Agendabundel
Tekst van het document
Artikel 28. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Als er een toewijzing is voor een vervoersvoorziening kan het college aan de ouders een vervoersvoorziening toewijzen voor het weekeindevervoer van de leerling. Hierbij geldt dat het gaat om de reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug. Dit mag één keer per weekeind zijn en de weekeinden mogen niet vallen binnen de in het volgende lid bedoelde schoolvakanties. 2. Als er een toewijzing is voor een vervoersvoorziening kan het college aan de ouders een vervoersvoorziening toewijzen voor het vakantievervoer van de leerling. Hierbij geldt dat het gaat om de gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug. Dit mag één keer per schoolvakantie (die bestaat uit meerdere dagen) en de vakantie moet zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 3. Paragraaf 2 van deze verordening is ook van toepassing op het weekeinde en vakantie vervoer, met uitzondering van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a.
Verordening leerlingenvervoer gemeente Duiven 2023 17
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 29. Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet Het college beslist, waar het gaat om de uitvoering van het leerlingenvervoer, in de gevallen die niet zijn beschreven in deze verordening.
Artikel 30. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, in het voordeel van de aanvrager afwijken van de regels in deze verordening. Wanneer nodig kan dat na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.
Artikel 31. Beleidsregels Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening beleidsregels vaststellen.
Artikel 32. Intrekking, inwerkingtreding en citeertitel 1. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Duiven 2014 wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid bedoelde datum. 2. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Duiven 2014 blijft van toepassing ten aanzien van op basis van die Verordening toegekende voorzieningen. 3. Bij een wijziging die op basis van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Duiven 2014 aanleiding zou zijn tot een aanpassing van de toekenning, wordt, in afwijking van het vorige lid, deze aangepaste toekenning gebaseerd op de Verordening leerlingenvervoer gemeente Duiven 2023. 4. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 5. Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Duiven 2023.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum].
De voorzitter,
De griffier,
Verordening leerlingenvervoer gemeente Duiven 2023 18
1 5. 201599728 – beleidsregels leerlingenvervoer Duiven 2023.pdf
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Duiven houdende regels omtrent het vervoeren van leerlingen Het college van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs en gelet op het gestelde in de Verordening leerlingenvervoer gemeente Duiven 2023; overwegende dat: -
het wenselijk is regels te stellen voor de bekostiging van de vervoersvoorzieningen voor leerlingen;
-
deze beleidsregels zijn opgesteld om aanvragen voor leerlingenvervoer op eenduidige manier te kunnen beoordelen.
Besluit vast te stellen de Beleidsregels leerlingenvervoer Duiven 2023 Artikel 1 Begripsomschrijving 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Duiven 2023. 2. Met een deskundige als bedoeld in artikel 1 van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Duiven 2023 wordt geen huisarts bedoeld. Artikel 2 Reistijd Het vaststellen van de reistijd met het openbaar vervoer vindt plaats op basis van de door 9292 Reisinformatiegroep beschikbaar gestelde informatie, www.9292ov.nl. Daarbij wordt uitgegaan van de adressen van de woning en de school. 2. Het vaststellen van de reistijd met het eigen vervoer vindt plaats op basis van de kortste route berekend op basis van de ANWB-routeplanner, www.anwb.nl. Daarbij wordt uitgegaan van de adressen van de woning en de school. 3. Het vaststellen van de afstand tussen de woning en de school vindt plaats op basis van de kortste route berekend op basis van de ANWB-routeplanner, www.anwb.nl. Daarbij wordt uitgegaan van de adressen van de woning en de school. 1.
Artikel 3 Goedkoopst adequate bekostiging van het vervoer Het college gaat bij de bekostiging uit van de goedkoopst adequate mogelijkheid van vervoer. 2. Indien de goedkoopst adequate mogelijkheid van vervoer bestaat uit een combinatie van verschillende vormen van vervoer (bus en trein, fiets en trein, etc.) gaat het college bij de bekostiging daarvan uit. 3. De ouders dienen door middel van (medische) verklaringen van deskundigen aan te tonen dat een voor de gemeente goedkopere wijze van vervoer niet adequaat is. 1.
Artikel 4 Berekening bekostiging openbaar vervoer De bekostiging op basis van openbaar vervoer (met begeleiding) wordt berekend op basis van de kosten van een maandabonnement voor het vervoer met de bus, ook indien de leerling van een ander openbaar vervoermiddel gebruik maakt. Artikel 5 Uitbetaling van de bekostiging De uitbetaling van bekostiging voor de fiets, het openbaar vervoer van de leerling (en eventueel van een begeleider) of het gebruik eigen auto vindt achteraf plaats aan het eind van iedere maand waarop aanspraak bestaat op de bekostiging, met dien verstande dat de eerste betaling niet voor september plaatsvindt en de laatste betaling in juni van het schooljaar plaatsvindt. 2. In bijzondere gevallen kan op verzoek van de ouders bekostiging op een eerder tijdstip plaatsvinden. 3. Indien het vermoeden bestaat dat de bekostiging voor andere doeleinden dan het vervoer van de leerling wordt gebruikt, kan het college de bekostiging doen toekomen aan een ander dan de ouders (bijvoorbeeld de school of hulpverleningsinstantie). 4. Indien de leerling ongeoorloofd verzuimt van school, wordt over de dagen dat sprake is van verzuim, geen bekostiging verstrekt dan wel wordt de bekostiging over die dagen teruggevorderd of verrekend. 1.
Artikel 6 Drempelbedrag 1.
Op aanvraag van de ouders wordt bij de toepassing van het drempelbedrag uitgegaan van het inkomen van een ander, recenter jaar, dan het inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, indien sprake is van: a. een terugval in inkomen over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld; óf
een terugval in inkomen over het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de bekostiging wordt vastgesteld. 2. Voor voogdijinstellingen die als ‘ouder’ kunnen worden aangemerkt en een aanvraag voor een leerling hebben ingediend, geldt geen drempelbedrag omdat zij geen natuurlijke persoon zijn en derhalve geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. b.
Artikel 7 Eén dag per week zelf brengen en halen Op grond van de eigen verantwoordelijkheid van ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen wordt van alle ouders die een aanvraag doen voor aangepast vervoer voor de leerling verwacht dat zij de leerling tenminste één vaste dag per week zelf naar school brengen en halen, of verzorgen dat iemand uit hun netwerk dit doet. Het brengen en halen mag ook over twee vaste dagen worden verdeeld (één dag alleen brengen, de andere dag alleen halen). Ouders ontvangen voor deze vaste dag een vergoeding overeenkomstig de wijze waarop zij de leerling brengen en halen (fietsvergoeding, openbaar vervoer of eigen vervoer). 2. Ouders die in het geheel niet in staat zijn om de leerling te brengen of te halen, moeten dit voor het college genoeglijk aantonen. Daarbij gelden de volgende 1.
uitgangspunten: a. Als een ouder alle weekdagen werk heeft (of reistijd daarheen) op het moment dat de leerling moet reizen, gaan we ervan uit dat de ouder aan de werkgever vraagt om aanpassing van de werktijden op één dag van de week. b. Alleen als de ouder een schriftelijke weigering van de werkgever overlegt, achten we de ouder wegens werk niet in staat om de leerling te brengen en halen. Deze regel geldt voor alleenstaande ouders, co-ouders en ouderparen. c. Als beide ouders alle weekdagen werk hebben (of reistijd daarheen) op het moment dat de leerling moet reizen, worden ouders geacht zelf een oplossing te regelen. Ook als dat aanpassing of inkorting van werktijden van één of beide ouders inhoudt. Het maakt daarbij niet uit of de werkgever wel of niet meewerkt. Deze regel geldt alleen voor ouderparen. Artikel 8 Meerjarige beschikking Een meerjarige beschikking kan worden afgegeven op initiatief van het college. 2. Het college geeft een meerjarige beschikking af op basis van een inschatting van de waarschijnlijkheid dat de leerling in de opvolgende jaren een gelijkluidende 1.
beschikking zal ontvangen. Deze inschatting wordt gemaakt op basis van een veelheid van factoren, waaronder de school, de leeftijd, de afstand, de aard van de
beperking, de beschikbaarheid van passend openbaar vervoer, de kosten van eventueel aangepast vervoer en meer. 3. Ouders blijven daarnaast op grond van artikel 9 van de verordening verplicht om dergelijke wijzigingen, wanneer deze zich voordoen, schriftelijk en onverwijld mee te delen aan het college. De gemeente stuurt hier jaarlijks een herinnering voor. 4. Een meerjarige beschikking stopt altijd bij de overgang naar voortgezet (speciaal) onderwijs, een andere wisseling van school, een verhuizing van de leerling of de school. In het geval de beschikking stopt om één van deze redenen kan er een nieuwe beoordeling worden gedaan voor de nieuwe situatie. 5.
