Bijlage 1 - Voorlopige ontwerp omgevingsvisie Duiven.pdf
Tekst van het document
voor alle ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving
● Erfgoed inzetten bij nieuwe ruimtelijke ● Met het beheer van de openbare ruimte waar
ontwikkelingen, waarbij de ruimtelijke kwaliteit en de identiteit verder worden versterkt.
mogelijk bijdragen aan een gezonde, sociale en veilige leefomgeving ● In stand houden van de goede
omgevingswaarden, zoals het geluid en de luchtkwaliteit ● Behouden van het eigen karakter en de
(ruimtelijke) identiteit door bekendheid te geven aan het erfgoed van Duiven, Groessen en Loo en dit erfgoed te behouden en te versterken
Ook heeft natuur onze aandacht, mede gezien het effect van wandelen en fietsen in de natuur op de gezondheid. Door de groene leefomge ving te verbinden aan andere maatschappelijke vraagstukken, zoals klimaatadaptatie en het vergroten van biodiversiteit, is het mogelijk om een win-winsituatie te creëren. Zeker als we groen als partner zien bij het behalen van onze doelen en ambities.
55
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING
KAART 11
VISIEKAART WAARDEN ERFGOED, LANDSCHAP EN CULTUUR
56 57
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
3.3 VITALE ECONOMIE Duiven heeft zich in korte tijd ontwikkeld tot een vitaal-economische gemeente die veel bijdraagt aan de lokale en regionale werkgelegenheid. Op het gebied van perifere detailhandel is Nieuwgraaf een (boven)regionale hotspot voor het thema "in en rond het huis". Deze kwaliteit dient behouden te blijven en vereist permanente aandacht voor uitstraling en bereikbaarheid. Er is winst te behalen in de relatie tussen duur zaamheid en economie. Het toekomstbestendig inrichten van werklocaties is de pijler van de economische ambitie. Dit betekent concreet: het hebben van aandacht voor de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, bio diversiteit en de kwaliteit van het vastgoed, de openbare ruimte en de bereikbaarheid. En met aandacht voor veiligheid, werkgelegenheid en onderwijs. Uitgaande van een beperkte toename van de behoefte aan nieuwe bedrijvigheid in de regio Arnhem Nijmegen, kan er in de A12zone, op basis van toegevoegde waarde, ruimte worden gegeven aan (selectieve) uitbreiding. Deze uitbreiding betreft Centerpoort-Noord voor regionale bedrijvigheid en Graafstaete voor lokale bedrijvigheid, zoals nader aangegeven als zoekgebied bedrijventerrein op de kaarten 9 (werken in Duiven) en 10 (visiekaart wonen en werken in Duiven).
3.3.1 Agrarische sector Duiven is de afgelopen decennia aanzienlijk verstedelijkt. Maar nog steeds zijn er volop agrarische bedrijven actief. Er is veeteelt en akkerbouw in het open kommen-gebied en van oudsher zijn er in het oeverwallengebied rond Groessen tuinbouwbedrijven. Wel neemt het aantal actieve agrariërs af. En de verwachting is dat dit nog door zal zetten. In diverse Liemerse gremia worden gerichte projecten ingezet om de positie van de agrarische sector te versterken en onder de vlag van de Liemerse Ambassade wordt een integrale toekomstvisie op de agra rische sector opgesteld. Ook duurzaamheid in brede zin speelt hier een belangrijke rol in. 3.3.2 Vrijetijdseconomie In sommige iconische steden zal door de groei in toerisme druk op de leefbaarheid kunnen ontstaan. De Liemers kan als nieuw toeristisch gebied hiervan profiteren. Het gezamenlijke doel is om een fysieke verbinding te realiseren tussen de grootschalige winkelbedrijven en de buitengebieden in de Liemers waarin natuur, landschap, cultuur(historie) dominant zijn met de thema’s water, vrijheid en Limes. Ook is het van belang om de toegankelijkheid van het buitengebied voor fietsers en wandelaars vanuit de wijken en dorpen te versterken.
De branding van de Liemers, met één krach tige boodschap en met marketingacties om de bekendheid van de regio te vergroten, heeft prioriteit zodat de toeristen Duiven weten te vinden. Door het aanbod aan verblijfsrecreatie in de gemeente Duiven kan van de komst van extra toeristen volop geprofiteerd worden. De streek producten, mooie toegankelijke natuur, diverse woon- en vrijetijdsbestedingswinkels en het horeca-aanbod zorgen voor een divers aanbod aan de toeristen.
