BB vragen Liemerse herindeling TIP Beantwoord
Tekst van het document
T = Technisch (moeten voorafgaand aan de politieke avond worden beantwoord) I = Informatief (moeten voorafgaand aan de politieke avond worden beantwoord) P = Politiek (worden tijdens de politieke avond door de portefeuillehouder mondeling beantwoord)
Vragen Politieke Avond 25 november 2025 Raadsvoorstel Principebesluit Liemerse herindeling Duiven Raadsvoorstel 1. We lezen:” Voor het opstellen van het herindelingsontwerp en aansluitend het herindelingsadvies een startbudget van 50.000 euro beschikbaar te stellen.”. Hoeveel financiële middelen denkt het college nodig te hebben? T Kan dit niet uit bestaande reserves worden bekostigd? T Het is te verwachten dat het aandeel van Duiven in de kosten voor de periode tussen het principebesluit en het herindelingsontwerp netto ongeveer €50.000 zal bedragen (na aftrek van provinciale subsidie). Dit betreft zaken zoals projectorganisatie, communicatie, inwonersraadpleging en extern advies. Deze kostenraming is gebaseerd op ervaringen van eerdere herindelingen in het land en op advies van externe deskundigen. De voorbereiding van het herindelingsontwerp is een gezamenlijk proces met de beoogde fusiegemeenten, waarbij elke gemeente een gelijk aandeel in de gezamenlijke kosten bijdraagt. Overigens zijn de kosten die in 2025 zijn gemaakt voor de fase van het intentiebesluit tot het principebesluit eveneeens zo’n €50.000 netto. Dit kan worden bekostigd uit de algemene reserve. 2. We lezen: “Daarmee is er voldoende vertrouwen dat de belangen van Duiven ook in een toekomstige fusiegemeente gewaarborgd blijven.”. Dit is slechts papierwerk.
Uit het verleden is dat vertrouwen op papier in de werkelijkheid een andere realiteit geworden, met als voorbeeld de doortrekking van de A15. Op basis van welke actie of activiteit is dit vertrouwen gebaseerd? P Politieke vraag. 3. Is het nog mogelijk dat, indien nodig, de uitgangspunten worden aangevuld? T Zevenaar heeft onlangs nog een aparte bijeenkomst gehad om de uitgangsnotitie vast te stellen, waarom hebben wij dat in Duiven niet gedaan? T (Collectieve) uitgangspunten in een principebesluit zijn niet in beton gegoten. Het is mogelijk dat de gemeenteraad van Duiven aanvullende uitgangspunten formuleert. De gemeenteraad van Duiven heeft bij de vaststelling van het intentiebesluit van 3 juli jl. uitgangspunten geformuleerd. 4. Waarom wordt er in het raadsvoorstel niet beschreven dat de Ahri gelden niet Jaarlijks worden uitgekeerd? T Eerst aan de vier gemeenten voorafgaand aan de herindeling en na de herindeling nog jaarlijks een bedrag? T
Er is gepoogd het raadsvoorstel, ondanks de complexiteit van het onderwerp, begrijpelijk en toegankelijk te maken. Daarom zijn er keuzes gemaakt over welke details al dan niet in het voorstel zijn opgenomen. 5. Kan de voorfinanciering uit eigen middelen wat breder uitgelegd worden? T Is die voorfinanciering bij iedere gemeente gelijk of ligt dit bij de gemeente Duiven voornamelijk bij 1Stroom? T De tijdelijke verdeelmaatstaf herindeling uit het gemeentefonds biedt een compensatie voor de frictiekosten. Dit is een vast bedrag dat wordt uitgekeerd, ongeacht de werkelijke omvang van de frictiekosten. De tijdelijke verdeelmaatstaf herindeling wordt over een periode van vijf jaar uitgekeerd. Een bedrag wordt in het jaar voorafgaand aan de herindeling (in dit geval 2028) evenredig verdeeld onder de betrokken gemeenten, en het resterende bedrag wordt in de vier daaropvolgende jaren aan de nieuwe gemeente uitgekeerd.
Het uitbetalingsschema is als volgt: - 2028: 20% van het totaalbedrag (wordt 1/4e verdeeld over de vier gemeenten) - 2029: 40% (van het restantbedrag ten gunste van de nieuwe gemeente) - 2030: 20% (van het restantbedrag ten gunste van de nieuwe gemeente) - 2031: 20% (van het restantbedrag ten gunste van de nieuwe gemeente) - 2032: 20% (van het restantbedrag ten gunste van de nieuwe gemeente) De hoogte van deze tijdelijke verdeelmaatstaf herindeling wordt voornamelijk bepaald door het aantal gemeenten dat wordt heringedeeld en het aantal inwoners dat daarbij betrokken is. Het bedrag is afhankelijk van de uitkeringsfactor van het jaar voorafgaand aan de herindeling en het aantal inwoners op dat moment. In 2028 zal het exacte bedrag door het ministerie bekend worden gemaakt. 6. Welke mogelijkheden heeft de nieuwe gemeenteraad nog, na eventueel vaststellen van het principebesluit, om het herindelingsproces te stoppen? T De (nieuwe) gemeenteraad van een van de deelnemende gemeeenten kan het herindelingsproces stoppen zolang het traject niet bij provincie en Rijk ligt. Dat kan door het principebesluit in te trekken, het herindelingsontwerp niet vast te stellen of het herindelingsadvies niet te steunen. 7.
Is inmiddels duidelijk of de gemeente Duiven zelfstandig kan blijven bestaan, als we niet tot herindeling overgaan? I Het CDA heeft deze vraag meerdere keren gesteld, maar is in de ogen van BurgerBelangen, onvoldoende of niet beantwoord. Graag een uitleg. Uit het onderzoek van Dirk Louter en Rijnconsult in 2024 blijkt dat zelfstandig blijven voor Duiven formeel mogelijk is, maar dat dit scenario aanzienlijke risico’s kent. Het onderzoek deed geen aanbevelingen, maar maakte wel duidelijk dat een gemeentelijke herindeling de meeste bestuurskracht en continuïteit zou opleveren. Bijlage 1 - Resultaat inwonersraadpleging bestuurlijke toekomst 1. Op basis waarvan wordt gesteld dat de uitkomsten een representatief beeld geven van wensen en aandachtspunten? T De representativiteit van een inwonersraadpleging is afhankelijk van factoren zoals de leeftijdsverdeling, de deelname en het risico op dubbele invullingen. Gemiddeld ligt het percentage deelname aan inwonersraadplegingen tussen de 1 en 5%. Veel inwonersconsultaties blijven steken op een deelname van 2 tot 3%. Dit komt
bijvoorbeeld omdat veel mensen de vragenlijst gezamenlijk invullen, vooral wanneer je hen persoonlijk spreekt. Met betrekking tot het bereiken van mensen is gekozen voor lokale en sociale media, de Toekomstbus en een aantal punten waar de vragenlijst lag/ ingevuld kon worden. Daarmee bereik je niet iedereen. Onze raadpleging heeft hier 4% behaald en dat is dus geen laag percentage. De respons is negatief beïnvloed door de korte invulperiode, de beperkte affiniteit met het onderwerp en de gelijktijdige lokale discussie over de tijdelijke huisvesting van Oekraïense ontheemden bij het spoor. Volgens Hive Five, dat de raadpleging uitvoerde, heeft dit minimaal 60 enquêtes minder opgeleverd. Als we dat aantal optellen bij de invulde 1012 hadden we heel dicht tegen de 1086 aangezeten. We weten niet wat dit digitaal met de respons heeft gedaan dus mogelijk ligt het aantal nog hoger. Er is vooraf afgesproken dat we minimaal 1000 ingevulde vragenlijsten wilden hebben. Daarnaast is door de gemeente verzocht om vooral het gesprek met mensen aan te gaan en diepgang te zoeken in aandachtspunten, zorgen en wensen. Daarnaast is gekeken naar de leeftijdsverdeling van respondenten versus de leeftijdsopbouw van de gemeente. Daaruit blijkt dat de jongere doelgroep ondervertegenwoordigd is en de 65+ doelgroep iets oververtegenwoordigd.
