvang en horizontale begrenzing van de vindplaats uit de Vroege- tot Midden IJzertijd kon binnen het kader van het proefsleuvenonderzoek niet worden vastgesteld. De kem van het nederzettingsterrein uit de IJzertijd heeft waarschijnlijk ten zuiden van het plangebied gelegen. Op basis van de aangetroffen sporen kan worden geconcludeerd dat de begrenzing van de vindplaats binnen het plangebied vermoedelijk is gelegen ten oosten van Proefsleuf nr. 5, ten zuidwesten van Proefsleuf nr. 12 en ten westen van Proefsleuf nr. 4 (zie Bijlage l, Afbeelding 4 en 5). 4.4 Structuren en sporen

Er zijn archeologische sporen aangetroffen die kunnen worden gerelateerd aan een nederzettingsterrein uit de Vroege- tot Midden IJzertijd. Er kunnen nog andere archeologische structuren en sporen worden aangetroffen, zoals de (resten van) huisplattegronden, vloeren, haardplaatsen, afvalkuilen, verkavelingsstructuren en cultuurlagen. 4.5 Anorganische artefacten De te verwachten anorganische artefacten betreffen onder meer (fragmenten van) aardewerk, glas, metaal en natuwsteen. 4.ó Organische artefacten

Organische artefacten werden slechts in heel kleine hoeveelheden aangetroffen. Dit is vermoedelijk het gevolg van zeer slechte conserveringsomstandigheden. Alleen enkele houtskoolbrokjes waren bewaard gebleven. De conserveringsomstandiglreden voor organische vondstmateriaal zijn, niet geheel onverwacht voor dit type bodem, relatief laag. 4.7 Archeozoólogische en botanische resten

Bij het proefsleuvenonderzoek zijn alleen houtskoolbrokjes en minuscule stukjes verbrand bot aangetroffen. Dit is vermoedelijk het gevolg van zeer slechte conserveringsomstandigheden. De verwachting is dan ook dat er slechts fragmentarische resten van archeozoólogische en van (verbrande) botanische resten zullen worden aangetroffen. 4.8 Motivatie van de archeologische verwachtingen

Zie paragraaf 4.1 tJm4.3 en de conclusies in het rapport van het Archeologisch Bureauonderzoek en IVO-P.7 4.9 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

Het maaiveld ligt ter plaatse van het plangebied op een hoogte van circa 64.5 - 65.7 meter *NAP en loopt geleidelijk op in zuidelijke richting. Ter plaatse van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met graszoden (A0-horizont), op een ploegvoor (Ap-horizont), op lichtbruingrijze lóss-afzettingen van de Formatie van Boxtel (A2-horizont), op geelbruine tot roodbruine (lóss) Afzettingen van de Formatie van Boxtel (Bt-horizont), op oude rivierafzettingen (B-horizont). Archeologische resten uit de periode van de Prehistorie tot en met de Nieuwe Tijd, maar in ieder geval uit de Vroege- en Midden llzertijd, zijn aanwezig op en in de top van de Afzettingen van de Formatie van Boxtel vanaf een diepte van circa 0.3 meter beneden het maaiveld.

t Ras en Van Wilgen, 2007; Wattenb erghe, 2007 8

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Versie-210220-DEF

4.10 Gaafheid en conservering Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) is geconcludeerd dat de archeologische sporen relatief goed bewaard zijn gebleven. De bodemopbouw is intact en de invloed van postdepositionele processen is beperkt gebleven. Het oorspronkelijke loopniveau en daarmee ook de bovenkant van de sporen

werd opgenomen in de bouwvoor. Onder de bouwvoor zijn de sporen echter duidelijk waameembaar en onverstoord.

HOOFDSTUK 5 DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING

5.l Doelstelling Het doel van de Archeologische Opgraving (Protocol Opgraven) is het opgraven en ex situ veiligstellen van alle archeologische resten ter plaatse van het onderzoeksgebied. Dat betreft in ieder geval Zone A, met een mogelijke doorstart van een opgraving ter plaatse vanZoneB 5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders Ten behoeve van het onderzoek kunnen onderzoekswagen van de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) relevant ziin.8 Dit dient nader te worden geadresseerd bij de uitwerking en de iapportage van het onderzoek. 5.3 Vraagstelling

Van de ter plaatse van het plangebied aanwezige archeologische resten zal de locatie, de ouderdom, de aard en het belang moeten worden vastgesteld. Dit voor zover deze resten verloren dreigen te gaan als gevolg van de planrealisatie.