Indien er sprake is van bekostiging van het vervoer per fiets, OV of eigen auto wordt per schooljaar uitbetaald volgens de richtlijnen als genoemd in artikel 5.
Artikel 9 Tijdelijk verblijf 1.
Een aanvraag voor leerlingenvervoer moet worden gedaan bij het college van de
gemeente waar de leerling verblijft. 2. Als vooraf vaststaat dat een leerling, die een bekostiging ontvangt, gedurende een korte periode (niet meer dan zes weken) in een andere gemeente verblijft en de oude school blijft bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente. Artikel 10 Handicap Indien in de verordening wordt gesproken over handicap of beperking, wordt een structurele handicap bedoeld. Het college verzorgt geen vervoer om tijdelijke medische redenen, zoals een gebroken been of arm. 2. Bij een tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden kan het college de leerling een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer verstrekken voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. De kosten van de eerste drie maanden 1.
van die vervoersvoorziening zijn voor rekening van de ouders en/of de leerling indien die meerderjarig en handelingsbekwaam is.
Artikel 11 Opstapplaatsen Het college wijst een leerling toe aan een opstapplaats voor aangepast vervoer wanneer dit de doelmatigheid van het vervoer vergroot; met in acht neming van alles wat in de verordening onder artikel 8 bepaald is. 2. Het tot stand komen van opstapplaatsen in de gemeente Duiven gaat in overleg 1.
tussen consulenten en ouder(s) en vervoerder. Een opstapplaats voldoet aan een
aantal eisen, te weten: er is beschutting, de plek is een veilige plaats om te wachten, de plek is op een veilige wijze goed bereikbaar voor zowel ouder(s), leerling(en) en vervoerder. 3. Het is de verantwoordelijkheid van ouders: a. dat de leerling tijdig op de opstapplaats is en dat de leerling daar veilig kan wachten en geen overlast veroorzaakt b. om de leerling indien nodig op te halen op de opstapplaats (bij de terugrit) en naar huis of elders te begeleiden. 4. De reistijd naar de opstapplaats telt niet mee in de bepaling van de reistijd in het voertuig voor aangepast vervoer zoals gesteld bij artikel 1 van de verordening. 5. De wachttijd bij een opstapplaats geldt wel als reistijd en is in alle gevallen ten hoogste 10 minuten. 6. In de wet op het primair onderwijs (artikel 4 WPO, WEC en WVO, bij allen vierde lid) is gesteld dat gemeenten bij de uitvoering en opstelling van hun gemeentelijke verordening rekening moeten houden met de “draaglast van ouders”. Dat wil zeggen de redelijkerwijs te vergen inzet van ouders. Met betrekking tot het brengen naar en halen van de opstapplaats wordt de inzet van ouders hier gelijk getrokken met ouders van wie de kinderen in de wijk naar school toe gaan. Op het moment dat ouders dit niet zelf kunnen, zullen de ouders hiervoor zelf een oplossing moeten zoeken. 7.
Om onbillijke situaties te voorkomen of te verhelpen kunnen de ouders van een kind dat met het aangepast vervoer naar school gaat een verzoek doen om vervoer vanaf de woning toe te kennen. Ouder(s) wordt gevraagd om aantoonbare en (medische) onderbouwende argumenten, zie artikel 15 van deze beleidsregels. 8. Wanneer de situatie om aanpassing van de voorziening vraagt, bijvoorbeeld omdat er door veranderende omstandigheden sprake is van ernstige benadeling, dan vraagt de situatie om een nieuwe beoordeling zoals bedoeld in artikel 9, lid 2 van de verordening. Artikel 12 Vervoer naar een opvangadres, anders dan het woonadres 1.
In bijzondere gevallen kan het college toestemming geven voor het vervoer naar een opvangadres, anders dan het woonadres. Er moet dan voldaan zijn aan het volgende: a. de ouders moeten hierom schriftelijk verzoeken; en b. de ouders ontvangen bekostiging op basis van aangepast vervoer; en c. het opvangadres ligt binnen de gemeentegrens; en d. er zijn geen meerkosten verbonden aan het vervoer naar het opvangadres.
2.
Er kan slechts toestemming worden verleend voor vervoer van en naar één opvangadres anders dan het woonadres.
Het vervoer vindt plaats in aansluiting op de reguliere eindtijd van de school volgens de schoolgids. Er dient sprake te zijn van een vast patroon. Dat wil zeggen één vast adres alsook op vaste dagen per week. 4. Vervoer vanaf het opvangadres naar het thuisadres valt buiten het leerlingenvervoer en is de verantwoordelijkheid van de ouders. 5. Indien het vervoer naar het opvangadres meerkosten met zich meebrengt, wordt het vervoer in beginsel niet toegestaan. Indien het college dit wel toestaat, dienen de ouders de meerkosten te vergoeden. 6. Indien sprake is van co-ouderschap moeten beide ouders een aanvraag indienen bij 3.
het college van de gemeente waar de leerling feitelijk verblijft. Dit is de gemeente waar de woning staat van waaruit de leerling de school bezoekt. Artikel 13 Doorgeven wijzigingen 1.
De wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening en die ouders in ieder geval verplicht zijn onverwijld door te geven aan het college zijn tenminste de volgende: a. wijziging van het verblijfadres van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing; b. wijziging van (het adres van) de school;
wijziging van de schooltijden van de school; d. ziekte of andere omstandigheden waardoor de leerling tijdelijk (langer dan twee weken) of blijvend de school niet langer bezoekt; e. wijzigingen in de gezinssituatie of omstandigheden op grond waarvan bekostiging op basis van aangepast vervoer is verstrekt. 2. De ouders van een leerling die meer dan 5 keer een wijziging niet doorgeven met een loosmelding als gevolg, krijgen een schriftelijke waarschuwing. Bij herhaling kan de leerling van het vervoer worden geschorst voor 5 schooldagen periode die door het college kenbaar wordt gemaakt. Tijdens de schorsing dienen de ouders het kind zelf c.
naar school te vervoeren. Artikel 14 Incidentele wijzigingen Het door het college verzorgde vervoer vindt alleen plaats in aansluiting op het begin en einde van de reguliere schooltijden zoals aangegeven in de schoolgids. 2. Het college is niet verantwoordelijk voor wijzigingen in het vervoer indien vanwege ziekte, vervallen lesuren of om andere redenen afgeweken wordt van de in de schoolgids aangegeven lestijden. In voorkomende situaties dienen de ouders zelf zorg te dragen voor het vervoer. 1.
3.