Op de middellange termijn hebben we de volgende ambities en doelen: ● Verder versterken van de economische
positie van de gemeente Duiven in de regio op basis van toegevoegde waarde ● Ruimte voor (selectieve) uitbreiding van
bedrijventerreinen in de toekomst ● Aandacht voor uitstraling en goede
bereikbaarheid van de bedrijventerreinen ● Behouden en versterken van de lokale
economie en voorzieningen in het centrum van Duiven ● Balans tussen ruimte voor economische
ontwikkeling, natuur, biodiversiteit en klimaat ● Versterken van de vrijetijdseconomie van de
Liemers als recreatiegebied met waterhistorie Op de lange termijn na 2030 hebben we de volgende ambities en doelen: ● Behoud van de economische positie van de
gemeente Duiven in de regio op basis van toegevoegde waarde ● Balans tussen ruimte voor economische
ontwikkeling, natuur, biodiversiteit en klimaat ● Versterking van circulariteit in
bedrijfsprocessen
Het versterken van de lokale economie en voorzieningen houdt de gemeente Duiven vitaal. Zo blijft de herontwikkeling van het centrum van Duiven, de spoorzone en de locaties voor de combinatie van wonen en werken ook de komende jaren op de agenda staan om de vitaliteit van de gemeenschap en voorzieningen verder te versterken.
58
59
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
3.4 BEREIKBAARHEID Op lokaal niveau, zoals geïllustreerd op de kaart mobiliteit en infrastructuur (zie kaart 12), is er een kans om het netwerk verder te optimali seren voor langzaam verkeer. We zetten in op duurzaamheid door te richten op meer lopen, fietsen en gebruik van het openbaar vervoer. Daarom zullen we de loop- en fietsroutes onder de loep nemen en verbeteren. Verbeteringen kunnen onder andere worden gezocht op het gebied van verkeersveiligheid, weginrichting, maar ook herkenbaarheid van routes en de bereikbaarheid van het buitengebied. Daarnaast hebben we aandacht voor de toegankelijkheid van de openbare ruimte en de bereikbaarheid van voorzieningen voor verkeersdeelnemers met een beperking in welke vorm dan ook, zoals zij die gebruik maken van een rolstoel of rollator. We vinden het belangrijk dat iedereen in onze samenleving mobiel kan zijn. Er mag geen ‘vervoersarmoede’ optreden waardoor inwoners worden uitgesloten op het gebied van werk of sociale activiteiten. Parkeren op eigen terrein heeft, wanneer fysiek mogelijk, de voorkeur. Met de realisatie van parkeerplaatsen op openbaar terrein wordt terughoudend omgegaan.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of herinrichting van de openbare ruimte wordt beschouwd in hoeverre het aantal parkeerplaatsen voldoende is om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte om daarmee oog te hebben voor de parkeerdruk in de directe omgeving.
60
We houden als gemeente ook de doorstroming van het verkeer in de gaten. Op de doorgaande wegen in Duiven en Westervoort is het druk (intensiteiten zijn hoog). Bij de ontwikkeling van inbreidings- en uitbreidingslocaties voor bijvoorbeeld woningen en bedrijven hebben we aandacht voor de impact op de bereikbaarheid en de benodigde ruimte voor aanpassing of uit breiding van de infrastructuur. We ontmoedigen doorgaand verkeer door gebruik te maken van 30km-zones. Daarbij hoort ook het beperken van regionaal sluipverkeer. Daartoe hebben we oog voor de relatie tussen de aanleg van de A15 en de lokale-regionale bereikbaarheid van de regio Arnhem Nijmegen met de auto en via de nieuwe snelfietsroute. Voor de langere termijn volgen we de nationale plannen voor transitie naar duurzame mobi liteit. Het aantal elektrische personenauto’s stijgt volgens het Klimaatakkoord van ongeveer 160.000 nu naar 1,9 miljoen in 2030. Het aantal elektrische personenauto’s in bezit van inwo ners in Duiven stijgt volgens eigen prognoses naar meer dan 6.000 in 2030, waarvan een deel laadbehoefte heeft in de openbare ruimte. In het tijdig opschalen van laadpunten in de openbare ruimte ligt een belangrijke rol voor de gemeente. Hiervoor stellen we, samen met de netbeheer der, exploitanten en inwoners, een integrale visie laadinfrastructuur op en een plaatsings beleid.
Hiermee faciliteren we een slim, toegan kelijk, dekkend en betaalbaar laadnetwerk. Voor zwaardere voertuigen is nog niet zeker welk alternatief (elektrisch, waterstof, etc.) de fossiele brandstoffen gaat vervangen. We zetten in op clustering van voorzieningen voor de duurzame mobiliteit. Op deze wijze behouden we een kwalitatieve, schone, duurzame en gezonde leefomgeving.