De vertegenwoordiging van de overige doelgroepen ligt in lijn met de leeftijdsopbouw van de gemeente. Aangezien jongeren meestal minder bereid zijn om aan dit soort zaken deel te nemen, immers zij hebben minder affiniteit en ervaring met het onderwerp, is dit niet afwijkend maar wel een aandachtspunt voor het vervolg. Verder zijn de leeftijdsaantallen van de respondenten dus vergelijkbaar met de leeftijdsopbouw binnen de gemeente. 2. Er zijn 10.857 huishoudens in de gemeente Duiven in Duiven en daarmee is het onderzoek niet representatief. Er hadden minimaal 1086 vragenlijsten ingevuld moeten zijn. Daarnaast wordt gesteld dat de 1012 vragenlijsten 4% van onze inwoners is, dat klopt wel. De vraag blijft wel of mensen ook dubbel in konden sturen. Digitaal was dat namelijk mogelijk. Is de controle ook uitgevoerd op dubbel ingevulde formulieren? T Hoeveel unieke personen hebben de vragenlijsten ingevuld en hoe zeker is dit? T Het doel was om minimaal 1000 ingevulde vragenlijsten te verzamelen, gebaseerd op ongeveer 10% van de huishoudens. Het zou mooi zijn geweest als dit exact 1086 lijsten waren geweest, maar dat zegt niets over de representativiteit. Dit doel is voornamelijk gericht op het streven naar een hoge deelname, omdat dit iets zegt over de bekendheid en betrokkenheid van de inwoners. In theorie konden mensen inderdaad dubbel insturen.
Er is gecontroleerd op het gebruik van dezelfde emailadressen, precies dezelfde formuleringen etc. Dit hebben wij niet waargenomen. Twee vragenlijsten waren ongeldig omdat ze niet geheel waren ingevuld of waar overal hetzelfde antwoord werd gegeven in de open antwoordvelden. De uitkomsten van de digitale vragenlijsten geven geen ander beeld dan die van de fysiek afgenomen lijsten en gesprekken. De verdeling van de fysieke en digitaal ingevulde lijsten is 56,5 - 43,5% en daarmee vergelijkbaar. 443 respondenten vulden een geldig en uniek emailadres in, 3 mensen vulden een ongeldig/ onvolledig e-mailadres in. We kunnen niet 100% zeggen dat alle vragenlijsten uniek zijn en dat is vooraf een bewuste keuze geweest ivm het laagdrempelig houden om in te vullen. Er is echter geen aanleiding om te denken dat eventuele dubbelingen het totaal resultaat hebben beïnvloed.
3. We lezen dat Hivefive antwoorden heeft geformuleerd. Wat heeft Hivefive aangevuld? T Dit staat in het rapport benoemd. Tijdens de gesprekken bij de Toekomstbus is de lijst vaak samen met inwoners ingevuld. Antwoorden zijn, waar mogelijk, op dezelfde manier benoemd en gecategoriseerd om de verwerking te vergemakkelijken. Deze antwoorden zijn terug te lezen in de open antwoorden en komen daardoor soms overeen. 4. We lezen dat stakeholders de vragenlijst hebben ingevuld, maar die was toch uitsluitend voor inwoners bedoeld? T De vragenlijst is door inwoners ingevuld. Daarnaast zijn, zoals afgesproken met een klankbordgroep van de raad op 28 juli jl., gesprekken gevoerd met een aantal stakeholders. De verslagen daarvan zijn toegevoegd aan het rapport en maken geen deel uit van het totaal aantal ingevulde vragenlijsten. Wel zijn deels dezelfde vragen gesteld om inzicht te krijgen in zorgen, wensen en aandachtspunten. Door de korte tijd was niet iedere stakeholder bereid tot een gesprek. Enkele stakeholders hebben de vragenlijst bovendien digitaal verspreid of binnen hun organisatie beschikbaar gesteld, zoals in de bibliotheek, het gemeentehuis en bij Aerofit. 5. Hoe kan het aantal respondenten met een geldig geboortejaar (1098) hoger zijn dan het aantal respondenten (1012)? T Dit is bij 3.7 in het rapport een typefout en moet zijn: 989.
In de tabel staat het aantal wel goed (n=989). Bijlage 2 – Duivense uitgangspunten 1. Er zijn gesprekken gevoerd met de provincie om te komen tot een dergelijke investeringsagenda. Wat is er besproken en waarom zijn wij niet op de hoogte gebracht van de inhoud van die gesprekken? P Dit is niet een transparante start, terwijl transparantie juist zo belangrijk was. Wanneer worden wij geüpdatet over deze gesprekken en wat moet er gebeuren om de investeringsagenda geregeld te krijgen? P Politieke vraag. 2. De kracht van de Investeringsagenda ligt in het maken van scherpe keuzes, kan het college uitleggen wat hiermee wordt bedoeld en dan doelen wij vooral op de scherpe keuzes of maken we gewoon keuzes voor de Investeringsagenda? P Politieke vraag. 3. Als de Investeringsagenda het strategisch fundament onder de samenwerking is tussen de vier gemeenten, dan is een herindeling op de andere punten dus helemaal geen issue en is de investeringsagenda de reden voor herindeling. Klopt dit? I Nee, de Investeringsagenda is bedoeld om de voorbereiding en ontwerp/inrichting van de nieuwe gemeente zo in te richten dat die optimaal inspelen op de inhoudelijke issues, opgaven en kansen in het gebied. De reden voor herindeling is juist dat deze issues, opgaven en kansen in de huidige situatie onvoldoende (zeker op de langere termijn) kunnen worden opgepakt.
4. De investeringsagenda biedt een stevig inhoudelijk vertrekpunt voor de Liemerse gemeente, tenminste dat lezen we. Kan het college, die graag versterkende worden gebruikt in deze materie, het stevig inhoudelijk vertrekpunt toelichten of is het slechts een inhoudelijk vertrekpunt? I De investeringsagenda kan een stevig fundament bieden voor de toekomstige Liemerse gemeente. Sinds het intentiebesluit zijn gesprekken gevoerd met de provincie en de betrokken gemeenten over de wens te komen tot een gezamenlijke agenda. Deze agenda kan de grote opgaven die de gemeentegrenzen overstijgen – zoals woningbouw, bereikbaarheid en mobiliteit, versterking van de regionale economie en het sociaal-maatschappelijk weefsel – verbinden aan bestuurlijke keuzes en gezamenlijke uitvoering. Daarbij kunnen ook partners als woningcorporaties, ondernemers, onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties worden betrokken, zodat inhoudelijke verrijking en breed draagvlak ontstaan. De kracht van de investeringsagenda ligt in het maken van keuzes en het koppelen van ambities aan prioriteiten, middelen en uitvoeringskracht. 5. Hoe biedt een herindeling meer sociale veiligheid, als we al veel samenwerken in dit gebied met BOA’s en de politie, die door de herindeling niet in aantallen zullen toenemen? I Beleid zorgt niet voor sociale veiligheid.