5.4 Onderzoeksvragen

Voor wat betreft de aangetroffen archeologische resten, dienen in ieder geval de volgende onderzoekswageni onderzoeksaspecten, in voldoende detail onderbouwd, nader te worden belicht:

1. De geologische/ bodemkundige context van de archeologische resten. 2. De horizontale c.q. verticale spreiding van de aanwezige archeologische sporen en vondsten. 3. De ouderdom, c.q. fasering van de aanwezige archeologische resten en sporen. 4. De aard en samenhang van de archeologische sporen en structuren. 5. De aanwezigheid van dateerbare cultuur- enlof leeflagen en de fasering daarvan. 6. De aard van de aanwezige archeologische resten (aanwijzingen voor de uitoefening van beroepen of ambachten, economische status, voedseleconomie, enz.).

7. De herkomstgebieden van de geimporteerde artefacten. 8. De gaafheid en de fysieke kwaliteit van de archeologische resten en de aanwezigheid van bodemverstoringen.

9. De conserveringstoestand van organisch- en paleo-ecologisch materiaal en van metaal en de mogelijkheid tot de uitvoering van relevant specialistisch onderzoek. 10. De relatie met eerder ontdekte archeologische vindplaatsen in de omgeving van het plangebied en de regio waarin het plangebied is gelegen. 1 l. Het belang van de aanwezige archeologische resten. 12. De noodzaak - of het ontbreken daarvan - tot aanvullend archeologisch onderzoek bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse van het plangebied of de directe omgeving daarvan.

t NOaA, 2.0;

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2016 9

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Versie-210220-DEF

HOOFDSTUK 6 METHODEN EN TECHNIEKEN 6.1 Strategie

De Archeologische Opgraving dient te worden uitgevoerd in overeenstemming met de KNA 4.1 (Protocol Opgraven) en met dit PvE. Daamaast dienen ook de in de KNA Leidraad Veldhandleiding Archeologie en de in de KNA Leidraad Eerste hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal vastgelegde uitgangspunten en richtlijnen te worden gevolgd. Door de voor het onderzoek verantwoordelijke archeoloog dient grondig kennis te worden genomen van dit PvE en van het rapport van het IVO-P.e In totaal dient in eerste instantie een oppervlakte van circa 350 m2 vlakdekkend te worden onderzocht (Zone A). Daarvan is bij het voorgaande onderzoek ter plaatse van de proefsleuven het vlak al gedocumenteerd en is een aantal sporen voor een kwaÍ gecoupeerd. De overige sporen zijn in sila behouden. Dit geldt voor de zone ter plaatse van Proefsleuf nr. 4, 6 en 16. Wanneer de archeologische resten ter plaatse van Zone A verder doorlopen in noordwestelijke of zuidoostelijke richting moet de oppervlakÍe van Archeologische Opgraving *oid"tr uitgebreid naar Zone B. De oppervlakte van Zone B bedraagt circa 400 m2. Deze zone dient dan tevens vlakdekkend te worden onderzocht. Wanneer de archeologische resten verder doorlopen,

buiten Zone B, dient het onderzoek te worden uitgebreid totdat er een zone wordt aangetroffen met een breedte van minimaal 3 meter waarbinnen geen archeologische sporen meer worden aangetroffen..

Ter plaatse van het onderzoeksgebied dienen alle archeologische resten volledig te worden gedocumenteerd en ex situ te worden veiliggesteld. Het eerste vlak dient te worden aangelegd op het eerste niveau waar archeologische sporen kunnen worden aangetroffen, direct onder de bouwvoor, in de top van de natuurlijke ondergrond. Wanneer er lokaal sprake is van meerdere sporenniveaus, dienen ook evenzoveel vlakken te worden aangelegd.

Er dient rekening te worden gehouden met vondstconcentraties enlof verploegde spoorvullingen (van bijvoorbeeld crematies of brandplaatsen) in de bovenliggende akkerlaag. Archeologische sporen uit de periode van na 1900 A.D. hoeven alleen op hoofdlijnen te worden gedocumenteerd en vondstmateriaal uit deze periode hoeft alleen steekproefsgewijs te worden geborgen. 6.2 Methoden en technieken

- De graafwerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een graafmachine met een gladde bak.