Op de middellange termijn hebben we de volgende ambities en doelen:
Op de lange termijn na 2030 hebben we de volgende ambities en doelen:
● De verkeersveiligheid in woongebieden
● Bereikbaarheid integraal meenemen bij
vergroten ● Verbeteren van loop- en fietsroutes, waar
ontwikkelingen in de leefomgeving ● Alleen nieuwbouw als bereikbaarheid is
nodig uitbreiden van de fietsinfrastructuur
gegarandeerd en past in de verduurzaming van de mobiliteit
● Toegankelijkheid van de openbare ruimte
en de bereikbaarheid van voorzieningen voor mensen met een beperking in welke vorm dan ook behouden en waar mogelijk versterken
● Infrastructuur aanpassen op verschillende
(duurzame) modaliteiten
● Doorgaand (sluip)verkeer ontmoedigen door
30km-zones in te stellen of de inrichting van bestaande 30km-zones te verbeteren ● Optimaliseren van de mobiliteitsketen door
het verbeteren van de aansluitingen en nieuwe vervoersconcepten ● Zorgen voor voldoende laadvoorzieningen
voor elektrisch vervoer en waterstofvoorziening voor wegtransport ● Versterken van OV-knooppunten, onder
andere door aanvullende voorzieningen
61
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING
KAART 12
VISIEKAART MOBILITEIT EN INFRASTRUCTUUR
62 63
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
voor de RES 1.0 vastgesteld. Ook het opstellen van een regionale warmte-infrastructuur voor de gebouwde omgeving valt onder de RES. We stellen in 2021 een gemeentelijke transitievisie warmte op met een tijdpad tot 2030-2050 om planmatig toe te werken naar aardgasvrije wijken. De inzet is om het bestaande warmtenet uit te breiden. In aansluiting op de warmtevisie moeten op wijk- en buurtniveau warmte-uitvoe ringsplannen worden opgesteld en deze krijgen een verplichte uitwerking in omgevingsplannen. 3.5 KLAAR VOOR DE TOEKOMST Als gemeente staan we voor tal van uitdagingen. We moeten CO2-uitstoot vergaand reduceren, ons aanpassen aan de gevolgen van klimaatver andering, er is een grondstoffentransitie nodig naar een circulaire economie en de biodiversi teit staat onder druk. Met andere woorden: we staan voor complexe opgaven die bij voorkeur integraal en in samenhang aangepakt moeten worden (zie kaart 13). In deze omgevingsvisie scharen wij ze onder het verbindende thema ‘Klaar voor de toekomst’. Hieronder worden de afzonderlijke opgaven nader toegelicht. 3.5.1 Energietransitie De opgave in het kader van de energietransitie is groot: 54 % energie besparen, 7.000 wonin gequivalenten extra aansluiten op de stadsver warming of een ander alternatief voor aardgas en de realisatie van grootschalige opwek van hernieuwbare energie (zon en wind).
Onze inzet is dat de gemeente in 2050 energieneutraal is in aansluiting op regionaal en nationaal beleid en wetgeving (Klimaatakkoord/Klimaatwet). Dat vraagt enerzijds om vergaande energie besparing waarbij op de doelstelling van 1,5% besparing per jaar wordt ingezet. Anderzijds is er meer opwek van duurzame (hernieuwbare) energie nodig, zoals het benutten van zo veel mogelijk dakoppervlak voor zonnepanelen. Daar ligt nog een aanzienlijke opgave, zeker op de bedrijventerreinen. In deze opgave werken we samen in met de regio aan de Regionale Energiestrategie (RES) waarin zoekgebieden voor grootschalige opwek zijn aangewezen (zie kaart 14). De gemeenteraad van Duiven heeft hiervoor een ‘lokaal aandeel’
64
Bij de uitvoering van de RES 1.0 zoeken we, waar mogelijk en relevant, naar meekoppelkansen, zoals natuurontwikkeling en recreatie. We leggen steeds de verbinding met andere vraagstukken, zodat er ook in de uitvoering steeds integraal naar oplossingen wordt gezocht. In het kader van de RES 2.0 zal ook de beno digde energie-infrastructuur en -opslag onder zocht worden. Als nieuwe technieken (zoals aquathermie) succesvol blijken, dan krijgen die ook een plek in de RES 2.0. Uitgangspunt blijft dat we onze bijdrage leveren aan de versnelling van de energietransitie; een bijdrage die past bij de ‘maat’ en de ruimtelijke kwaliteiten van onze gemeente. 3.5.2 Klimaatadaptatie Ook in onze gemeente merken we al de gevol gen van klimaatverandering. Denk alleen maar aan de toename van hoosbuien, periodes van stijgende temperaturen en toenemende droogte. Hoewel onze bijdrage als gemeente aan de klimaatcrisis maar relatief bescheiden is, willen we onze ogen niet sluiten voor onze verantwoor delijkheid en de gevolgen voor ons landschap en onze samenleving. Onze aanpak is gericht op het realiseren van een veerkrachtig en duurzaam water-, natuur, - en bodemsysteem. Onze inzet is om van de nood een deugd te maken door klimaatproblemen op het gebied van droogte, hitte(stress) en wateroverlast te voorkomen. Deze opgave noemen we klimaat adaptatie.