Kan het college concreet aangeven hoe invulling gegeven wordt aan het vergroten van het thema veiligheid? I Ook voor de uitvoering van veiligheidstaken kan de beoogde gemeente meer slagkracht, bestuurskracht en deskundigheid organiseren. En dat heeft invloed op de kwaliteit van de uitoefening van lokale veiligheidstaken en op de invloed die kan worden aangewend in de regionale afstemming en coördinatie hiervan. 6. Hoe wordt het item “Bereikbaarheid met eigen vervoer en openbaar vervoer” verder uitgewerkt? I Ineens lezen we niets over hoe goed een gemeentelijke herindeling hieraan kan bijdragen door schaalvoordelen te benutten en beleidsmatig sterker te sturen op bereikbaarheid. Door het bundelen van kennis, middelen en uitvoeringskracht ontstaat meer ruimte om de problemen met bereikbaarheid met eigen vervoer en openbaar vervoer aan te pakken. Waarom is dit punt niet uitgewerkt? I De bereikbaarheid met eigen vervoer en openbaar vervoer werd door een deel van de respondenten van de inwonersraadpleging spontaan aangedragen als belangrijk thema in het kader van het herindelingsontwerp. Deze input is meegenomen in de besprekingen rondom collectieve uitgangspunten en is uiteindelijk geborgd in collectief uitgangspunt ‘Bouwen aan balans in de leefomgeving’. De verdere uitwerking zal, vergelijkbaar met andere uitgangspunten, op een later tijdstip plaatsvinden. 7.
Waar baseert het college de aanname op dat de aanpak van de wachttijden in de WMO en jeugdzorg dat een grotere, sterkere organisatie beter in staat is om de toegang tot zorg en ondersteuning voor jongeren en ouderen beter te organiseren? I Is het college op de hoogte dat ook Arnhem dergelijke wachttijden heeft en dat de wachttijden niets met de omvang van de organisatie te maken hebben? I Of heeft wethouder Overduin ons niet juist ingelicht dat de wachttijden komen door multiproblematiek die in sommige gezinnen aanwezig is? P Het college gaat uit van de veronderstelling dat een grotere en sterkere organisatie meer mogelijkheden heeft om de toegang tot zorg en ondersteuning beter te
organiseren. Daarbij wordt gedacht aan schaalvoordelen zoals het bundelen van expertise, het vergroten van de capaciteit en het creëren van meer continuïteit in de uitvoering. Het idee is dat door een grotere organisatie de werkprocessen uniformer kunnen worden ingericht en dat er meer ruimte ontstaat om specialistische kennis vast te houden en flexibel in te zetten. Tegelijkertijd erkent het college dat wachttijden in de Wmo en jeugdzorg niet uitsluitend samenhangen met de omvang van de organisatie. Ook in gemeenten met grotere organisaties, zoals Arnhem, bestaan vergelijkbare wachttijdproblemen. De oorzaken liggen vaak in bredere factoren, zoals landelijke tekorten aan gekwalificeerd personeel, de complexiteit van de hulpvragen, financiële en organisatorische knelpunten binnen het stelsel en een toenemende vraag naar zorg en ondersteuning die de beschikbare capaciteit overstijgt. Het college is zich ervan bewust dat schaalgrootte op zichzelf geen garantie biedt voor het oplossen van wachttijden. Het gaat om de kwaliteit van de organisatie, de samenwerking met partners en het vermogen om vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen. Politieke vraag Bijlage 3 - Samen nog sterker – collectieve uitgangspuntennotitie 1. Mogen wij in het kader van transparantie alle versies van deze bijlage die voorafgaand aan de definitieve versie zijn geschreven ontvangen? P Politieke vraag 2.
Wederom de vraag, wat is de Liemerse regionale identiteit en waar wordt op gebaseerd dat de vier gemeenten die delen. Volgens ons zijn de vier gemeenten erg apart van elkaar, als je bijvoorbeeld naar de samenstelling kijkt en naar de beleving. Graag willen wij ook weten hoe dit in de historie deze identiteit was. Als je het opschrijft moet je het ook duiden. I De Liemers kent een regionale identiteit die niet gaat over uniformiteit, maar over gedeelde kenmerken die in de loop van de tijd zijn ontstaan. Deze identiteit is geworteld in de geschiedenis, het landschap en de manier waarop de verschillende kernen zich tot elkaar verhouden. Historisch gezien zijn Doesburg, Duiven, Westervoort en Zevenaar onderdeel geweest van hetzelfde grens- en rivierengebied, met vergelijkbare economische activiteiten, gedeelde infrastructuur en een lange traditie van wederzijdse oriëntatie. Inwoners herkennen zich in de verbondenheid met het landschap, de nuchtere en praktische mentaliteit en het maatschappelijk actieve karakter van de dorpen en steden. 3. Hoe kan er een regionale identiteit zijn, als er vervolgens geconstateerd wordt dat de kernen elk hun eigen karakter hebben. Ook in de uitgangspunten van de vier gemeenten staan hier opmerkingen over, zoals bij Doesburg die het heeft over vorming van de Liemerse identiteit. Dan lijkt het erop dat er geen bestaande Liemerse identiteit is.
Graag een uitleg. I Een regionale identiteit betekent dat gemeenten verbonden zijn door gedeelde elementen, zonder dat hun cultuur of historie hetzelfde hoeft te zijn. De Liemers
vormt zo’n gebied: de gemeenten zijn geografisch verweven, delen een ontwikkeling langs de rivieren en werken al decennialang samen in voorzieningen, mobiliteit en dagelijks leven. Tegelijkertijd behouden de kernen hun eigen karakter, wat juist kenmerkend is voor een regio met gedeelde identiteit. Wanneer bijvoorbeeld Doesburg spreekt over het vormen of versterken van de Liemerse identiteit, gaat het niet om een ontbrekende identiteit, maar om het verdiepen en explicieter maken van de bestaande verbondenheid in het licht van een gezamenlijke toekomst. 4. Over welke opgave hebben we en zijn al deze opgaven inmiddels al niet belegd in gemeenschappelijke regelingen? I Over welke complementariteit hebben we het, want een dorps karakter is niet complementair of in B1, eenvoudig taalgebruik, vult niet per se een stads karakter aan. Graag een uitleg. I De vier Liemerse gemeenten staan voor grote en vergelijkbare opgaven op het gebied van wonen, bereikbaarheid, economie en het sociaal domein. Hoewel zij al samenwerken in diverse regelingen, blijft de uitvoering bij de gemeenten zelf en vraagt dit steeds meer mensen, kennis en bestuurlijke slagkracht dan afzonderlijk kan worden opgebracht. Eén gemeente biedt meer grip en legitimiteit, maakt het eenvoudiger om personeel te werven en te behouden en versterkt de gezamenlijke positie in regionale, provinciale en landelijke agenda’s.
Zo ontstaat een sterker en evenwichtiger geheel dan ieder afzonderlijk. 5. Kan uitgelegd worden hoe de cultuur-historische en maatschappelijke verbinding of de “interne samenhang” eruit ziet. I Volgens ons heeft Zevenaar ervoor gezorgd dat de A15 op Duivens grondgebied terecht is gekomen en zijn ze ook niet de toezegging nagekomen bij de RES om windmolens langs de A12 te plaatsen. In hoeverre is hier sprake van een “interne samenhang”? I Interne samenhang gaat niet over het uitblijven van verschillen of over volledige eenstemmigheid tussen gemeenten. Het verwijst naar de geografische, historische en maatschappelijke verbondenheid van het gebied: vier gemeenten die langs dezelfde rivieren zijn ontstaan, economisch en sociaal op elkaar zijn gericht en in het dagelijks leven sterk verweven zijn. Inwoners maken gebruik van elkaars voorzieningen, bedrijven opereren over gemeentegrenzen heen en de gemeenten werken al jarenlang samen in dezelfde regionale structuren. Dat laat onverlet dat er tussen gemeenten soms verschillende standpunten of belangen kunnen zijn, zoals bij de A15 of de RES-invulling. Zulke verschillen komen in elke regio en elke samenwerking voor.