Uitsluitend indien de structurele handicap van de leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, kan vervoer buiten de
schooltijden plaatsvinden. De ouders moeten de noodzaak hiervan met een medische verklaring aantonen. Artikel 15 Ernstige benadeling Als de leerling met begeleiding kan reizen, maar het begeleiden van de leerling is voor de ouders onmogelijk of leidt tot ernstige benadeling van de leerling of het gezin dan kan het college onder voorwaarden een voorziening voor aangepast vervoer verstrekken. De voorwaarden worden opgenomen in de beschikking. 2. De genoemde voorwaarden zijn altijd gericht op het vergroten van de 1.
zelfredzaamheid van de leerling en/of het anderszins verminderen van de belasting voor de leerling en/of het gezin, zodat de leerling op termijn zelfstandig of met begeleiding gebruik kan maken van het openbaar vervoer. 3. Indien blijkt dat de ouders niet voldoen aan de gestelde voorwaarden en dit naar het oordeel van het college aan de ouders kan worden toegerekend, wordt in een volgende periode de aanvraag voor aangepast vervoer afgewezen. 4. De begeleiding door ouders bij vervoer per fiets of OV is, tijdelijk, niet vereist (en is dus aangepast vervoer vereist) als: a. het een eenoudergezin betreft waarin nog een 2e kind jonger dan 9 jaar aanwezig is, dat nog niet zelfstandig naar school kan gaan en tegelijkertijd naar een andere school gebracht moet worden en de ouder werkt of een dagopleiding volgt en werk- of lestijden het onmogelijk maken het kind te begeleiden en er geen andere oplossingen binnen het netwerk aanwezig zijn. De bewijslast ligt hiervoor bij de ouder; b. het een eenoudergezin betreft waarin een 2e kind ouder dan 9 jaar aanwezig is, maar door een medische aandoening extra zorg van de ouder nodig heeft en daardoor niet alleen naar school kan of alleen thuis kan blijven en hiervoor geen andere oplossingen binnen het netwerk aanwezig is.
Dit dient door een medische deskundige te worden vastgesteld en de ouder dient hiervoor een medische verklaring te leveren; c. door een medisch deskundige is vastgesteld dat er medische redenen zijn die ouders belemmeren het kind te begeleiden, hiervan een verklaring is overlegd en er geen andere oplossingen binnen het netwerk aanwezig zijn.
Artikel 16 Gedragsregels ten behoeve van aangepast vervoer Zoals in artikel 10 van de verordening staat kan vervoer ontzegd worden. Onderscheid wordt gemaakt tussen acute overschrijding (incident) en verstoringen van de orde in het vervoersmiddel. 2. De ouders van een leerling die zich niet houdt aan de gedragsregels krijgen een schriftelijke waarschuwing. Bij herhaling van het gedrag kan de leerling van het vervoer worden geschorst voor een langere periode zoals bepaald in het incidentenprotocol van de vervoerder. 3. Bij een incident treedt het incidentenprotocol van de vervoerder (AVAN) in werking en 1.
geldt er een afkoelperiode van 1 dag. 4. Bij een schorsing zoals in lid 2, wordt dit door het college mondeling en schriftelijk kenbaar gemaakt. Tijdens de schorsing dienen de ouders het kind zelf naar school te vervoeren. 5. Indien het gedrag terug te voeren is op de ernstige verstandelijke handicap van de leerling en derhalve niet aan de leerling of de ouders kan worden toegerekend, wordt met de vervoerder, ouders, en eventueel de school een passende oplossing gezocht (bijv. begeleiding in het aangepast vervoer, eigen vervoer). Artikel 17 Stagevervoer Zoals gesteld in artikel 20 van de verordening leerlingenvervoer 2023 Duiven gelden er specifieke regels omtrent de vervoersvoorziening naar stage. Leerlingen komen slechts voor vervoer ten behoeve van een stage in aanmerking indien de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar school ontvangt én de stage onderdeel van het onderwijsprogramma is. 2. Een verzoek om vervoer naar een stageadres moet vergezeld gaan van een stageovereenkomst. 1.
3.
Vervoer naar stageadressen vindt niet plaats buiten de reguliere schooltijden.
Artikel 18 Taalklas 1.
Voor een leerling die de Taalklas in het basisonderwijs bezoekt kan een vervoersvoorziening worden toegewezen als: a) De leerling vanwege een status als vluchteling (statushouder) in Nederland is en het Nederlands nog niet machtig is. b) de leerling niet zelfstandig naar school kan lopen en fietsen tenzij de Taalklas in de eigen woonplaats wordt gegeven. c)
de leerling ook niet zelfstandig met openbaar vervoer naar school kan reizen.
de ouders op hetzelfde moment naar inburgeringslessen gaan en daardoor niet (altijd) in staat zijn om lopend, fietsend of in het openbaar vervoer begeleiding te bieden. 2. Zolang de leerling de dichtstbijzijnde taalklas bezoekt geldt deze als dichtstbijzijnde toegankelijke school en is het afstandscriterium van artikel 7 van de verordening leerlingenvervoer 2023 Duiven niet van toepassing. 3. In beginsel zal voor de eerste 3 maanden aangepast vervoer worden toegewezen op basis van de “intake huisvesting ouder(s) en kinderen”. Na drie maanden vervalt de toekenning en moet tijdig een aanvraag worden gedaan. d)
Bij een (vervolg)aanvraag ontstaat voor de leerling recht op bekostiging openbaar vervoer met of zonder begeleiding. Ouders zijn verplicht om waar mogelijk te kiezen voor inburgering op tijden en plaatsen die het toelaten dat zij ook hun kind naar en van school begeleiden. Als dit niet lukt, is dat voldoende reden om voor die dagen het aangepast vervoer te blijven toekennen als de leerling niet zelfstandig of door anderen begeleid naar school kan reizen. Deze situatie loopt tot einde Taalklas met een maximum van 1 jaar (voor een nieuw schooljaar moet wel een nieuwe aanvraag worden gedaan). 5. De ouders of verzorgers of begeleiders worden geacht in de periode waarin de leerling met taxivervoer reist samen met de leerling te oefenen in het reizen naar school met 4.
openbaar vervoer of met de fiets. De kosten die het oefenen met zich meebrengt worden door de gemeente vergoed. 6. Wanneer een taalklas vol is en een leerling gebruik moet maken van een taalklas die verder weg gelegen is wordt deze gedurende het gehele (resterende) schooljaar als meest dichtstbijzijnde toegankelijke school gezien. Bij een nieuwe aanvraag wordt met de aanvrager afgewogen om eventueel te wisselen naar een taalklas die dichter bij gelegen is, waardoor bijvoorbeeld zelfstandig reizen per fiets gemakkelijker te realiseren is. Artikel 19 Vervoervoorziening naar VSO-scholen In aanvulling op artikel 17 van de verordening wordt voor een leerling die een school voor voortgezet speciaal onderwijs (VSO) bezoekt een voorziening voor openbaar vervoer toegekend indien de afstand van de woning naar de school groter is dan 6 kilometer, ongeacht of er sprake is van begeleiding. 2. Aan een leerling die een VSO-school bezoekt wordt uitsluitend aangepast vervoer toegekend in de volgende situaties: a) Ouders kunnen aantonen met onderbouwende (medische) verklaringen dat de leerling nog niet of tijdelijk niet in staat is zelfstandig te reizen. De 1.
voorziening aangepast vervoer wordt tijdelijk toegekend onder voorwaarde
dat de leerling deelneemt aan een traject om zelfstandig te leren reizen zodra de gemeente hem daarvoor oproept. b) De voorziening wordt toegekend voor maximaal vier maanden en eindigt altijd met het schooljaar. Wanneer het schooljaar na de vier maanden nog niet afgelopen is, wordt voor de resterende maanden in dezelfde beschikking OV toegekend. c) De leerling is rolstoel gebonden en de leerling kan de school niet met de rolstoel (over de stoep) of de trein (gelijkvloerse verbinding) bereiken, hierbij wordt voor de duur van de toewijzing afgeweken van lid b uit artikel 19.
