CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

BurgerBelangen - Vragen Plakse Weide TIP-antw

Raadsavond 24 februari 2026, gemeente DuivenBij agendapunt: Wijziging Omgevingsplan “Geur- en spuitzonering Plakse Weide” Gemeente Duiven2.973 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vragen Politieke Avond 12 februari 2026 T = Technisch (moeten voorafgaand aan de politieke avond worden beantwoord) I = Informatief (moeten voorafgaand aan de politieke avond worden beantwoord) P = Politiek (worden tijdens de politieke avond door de portefeuillehouder mondeling beantwoord)

Raadsvoorstel Wijziging Omgevingsplan - Geur- en Spuitzone Plakse Weide 1. Kan gewijzigde omgevingsplan gemeente Duiven, Geur- en Spuitzone Plakse Weide en het omgevingsplan dat ter inzage is gelegd aan de stukken worden toegevoegd? T de

Deze is toegevoegd als bijlage, onder de omgevingswet betreft dit een link naar stukken, zie hiervoor bijlage 4 in het raadsvoorstel (https://rxbase.nl/viewer/1a2ca138-dfdf-4d5c-a9b4-6b38571744b8/decision). 2. Is de conclusie juist dat ten tijden van het vaststellen van het bestemmingsplan Plakse Weide de gemeenteraad besloten heeft over een onjuist dan wel onvolledig plan? T Deze conclusie is onjuist, dit voorgestelde omgevingsplan voorziet in de randvoorwaarden die gesteld zijn in het gedeelte van het bestemmingsplan Plakse Weide. In dit bestemmingsplan is aangeven dat aan deze randvoorwaarden moeten worden voldaan alvorens ontwikkeling fase II. 3. Wordt met dit raadsvoorstel de bezwaarmakers feitelijk niet in het gelijk gesteld? T

Nee, dit omgevingsplan voorziet in een verdere uitwerking van randvoorwaarden ook toen al geschetst. Dit voorstel ligt nu bij Raad van State, is het niet netter om eerst een uitspraak af te wachten, voordat wij de spelregels gaan veranderen? P

4. Welke gewasbescherming is wel toegestaan en wat is hun invloed op de omgeving en/of het menselijk lichaam? T De gewasbeschermingmiddelen die zijn toegelaten op de Nederlandse markt. De eventuele invloed op het menselijk lichaam / omgeving is verschillend per middel en gelet op het aantal toegestane middelen is de vraag niet te beantwoorden. 5. Wat heeft u nog meer gedaan dan alleen de geurnorm aanpassen, want de motie had meer punten dan alleen normen aanpassen? Welke mogelijkheden om de geuremissie te reduceren zijn besproken met de ondernemer? I Er is gesproken met de ondernemer over een totaalontwikkeling waarbij ook zijn perceel betrokken zou worden. Dat heeft niet geleid tot overeenstemming. U bent hier in 2024 in vertrouwelijkheid over geïnformeerd, omdat het hier ook bedrijfsgevoelige informatie betreft. Naar aanleiding van de betreffende motie is contact gezocht met de ondernemer, daarop is geen afwijkende reactie gekomen t.o.v. het eerder ingenomen standpunt

6. We lezen: “Daarmee zou een wijziging van het omgevingsplan al in werking kunnen treden, terwijl nog niet duidelijk is of de wijziging ook onherroepelijk is, dus dat er geen beroep is ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.”, maar er ligt nog een beroep over dit gebied bij de Raad van State. Wat is de status van dat beroep en wordt in dat plan fase II ook niet beschreven, waarvoor nu wijzigingen worden voorgesteld. Kan het college dit proces helder beschrijven, want er ligt iets nog “onder” de rechter en dan lijkt het ons zinvoller om die uitspraak eerst af te wachten en niet al door te pakken met dit voorstel? I Dit zijn twee onafhankelijke processen. Hoewel dit omgevingsplan als doel heeft het mogelijk maken van de voorgestelde ontwikkeling in het bestemmingsplan welke mogelijk zijn indien er aan de randvoorwaarden wordt voldaan, betekend dit niet dat voorgesteld omgevingsplan onlosmakelijk is van genoemd bestemmingsplan. Ook bij het niet onherroepelijk worden van genoemd

bestemmingsplan is het mogelijk om voorgesteld omgevingsplan vast te stellen. 7. Betekent het verbod op chemische gewasbeschermingsmiddelen dat de grondeigenaren een compensatie kunnen claimen in de vorm van een nadeelcompensatie? T Ja, dit behoort tot de mogelijkheden en is ook opgenomen in de stukken te vinden onder bijlage 4 van het raadsvoorstel en hiervan bijlage 2 Notitie Spuitzone