Ze zeggen niet dat er géén samenhang is, maar benadrukken het belang van een stevigere gezamenlijke afstemming: om regionale keuzes beter te kunnen voorbereiden en uitvoeren, en om onderlinge afhankelijkheden toekomstbestendig te organiseren. 6. Bestaat de basis van de beoogde herindeling niet simpelweg uit de gedachte dat een grotere gemeente een oplossing is voor alle zogenaamde problemen? P Uiteindelijk is een klein schip wendbaarder dan een olietanker en dat geldt voor gemeente net zo of zien wij dat verkeerd? P Politieke vraag 7. Graag willen wij een antwoord op de vraag wat de grote opgave is. We willen expliciet horen per genoemd beleidsterrein wat die grote opgaven zijn en waarom wij die niet zelf kunnen afhandelen. I Volgens ons is het thema wonen voldoende en goed opgepakt door onze eigen ambtenaren en zit het probleem voornamelijk dat de inwoners op zijn zachts gezegd bedenkingen hebben bij de plannen of inmiddels
beroep hebben aangetekend bij Raad van State. Voor het thema bereikbaarheid en mobiliteit hebben we net een Mobiliteitsprogramma met elkaar afgesproken en zijn er nog een aantal waarin we met de provincie in overleg zijn. Het thema economische ontwikkeling is volgens ons ook prima ingevuld. We zitten zelfs in de situatie dat we meer banen hebben dan inwoners. Daarnaast kunnen we nog zelf bedrijventerreinen ontwikkelen, verduurzamen en optimaliseren. Dit alles in gesprek met diverse partners. Voor het thema Sociaal domein zijn we nu druk doende om één en ander anders in te richten. Kijken we naar de oplossingen die nodig zijn om onze inwoners de zorg te bieden die nodig is. Daarnaast zijn we ook hier verbonden aan een gemeenschappelijke regeling die kan ondersteunen. We voldoen, zover wij weten, aan de wettelijke voorschriften en kunnen dicht bij onze inwoners maatwerk leveren. Hoezo kunnen wij deze opgaven niet aan. Dit wordt iedere keer gezegd, zonder invulling aan die grote opgave te geven en exact aan te stippen wat wij niet zouden kunnen aanpakken en waarvoor de geldverslindende herindeling strikt noodzakelijk is. Graag een zeer uitgebreide uitleg. I Dit is al eerder uiteengezet in het rapport van Dirk Louter en Rijnconsult van november 2024 over het ‘kwadraterend’ opgaveprofiel. De opgaven zijn groter, complexer en meer verweven dan voorheen.
Ze vloeien voort uit landelijke afspraken, regionale programma’s, wettelijke verplichtingen en druk vanuit provincie en rijk. Het gaat om woningbouw, bereikbaarheid en mobiliteit, economische ontwikkeling, het sociaal domein, duurzaamheid en energie, financiële vraagstukken en de ambtelijke organisatie. Deze opgaven vragen steeds meer specialistische kennis, capaciteit en financiële veerkracht dan kleine gemeenten duurzaam kunnen organiseren. Een grotere organisatie biedt daarbij voordelen zoals aantrekkelijker werkgeverschap, meer loopbaanmogelijkheden, grotere wervingskracht, minder kwetsbaarheid en betere kwaliteit en continuïteit. 8. Kan uitgelegd worden waar de infrastructuur tussen de vier gemeenten niet goed op elkaar afgestemd is? I Valt die infrastructuur waar naar verwezen wordt niet onder de verantwoordelijkheid van de provincie? T De provincie is verantwoordelijk voor een groot deel van de infrastructuur in de Liemers, maar gemeenten spelen een belangrijke rol in het bepalen van regionale prioriteiten, het voorbereiden van projecten en het vertegenwoordigen van lokale belangen. Vier kleine gemeenten hebben daarbij minder gewicht dan één gemeente van bijna 100.000 inwoners.
Een Liemerse gemeente kan aan provinciale en regionale tafels sterker optreden, omdat zij met één bestuurlijke stem spreekt, over meer kennis en capaciteit beschikt en projecten beter kan voorbereiden. 9. Waarom moet je nog aantrekkelijker gemaakt worden? I Logistiek valt ook meer onder de gemeente Montferland, zoals afgesproken binnen de RPW. Klopt dit? T De Liemers hoeft niet “aantrekkelijker gemaakt” te worden omdat het nu onvoldoende zou zijn, maar omdat de regio in de economische visie Liemers 2040 juist kansen ziet om zich verder te versterken. Niet alleen de vier Liemerse gemeenten, maar ook Montferland is partner in deze visie. Logistiek speelt daar een belangrijke rol, maar de economische kracht van de Liemers is breder: logistiek, maakindustrie en vrijetijdseconomie. Door de strategische ligging en de aanwezigheid van goed opgeleide arbeidskrachten biedt de regio veel mogelijkheden voor verdere groei. De visie benadrukt dat samenwerking tussen gemeenten, ondernemers en onderwijsinstellingen nodig is om innovatie en economische ontwikkeling te stimuleren.
10. Waarom moeten water en natuurgebieden in samenhang worden beheerd. Zijn de vier gemeenten dan eigenaar van die gebieden? T Zo ja, welke gebieden hebben we het over? T Zo nee, wie is dan de eigenaar van de gebieden of gaat over het onderhoud? T Water- en natuurgebieden stoppen niet bij de gemeentegrens. Rivieren, uiterwaarden, natuurzones en waterveiligheidsmaatregelen hangen direct met elkaar samen. Daarom is het belangrijk dat gemeenten in samenhang naar deze gebieden kijken, ook als zij geen eigenaar zijn. De gemeenten zijn meestal niet de eigenaar van deze gebieden. Het eigendom en beheer ligt grotendeels bij Rijkswaterstaat, het Waterschap, Staatsbosbeheer en de Provincie. Gemeenten hebben echter wel een belangrijke rol in ruimtelijke ordening, vergunningverlening, gebiedsontwikkeling en bescherming van de leefomgeving. Daarom is afstemming nodig, zodat ontwikkelingen aan de ene kant van de grens geen negatieve gevolgen hebben aan de andere kant. 11. We lezen dat het helpt om als één gemeente stevig positie in te nemen richting mede-overheden. Kan het college stevig duiden en uitleggen waarom dat gezamenlijk niet kan? I Als er nu al niet samengewerkt kan worden, is een herindeling dan niet een utopie? I Door gezamenlijk op te trekken, kan aanzienlijke vooruitgang geboekt worden in regionale samenwerking.
Echter, dit lukt niet altijd in voldoende mate, door uiteenlopende belangen en agenda’s, beperkte ambtelijke ondersteuning en de vanzelfsprekende invloed van de grotere gemeenten binnen de samenwerking. Deze zwakheden kunnen worden doorbroken door als één gemeente op te treden. 12. Welke samenwerking hebben de vier gemeenten nu al en waarmee hebben ze gezamenlijk opgetreden? I Was dat succesvol? I De gemeente Duiven, Westervoort, Zevenaar en Doesburg werken op uiteenlopende terreinen samen, vaak in wisselende samenstelling. Voorbeelden hiervan zijn 1Stroom, de Samenwerking de Liemers (SDL, samenwerking tussen Duiven, Westervoort en Zevenaar), het Streekarchivariaat de Liemers en Doesburg (SALD), de regeling voor huisvesting van het voortgezet onderwijs (GRHVOL, met Duiven, Zevenaar en Montferland) en de gezamenlijke Rekenkamer van Duiven, Westervoort en Doesburg. Naast deze Liemerse verbanden nemen de gemeenten ook deel aan bredere samenwerkingen buiten de Liemers, zoals de Groene Metropoolregio (GMR), de Modulaire Gemeenschappelijke Regeling (MGR), de Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA) en de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM). Deze samenwerkingen hebben aantoonbaar bijgedragen aan meer efficiëntie, betere afstemming en een sterkere gezamenlijke positie richting inwoners en partners.