Artikel 20 Training in zelfstandig reizen Een leerling in het voortgezet (speciaal) onderwijs voor wie een voorziening voor aangepast vervoer is toegekend, kan op grond van artikel 17 van de verordening worden opgeroepen voor een training in zelfstandig reizen. 2. De oproep houdt in dat de leerling en de ouders een intake krijgen met de organisatie die de training verzorgt. 3. Bij de intake wordt door een deskundige beoordeeld of de leerling klaar is om aan 1.
een training te beginnen en welke vorm van training passend is voor de leerling. 4. Ouders dienen naar vermogen mee te werken aan de intake en de training. Bij weigering van de ouders vervalt de aanspraak op aangepast vervoer. Artikel 21 combinatie zorg en onderwijs 1. Rekening houdend met artikel 6 lid 1 uit de verordening kan het college bepalen dat
een school die verder weg gelegen is wel de meest toegankelijke school betreft. Leerlingen die naar een voorziening gaan die een combinatie van onderwijs en jeugdhulp/-zorg aanbieden, kunnen een aanvraag doen voor de vervoersvoorziening. 2. Een leerling komt in aanmerking voor het leerlingenvervoer als: a) b)
c) d) e)
De onderwijs-/zorgvoorziening overwegend (méér dan 50%) onderwijs aanbiedt, ten opzichte van de geleverde jeugdhulp/-zorg; én De voorziening dient dit aantoonbaar te maken door middel van een schriftelijke verklaring welke naar het oordeel van het college voldoende gemotiveerd is; én Het doel van de voorziening moet zijn dat leerlingen terugkeren naar het onderwijs; én De voorziening dient in het bezit te zijn van een BRIN-nummer; én de reguliere schooltijden dienen te worden aangehouden.
Om van deze vervoersvoorziening gebruik te kunnen maken moet er een bijlage toegevoegd worden bij de aanvraag. Deze bijlage omvat op zijn minst: 1. Documentatie waaruit blijkt dat de onderwijs-/zorgvoorziening volgens alle betrokkenen de dichtstbijzijnde en best passende onderwijsplek is voor het kind. 2. Documentatie zoals in lid 1 kan zijn: een verklaring, notulen (van een zorgoverleg), een ondersteuningsplan (van het samenwerkingsverband) waarin de aanvraag wordt beargumenteerd. 3. Een verklaring waaruit blijkt dat het samenwerkingsverband bij het tot stand komen van deze aanvraag betrokken is.
1 6. 201599827 – advies Raad voor Sociaal Domein.pdf
Raad voor Sociaal Domein Duiven P/a Orgelstraat 9 6922 JJ DUIVEN info@rvsdd.nl www.rvsdd.nl Gemeente Duiven T.a.v. het College van Burgemeester en Wethouders Postbus 6 6920 AA DUIVEN Duiven, 30 januari 2023 Ons kenmerk: 2023-002/CvG/vf Uw kenmerk: Betreft: Advies Verordening en beleidsregels leerlingenvervoer Geacht College, Het college van burgemeester en wethouders heeft in het verzoek van 25 januari 2023 de Raad voor Sociaal Domein Duiven (RvSDD) gevraagd advies uit te brengen met betrekking tot het actualiseren van de verordening en de beleidsregels voor het leerlingenvervoer. Algemeen
1. Allereerst blijkt dat de geactualiseerde verordening gaat gelden voor de gemeenten Duiven en Westervoort. Hierdoor wordt het ook in Duiven weer mogelijk om gebruik te gaan maken van opstapplaatsen. De RvSDD kan zich hier in vinden op voorwaarde dat bij de uitvoering zeer zorgvuldig wordt afgewogen of het voor het betrokken kind, maar ook voor het gezin haalbaar is om op deze manier het vervoer naar school te regelen. Daarnaast moet de opstapplaats voldoende veiligheid, ruimte en beschutting te bieden en zich in de buurt van de woning te bevinden. 2. Het valt de RvSDD op dat in de huidige verordening de kosten meer leidend lijken te zijn dan het vinden van de menselijke maat voor de betrokken kinderen en hun ouders. Inhoudelijk - Verordening artikel 2.8: toekenning vervoersvergoeding Hierin wordt gesteld dat vervoer uitsluitend mogelijk is naar de dichtstbijzijnde school. De RvSDD is van mening dat niet in alle gevallen de dichtstbijzijnde school de meest geschikte voor een kind zal zijn en adviseert dan ook om in de verordening dan wel in de beleidsregels ruimte te maken om van dit artikel af te wijken. Wij adviseren het college om in de verordening dan wel in de beleidsregels ruimte te maken om van dit artikel af te wijken.
Advies Verordening en beleidsregels leerlingenvervoer
1
- Verordening artikel 4: aanvraagprocedure Aangezien de periode waarin het college moet besluiten tot 8 weken kan duren, adviseert de RvSDD een mogelijkheid voor een spoedprocedure in de verordening dan wel in de beleidsregels op te nemen, indien de situatie van het kind en/of de ouders/opvoeders hiertoe aanleiding geeft. Wij adviseren het college een mogelijkheid voor een spoedprocedure in de verordening dan wel in de beleidsregels op te nemen. - Verordening artikel 7: afstandsgrens Er wordt een afstand gehanteerd van woning/opstapplaats naar school. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt. De RvSDD stelt dat dit leidt tot ongewenste en onaanvaardbare verschillen voor de inwoners van Duiven, waar zij ook geen invloed op kunnen uitoefenen. Deze afstandsgrens zorgt ook voor een ongelijkheid, waarin bepaald wordt wie wel of geen recht heeft op een vervoersvoorziening. De RvSDD adviseert hierbij te streven naar gelijkheid voor alle inwoners en de afstandsregel te vervangen door een regeling die recht doet aan een gelijkwaardige behandeling van alle inwoners, ongeacht hun woonadres. Wij adviseren het college de afstandsregel te vervangen door een regeling die recht doet aan een gelijkwaardige behandeling van alles inwoners, ongeacht hun woonadres.
- Verordening artikel 8: opstapplaatsen Zie de opmerkingen hierover onder het kopje algemeen. Wij adviseren het college bij de uitvoering van het beleid rekening te houden met het gestelde onder het kopje algemeen. - Verordening artikel 20, 3d: Vervoersvoorziening naar stage De eis dat een stageplek op de route van de woning naar de school moet liggen, lijkt de RvSDD in de praktijk onhaalbaar, gezien de grote problemen die leerlingen hebben om een passende stageplek te vinden. De RvSDD adviseert dan ook om deze bepaling aan te passen. Wij adviseren het college dit artikel aan te passen naar een praktische haalbaarheid. Beleidsregels In zijn algemeenheid adviseert de RvSDD om in de beleidsregels ruimte te maken voor de menselijke maat en meer te kijken naar de individuele situatie. Dit kan ook betekenen dat er op een creatieve manier naar oplossingen voor de meest geschikte manier van vervoer gezocht kan worden, waarbij het niet uitgesloten is dat dit in deze situaties ook kostenbesparend kan zijn. Wij adviseren het college om in de beleidsregels ruimte te maken voor de menselijke maakt en te kijken naar de individuele situatie. Regelmatig wordt in de beleidsregels geschreven over (medische) verklaringen die ouders aan moeten leveren om hun verzoek te onderbouwen.
De RvSDD adviseert om dit uit te breiden met psychische en psychosociale verklaringen die opgesteld kunnen worden door een andere professional dan een arts.