Plakse Weide, Pouderoyen Tonnaer (2025) 8. Van wie is de grond van Plakse Weide op dit moment? T De gronden zijn van de aanliggende agrariër en zijn nog in gebruik. De ontwikkelende partijen hebben een overeenkomst met de agrarier gesloten dat ziet op de voorwaarden waaronder en wanneer de gronden geleverd moeten worden ten behoeve van woningbouwontwikkeling. Waarom is er geen participatie met de omwonenden geweest? P 9. Onder welk recht of wetgeving valt deze wijziging van het omgevingsplan? T De Omgevingswet Zienswijzennota Omgevingsplanwijziging “Geur- en spuitzonering Plakse Weide” (NN) 1. In paragraaf 2.3.1.4 lezen wij: “In dit geval is dit de (urgente) behoefte aan woningbouw in de kern van Duiven.”. Bestempelt het college Plakse Weide hiermee niet tot een inbreidingslocatie? P 2. We lezen in dezelfde paragraaf: “De GGD hanteert als advieswaarde voor de voorgrondbelasting een richtwaarde van 2,0 ouE/m3 en een bovenwaarde van 5,0 ouE/m3, zowel voor concentratiegebieden als niet-concentratiegebieden. Met de opgenomen ‘waarden voor geur’ van 3,5 tot maximaal 5,5 ouE/m3 concluderen we dat, ten aanzien van de advieswaarden van de GGD, ter plaatse van Plakse Weide fase II een behoorlijk hoog hinderniveau wordt toegestaan. Gezien de mogelijkheden in het Bkl zijn wij van mening dat deze waarde vanuit gezondheidskundig oogpunt niet onacceptabel is.”.

Sinds wanneer is het college deskundig op het gebied van gezondheid en deskundig om te beoordelen dat een grenswaarde hoger uit kan komen dan door een instituut, die hier deskundige mensen voor indienst heeft, reeds beoordeeld? Waarom kan er volgens het college een 0,5 ou/m3 hogere norm gehanteerd worden? I

De GGD adviseert vanuit gezondheidskundig oogpunt. De gemeente maakt een bredere afweging, waar gezondheid onderdeel van uit maakt. Deze afweging vindt plaats binnen de mogelijkheden van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbij een hogere geurbelasting als aanvaardbaar kan worden beschouwd. 3. We lezen verder: “Tot slot heeft de gemeente, door de vaststelling van een lokale geurverordening op basis van de Wgv, in het verleden (2008) voor andere woningbouwlocaties ook een hogere waarde (6,0 ouE/m3) als aanvaardbaar beoordeeld.”. Zijn deze locaties exact hetzelfde en met dezelfde vorm en grootte van veehouderij? Worden dezelfde dieren gehouden of zijn er op andere locaties ook andere dieren aanwezig? T Deze locaties zijn verschillend, er worden andere dieren gehouden. In de berekening van de geurbelasting wordt onder meer rekening gehouden met het aantal en soort dieren en de afstand tussen het emissiepunt en een woning. 4. We lezen in paragraaf 2.3.2.2: “Voor wat betreft de maximale planologische mogelijkheden het volgende. Ter plaatse van de woning aan de Plaksestraat 6, die ligt binnen de bebouwde kom, wordt de geurnorm van 3 ouE/m3 op dit moment al overschreden met 0,1 tot 1,5 ouE/m3. Als de varkenshouderij wordt uitgebreid richting het plangebied, zal de geurcontour ook bij deze woning verder verschuiven, waardoor de overschrijding van de norm toeneemt.”.