Tegelijkertijd laat de huidige manier van samenwerken zien dat het voor een gemeente als Duiven niet mogelijk is om op alle belangrijke thema's echt aan het stuur te zitten. 13. Graag een opsomming van het gezamenlijk bestuurlijk en ambtelijk oppakken van de diverse opgaven. I Hoe is die samenwerking verlopen? I Waarom zou een herindeling beter zijn ten opzichte van het nu al samenwerken? I De Liemerse gemeenten werken op dit moment al intensief samen. Denk daarbij aan de SDL en SALD, maar ook de GMR, MGRsdcg, ODRA en VGGM. In deze
verbanden worden onderwerpen als mobiliteit, duurzaamheid, veiligheid, economie, energie en woningbouw gezamenlijk afgestemd en voorbereid. Die samenwerking verloopt goed en laat zien dat de gemeenten elkaar weten te vinden wanneer belangen of opgaven elkaar raken. Tegelijkertijd blijkt in de praktijk dat dit samenwerken zijn grenzen heeft. De daadwerkelijke uitvoering en verantwoordelijkheid voor beleid en projecten liggen nog altijd bij de afzonderlijke gemeenten. Dat vraagt veel specialistische kennis, continuïteit en bestuurlijke aandacht, terwijl de organisaties daar steeds kwetsbaarder in worden door schaarste op de arbeidsmarkt, beperkte capaciteit en afhankelijkheid van tijdelijke inhuur. Hierdoor wordt het steeds moeilijker om grote en complexe opgaven langdurig te dragen en op regionaal niveau stevig mee te doen. Een herindeling gaat verder dan samenwerken, omdat één gemeente met één bestuur en één ambtelijke organisatie structureel meer slagkracht heeft. Daarmee kan de nieuwe gemeente expertise beter borgen, minder kwetsbaar zijn, regionale besluitvorming sterker beïnvloeden en opgaven duurzaam uitvoeren in plaats van per thema tijdelijke afspraken te maken. Zo ontstaat blijvende versterking en stabiliteit, waar samenwerking alleen dat niet kan bieden. 14.
De grote mate van congruentie, of meer in B1-taal overeenstemming of gelijkvormigheid, in de bestaande samenwerkingsverbanden draagt bij aan het proces om tot herindeling te komen in de Liemers, maar je kan dus ook stellen dat het samenwerken prima verloopt en daardoor de herindeling overbodig is. Niet herindelen zorgt er in ieder geval voor dat er geen kostenpost frictie(lasten) zal ontstaan, als gevolg van in- en uittreding van samenwerkingsverbanden. Hoe hoog worden de frictie(lasten) nu ingeschat? I De exacte hoogte van de frictielasten is momenteel niet bekend. Deze kosten hangen volledig af van keuzes die pas later in het proces worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld de inrichting van de toekomstige organisatie, huisvesting, ICT-systemen en de exacte positie binnen samenwerkingsverbanden. Hier tegenover staat dat bij een herindeling het Rijk een specifieke financiële bijdrage verstrekt. Dit betreft een eenmalige vergoeding (de zogenaamde Arhi-gelden) die juist bedoeld is om frictie- en projectkosten te bekostigen. Deze rijksbijdrage is bedoeld om frictiekosten te dekken en wordt bij alle herindelingen toegepast. Daarmee staat niet vast hoe hoog de frictielasten worden, maar wel dat een belangrijk deel ervan kan worden opgevangen binnen deze vergoeding. 15.
Hoe kan schaalvergroting zorgen voor een versterking van het unieke karakter van iedere kern en wijk? I Er is niet ineens meer geld beschikbaar voor leefbaarheid. Hoe ziet het college dit voor zich? P Ervaringen uit andere herindelingen laten zien dat grotere gemeenten beter in staat zijn om voorzieningen op peil te houden, maatwerk te bieden in verschillende kernen en extra instrumenten in te zetten, zoals dorps- en wijkagenda’s of kern- en buurtbudgetten. Door de grotere uitvoeringskracht kan het unieke karakter van iedere kern juist beter worden ondersteund dan wanneer kleine gemeenten dit afzonderlijk moeten doen. Politieke vraag 16. Graag zien wij de voorbeelden tegemoet van herindeling waar de toenemende bestuurskracht in de nieuwe gemeente een impuls heeft gegeven aan de leefbaarheid en daarmee de identiteit van de kernen. I Ook zien wij graag even veel
voorbeelden waar de toenemende bestuurskracht in de nieuwe gemeente geen impuls heeft gegeven aan de leefbaarheid en daarmee de identiteit van de kernen. I Er zijn gedocumenteerde (op basis van evaluatieonderzoek) voorbeelden van gemeenten waar na een herindeling dorpen en kernen zich – ook naar de mening van inwoners - goed hebben kunnen ontwikkelen en in zekere zin konden gaan floreren. Voorbeelden hiervan zijn Land van Cijk, Sud-West Fryslan (87 kernen), Purmerend (na de fusie met Beemster) en Alkmaar (na de fusie met Schermer en Graf-de Rijp). Er zijn geen gedocumenteerde voorbeelden waar dit in brede zin niet is gebeurd. Dat wil overigens niet zeggen dat er geen individuele kernen/dorpen zijn waar na een herindeling dingen niet of minder goed zijn gegaan. En het wil zeker niet zeggen dat het vanzelfsprekend is dat het wel goed gaat. Daar moet heel bewust op ingezet en gestuurd worden, zoals deze voorbeelden ook laten zien. Daarom is het zo belangrijk om al in deze fase daar in het voorbereidingsproces veel aandacht aan te besteden. 17.
Hoe wordt het voorzieningenniveau in een groter geheel beter op peil worden gehouden? I Waarom zou je kernendeals en dorpendeals moeten afsluiten, als eerder in het document min of meer gesteld wordt dat de herindeling tot een toenemende bestuurskracht leidt en dat dat een impuls kan geven aan leefbaarheid? I Eigenlijk wordt hiermee een grotere afstand gecreëerd tussen inwoners en het bestuur, want blijkbaar heb je deals met je inwoners, verenigingen en stichtingen nodig om tot zaken te komen. Dan kan je net zo goed de huidige situatie behouden waarbij het lokale bestuur dicht op de inwoners, verenigingen en stichtingen zit om de zaken te regelen die geregeld moeten worden? I Graag een reflectie hoe het college dit ziet. I Een grotere gemeente kan voorzieningen beter op peil houden dankzij meer financiële stabiliteit, uitvoeringskracht en specialistische kennis, waardoor gebouwen, sportvoorzieningen, dorpshuizen, bibliotheken en openbare ruimte niet alleen behouden maar ook toekomstbestendig onderhouden kunnen worden. Kernendeals of dorpendeals vergroten juist de lokale zeggenschap en identiteit en zorgen ervoor dat wensen van dorpen en wijken structureel worden vastgelegd. Hoewel dit ook nu mogelijk is, hebben kleinere gemeenten steeds minder capaciteit en middelen om dit vol te houden.