Advies Verordening en beleidsregels leerlingenvervoer
2
Wij adviseren het college om de beleidsregels uit te breiden met psychische en psychosociale verklaringen naast de medische verklaringen. De Raad voor Sociaal Domein Duiven adviseert het college van burgemeester en wethouders om de adviezen over te nemen en te verwerken in de verordening en de beleidsregels leerlingenvervoer. Daarnaast verzoeken wij het college om dit advies ter kennisneming te brengen aan de gemeenteraad. Met vriendelijke groeten, Raad voor Sociaal Domein Duiven
J.P.M. Seijsener voorzitter
Advies Verordening en beleidsregels leerlingenvervoer
3
1 7. 201599930 – veranderingen verordening 2023 t.o.v. verordening 2014.pdf
Veranderingen nieuwe verordening leerlingenvervoer 2023 Paragraaf 1; Algemene bepalingen Artikel 1. Toegevoegd b (aanvrager) Toegevoegd e (college) Toegevoegd h (deskundige) Toegevoegd j (gehandicapte leerling) Aanvulling op o (opstapplaats) Toegevoegd p (opvangadres) Vervallen uit verordening 2014 punt j (opdc) Vervallen uit verordening 2014 punt n (regionale verwijzingscommisie) Artikel 2. Toegevoegd lid 5 t/m 8. Artikel 3. Toegevoegd in zijn geheel.
Paragraaf 2; aanvraagprocedure Artikel 4. Is in de verordening 2014 artikel 5. Toegevoegd lid 3, 6, 8, 9. Artikel 5. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op zelfredzaamheid en zelfstandigheid.
Paragraaf 3; beoordeling van de aanspraak Artikel 6 Is in de verordening 2014 artikel 3. Toegevoegd lid 2 en 3. Vervallen lid 3 uit de verordening 2014. Artikel 7. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op de afstandsgrens. Artikel 8. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op de opstapplaatsen.
Artikel 9. Is in de verordening 2014 artikel 6. lid 2 aangepast, lid 3 tekstueel duidelijker. Artikel 10. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op ontzegging van het vervoer. Artikel 11. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op de begeleiding. Artikel 12. Is in de verordening 2014 artikel 7. Artikel 13. Is in de verordening 2014 artikel 8. Artikel 14. Toegevoegd in zijn geheel.
Paragraaf 4; verstrekking aard en omvang Artikel 15. Is in de verordening 2014 artikel 10. Toegevoegd lid 3. Artikel 11 uit de verordening 2014 is gesplitst in artikel 16 nieuwe verordening 2023 en artikel 17 nieuwe verordening 2023 Artikel 16. Is in de verordening 2014 artikel 11. Artikel 17. Is in de verordening 2014 artikel 11. Toegevoegd in zijn geheel Gaat in op de rol van de begeleiding en de (inspannings)verplichting om zelfstandig te leren reizen. Artikel 18. Is in de verordening 2014 artikel 12. Artikel 19. Is in de verordening 2014 artikel 13. Artikel 19. Toegevoegd lid 6. Artikel 20. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op de mogelijkheden rondom stage
Artikel 21. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op de vervoer van en naar opvangadres. Artikel 22. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op de bekostiging andere passende vervoersvoorziening. Artikel 23. Is in de verordening 2014 artikel 14. Toegevoegd lid 6. Artikel 24. Is in de verordening 2014 artikel 15. Genoemde bedragen geactualiseerd. Artikel 25. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op andere vergoedingen. Artikel 26. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op tijdelijk verblijf buiten de gemeente (crisissituatie bijv.) Artikel 27. Is in de verordening 2014 artikel 20. Artikel 28. Is in de verordening 2014 artikel 21. Paragraaf 5; slotbepalingen. Artikel 29. Is in de verordening 2014 artikel 22. Artikel 30. Is in de verordening 2014 artikel 23. Artikel 31. Toegevoegd in zijn geheel. Gaat inhoudelijk in op de beleidsregels. Artikel 32. Is in de verordening 2014 artikel 24 en 25.
1 8. 201601415 – reactie advies Raad voor Sociaal Domein Duiven.pdf
Gemeente Duiven
Raad voor Sociaal Domein Duiven P/a Orgelstraat 9 6922JJ Duiven
datum zaaknummer onderwerp contactpersoon
: : : :
Koning Willem-Alexanderplein 1 Postbus 6 6920 AA Duiven (0316) 279 111 gemeente@duiven.nl www.duiven.nl
8 februari 2023 Z/23/103989 /201601415 reactie advies raad voor sociaal domein Arthur de Boer
Geachte leden van de Raad voor Sociaal Domein, CC Gemeenteraad In uw advies d.d. 30 januari geeft u het college een aantal adviespunten mee. Het college bedankt de Raad voor Sociaal Domein Duiven voor het uitgebrachte advies. Het college gaat daar graag puntsgewijs op in. Met betrekking tot de verordening adviseert de Raad voor Sociaal Domein: 1. Inhoudelijk adviseert de RvSDD met betrekking tot in de verordening gestelde artikel 2 lid 8 dat de mogelijkheid ruimte te bieden om af te wijken van de meest geschikte dichtstbijzijnde school. Op dit punt is afwijking mogelijk en daartoe is artikel 6 lid 4 uit de verordening leidend. 2. Inhoudelijk adviseert de RvSDD met betrekking tot de in de verordening gestelde artikel 4 een spoedprocedure. Het uiterlijke termijn van beslissen is opgenomen in de verordening en gesteld op 8 weken met een eventuele verlenging van 4 weken. Dit termijn is met name van belang voor de periode voor aanvang van een nieuwe schooljaar. In de praktijk worden zaken waarbij sprake is van enige spoed door de consulenten vlot opgepakt. Het college is van mening dat er niet een aparte spoedprocedure ingesteld moet worden omdat in principe elke aanvraag vlot opgepakt kan worden. 3. Inhoudelijk adviseert de RvSDD met betrekking tot in de verordening gestelde artikel 7 dat de afstandsgrens vervangen moet worden voor een andere criteria zoals gemeentegrens.
De afstandsgrens geldt voor leerlingen uit het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs. In de praktijk zijn de scholen in het basisonderwijs binnen de 6 km toegankelijk voor leerlingen uit Duiven. De afstandsgrens van 6 km wordt landelijk geadviseerd als redelijke grens. Deze afstand wordt gezien als mogelijkheid van ouders om het vervoer zelf vorm te geven. Hier wil het college dan ook aan vasthouden omwille de uitgangspunten van de gemeente de eigen kracht, zelfredzaamheid en zelfstandigheid aan te blijven moedigen. Uiteraard heeft de verordening een hardheidsclausule waar eventueel gebruik van gemaakt kan worden in bijzondere gevallen, zie artikel 30 van de verordening.
4. Inhoudelijk reageert de RvSDD met betrekking tot in de verordening genoemde opstapplaatsen in zijn algemeenheid instemmend, mits de menselijke maat en de zorgvuldige afweging aan de orde is. Het college stelt dat de verordening en de beleidsregels voldoende ruimte geeft om rekening te houden met de menselijke maat. De verordening maakt de opstapplaatsen juridisch mogelijk en de beleidsregels geeft aan hoe de gemeente daarmee denkt om te gaan. De realiteit is dat het college voorstelt om gefaseerd te werk te gaan met de invoering waardoor in de uitvoering ruimte is om de menselijke maat goed in het oog te houden. De volledig nieuwe aanvragen zullen als eerste in aanmerking komen voor de opstapplaatsen en de leerlingen die van onderwijssysteem overstappen. 5. Inhoudelijk adviseert de RvSDD met betrekking tot in de verordening gestelde artikel 20 het lid te verwijderen dat de stageplaats op de route moet liggen van woning naar school. Het college heeft besloten dit lid uit de verordening te laten en is het eens met het advies van de Raad voor Sociaal Domein Duiven. Met betrekking tot de beleidsregels adviseert de Raad voor Sociaal Domein Duiven: 1. Om in de beleidsregels ruimte te maken voor de menselijke maat en meer te kijken naar de individuele situatie en creatieve oplossingen te zoeken.