- Bij de aanleg van vlakken en het afwerken van sporen dient gebruik te worden gemaakt van een metaaldetector voor het opsporen van metaalvondsten. Tevens dient de uitgegraven grond met behulp van een metaaldetector te worden nagelopen. - Bij de aanleg van het vlak dient het vondstmatenaal per stratigrafische laag, per spoor of - indien het vlakvondsten betreft - in vakken met een adequate, uniforme omvang te worden verzameld. Gezien de breedte van de opgravingsputten dienen vakken van 5 x 5 meter te worden aangehouden. - In de opgravingsputten dienen de hoogtematen per sporenvlak te worden genomen in een grid van 5 x 5 meter. - Van sporen en coupes dienen de hoogtes van de boven- en onderkant te worden ingemeten. - De inhoud van graven en van andere vondstrijke sporen, waarvan mag worden aangenomen dat er sprake is van goede conserveringsomstandigheden, dienen te worden gezeefd op een zeef met een maaswijdte van 4 millimeter. Dit met het oog op het verzamelen van klein botmateriaal en kleine gebruiksvoorwerpen. - Archeologische resten uit de periode van uit de periode van na 1900 A.D. dienen alleen op hoofdlijnen te worden gedocumenteerd. - Van bijzondere vondsten (o.a. metaalvondsten) dienen de xyz-coórdinaten individueel te worden ingemeten en te worden vastgelegd.

- Wanneer er (mogelijke) vuursteenconcentraties worden aangetroffen (meer dan 3 artefacten per 2 m2 in primaire context) moeten de grenzen van de concentratie binnen de opgraving worden bepaald d.m.v. megaboringen in een grid van 2.5 blj 2.0 meter, waarbij het opgeboorde materiaal dient te worden gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 3 mm. e

Wattenberghe,200T

l0

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Yersie-210220-DEF

Wanneer de begrenzing van de wursteenconcentratie is vastgesteld, moeten binnen de concentratie(s) voldoende vakken worden gedocumenteerd om een vervolgstrategie te kunnen aanbevelen. Binnen de vakken zal de verticale verspreiding van het wursteenmateriaal moeten worden vastgesteld door het sediment te zeven van vakken van 50 x 50 cm en laagjes met een dikte van 5 cm. Het uitgegraven materiaal dient per laag te worden gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 3 mm tot het niveau waarop geen vuursteen meer wordt aangetroffen (minimaal l0 cm onder het laatste vondstniveau). Het aantal uit te voeren boringen en zeefvakken dient te worden bepaald door de verantwoordelijke Senior KNA Archeoloog, in goed overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezagl de archeologisch adviseur van de bevoegde overheid. Het resultaat zal met hen worden besproken en aftrankelijk van het resultaat zal dan tevens een (eventuele) vervolgstrategie worden bepaald. 6.3 Omgang met lcwetsbare vondsten en monsters

Wanneer kwetsbare vondsten worden aangetroffen, of monsters worden genomen, dienen de eisen van de KNA 4.1, Protocol Opgtaven, OS0ll, in acht te worden genomen. Daarnaast dienen ook de in de KNA

Leidraad Eerste hulp brj Kwetsbaar Vondstmateriaal Leidraad en de Veldhandleiding Archeologie vastgelegde uitgangspunten en richtlijnen te worden gevolgd.

6.4 Structuren en grondsporen

- Alle archeologische sporen dienen in het vlak volledig te worden gedocumenteerd, gecoupeerd en afgewerkt.

- Vlakken, profielen, relevante sporen, structuren en coupes dienen te worden gedocumenteerd en ook fotografisch te worden vastgelegd met een zodanige resolutie dat daarmee een voldoende uitvergroting mogelijk is voor de rapportage. - Organische resten dienen te worden bemonsterd om de datering en de herkomst te bepalen. 6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek

In zones waar geen archeologische resten aanwezig zijn, kan worden volstaan met het documenteren van profielkolommen met een breedte van 1.0 meter en met een tussenafstand van l0 meter. Daarbij dient de bodemopbouw te worden gedocumenteerd, gefotografeerd en te worden beschreven. Indien behoudenswaardige archeologische sporen worden aangetroffen dient een volledig profiel van de betreffende zone te worden gedocumenteerd op foto en op tekening. De geologische beschrijvingen dienen in overeenstemming te zijn met de NEN 5104. 6.6 Anorganische artefacten