In een grotere organisatie kunnen deze instrumenten duurzaam worden ingezet en beter ondersteund, waardoor de leefbaarheid in kernen sterker gewaarborgd blijft. 18. Op welke onderdelen voelt Duiven kwetsbaarheden in de ambtelijke organisatie 1Stroom? I Uit het onderzoek van Dirk Louter en Rijnconsult blijkt dat 1Stroom kwetsbaar is door beperkte schaalgrootte, afhankelijkheid van enkele sleutelpersonen en een tekort aan structurele strategische capaciteit. De dagelijkse uitvoering verloopt goed, maar de organisatie mist slagkracht om langdurig en integraal op complexe en regionale opgaven in te spelen. 19. De arbeidsmarkt is per definitie lastig, dat maakt geen verschil dat Arnhem, Nijmegen of de provincie Gelderland in de directe nabijheid zitten. Iedere gemeente of overheidsorganisatie hebben moeite om personeel te vinden. Zelfs het bedrijfsleven kampt met deze problemen. Dit lijkt ons nog steeds geen reden om een herindeling te forceren. Een herindeling kan ook een reden zijn dat personeel de organisatie gaat verlaten. Is hier een gedegen onderzoek naar gedaan? I
De arbeidsmarkt is inderdaad op veel plekken krap, maar kleine gemeenten zijn extra kwetsbaar omdat zij minder functies, minder doorgroeimogelijkheden en minder specialistische rollen kunnen bieden. Dat maakt het moeilijk om personeel te behouden en structurele capaciteit te organiseren. Er is op dit moment nog geen specifiek onderzoek gedaan naar mogelijke personele effecten van een herindeling van de Liemerse gemeenten. Ervaringen uit andere herindelingen laten wel zien dat een grotere organisatie voor veel medewerkers juist nieuwe kansen biedt, zoals meer loopbaanperspectief en inhoudelijke ontwikkeling. 20. Welke wondermiddel verwacht het college van de ambtelijke organisatie dat ze ineens in een nieuwe organisatie een krachtige impuls aan de denk- en uitvoeringskracht kunnen geven? I Dit is “mooi weer praat” dat wij bij de totstandkoming van 1Stroom hebben gezien. Op basis van welke feiten is deze stelling aannemelijk? I Er wordt geen “wondermiddel” verwacht. Zoals eerder toegelicht gaat het om het verschil tussen vier kleine organisaties en één grotere organisatie met meer specialistische functies, meer continuïteit en minder kwetsbaarheid. Dat is geen verwachting, maar een patroon dat in andere herindelingen zichtbaar is geweest. De ervaringen uit 1Stroom laten zien dat samenwerking voordelen biedt, maar ook grenzen kent zolang er sprake is van twee besturen.
Een integrale organisatie onder één bestuur werkt wezenlijk anders: er is één opdracht, één aansturing en één prioritering. Dat maakt het mogelijk om strategische capaciteit, projectmanagement en specialistische expertise structureel te organiseren in plaats van tijdelijk. 21. Kunnen wij het loongebouw voor 1Stroom aanpassen of is dit afhankelijk van andere zaken? I Welke zaken zijn dat dan? I Het loongebouw van 1Stroom is opgebouwd volgens het landelijke HR21-systeem. Dat systeem werkt met vaste scores voor functies, en die scores bepalen hoe functies zich tot elkaar verhouden. Op basis daarvan wordt een zogenoemde conversietabel gemaakt, waarin de functies worden vertaald naar salarisschalen. Elke organisatie stelt zo’n tabel op maat vast, in overleg met het Lokaal Overleg. Voor 1Stroom is bij het opstellen van die tabel gekeken naar marktconforme salarissen en een eerlijke en logische opbouw van het functiegebouw. Daarbij is aangesloten bij de landelijke voorbeeldtabel van HR21, maar met enkele aanpassingen. Zo is de hoogste schaal bij 1Stroom schaal 15, omdat de algemeen directeur in die schaal is ingedeeld. Ook wordt er gebruikgemaakt van een extra tussenschaal (10a) en zijn de bandbreedtes wat ruimer gemaakt, zodat de scores goed aansluiten bij de salarisschalen van 10a tot en met 15. Belangrijk om te weten is dat het loongebouw niet zomaar kan worden aangepast.
Alleen bij grote veranderingen, zoals een fusie of een ingrijpende reorganisatie, kan er aanleiding zijn om het opnieuw te bekijken. Ook dan moet dit altijd gebeuren binnen de regels van HR21, zodat de waardering en beloning van functies duidelijk en eerlijk blijven. 22. Stelt het college nu dat wij geen hoogwaardige strategische denkkracht hebben? I Wat brengt het aanbrengen van meer managers dat de uitvoeringskracht zou gaan verbeteren. Hoe erg is het dan nu met die uitvoeringskracht gesteld, want volgens BurgerBelangen functioneren onze ambtenaren goed. Graag een uitleg wat het college van de huidige uitvoeringskracht vindt. I
Het college zegt niet dat er geen strategische denkkracht is; die is er wel; maar deze kan nog groeien. Het college denkt dat de strategische denkkracht toeneemt in één Liemerse gemeente. De managementcapaciteit heeft als doel om die kracht beter te structureren en te coördineren, zodat de organisatie sneller en consistenter kan handelen. De huidige uitvoeringskracht mag groeien, want de complexiteit van opgaven vraagt om een steviger fundament. 23. Zijn er andere manieren om de veronderstelde complexiteit van 1Stroom aan te pakken? I Waar bestaat die complexiteit dan uit? I Voor de duidelijkheid, prioriteitstelling, capaciteitsverdeling, bekostiging en kwaliteit zijn geen onderdelen van die genoemde complexiteit. Deze komen voor in iedere organisatie, ook als er een nieuwe gemeente ontstaat. De bijzondere complexiteit zit in de dubbele bestuurlijke aansturing. Die kan niet opgelost worden binnen het construct, maar alleen met een ander construct (bv. bestuurlijke fusie). 24. De situatie met begrotingen komt ongetwijfeld ook voor in de nieuwe gemeente. Kijk alleen al naar de schuldenpositie van de vier gemeenten, met een mega schuld van tientallen miljoenen in Zevenaar. Begrotingen zijn momentopname en ook afhankelijk van wat het kabinet beslist en via Gemeentefonds naar de gemeenten wordt uitgekeerd.
Bezuinigen is van alle tijden en Duiven heeft altijd een financieel duurzaam beleid gevoerd, waarom zou het komen tot begrotingen die voldoen aan de criteria van de provincie nu ineens een probleem zijn? I Er is ook geen reden om te veronderstellen dat er een probleem mee is/komt. Het preventief Arhi-toezicht is een standaardmaatregel gericht op het waarborgen van een gezonde financiële uitgangssituatie van de nieuwe gemeente 25. Klopt het bedrag van een nieuwe begroting van circa € 450 miljoen euro wel of ligt dit vele miljoenen lager? I Graag een uitleg welke cijfers gebruikt zijn om tot dit bedrag te komen. I Het bedrag van circa €450 miljoen is een eerste indicatie op basis van een eenvoudige optelsom van de huidige begrotingen van Doesburg, Duiven, Westervoort en Zevenaar. Het gaat dus om een globale raming, bedoeld om de orde van grootte weer te geven. De exacte omvang van de begroting van een eventuele nieuwe gemeente staat nu nog niet vast. In een volgende fase – bij het opstellen van het herindelingsontwerp – wordt een herindelingsscan uitgevoerd. Die brengt de financiële situatie van de vier gemeenten in detail samen, inclusief reserves, schulden, structurele lasten en inkomsten, zodat een nauwkeurig beeld ontstaat van de begroting van een mogelijke nieuwe gemeente. 26.