Het college juicht dat toe en de ruimte is er binnen de verordening in artikel 2 (toekenning vervoersvoorziening) en artikel 22 in de verordening (Bekostiging andere passende vervoersvoorziening). Een voorbeeld is het bijdragen in de bekostiging van een fietstandem waardoor ouder(s) en kind samen de weg naar school kunnen afleggen. 2. Om de term (medische) verklaringen uit te breiden met psychische en psychosociale verklaringen. Het college neemt dit advies niet over. De verordening gaat uit van ‘de informatie die nodig is om de beoordeling te kunnen maken’ (verordening artikel 4). Om uit de definitiediscussie te blijven wat een psychische verklaring is en wie dat wel of niet af mag geven hebben we dit expliciet niet opgenomen.
Met vriendelijke groeten, burgemeester en wethouders van Duiven
mr. drs. R.J. (Rutger) Rutger den Haan gemeentesecretaris
mr. H.B. (Huub) Hieltjes burgemeester
Pagina 2
1 Antwoord DOED - leerlingenvervoer tech.vragen.docx
Technische vragen politieke avond 7 maart 2023 Leerlingenvervoer: -
Verordening is samenwerking met diverse gemeenten met het belang om hetzelfde beleid te kunnen voeren > wat als Duiven niet instemt > heeft Duiven nog een keus om niet in te stemmen? (T) Ja, duiven kan ook niet instemmen. Dan blijft de verordening uit 2014 in stand. Daarmee regelt de gemeente tot op heden het leerlingenvervoer. -
Een groter beroep op zelfredzaamheid en zelf-organiserend vermogen zijn een grondslag voor het beleid > de randen hiervan worden in de afnemende verzorgingsstaat steeds meer opgezocht. Wordt hier niet teveel nadruk op gelegd terwijl de doelgroep en ouders juist zorg nodig hebben? (P) Stimuleren zelfstandigheid is goed maar zijn deze mogelijkheden wel voldoende onderzocht op haalbaarheid en wat is hier van de uitkomst en onderbouwing? (I/P) Wat is hiervan de financiële impact en organisatorisch haalbaarheid qua vervoer en inzet van extra personeel voor de persoonlijke gesprekken? (I) Daar waar de zorg nodig is blijft die bestaan. Daar waar het niet nodig is zal het niet door de gemeente vergoed worden. Dit spanningsveld is er altijd al geweest met de verzorgingsstaat. Het blijven bieden van het maatwerk daar waar het nodig is blijft. Het stimuleren van zelfredzaamheid is wat er bij hoort en iets wat opgenomen is in de visie samen sterk. Het gebruik maken van de mogelijkheden van leerlingen en ouders die tot meer in staat zijn (meer zelfstandig zijn / zelfredzaamheid tonen) is onvermijdelijk. Dit kan bijdragen aan het in stand houden van het leerlingenvervoer voor die de zorg werkelijk nog harder nodig hebben. Wat betreft stimuleren zelfstandigheid: Het gaat hier echt om maatwerk, om samenwerking tussen ouders en gemeente.
Ja, we bieden het maatwerk waar nodig, maar zullen ook meedenken in de mogelijkheden en (vaak over het algemeen de wens van de ouders) om zelfstandigheid van hun kind op den duur te vergroten. Door gefaseerd te werk te gaan én meerjarige beschikkingen vaker af te geven zullen we in de uitvoer ruimte creëren. Op die manier kunnen we bij gezinnen waar we meer progressie zien nauwer aansluiten én belasten we gezinnen minder die jaar in - jaar uit in nagenoeg dezelfde situatie zitten. De middelen (personeel), maar ook begeleiding voor zelfstandig reizen zijn beperkt. De fasering bij invoer van opstapplaatsen helpt om de uitvoer mogelijk te maken en dat zorgvuldig stap voor stap vorm te geven. -
-
Hoe wordt in de aanpak van de persoonlijke gesprekken geborgd dat deze objectief zijn om de werkelijke zelfstandigheid van de client en het zelf-organiserend vermogen van de ouders te toetsen, dusdanig dat dit geen klassiek keukentafel gesprek wordt waarin toegestuurd wordt naar de gewenste nieuwe leerlingenverordening (P) Waarom wordt de gemeenteraad pas nu in het proces betrokken, waar dit al gevraagd is per einde 2021? Is de raad geen onderdeel van een zeer zorgvuldig te doorlopen proces? (P)
-
Zijn de tijdslijnen om de nieuwe verordening te implementeren niet te kort om dit ook zorgvuldig in gang te zetten voor 2023? (P) - Wat is de financiële impact van de nieuwe verordening t.o.v. de huidige kosten voor ons als gemeente? (T) Financieel verwachten we geen veranderingen bij gelijkblijvende prijzen in het vervoer. Het college verwacht komende jaren een stijging van de kosten vanwege de hoge inflatie. -
Kan men aangeven hoe groot de groep is (in personen/kinderen) die onder de ‘verordening leerlingenvervoer’ zal vallen. (T) op dit moment is de groep zo samengesteld: aantal leerlingen in het vervoer maart 2023 Volledig aangepast vervoer
77
Aangepast + eigen vervoer
26
Volledig eigen vervoer
13
Aangepast vervoer en openbaar vervoer
4
Openbaar vervoer
10
Fiets/scooter
1
Totaal
131
- Kan men aangeven hoeveel personen/kinderen in aanmerking komen voor maatwerk? (T) Maatwerk staat open voor iedereen als daar een grond toe is. Zie ook de volgende vraag. - Welke criteria en door wie wordt het maatwerk, als genoemd in de verordening, beoordeeld. (I) Voor maatwerk kunnen we geen criteria opstellen, de gezinnen en leerlingen worden individueel beoordeeld. Wel is de wens om bepaalde doelgroepen te ontzien door de meerjarige beschikkingen. Denk aan de leerlingen die vanuit wet passend onderwijs beoordeeld zijn voor toelating tot speciaal onderwijs (ook wel bekend als de TLV). Sommige kinderen functioneren niet op hun kalenderleeftijd en bestaat soms zelfs de verwachting dat hun situatie (lange tijd) hetzelfde blijft. 201599730 – verordening leerlingenvervoer Duiven 2023 Artikel 2 lid 7 Het college kan aan de toewijzing van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. (T)
Welke ‘nadere’ voorwaarden kunnen verbonden worden aan de toewijzing?
Bijvoorbeeld dat wanneer een meerjarige beschikking wordt afgegeven voor een aantal jaren en de aard van de toekenning bijvoorbeeld maatwerk is, dat dit gedurende die periode als meest passende voorziening geldt. Hierbij kan gedacht worden in het (mede) bekostigen van een fietstandem o.i.d. Het kan namelijk niet zo zijn dat na twee maanden iemand weer afziet van een dergelijke voorziening die (mede) door de gemeente bekostigd is. (Natuurlijk kan het verkeren.)
Artikel 4 lid 4 en 5 4: Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 5: Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken uitstellen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis uiterlijk voor afloop van de in lid 4 gestelde termijn. Wat zijn gronden waarop het college 4 weken kan uitstellen? (T) Hiermee sluit de verordening aan bij de 8 weken en 4 weken termijnen die gelden in artikel 4:13 van de Awb. In de praktijk worden aanvragen binnen 8 weken behandeld. Uitstel kan bijvoorbeeld nodig zijn als een onderzoek van een deskundige meer tijd vergt.