Daarbij werken de gemeenten Duiven, Westervoort en Zevenaar intensief samen met het Waterschap Rijn en IJssel. Wij volgen de systematiek van het DPRA, het landelijke Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Eerste stap
Rivierklimaatpark IJsselpoort In het Rivierklimaatpark IJsselpoort werkt de gemeente Duiven, samen met andere over heden en met inbreng van inwoners, belan genvertegenwoordigers, agrariërs, andere ondernemers en Natuurmonumenten, aan een robuuste en klimaatbestendige inrich ting van de IJssel en de uiterwaarden van Arnhem tot Giesbeek. Met dit plan worden de gevolgen van de klimaatverandering voor langere tijd het hoofd geboden. De IJssel krijgt de noodzakelijke extra ruimte én we werken meteen aan meer biodiver siteit, agrariërs in het gebied krijgen meer toekomstperspectief door natuurinclusieve landbouw, er is ruimte voor bedrijvigheid en we geven recreatie een impuls. Het biedt ook mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie in de toekomst. Zo dragen we bij aan de klimaatdoelen: verminderen van broeikasgassen om onze planeet leefbaar te houden. In oktober 2020 hebben alle samenwer kende partijen ingestemd met dit plan. De gemeenteraden hebben hiervoor de intergemeentelijke structuurvisie Rivierklimaatpark IJsselpoort vastgesteld (ga naar rivierklimaatpark.nl).
was het uitvoeren van een zg. stresstest waarin kwetsbaarheden in beeld zijn gebracht. Daarna is in 2020 een risicodialoog gevoerd met experts en met de samenleving. De uitkomsten van deze dialoog maken onderdeel uit van de stra tegische kaders die voorjaar 2021 aan de raad zijn voorgelegd. Voorbeeld van deze kaders is het benutten de (bergings-) capaciteiten van het natuurlijk bodemsysteem en het watersysteem. De strategie wordt vervolgens concreter uitge werkt in een uitvoeringsprogramma. Einddoel is om, conform het landelijke Deltaplan, in 2050, klimaatbestendig en waterrobuust te zijn inge richt. Vanaf nu zal daar met elk plan rekening mee worden gehouden. 3.5.3 Circulariteit De grote opgave in het realiseren van een circulaire economie is het sluiten van de kring lopen. We staan nog maar aan het begin van deze ontwikkeling. We streven naar minder afval, meer recycling en hergebruik. We moeten onze
concrete ambitie voor de omslag naar een circu laire economie nog bepalen. Dat doen we met de ‘roadmap circulariteit’. Tegelijkertijd wordt op concreet niveau gewerkt aan circulaire pilots rondom bijvoorbeeld de inkoop van meubilair, de aanbesteding van de openbare verlichting en het boom- en sportveld-onderhoud. Ook binnen de sector grond, weg- en waterbouw zien we kansen voor circulair aanbesteden. In ons gemeentelijk grondstoffenplan volgen we de doelstellingen van het landelijk Afvalbeheerplan. Verder wordt de ingezette koers op preventie, scheiding en hergebruik geïntensiveerd. 3.5.4 Biodiversiteit Onze inzet is om de waarde van biodiversiteit te behouden en te versterken. Dat is een extra grote opgave omdat de variatie in planten- en diersoorten in Nederland en in onze provincie daalt. Daarvoor is het allereerst nodig om uit te dragen welke functies de biodiversiteit ver vult voor milieu, luchtkwaliteit, waterberging, voedselproductie, gezondheid, sociale active ring, recreatie en beeldkwaliteit. Er moet meer natuur-inclusief gewerkt en ontwikkeld worden. Meer en robuustere natuur in de dorpen, de bedrijventerreinen en buiten de woonkernen vraagt om extra gemeentelijke aandacht, inzet en middelen en in gezamenlijkheid met bedrijven, instellingen en bewoners. Waar mogelijk wordt aangesloten bij initiatieven uit de samenleving.