Hoe verhouden de bestuurskosten van de vier gemeenten, die zouden komen te vervallen, maar waar wel een duurdere burgemeester en wethouders voor terugkomen, ten opzichte van het hogere loongebouw en daarmee de stijgende personeelskosten? I Is dit niet een "mooi weer praatje” om de herindeling er rooskleuriger uit te laten zien. I
Het klopt dat een nieuwe gemeente één college krijgt, waardoor de huidige vier colleges komen te vervallen. Dat levert een structurele besparing op de bestuurskosten op. Tegelijkertijd is het juist dat een grotere organisatie een hoger loongebouw kent, omdat er meer gespecialiseerde functies en hogere schaalniveaus nodig zijn. In eerdere antwoorden is toegelicht dat een herindeling niet automatisch leidt tot lagere kosten, maar vooral tot minder kwetsbaarheid en meer uitvoeringskracht. De verwachting is dan ook niet dat er per saldo grote financiële voordelen ontstaan, maar dat de kosten en baten elkaar grotendeels zullen opheffen. Dat blijkt ook uit ervaringen bij landelijke herindelingen. Of de besparing op bestuurskosten groter of kleiner is dan de extra kosten voor het loongebouw kan nu nog niet worden vastgesteld. 27. Een derde positie is relatief, want als andere gemeenten gaan herindelen tot een grotere gemeente dan ben je niet meer nummer drie. Dit kan niet een argument zijn voor een herindeling, graag een reflectie. I De derde positie in omvang is inderdaad relatief en kan veranderen bij andere herindelingen. Het principebesluit gebruikt dit niet als zelfstandig argument, maar als illustratie van de schaal die ontstaat. De kern van de herindeling ligt in het versterken van bestuurskracht, financiële stabiliteit en het behoud van voorzieningen.
De positie in de provincie is dus een gevolg van de schaal, niet de reden voor de herindeling. 28. Wederom staat in dit document dat “het getal telt”, maar is het niet zo dat je netwerk telt en “wie kent wie” veel belangrijker is dan het getal. Als wij ons niet vergissen heeft Rozendaal veel bereikt, als kleine gemeente. Graag een reflectie. I Het klopt dat ook kleine gemeenten, zoals Rozendaal, resultaten kunnen behalen door goede netwerken en bestuurlijke inzet. Resultaat volgt echter altijd uit de balans tussen de kerntaken, opgaven en ambities vs. de bestuurs- en uitvoeringskracht van een gemeente. Zijn de opgaven en ambities niet al te zwaar dan kun je mogelijk toe met een beperkte gemeentelijke omvang. Zijn de opgaven en ambities stevig (zoals in Duiven en de Liemers) dan hoort daar een robuuste bestuurs- en uitvoeringskracht bij. De schaalgrootte heeft daarbij wel degelijk betekenis heeft in regionale, provinciale en landelijke besluitvorming. De ervaring in Gelderland en in de Groene Metropoolregio laat zien dat grotere gemeenten meer invloed hebben aan overlegtafels waar besluiten worden voorbereid over woningbouw, mobiliteit, economie, energie en financiering. Een Liemerse gemeente van ruim 95.000 inwoners zou, na Arnhem en Nijmegen, de derde gemeente in de regio zijn en de vijfde in de provincie Gelderland.
Die positie zorgt voor een sterke positie, bijbehorende verantwoordelijkheid, meer gewicht in besluitvorming en grotere zichtbaarheid richting provincie, rijk en partners. 29. We lezen dat het een uitdaging is aan een Liemerse gemeente om zich als grote gemeente te gaan gedragen, maar dan telt het getal niet en klopt de ervaring niet dat “het getal telt”, maar hoe je je gedraagt. Graag een reflectie. I De ervaring leert dat schaalgrootte een rol speelt in regionale invloed, maar dat het uiteindelijk óók gaat om hoe een gemeente zich gedraagt. Een grotere Liemerse gemeente krijgt door haar omvang meer bestuurlijk gewicht aan regionale tafels, maar moet die positie vervolgens wel goed invullen. Kort gezegd: het getal helpt om positie te krijgen, maar het gedrag bepaalt of die positie goed wordt benut.
30. We lezen: “Aangezien het Rijk en Europa ‘de regio’ meer en meer beschouwen als gesprekspartner op majeure opgaven en ook als ingang voor financiële impulsen, zoals deals, subsidies en fondsen, is het hebben van positie in de regio steeds belangrijker geworden de voorbije jaren.”. Dit hebben we toch al georganiseerd via de Groene Metropoolregio en ook de Liemerse Ambassade, dus waarom zouden we daarvoor één gemeente moeten worden, dan ben je gelijk geen regio meer, maar een gemeente. Graag een uitleg. I Één gemeente worden betekent niet dat er géén regio meer is of dat de regio minder belangrijk wordt. De samenwerkingsstructuren blijven bestaan, maar de invloed binnen die structuren neemt toe wanneer de Liemers als één gemeente deelneemt. 31. Zit die regionale Liemerse investeringsagenda niet al verwerkt in de afspraken met de Groene Metropoolregio en de provincie? I En hoe regionaal is het als je straks één gemeente bent, dan is er geen regio meer. Bestaat een regio niet uit een aantal gemeenten? I De afspraken die nu in de Groene Metropoolregio en met de provincie worden gemaakt, vormen een belangrijk kader, maar dekken niet alle specifieke opgaven van de Liemers als gebied.
Een Liemerse investeringsagenda biedt de mogelijkheid om juist díe opgaven – zoals woningbouwlocaties, bereikbaarheid, bedrijventerreinen en landschapsontwikkeling – samen met de provincie en eventuele andere overheden scherper te prioriteren en gericht te financieren. Dat gaat dus een stap verder dan de bestaande kaders. Daarnaast blijft de Liemers ook met één gemeente een geografisch, economisch en sociaal samenhangend gebied. De Groene Metropoolregio blijft bestaan, en de Liemers blijft daarin een herkenbaar deelgebied. 32. Wat is de kracht van Doesburg, Westervoort, Zevenaar en ons eigen Duiven? I Elke Liemerse gemeente brengt een eigen en waardevolle kracht mee. Doesburg heeft een sterk historisch profiel, een levendige cultuur en een grote aantrekkingskracht op bezoekers. Westervoort staat bekend om haar hechte gemeenschap en sterke verenigingsleven en compacte, goed georganiseerde kern. Zevenaar vervult een centrumrol in de regio met belangrijke voorzieningen. Duiven combineert een aantrekkelijke woonomgeving met ondernemerschap, logistieke kracht en een stevig maatschappelijk netwerk. De combinatie van deze krachten kan voor iedere gemeente en alle inwoners en ondernemers ten gunste komen, dus ook voor Duiven. 33.
Wordt er bij de herindeling ook gedacht aan deelraden ? I GroenLinks-PvdA Doesburg pleit nu voor relatieve autonomie, oftewel eigen zelfstandigheid en verantwoordelijkheid binnen het grotere geheel. Waarbij gedacht kan worden aan een stadsraad die eigen financiële bevoegdheden houdt en gedelegeerde bevoegdheden op bijvoorbeeld het gebied van monumenten en toerisme. Wat vindt het college hiervan? P Dit wordt op een later moment uitgewerkt. Politieke vraag.