1 Antwoord Lokaal Alternatief - leerlingenvervoer TIP.docx
Lokaal Alternatief Verordening Leerlingenvervoer Duiven 2023 Artikel 7 Eén dag per week zelf brengen en halen “….wordt van alle ouders die een aanvraag doen voor aangepast vervoer voor de leerling verwacht dat zij de leerling tenminste één vaste dag per week zelf naar school brengen en halen, of verzorgen dat iemand uit hun netwerk dit doet. Vraag: Hoe werkt dat als jij of je netwerk geen auto, bus hebt waar bv een rolstoel in kan? (T) Door de consulenten zal dan gekeken worden welke mogelijkheden er zijn. Wat is voor het gezin een passende oplossing. De consulenten kunnen altijd terugvallen op maatwerk en in die vorm het leerlingenvervoer inzetten. Dit gebeurt in dialoog met de ouder(s) en eventueel onder voorwaarden of tijdelijk. In de dialoog wordt breed gekeken naar de oplossingen die er voor handen zijn. Het één dag zelf brengen heeft namelijk een belangrijke functie voor de verbinding tussen school en ouder(s) en daar willen we niet aan voorbij gaan.
1 Antwoord Lokaal Alternatief Verordening leerlingenvervoer Duiven 2023 TIP deel II.docx
Lokaal Alternatief - Verordening leerlingenvervoer Duiven 2023 - Om hoeveel kinderen gaat het? (T) aantal leerlingen in het vervoer maart 2023 Volledig aangepast vervoer
77
Aangepast + eigen vervoer
26
Volledig eigen vervoer
13
Aangepast vervoer en openbaar vervoer
4
Openbaar vervoer
10
Fiets/scooter
1
Totaal
131
- ‘Voor een beperkt aantal ouders gaan dingen veranderen’. Hoeveel ouders? Hoeveel procent is dat van het aantal ouders dat gebruikt maakt van doelgroepenvervoer? (T) Dit is heel lastig te zeggen. Door de gefaseerde invoer kan het zijn dat er aankomend jaar enkele zijn (wisselingen van onderwijstype). In deze periode van het jaar is dat nog niet duidelijk. We hebben nog geen zicht op nieuwe aanvragen voor het schooljaar van leerlingen die nieuw in het leerlingenvervoer komen. - Wat verandert er daadwerkelijk voor ouders en kinderen? (I) De verordening en beleidsregels gaan meer in op de eigen kracht en de mogelijkheden rondom zelfredzaamheid. Dat is wat er voor de gezinnen waar dat tot de mogelijkheid behoort een verandering. Het beleid zal daarin meer stimulerend zijn, tegelijk ook oproepen zelf met creatieve oplossingen te komen die daaraan bijdragen. Een voorbeeld uit Westervoort is o.a. dat ouders het prettiger vinden als hun kind alvast naar de opstapplaats gaat in plaats van thuis voor het raam staat te wachten. Omdat het busje maar 2 min wachttijd heeft geeft dit stress. - Wat is ‘eigen kracht’? (T) Eigen kracht daarmee wordt bedoeld de mogelijkheden aanspreken die een ieder in zich heeft. Het gaat in op de verantwoordelijkheid die je hebt om je leven en het leven van je kinderen vorm te geven op een zo op ontwikkeling gerichte wijze als mogelijk.
Wie bepaalt dit, een arts, een ambtenaar? (T) De consulenten zullen met ouders in gesprek gaan en waar nodig zal er advies gevraagd worden aan deskundigen. - ‘Deskundige is pedagoog of school’. Wie is vanuit school deskundig? (T) Orthopedagoog is vaak betrokken (bijvoorbeeld ook al rondom passend onderwijs en de TLV) en heeft zicht op de ontwikkelingsmogelijkheden van een leerling. Wanneer is de school bepalend? (T) De school is niet bepalend en slechts adviserend. De school overziet niet de gehele situatie als er bijvoorbeeld nog andere kinderen in het gezin zijn o.i.d.
1 Antwoord PvdA Duiven - vragen Politieke Avond 7 maart leerlingenvervoer 2022.docx
Vragen Politieke Avond 7 maart 2023 Verordening Leerlingenvervoer Duiven 2023 Vragen over raadsvoorstel: 1. Wat heeft ten grondslag gelegen aan de keuze om de evaluatie van de opstapplaatsen van de gemeente Westervoort niet aan de stukken toe te voegen, terwijl deze wel aan de basis van dit voorstel ligt? (I) Het bevreemd ons des te meer omdat deze evaluatie in de Lijst Ingekomen Stukken staat van de Raadsavond van 6 december 2022. De evaluatie opstapplaatsen Westervoort, die op 6 december 2022 (201581879 ) met u is gedeeld, is zeker meegenomen in de wijze waarop we nu omgaan met het opstellen van het beleid. We leren van de eerdere ervaringen, zo is o.a. de communicatie een punt van aandacht geweest, wat hier in Duiven o.a. bijgedragen heeft aan de motie en uitstel had de gemeente Westervoort andere motieven om de opstapplaatsen (toch) in te stellen. 2. Waarom wordt een negatieve evaluatie gebruikt voor een ander beleid en een nieuwe verordening? (P) 3. “Het college heeft geacht het proces zorgvuldig vorm te geven gezien de voorgeschiedenis rondom dit thema.” Waarom is de gemeenteraad bijvoorbeeld tijdens een informele avond niet meegenomen in dit proces? (P) 4. Waarom wenst het College een prima verordening aan te passen en te vervangen voor deze nieuwe verordening die niet uitvoerbaar is in verband met een tekort aan personeel? (P) 5.
Hoe gaat u het tekort aan personele capaciteit opvangen (kanttekeningen 3.1) wanneer u deze verordening (en beleidsregels) wel uit gaat voeren maar dit door een tekort aan personeel niet kan? (I) De consulenten hebben regelruimte, ze bepalen daarin in belangrijke mate de snelheid van het behandelen van de aanvragen en de toetsing. Hoe meer ruimte ze hebben hoe beter er aangesloten kan worden bij de situatie. Door bijvoorbeeld meerjarige beschikkingen komt er capaciteit om meer persoonlijke gesprekken over de zelfstandigheid en zelfredzaamheid te kunnen voeren. Het college monitort de personele capaciteit en stuurt waar nodig bij. 6. Kunt u voorbeelden geven van negatieve veranderingen in de vorm van toewijzing? U benoemt onder kanttekeningen 3.3 slechts en alleen de “positieve” veranderingen. (I) We zijn juist transparant waarop we communiceren over de wijze waarop het leerlingenvervoer aangeboden wordt. Overgang naar nieuwe beleid roept altijd vragen op, consulenten zullen in die gevallen meedenken met de situatie van de ouder(s).
7. Wat verstaat u onder “geregeld overleg” waar het gaat om de eerste ervaringen van de evaluaties van de opstapplaatsen? (T) In eerste instantie zullen de consulenten de ogen en oren zijn. Ze staan dagelijks in nauw contact met de ouder(s) van de leerlingen. Wanneer er geluiden zijn die prioriteit vragen zal daarop geacteerd worden. In het schooljaar 2023-2024 wil het college in elk geval eenmaal van gebruikers de ervaringen ophalen. Hierom worden de ouders opgeroepen zich op te geven voor de klankbordgroep via het aanvraagformulier. 8. Wij horen graag van de wethouder welke mogelijkheden er zijn (lees: wat is ervoor nodig) om, wanneer er (ernstige) excessen zijn met de opstapplaatsen, deze opstapplaatsen op te geven en terug te gaan naar het huidige goed werkende systeem? (I) Het college is van mening dat de opstapplaatsen bij kan dragen aan o.a. stimulering van de zelfredzaamheid. Daarnaast is het een bijdrage aan een efficiëntere vervoersvoorziening die nodig is om het gehele vangnet in de regio overeind te houden. Het college doet er alles aan om ervoor te zorgen dat het leerlingenvervoer soepel blijft verlopen. Indien nodig blijven we kijken naar individuele oplossingen en blijven we maatwerk bieden. 9. De gemeenteraad heeft nog geen besluit genomen, echter de brieven naar de ouders / leerlingen zijn al verspreid.