Als gemeente geven we het goede voorbeeld door steeds natuur-inclusief te denken bij alle beslissingen en investeringen. In de visiekaart ontwikkelingen (kaart 16) staan suggesties voor het koppelen van biodiversiteit aan gebieds ontwikkeling. De ambities vragen om uitwerking in een actieplan dat de huidige stand van zaken met betrekking tot biodiversiteit in beeld brengt, visie en strategie aangeeft, concrete maatrege len voorstelt, inzet op bewustwording en samen werking en in samenspraak met gebiedspartijen tot stand komt. In het verdere proces van omge vingsvisie naar omgevingsprogramma’s zal dit nader uitgewerkt worden. 3.5.5 Bodem en ondergrond Ontwikkelingen (zoals de toename van wonin gen, bedrijfsruimten en kantoren, infrastructuur,
65
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING
KAART 13
VISIEKAART ONTWIKKELINGEN 2050
66 67
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING
KAART 14
VISIEKAART ENERGIE
68 69
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING
KAART 15
VISIEKAART WATER
70 71
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
energieopwekking en -opslag, water en recre atie) vragen ruimte, zowel boven- als onder gronds. Voor een groot aantal maatschappelijke opgaven in stedelijk en landelijk gebied wordt een beroep gedaan op de ondergrond of moet rekening worden gehouden met de mogelijk heden en beperkingen van de ondergrond. Boven- en ondergrond moeten daarom in samenhang worden bezien. De benoemde ont wikkelingen vragen daarbij om een zorgvuldig beheer, en zo nodig bescherming, van de bodem en ondergrond. Gezien integrale ruimtelijke ordening steeds belangrijker wordt, dienen er in relatie tot bodem en ondergrond verschillende discipli nes bij projecten betrokken te zijn. Daarnaast moeten beheer en uitvoering van de openbare ruimte veel meer met het beleid van het fysiek domein verbonden worden. Kansen en risico’s in de ondergrond worden zo eerder benut en/of gesignaleerd en betrokken worden bij de planof beleidsvorming. In de openbare ruimte zijn nu al een groot aantal ondergrondse kabel- en leidingnetten aanwezig. Naast de netten die door de gemeente wor den beheerd, zoals riolering, is er sprake van ondergrondse infrastructuur die in beheer is van derden. Denk aan netbeheerders zoals het drinkwaterbedrijf en telecom.
Vanwege boven genoemde ontwikkelingen wordt de intensiteit van het gebruik van de ondergrond en het aantal gebruiksfuncties van de ondergrond steeds groter en ontstaat een almaar groter wordende druk op de beperkt beschikbare ruimte c.q. op de bodemkwaliteit. Daarnaast hebben werk zaamheden in de ondergrond meestal effect op de bovengrondse gebruiksfuncties van de openbare ruimte, zoals verkeerscirculatie, bereikbaarheid van gebouwen en groen. Dit is de reden dat bij bijvoorbeeld projecten vooraf een zogenaamde klic-melding plaatsvindt. Door deze meldingen krijgen initiatiefnemers zicht op wat er in de ondergrond ligt en waar zij reke ning moeten houden. De regelgeving is onder andere verwerkt in de Telecommunicatiewet en is meegenomen in de door het college en gemeenteraad vastgestelde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI).
72
Basisregistratie Ondergrond (BRO) Met alle opgaven die oplossingen zoeken in de ondergrond, waar het al heel druk is, spe len betrouwbare ondergrondgegevens een steeds belangrijkere rol. Daarom is er een Basisregistratie Ondergrond (BRO). De BRO staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van het stelsel basisregistraties. De Wet Bro bepaalt dat bestuursorganen ver plicht zijn om gegevens over de ondergrond aan te leveren wanneer deze zijn ontstaan door zelf uitgevoerde onderzoeken of onder zoeken die in opdracht van een overheid zijn uitgevoerd. Daarbij zijn overheden ook ver plicht om de gegevens te gebruiken. Als een bestuursorgaan vermoedt dat een gegeven ontbreekt of niet juist is, dan is het verplicht dat te melden bij de beheerder van de BRO. Als een bronhouder vervolgens de melding ontvangt dat een gegeven ontbreekt of niet juist is, dan moeten zij deze melding contro leren en indien nodig aanpassen. Daarnaast kan iedereen een terugmelding doen op de BRO. Ook dan is de bronhouder verplicht deze melding te onderzoeken in geval van gerede twijfel en indien nodig de gegevens aan te passen. De ontwikkelingen staan niet stil. De basis registraties zijn op zichzelf nu al nuttige en veelgebruikte instrumenten voor tal van processen binnen en buiten de overheid.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft het initiatief geno men om voor de geobasisregistraties (BAG, BRT, BGT, BRK en ook de BRO) verschillende ontwikkelingen op dit gebied gecombineerd op te pakken. Dit gebeurt onder de naam Doorontwikkeling in Samenhang (DiS-GEO). De BRO is op 1 januari 2018 in werking getreden, maar wordt op dit moment nog geïmplementeerd in de gemeente Duiven. Verwacht wordt dat deze achterstand eind 2021 volledig is ingelopen.