Alle anorganische artefacten dienen te worden geborgen. Bij de aanleg van vlakken dient het vondstmateriaal per stratigrafische laag, per spoor of - indien het vlakvondsten betreft - in vakken van 5 x 5 meter te worden verzameld. Belangwekkende of kwetsbare vondsten dienen in situ te worden gefotografeerd; tevens dienen de xyz-coórdinaten van dergelijke vondsten te worden ingemeten. Bij het couperen dienen de archeologische vondsten per spoor en/of spoorlaag ïe worden verzameld. Uit de profielen dient het vondstmateriaal te worden verzameld per stratigrafische eenheid. Metaalvondsten dienen te worden geconsolideerd, in afwachting van het selectiebesluit van de bevoegde overheid. 6.7 Organische artefacten

Alle organische artefacten dienen systematisch te worden verzameld per spoor, of in vakken 5 x 5 meter indien het vlakvondsten betreft. Van bijzondere vondsten dienen de xyz-coórdinaten te worden ingemeten en vastgelegd. Dergelijke vondsten dienen ook in situ op foto te worden vastgelegd. Organische artefacten dienen in afwachting van het selectiebesluit te worden geconsolideerd.

11

Archeologische Opgraving Prinsenbaan 144-146, Koningsbosch, Gemeente Echt-Susteren -Versie-210220-DEF

6.8 Archeozoólogische en -botanische resten en menselijk skeletmateriaal

Alle archeozoólogische resten dienen te worden geborgen. Sporen met paleo-ecologische resten dienen te worden bemonsterd (3 liter). De monsters dienen te worden geconsolideerd en opgeslagen, in afivachting van het selectiebesluit. Bij waterputten/ waterkuilen en (diepe) voorraad- of afvalkuilen met sterk humeuze vulling of verkoolde resten van botanische of zoólogische aard dient de inhoud te worden bemonsterd. De intacte vullingen of vloemiveaus van structuren dienen te worden bemonsterd ten behoeve van onderzoek naar (verkoolde) macroresten. 6.9 Overige resten

N.v.t. krdien dit het geval zou zijn, dient de strategie nader te worden bepaald in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid - en na goedkeuring door - de bevoegde overheid. 6.10 Dateringtechnieken

De datering van archeologische sporen dient te worden gebaseerd op de datering van de aangetroffen artefacten (o.a. aardewerkfragmenten, bouwmateriaal, etc.). Wanneer dit niet mogelijk is zullen de sporen indien mogelijk moeten worden gedateerd d.m.v. een Cl4-datering, een OSl-datering, of een dendrochronolo gische datering. 6.1.1 Beperkingen

Het onderzoek blijft in omvang beperkt tot de begrenzingvan het plangebied.

HOOFDSTUK 7 UITWERKING EN CONSERVERING 7.1 Evaluatiefase

Na de afronding van het veldonderzoek dient in eerste instantie een evaluatierapport te worden opgesteld. Het evaluatierapport dient te voldoen aan de daaraan in de KNA, Protocol 4004, Opgraven, OSl2, gestelde eisen. Wanneer er een relatief beperkt aantal vondsten wordt aangetroffen kan - in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente en de provinciale depothouder - het voorstel voor de selectie/ deselectie van het vondstmateriaal en de verdere uitwerking ook direct in een conceptrapport worden opgenomen.

In het evaluatierappoÍ/ conceptrapport dienen de bevindingen van het veldonderzoek te worden samengevat en dient een voorstel te worden opgenomen voor de nadere analyse van sporen, monsters en vondsten en voor de conservering van objecten. Tevens dient een voorstel te worden opgenomen voor wat betreft de selectie/ deselectie van de te deponeren vondsten en monsters (zie ook 7.7.). Het evaluatierapport/ conceptrapport wordt getoetst door de bevoegde overheid. Het daarin opgenomen advies voor wat betreft de selectie/ deselectie van het vondstmateriaal wordt getoetst door de bevoegde overheid en de depothouder (zie

Hoofdstuk 8 en 9). 7.2 Wetenschappelijke uitwerking - algemeen

Voor wat betreft de wetenschappelijke uitwerking voÍïnen de in Hoofdstuk 5.4 neergelegde onderzoekswagen en de in de KNA 4.1, Protocol 4004 Opgraven vastgelegde uitwerkingseisen het uitgangspunt. Daarnaast zouden ook specifieke onderzoelsvragen van de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) relevant kunnen zijn. Dit dient nader te worden geadresseerd bij de uitwerking en de rapportage van het onderzoek. Het is vooral van belang om de specifïeke aard van de aangetroffen vondstcomplexen nader te analyseren en te duiden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=a9629a07-5ffd-4b66-859a-5b6fd591aeb4