34. Hoe ziet een wendbare ambtelijke organisatie eruit en waarom is 1Stroom dat nu niet? I Een wendbare ambtelijke organisatie kan snel inspelen op nieuwe ontwikkelingen, heeft voldoende mensen en expertise om opgaven op te pakken en is minder kwetsbaar bij ziekte, vertrek of piekbelasting. Dat vraagt om voldoende omvang, specialistische functies, duidelijke prioritering en één bestuurlijke opdracht. 1Stroom werkt op veel punten goed, maar kent grenzen doordat het twee gemeenten met twee besturen moet bedienen. Dat betekent verschillende prioriteiten, dubbele besluitvorming en beperkte mogelijkheden om formatie en expertise structureel te versterken. Daardoor is 1Stroom minder wendbaar dan één integrale organisatie onder één bestuur kan zijn. 35. Hoe kan het college garanderen dat de dienstverlening altijd persoonlijk, begrijpelijk en nabij zal blijven en dat dat nooit zal veranderen door welke bezuinigd ronde dan ook? I Garanties kunnen niet worden gegeven, ook niet in huidige situatie. Het is aan de nieuwe gemeenteraad om dit te bewaken en te versterken. 36. Hoe blijft het eventuele nieuwe bestuur en organisatie in direct contact staan met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners, verenigingen en stichtingen? I Kan het college ook garanderen dat dit altijd zo zal blijven? I Daar moet heel bewust op ingezet en gestuurd worden.
Het is dan ook belangrijk om daar in deze fase al veel aandacht aan te besteden. Garanties kunnen niet worden gegeven, ook niet in huidige situatie. Het is aan de nieuwe gemeenteraad om dit te bewaken en te versterken. 37. We lezen: “Samen bouwen we aan een nieuwe organisatie, met behoud van het goede van de huidige organisaties, gekenmerkt door een cultuur van vertrouwen, samenwerking en professionaliteit.”. Hoe lang duurt dat bouwproces en in hoeverre gaan inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners, verenigingen en stichtingen daar last van hebben. We behouden het goede van de huidige organisaties, wat is dat goede dan? I Wat zijn de foute elementen en zijn die elementen niet nodig in een nieuwe organisatie? I Kunnen die foute elementen niet aangepast of veranderd worden, zodat het tot de goede elementen gaat behoren? I Het bouwproces van een nieuwe organisatie (en nieuw bestuur) gaat in fasen. In de fase van voorbereiding (tot fusiedatum) gaat het “gewone werk” normaal door en zullen inwoners en anderen er weinig effect van ondervinden. Direct nu fusiedatum zal een periode zijn (in ieder geval 1 à 2 jaar) waarin er startvraagstukken zullen zijn en soms nog storingen of leerpunten opdoemen. Na die periode zal dat soms ook nog wel gebeuren maar zullen inwoners en anderen ook de vruchten kunnen gaan plukken van een sterkere en effectieve organisatie en bestuur.
Het goede van de huidige organisaties is in ieder geval die van grote betrokkenheid, lokale kennis en betrokkenheid en zal ook per organisatie nog wel wat verschillen. Dat kan ingezet worden in een nieuwe organisatie. Er is niet zozeer sprake van foute elementen, maar wel elementen van beperktheid in vermogen, deskundigheid, slagkracht e.d.. Die kunnen in een nieuwe situatie
verbeterd worden. Ook de dubbele aansturing van 1Stroom en de bestuurlijke drukte in de regio wordt aangepakt. 38. Op basis waarvan wordt gesteld dat de start van de nieuwe gemeente op een solide financiële basis is? I Hoe groot zijn de schulden van alle vier de gemeenten, wat zijn de gezamenlijke Algemene Reserves, het Eigen Vermogen en het Vreemd Vermogen. Wat zal de weerstandscapaciteit en solvabiliteit worden van de nieuwe gemeente? I Deze gegevens zullen via de herindelingsscan boven tafel komen en zal ook – mede op basis van provinciale normen – een gewenste startsituatie voor de nieuwe gemeente worden geformuleerd. 39. Vindt het college de kernen Loo, Groessen en Duiven goed bereikbaar? I Politieke vraag 40. Waarom wordt het buitengebied bij investeringsagenda betrokken? I Wat moet er in het buitengebied aangepast worden na een herindeling? I Het buitengebied is door de Duivense gemeenteraad als aandachtspunt vastgesteld in het intentiebesluit van 3 juli 2025. Er zijn nog geen afspraken Wat er in het buitengebied moet worden aangepast (of juist behouden moet blijven) 41. We lezen: “Toerisme, cultuur en recreatie dragen bij aan de identiteit en aantrekkingskracht van de regio, met oog voor balans tussen levendigheid en leefbaarheid.
Samen met de provincie Gelderland en de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen versterken we de positie van de Liemers als robuuste en duurzame regio.”. Waarom doen we dat nu al niet, nu we nog een regio zijn? I De gemeenten werken nu al samen met de provincie en de Groene Metropoolregio aan toerisme, cultuur en recreatie. Dat gebeurt dus ook in de huidige situatie. Wat verandert als de Liemers één gemeente wordt, is de slagkracht waarmee het gebied aan regionale tafels meedoet. Met één bestuurlijke stem kunnen prioriteiten duidelijker worden neergelegd, kunnen projecten beter worden voorbereid en gefinancierd, en heeft de Liemers een sterkere positie in gesprekken met provincie, regio en partners. Daardoor neemt de kans toe dat plannen voor toerisme, cultuur en recreatie daadwerkelijk worden opgenomen in regionale programma’s en investeringslijnen. 42. Hoe ziet het traject van stap voor stap groeien we naar een nieuwe gemeente toe? I Graag een uitleg. Het traject richting een mogelijke nieuwe gemeente kent een aantal wettelijke stappen. Lokaal nemen de gemeenteraden daarbij drie afzonderlijke besluiten voordat een herindeling lokaal onomkeerbaar wordt: eerst een principebesluit om een herindelingsontwerp op te stellen, vervolgens het besluit op het herindelingsontwerp en daarna het besluit op het herindelingsadvies.
Na deze drie lokale besluiten volgt een periode van ongeveer anderhalf jaar, waarin het herindelingsadvies wordt getoetst door zowel de provincie als het Rijk. Na goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer wordt de nieuwe gemeente wettelijk vastgesteld. In deze fase bereiden de betrokken gemeenten samen de inrichting van de nieuwe organisatie voor.
43. Waarom worden in het document versterkende termen gebruikt als robuustheid, krachtig of stevig. Is dat om het mooier te laten lijken dan het is? I Waarom komen de woorden respect en begrip zo regelmatig terug in het document? I Is dit er nu dan onvoldoende dat het benadrukt moet worden? I De termen als robuust, krachtig en stevig worden gebruikt omdat dit in het landelijke beleidskader voor herindeling de gebruikelijke begrippen zijn om bestuurskracht te duiden. Het zijn dus geen positieve kwalificaties om iets mooier te laten lijken, maar neutrale woorden die beschrijven wat nodig is om de opgaven in de regio duurzaam uit te voeren. De notitie sluit daarmee aan op de taal en criteria die het Rijk zelf hanteert. De woorden respect en begrip komen terug omdat samenwerking tussen vier gemeenten vraagt om een zorgvuldig proces, waarin verschillen in schaal, positie en lokale belangen worden erkend. Dat betekent niet dat er nu onvoldoende respect is, maar dat het bij zo’n gezamenlijk traject belangrijk is om dit expliciet te borgen. Het benadrukken hiervan helpt om het proces zorgvuldig, gelijkwaardig en transparant te houden. 44. We zien van de vier gemeenten de afzonderlijke uitgangspunten, wat zijn de collectieve uitgangspunten? T Is dit ook in een document gevat? T Zie bijlage 3 – Samen nog sterker, blz.3 en een verdere uitwerking van blz.10 t/m blz.18.