Waarom is gekozen voor deze (wellicht) verwarrende wijze van communiceren? (Wanneer de gemeenteraad niet akkoord gaat of het raadsvoorstel amendeert, moeten de ouders/leerlingen wederom worden aangeschreven.) (I/p) Juist lerende van de lessen van 2 jaar geleden hebben we het op deze wijze uitgevoerd. Het college heeft een besluit genomen en dat aan de raad voorgelegd zoals verwacht wordt bij dergelijke zaken. Waar eerder veel onrust ontstaan was over de invoering van de opstapplaatsen in 2021 wil het college nu daar direct duidelijkheid over geven. Er zijn ongeveer 100 brieven verzonden in Duiven waarop 1 reactie is gekomen van iemand met vragen en 1 iemand die graag zelf vroeg om toewijzing aan een opstapplaats. De zorgvuldigheid van communicatie die ontbrak in 2021 en in de raadsvergadering aan de orde is gekomen is hiermee betracht. 10. De gemeenteraad heeft nog geen besluit genomen, maar toch staat de pagina met veel gestelde vragen al online. Dit in tegenstelling van wat in het raadsvoorstel staat, dat dit pas na vaststelling zou gaan gebeuren.
Waarom is gekozen voor deze (wellicht) verwarrende wijze van communiceren? (Wanneer de gemeenteraad niet akkoord gaat of het raadsvoorstel amendeert, moeten de antwoorden op veel gestelde vragen aangepast worden, waardoor er (nog) meer verwarring kan ontstaan) (I/p) Op de gemeentepagina staat: “Op 7 februari 2023 heeft het college van de gemeente Duiven een besluit genomen over het leerlingenvervoer. Aan de gemeenteraad wordt een gewijzigde verordening leerlingenvervoer voorgelegd. Als de raad deze verordening goedkeurt, worden vanaf schooljaar 2023-2024 gefaseerd opstapplaatsen ingevoerd. Mogelijk heeft u hier vragen over. Onderaan deze pagina staat een overzicht van veel gestelde vragen.” Dit is gedaan omdat de stukken van de agendacommissie op 10 februari in de ochtend online komen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat de pers in het
weekend schrijft over het onderwerp zonder de onderliggende stukken in te kunnen zien, want die worden na besluit van de agendacommissie pas openbaar. Om onrust weg te nemen bij ouders en om te voorkomen dat op basis van de korte toelichting van de agendacommissie in de media geschreven wordt heeft het college besloten hierover duidelijkheid te verschaffen, zowel door de brief na het weekend als het persbericht in de middag van 10 februari te publiceren en het beschikbaar stellen van de antwoorden op veelgestelde vragen. 11. Kan de gemeenteraad (geanonimiseerd) inzage krijgen in deze brieven om te bepalen of de inhoud van deze brief duidelijker is dan de brieven die in 2021 zijn verstuurd?(T) Zeker. De brief (2023) en het aanvraagformulier van 2021 (waar de brief bijgevoegd was) komen via de griffie naar uw raad. 12. In het raadsvoorstel, de verordening en de beleidsregels wordt vooral het fysieke aspect benoemd. Kan de wethouder aangeven waarom ervoor gekozen is om niet ook het psychologische aspect van de leerling (en diens ouders) mee te nemen in de toekenning van een voorziening? (P) Hoe wordt bepaald of leerlingen het vervoer vanaf een opstapplaats psychologisch of mentaal wel aan kan? (I) Het psychologische aspect wordt meegenomen. In de verordening staat dat bij de beoordeling eventueel deskundigen worden betrokken.
In de meeste gevallen zijn de ouder(s) de deskundigen, maar soms zijn dat bijvoorbeeld een orthopedagoog van een school die goed zicht heeft op het wel en wee van een leerling. Hier wordt rekening mee gehouden in de toekenning van de voorziening. 13. Kan de wethouder uitleggen hoe maatwerk er uit ziet? Wat kan er meer of anders bij maatwerk, dan beschreven is in de verordening en in het beleid? (I) Is het überhaupt mogelijk om maatwerk te realiseren? (I/P) Feitelijk is alle vervoer maatwerk. Dit kan bijvoorbeeld zijn het toekennen van medische begeleiding tijdens vervoer. Maatwerk kan ook het afwijken van de bepalingen uit de verordening op basis van de hardheidsclausule. Maatwerk is dus zeker mogelijk. Maatwerk in de vorm van individueel vervoer is evenwel steeds lastiger vanwege de personeelskrapte.
Vragen over verordening: 14. Hoe wordt de zelfstandigheid en de zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin beoordeeld? En door wie? (Artikel 5.1) (I) Dat start bij de ouders zelf. Dat doen ze bij het invullen van de aanvraag. Daarna wordt uiteraard gekeken op welke wijze er contact gelegd moet worden door de consulenten voor aanvullende vragen, documenten of deskundige verklaringen. Doorgaans kunnen de consulenten met de ouders deze beoordeling uitvoeren. 15. Wie betaalt deze deskundige? (Artikel 5.2) (T) Hierbij valt te denken aan een behandelaar die verbonden is aan de leerling. Daar zijn geen extra kosten aan verbonden. Uiteraard is gratis onafhankelijke cliëntenondersteuning ook een optie. In sommige gevallen is er een dossier bekend bij de gemeente (vanuit jeugdwet) met allerlei betrokken deskundige en wijzen ouders daarop tijdens een aanvraag / geven toestemming dat te gebruiken.
16. Wie biedt deze ondersteuning en hoe ziet deze ondersteuning eruit? (Artikel 5.6) (I) Deze vorm van ondersteuning wordt nu nog niet geboden. Hiervoor zijn wel initiatieven gestart, maar in opstartende fase. Het opstellen van een dergelijk plan is voor de consulenten niet haalbaar in de uitvoering met de huidige bezetting. 17. Wat verstaat de wethouder onder “gehandicapt”? (Artikel 7.2) (T) Zie definities in artikel 1 onder j; gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de (brom/snor)fiets gebruik kan maken 18. Begrijpen wij goed uit artikel 8.3 en artikel 11 dat niet het welzijn van de leerling voorop staat én dat deze dus ondergeschikt is aan het moeten bereiken van de opstapplaats? (P) 19. Is het bij de wethouder bekend dat het vinden van een stageplaats in het regulier onderwijs vandaag de dag een uitdaging op zich is én er vaak ver buiten de regio gekeken moet worden? Dit zal voor stageplekken voor leerlingen in het speciaal onderwijs niet anders zijn. Vanuit deze optiek is het vaststellen van een bepaald aantal kilometer van de woning niet raadzaam. Kan de wethouder aangeven waarom hiervoor gekozen is? (Artikel 20) (P) 20.
Hoe wordt de leerling vervoert wanneer de stageplek zich binnen de 6 kilometer van de woning bevindt? (Artikel 20) (I) De afstandsgrens van 6 kilometer is de afstand die we hanteren. Bekostiging leerlingenvervoer wordt ingezet vanaf 6 kilometer. Van ouder(s) wordt verwacht dat ze hierin hun kind eventueel begeleiding in bieden. Uiteraard is maatwerk mogelijk. 21. Waarom worden “reguliere schooltijden” gehanteerd bij stages? Over het algemeen werken bedrijven van 9:00 tot 17:00, waarom wordt hierin voor kinderen die op het speciaal onderwijs zitten van afgeweken? (Artikel 20) (I) Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht. Wel dienen stagebedrijven zich ook aan regels te houden zoals de arbeidstijdenwet. Leerlingen mogen in de week niet meer dan 35 uur onderwijstijd hebben (dat is dus inclusief stage). In de praktijk zullen stages daardoor korter zijn. Waar nodig is gebruik van hardheidsclausule een mogelijkheid. Vragen over beleidsregels: 22.