NOVI Wij volgen de uitgangspunten die in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) worden beschreven. In de NOVI wordt benadrukt dat een draagkrachtige bodem en een goed functionerend bodemwatersysteem zowel voor het stedelijk als het landelijk gebied van belang is, mede met het oog op het verminderen van de bodemdaling. Denk aan de zomer van 2018, die extreem droog was en waarbij de waterstanden in de Rijn en de IJssel historisch laag waren. Door de lage grondwaterstanden is op sommige plaatsen de deklaag van klei drooggevallen, waardoor de klei is gaan inklinken (krimpen). Ook tijdens de extreem droge jaren 1994 en 2006 zagen we schade door verzakking. Met het oog op klimaatverandering is het aanneme lijk dat we in de toekomst vaker met extreem droge perioden te maken krijgen. Met andere woorden: de NOVI stelt terecht dat draag kracht van de bodem en de waterhuishou ding belangrijke aandachtspunten zijn.
Op de middellange termijn hebben we de volgende ambities en doelen: ● Bijdragen aan de RES (energie- en warmtetransitie) ● Biodiversiteit versterken ● Grondstoffen hergebruiken ● Water als kwaliteit inzetten ● Duurzaamheid als uitgangspunt hanteren in beleidsuitwerking en uitvoering Op de lange termijn na 2030 hebben we de volgende ambities en doelen: ● Periodieke herijking van de RES ● Klimaatadaptatie en klimaatbestendig en waterrobuust ontwikkelen ● Natuur-inclusief werken en ontwikkelen ● Ruimte voor waterberging creëren
In de verdere programmering wordt altijd de dimensie van de ondergrond meegenomen als het om projecten van de gemeente gaat, zoals dit ook wettelijk is vastgelegd in de Wet Bro. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is ook een aspect dat dient te worden meegenomen, in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Overwogen zal worden of er een apart programma “Ondergrond, bodem en water kwaliteit” opgezet wordt om te waarborgen dat de kwaliteit van de bodem en waterhuishouding voldoende in beeld is en er sprake is van een evenwichtige belangenafweging tussen de verschillende, bestaande en nieuwe, gebruiks functies in de ondergrond.
73
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
3 AMBITIES EN DOELEN LEEFOMGEVING
KAART 16
VISIEKAART KANSEN VOOR INTEGRALE ONTWIKKELING
74 75
Voorlopige ontwerpomgevingsvisie Duiven
4
VAN VISIE NAAR UITVOERING
De omgevingsvisie anticipeert op invoering van de nieuwe Omgevingswet en is een samenhangende visie met strategische hoofdkeuzes op beleidsniveau over de fysieke leefomgeving. Deze visievorming wordt gezien als beleidsontwikkeling en is de start van een doorlopend proces. Zodra de visie is vastgelegd kan de gemeente onderdelen concreter maken en stevig juridisch vastleggen door middel van beleidsdoorwerking. Daarmee kunnen ook andere overheden worden gebonden om mee te werken aan de realisatie van het beleid. Dat kan bijvoorbeeld door eisen vast te leggen in omgevingswaarden of door een programma vast te stellen. De uitvoering vindt plaats door de initiatiefnemers van activiteiten en projecten: burgers, bedrijven of overheden die iets willen ontwikkelen.
76
77
4 VAN VISIE NAAR UITVOERING
Met toezicht en handhaving ziet de overheid ver volgens toe op naleving van de algemene regels en vergunningvoorschriften. De keuze voor de instrumenten bepaalt de monitoring en het soort terugkoppeling.
4.1 VERTALING IN PROGRAMMA’S Het vervolg op de omgevingsvisie (beleidsdoor werking) is het schrijven van programma’s die zorgen voor de vertaling van de omgevingsvisie naar uitvoering. Het programma is één van de zes kerninstrumenten binnen de beleidscyclus van de Omgevingswet. Het betreft, evenals de omgevingsvisie, een beleidsdocument dat flexibel van aard is en kan worden toegepast in de verschillende fases van de beleidscyclus.
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
De te schrijven programma’s zullen voortbordu ren op de vijf thema’s uit deze omgevingsvisie. Vanuit de ambities en doelen wordt een pro gramma vormgegeven. Het gaat hierbij veelal om nieuw of veranderend (bestaand) beleid. Belangrijk is om te kijken naar alle thema’s en de ambities die worden bepaald. Hieruit zal, op basis van prioritering, een uitvoeringspro gramma worden geschreven. Dit uitvoerings programma is de basis om programma’s op (sub)thema niveau te schrijven.