Wij snappen deze passage niet, want als het voorstel aangenomen wordt, dan valt die overschrijding binnen de norm. Kan het college uitleggen wat nu het probleem bij uitbreiding zou zijn en waarom er niet gehandhaafd wordt op deze overschrijding van de geurnorm? I In het verleden is voor Plaksestraat 6 beoordeeld dat deze buiten de bebouwde kom lag. Daarvoor geldt een hogere norm. Nu ligt het pand binnen de bebouwde komt. De geurnorm voor dit adres is in het verleden vastgelegd in de vergunning en daarmee een bestaand rechten van het bedrijf. Omdat deze zijn vergund kan hier niet op worden gehandhaafd. Als er sprake is van een overschrijding, kan op dit punt geen grotere geurbelasting worden toegestaan. 5. We lezen verder in deze paragraaf dat er naar een aantal uitspraken wordt verwezen. Kan het college uitleggen wat de overeenkomst is van de uitspraak met het voorliggende wijziging van het omgevingsplan? Is de situatie dezelfde situatie, zoals omschreven in het gewijzigde omgevingsplan en zijn die uitspraken van toepassing op de gewijzigde situatie? Het gaat om de uitspraken:

ECLI:NL:RVS:2022:3160; ECLI:NL:RVS:2023:269; ECLI:NL:RVS:2022:3023; ECLI:NL:RVS:2022:3387; ECLI:NL:RVS:2023:2959; ECLI:NL:RVS:2024:2044 en ECLI:NL:RVS:2025:807 I De uitspraken gedaan zijn van toepassing op danwel de mogelijkheid tot afwijking van gestelde 50 meter welke de algemene geaccepteerde afstand is vanaf een verscheidenheid aan bronnen gebruikt voor gewassenbeschermingsmiddelen. Casussen zijn niet volledig gelijk aan de beschreven situatie. Eruit voortkomend is wel dat er beperkingen zijn en vooralsnog in zeer beperkte maten locatiespecifieke oplossingen voor het gebruiken van eventueel andere afstandsmaten. De Afdeling bestuursrechtspraak hanteert in beginsel een spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Voorgedragen eerdere jurispedentie door indiener is met uitspraken genoemd onderbouwd als geen geldige motivering. 6. Waarom verwijst het college voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen naar de Europese Verordening (EG) 1107/2009 en niet naar de nationale Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb)? Waarom verwijst het college voor een definitie naar, door het college ook aangegeven, ingetrokken richtlijnen? T De definitie van gewasbeschermingsmiddel komt uit de Europese verordening. Die verordening is direct bindend.

Bovendien verwijst die (Nederlandse) wet voor de definitie ook naar diezelfde Europese verordening. 7. Wat valt onder chemische gewasbeschermingsmiddelen, worden die op dit moment gebruikt en vallen die gewasbeschermingsmiddelen onder artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009? T Het is ons niet bekend welke gewasbeschermingsmiddelen op dit moment worden gebruikt. Als ze worden gebruikt moeten het middelen zijn die zijn toegestaan volgens de in de vraag genoemde verordening. Na het vaststellen van het van dit plan mogen geen gewasbeschermingsmiddelen meer worden gebruikt. 8. In de zienswijze van de Stichting Leefbaarheid 3Wijken lezen wij op bladzijde 7 van hun zienswijze (bladzijde 16 van het document), onder punt h het volgende: Daarnaast heeft de gemeente op grond van artikel 8 van het EVRM de plicht om

de leefomgeving op Plakse Weide te beschermen en zodoende de leefkwaliteit en de gezondheid te waarborgen. Uit bovenstaande is voldoende gebleken dat beide aspecten worden aangetast, in dien binnen de 3 OUE/m3 contour wordt gebouwd. Gelet op de jurisprudentie1 moet de gemeente een afweging maken waarbij de volgende aspecten maatgevend zijn: a. De feitelijke omstandigheden en de wetenschappelijke inzichten, zoals hierboven genoemd bij de punten c, e, g en (en niet de juridische normen van de Wet geurhinder en veehouderijen); b. De mogelijkheden van de gemeente om aantasting van de leefomgeving te voorkomen dan wel de maatregelen die de gemeente ter beschikking staan om de aantasting van de leefomgeving te beperken.

Onze vraag: Achter het woord jurisprudentie staat een verwijzing naar een voetnoot. In deze voetnoot wordt het college een handreiking aangeboden om die jurisprudentie te overhandigen. Heeft u de jurisprudentie gevraagd? Kan de gemeenteraad deze jurisprudentie ontvangen? I Artikel 8 EVRM is niet van toepassing, omdat de normstelling in dit geval plaatsvind binnen de kaders van het Besluit kwaliteit Leefomgeving (BKL). De jurisprudentie is daarom niet gevraagd. 9. Als laatste punt in de zienswijze van De Stichting Leefbaarheid 3Wijken lezen wij eigenlijk een verwijt dat de rapporten die gevraagd en gebruikt zijn om tot dit voorstel te komen feitelijk verouderd zijn en achterhaald. Kan het college hierop een reflectie geven en de gemeenteraad het rapport “Geurbelasting en geurhinder van veehouderijen. Update van de blootstelling-responsrelatie” (v. Aalsburg et al, 2023) toe sturen? I Dit rapport is ons niet bekend. De onderzoeken zijn uitgevoerd overeenkomstig de daarvoor algemeen geaccepteerde onderzoeksmethoden. De zienswijze bevat geen duidelijke onderbouwing waarom deze verouderd en achterhaald zijn noch waarom de gehanteerde onderzoeksmethoden onjuist zouden zijn. 10. Is het college op de hoogte van de inhoud van het rapport “Geurbelasting en geurhinder van veehouderijen. Update van de blootstelling-responsrelatie” (v. Aalsburg et al, 2023)? T Zie antwoord op vraag 9

11. Hoe is er rekening gehouden met de rechten van het agrarisch bedrijf? T De bestaande en vergunde rechten van de ondernemer zijn uitgangspunt geweest. In de huidige situatie heeft de ondernemer geen uitbreidingsmogelijkheden meer vanwege het aspect geur. Daarmee is rekening gehouden met de rechten van de ondernemer. 12. We lezen in de tweede zienswijze dat de Afdeling expliciet heeft overwogen dat e raad dient te beoordelen of de achtergrondgeurbelasting bij benutting van de maximale mogelijkheden vanhet plan aanvaardbaar is. Vervolgens wordt gesteld, dat in het voorliggende geval een dergelijke toets niet is uitgevoerd. De toelichting suggereert dat uitsluitend is aangesloten bij de huidige omgevingsvergunning van het agrarische bedrijf, zonder inzichtelijk te maken of en zo ja in hoeverre, het geldende omgevingsplan en het milieurechtelijk kader nog onbenutte uitbreidings-, wijzigings- of intensiveringsmogelijkheden bieden die tot een hogere geurbelasting kunnen leiden. Gesteld wordt dat een toets aan een realistisch worst-case-scenario ontbreekt. Heeft het college een worstcase-scenario uitgevoerd? a. Zo ja, waarom zit deze niet bij de stukken en kan deze alsnog worden toegevoegd? b. Zo nee, waarom is een dergelijk scenario niet onderzocht? I Uit de geurnotitie (paragraaf 4.3)blijkt dat de achtergrondbelasting is beoordeeld.

Bij die berekening zijn ongeveer 15 veehouderijen betrokken, waarbij de veehouderijen aan Laarstraat 20 en in mindere mate Heiligelandstraat 5 maatgevend voor de achtergrondbelasting bij Plakse Weide. Laarstraat 20 heeft geen uitbreidingsmogelijkheden meer. Hoewel er geen onderzoek naar is gedaan, is het de verwachting van het bedrijf aan Heiligelandstraat 5 geen of beperkte mogelijkheden heeft, gelet op de korte afstand tussen het bedrijf en woningen van derden. In de directe omgeving liggen geen andere agrarische functies waar intensieve veehouderij is toegestaan. Daarmee zijn er geen grote wijzigingen in de achtergrondbelasting te verwachten. Gelet op het voorgaande is geen toets aan een realistisch worst-case scenario uitgevoerd, los van de vraag dat onduidelijk is wat dat inhoudt. 13. Daarnaast lezen wij dat, al toevoeging van de tekst van vraag 5, het ontbreken van een toets aan een realistische worst-case-scenario, dit klemt nu juist door de verruiming van de aanvaardbare geurbelasting op nieuwe woningen de ruimtelijke druk op het agrarische bedrijf kan toenemen. Immers, woningen in het gebied van het eventuele gebied met een verhoogde geurnorm, kan in de