Omgevingsvisie
De omgevingsvisie kent een lange doorlooptijd, terwijl het programma bedoeld is om inzichtelijk te maken hoe we kunnen komen tot uitvoering, gelet op benodigde middelen en weggezet in een duidelijk tijdspad. Programma’s onder de omgevingsvisie De programma’s borduren, zoals gezegd, voort op de vijf thema’s uit deze omgevingsvisie. Daartoe is vooraf, voor al het bestaand beleid, beoordeeld of het verlaten, vastgehouden, ver sterkt of vernieuwd dient te worden. Daarnaast is gekeken hoe de ambities uit deze omge vingsvisie, geconcretiseerd kunnen worden in doelstellingen. Een duurzaam thuis
Vitale economie
Gezonde leefomgeving
Klaar voor de toekomst
Bereikbaarheid
De programma’s zijn zelfbindend en beogen zo te garanderen dat de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving daadwerkelijk wordt bereikt. Daarbij maken we een onderscheid tussen drie soorten programma’s: ● Voor omgevingswaarden uit het
Thema’s
A A
BB
CC
Gebieden
D D
A A
BB
CC
D D
gemeentelijke omgevingsplan dient een verplicht programma te worden opgesteld indien gestelde omgevingswaarden worden overschreden; ● Een programmatische aanpak voor
Uivoeringsprogramma’s
samenhangende activiteiten en maatregelen in een gebied waar omgevingswaarden of andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving onder druk staan;
Projecten
Figuur 4 Van visie naar uitvoering op basis van thema’s en gebieden
● Een vrijwillig programma voor het
gemeentelijk rioleringsprogramma, multisectoraal beleid, gebiedsgericht beleid of een combinatie van het voorgaande.
78
Proces Na het vaststellen van de ambities en doelen uit de omgevingsvisie kan worden gestart met enkele prioritaire programma’s. In overleg met de gemeenteraad zal worden bepaald welke thema's en programma's prioriteit krijgen. Immers, door beperkingen in capaciteit en middelen kunnen we niet met alles tegelijk beginnen. In het vierde kwartaal van 2021 wordt een uitvoeringsprogramma voor de program ma’s Omgevingswet gepresenteerd aan het college en de gemeenteraad. Het uitvoerings programma is een eerste stap om te komen tot uitvoeringsdocumenten om ambities, doelen en uitgangspunten te vertalen naar de praktijk. Hierin zal onder andere een afwegingskader worden gepresenteerd om prioritering mogelijk te maken.
4.2 MONITORING EN HERIJKING VAN DE OMGEVINGSVISIE De gemeenteraad wordt jaarlijks en waar nodig vaker geïnformeerd over de vorderingen bij de uitvoering van dit programma. We ontwikkelen daartoe een eenvoudig monitoringsysteem waarmee de voortgang van de realisatie van de ambities inzichtelijk gemaakt kan worden. Een voorstel hiervoor is onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de programma's Omgevingswet.
4.3 FINANCIËN Uitvoering van de ambities vraagt om extra middelen. Voor een belangrijk deel zijn deze middelen gekoppeld aan reeds lopende trajecten (zoals de Woondeal). Maar ook binnen de eigen begroting zal aanvullend ruimte moeten worden gereserveerd. In het uitvoeringsprogramma wordt aangegeven hoe de financiën onderdeel worden van de programma's Omgevingswet.
4.4 PARTICIPATIE IN DE UITVOERING VAN DEZE VISIE In het proces van de uitvoering van de visie in (uitvoerings)programma’s sluiten we aan bij de
Kostenverhaal en financiële bijdragen uit particuliere ruimtelijke projecten Onder de huidige Wet ruimtelijke ontwikke lingen is het mogelijk om het kostenverhaal te regelen en financiële bijdragen te vragen uit particuliere projecten ten faveure van bestedingsdoeleinden voor sociale huisves ting, infrastructuur, groen, e.d. Deze moge lijkheid is inhoudelijk verankerd in de nog geldende Structuurvisie 2015, maar zodra de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt vervalt de huidige regeling. De Omgevingswet biedt een geheel nieuw instrumentarium voor zowel privaat- als publiekrechtelijk afdwingbare financiële bijdragen. Het wetgevingsproces over de inhoud en vorm van dit nieuwe instru mentarium is nog in ontwikkeling. Door het demissionaire Kabinet is op 8 januari 2021 een ontwerp-algemene maatregel van bestuur aan de Tweede Kamer aangeboden betreffende publiekrechtelijk afdwingbare financiële bijdragen in het kader van de zogenoemde voorhangprocedure. Nadat dit wetgevingsproces is afgerond, kan in het kader van de omgevingsvisie (of eventueel in een programma) wor den toegespitst op de invulling van een privaat- en publiekrechtelijk afdwingbaar kostenverhaal en financiële bijdragen bij gebiedsontwikkelingen.
eisen die vanuit de Omgevingswet gelden voor het onderdeel participatie. Hiervoor zal in ieder geval een soortgelijk traject worden gevolgd als voor het opstellen van de Omgevingsvisie, waarbij inwoners, organisaties, ondernemers en andere partijen en belanghebbenden in het voortraject worden betrokken. De gemeente gaat voor nu een onderdeel specifiek voor de implementatie van deze wetgeving opstellen. Hierin wordt ingegaan op onder andere de verplichte kennisgeving en motivatieplicht voor de gemeente bij de diverse instrumenten en is er aandacht voor aanvraag vereiste participatie voor een initiatiefnemer bij de Omgevingsvergunning, waar het gaat om buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Op deze manier wordt aan de (minimaal noodzake lijke) verplichting voldaan.