toekomst nog steeds beperkingen opleveren voor de ontwikkelingsmogelijk van het bedrijf, zoals bij wijzigingen of uitbreiding van de bedrijfsvoering of bij (toekomstige) vergunningverlening. Hoe is er dan rekening gehouden met de ondernemer en de onderneming, maar ook dat de rechten van de ondernemer niet aangetast worden? I In de huidige situatie heeft de ondernemer geen uitbreidingsmogelijkheden meer vanwege het aspect geur. Daarmee is rekening gehouden met de rechten van de ondernemer. 14. Wat zijn de consequenties van deze wijzigingen in de huidige vergunningen voor het agrarisch bedrijf en de ondernemer? T Bij deze wijzigingen is rekening gehouden met de verleende vergunning. Deze ontwikkeling leidt niet tot een wijziging daarin. 15. Is er met de gebruiker van de Plakse Weide vooraf gesproken over de aanpassingen die voorgesteld worden ten aanzien van de spuitzonering en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen? T Ja, vooraf is er met de gebruiker gesproken. Op 15 september 2025 heeft wethouder Schrijner met ambtelijke ondersteuning hierover met gebruiker gesproken. Gebruiker schrok niet van de inzet van de gemeente. Wel liet hij zijn twijfels blijken over hoe juridisch houdbaar het besluit zou zijn. Gebruiker zou de brief die hij in die week heeft ontvangen (aankondiging voorbereidingsbesluit) naar zijn adviseur doorsturen.

16. Staan de wijzigingen open voor een nadeelcompensatie aan de betrokkenen? T Zie hiervoor het antwoord gegeven bij vraag 8 over het raadsvoorstel. 17. Vindt het college dat alle wijzigingen voldoende gemotiveerd zijn? P Ja

18. Waarom is er niet gekozen voor een inwaartse zonering? T Indien er gekozen zou zijn voor een inwaartse zonering zou de geplande ontwikkeling van het woningbouwproject Plakse Weide onmogelijk worden.

19. Waarom is in het omgevingsplan geen definitie van het begrip “gewasbeschermingsmiddelen” opgenomen? T Aangegeven in de nota van zienswijzen onder 2.3.2.3: In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is in Bijlage I onder A een lijst met begrippen opgenomen, waaronder voor ‘gewasbeschermingsmiddelen’. Deze begrippen zijn ook van toepassing op het omgevingsplan, zoals bepaald in artikel 1.1. van het omgevingsplan. Deze begripsbepaling luidt: “gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Externe link:Richtlijnen 79/117/EEG en Externe link:91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);”.

Tevens aangegeven in de nota van zienswijzen en de nota van aanpassingen ter aanvulling is : “Er was al wel een begripsbepaling opgenomen voor Skalgecertificeerde teelten in bijlage III van het omgevingsplan, er was alleen nog geen directe link aangemaakt vanuit het artikel naar deze begripsbepaling. Dit is nu alsnog gedaan.” 20. Lijkt het niet op willekeur om alleen op deze locatie aanpassingen te doen op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen? P

21. Is deze wijziging op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen niet een wijziging in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel? T Het is aan college en raad om een afweging van belangen te maken. Van die mogelijkheid wordt hier gebruik gemaakt. Nota van aanpassingen 1. Kan het college motiveren waarom het belang van woningbouw in de gemeente Duiven prevaleert boven het agrarische belang en deze motivering kunnen onderbouwen met jurisprudentie van nadat de Crisis- en herstelwet is beëindigd? P 2. Kan het college de verwijzing naar de jurisprudentie dat 50 meter afstand aangehouden moet worden tussen gevoelige functies en gronden waar gespoten wordt toevoegen aan de stukken? T Dit betreft in beginsel uitspraak: 200504921/1(ECLI:NL:RVS:2006:AV1798). Hieruit volgt dat een planologische keuze die ziet op een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij

gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk geacht. Welke in navolgende stukken gebruikt wordt als vuistregel. 3. We lezen:” Paragraaf 3.1.: aan sub c van de opsomming is toegevoegd: ‘Uit het onderzoek blijkt dat de 3 ouE/m3-geurcontour langs de tuinen van de bestaande woningen aan de Achterste weide ligt.”. Welk onderzoek betreft dit en als dat nog niet aan de stukken is toegevoegd, kan dit onderzoek aan de stukken worden toegevoegd? T Hier wordt verwezen naar de het ‘onderzoek geurhinder veehouderijen’ dat bij het bestemmingsplan is gevoegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=04f48558-579b-4acf-859a-5f494ce9c698