79
4 VAN VISIE NAAR UITVOERING
Wetgeving op het gebied van participatie Waarom participatie bij (uitvoerings)programma’s? Participatie moet ertoe leiden dat maat regelen beter uitvoerbaar zijn. Daarom verkent het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) in een participatietraject welke maatregelen mogelijk zijn, wat de voor- en nadelen ervan zijn en hoe maatregelen worden gewogen en gekozen. Het is goed om de rol van de gemeente bij de uitvoering van de maatregelen onder de loep te nemen. Daarnaast is het belangrijk duidelijk te stellen wat er wordt verwacht van burgers, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen. Werkvormen voor het bedenken van strategieën zijn hierbij een handig hulpmiddel.
Tevens wordt te zijner tijd aansluiting gezocht bij de nieuwe Participatieverordening. Dit bete kent dat de huidige Inspraakverordening wordt verbreed door hierin aandacht te geven aan de manier waarop de gemeente inwoners bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid gaat betrekken. De verordening heeft alleen betrekking op de juridisch regels. De gemeente besluit zelf hoe ze dit per beleids fase vormgeeft.
Motiveringsplicht
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
Bij het maken van een programma moet de gemeente aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. En wat de resultaten hiervan zijn. En de gemeenten geeft aan hoe ze invulling geeft aan haar eigen participatie beleid. Deze motiveringsplicht is geregeld in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. De gemeente neemt de motivering op in het vaststellingsbesluit van het programma. Participatiebeleid Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (verwachting: 1 januari 2022) is het verplicht voor gemeenten participatie beleid te hebben. Hierin zal aandacht wor den besteed aan de visie op participatie en de uitgangspunten die daarvoor gelden. Bijvoorbeeld over de toegankelijkheid, de representativiteit, de betrokkenheid van( onder)vertegenwoordigde groepen, de eigen rol en hoe het resultaat wordt meegewogen in het uiteindelijke plan. Op deze manier is voor alle betrokkenen inzichtelijk hoe zij kunnen meedenken en meedoen.
80
81
Voorlopige ontwerpomgevingsvisie Duiven
BIJLAGE A: KAARTEN
82
83
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
BIJLAGE A
BASISKAART TOPOGRAFIE
84 85
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
BIJLAGE A
BASISKAART WIJK- EN DORPSINDELING
86 87
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
BIJLAGE A
BASISKAART ENERGIE EN KLIMAAT
88 89
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
BIJLAGE A
BASISKAART MILIEU
90 91
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
BIJLAGE A
BASISKAART INTEGRAAL
92 93
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
BIJLAGE A
VISIEKAART INTEGRAAL
94 95
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
BIJLAGE A
BASISKAART LANDSCHAP
96 97
Voorlopige ontwerpomgevingsvisie Duiven
BIJLAGE B: GERELATEERDE BELEIDSDOCUMENTEN
98
99
COLOFON
Op het moment van schrijven is de gemeente bezig met het ontwikkelen van een plan voor Integraal Beheer Openbare Ruimte (IBOR). De ambities van andere beleidsterreinen worden in dit document vertaald naar een ambitie voor beheer en onderhoud. Per deelgebied worden kwaliteitskeuzes gemaakt en wordt inzichtelijk wat de financiële gevolgen zijn van deze keuzes. Deze kwaliteitskeuzes vormen vervolgens het uitgangspunt voor de beheerplannen of voor een integrale beheerplan. Hierbij wordt gewerkt met een gebiedsgerichte aanpak. Dit betekent dat groot onderhoud gezamenlijk wordt aan gepakt en alle onderdelen in de openbare ruimte waar mogelijk in één keer worden meegenomen (wegen, riolering, groen, etc.). Het IBOR heeft grote raakvlakken met de doelen en ambities die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie. Uiterlijk in 2029 zal het IBOR deel uit maken dan wel zijn opgenomen in het Omgevingsplan (een van de 6 kerninstrumenten van de Omgevingswet).
Uitgave Gemeente Duiven Koning Willem-Alexanderplein 1 6921 ES Duiven Datum 13 augustus 2021 Redactie en projectleiding Berenschot Kaartmateriaal SAB
VOORLOPIGE ONTWERP-OMGEVINGSVISIE DUIVEN
BIJLAGE B
B.1 NIEUW BELEID
100
101