A6b. 201623430-Beleidsnotitie Onderwijskansen Duiven en Westervoort 2023-2026
Tekst van het document
Beleidsplan onderwijskansen Duiven en Westervoort 2023-2026
Inhoudsopgave Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.
Landelijke context ................................................................................................................... 4
1.1
Gemeentelijk onderwijskansenbeleid .................................................................................. 4
1.2
Nationaal Programma Onderwijs ........................................................................................ 5
2.
Lokale visie .............................................................................................................................. 6
2.1
Doelen en ambities .............................................................................................................. 6
2.2
Speerpunten ........................................................................................................................ 7
3.
Thema’s ................................................................................................................................... 9
3.1
Doelgroep, bereik en toeleiding .......................................................................................... 9
3.2
Voorschoolse educatie (VE) ............................................................................................... 10
3.3
Doorgaande lijn ................................................................................................................. 12
3.4
OAB in het onderwijs ......................................................................................................... 14
3.5
Een gezamenlijke focus op taal .......................................................................................... 15
3.6
Preventieve zorg/opvoedondersteuning ........................................................................... 17
3.7
Zicht op bereik, kwaliteit en opbrengsten ......................................................................... 18
4.
Afspraken rondom samenwerking en overleg ........................................................................ 20
Bijlage 1: Rollen, taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partners ......................... 23 Bijlage 2: Onderwijsachterstandsscores CBS .................................................................................. 26 Bijlage 3: Globale begroting OAB Duiven…………………………………………………………………………..…………27 Bijlage 4: Globale begroting OAB Westervoort………………………………………………………………..…..………28
2
Inleiding Voor u ligt het beleidsplan Onderwijskansen Duiven en Westervoort voor de periode 20232026. Het beschrijft de wijze waarop de gemeente, met haar partners, in de komende beleidsperiode invulling geeft aan het onderwijskansenbeleid in Duiven en Westervoort. Dit beleidsplan is tot stand gekomen in samenwerking met de educatieve partners in de gemeente Duiven en Westervoort: de kinderopvangorganisaties, het onderwijs, de bibliotheek, het welzijn en de jeugdgezondheidszorg. Al vele jaren werkt de gemeente samen met haar educatieve partners om kinderen met een (risico op) achterstanden de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben om succesvol deel te nemen aan het onderwijs. Als gemeente hebben we gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van deze partners om tot een nieuw beleidsplan onderwijskansen te komen. Een plan dat concrete aanknopingspunten biedt om de komende vier jaar gemeentebreed samen te werken aan kwaliteitsgericht onderwijskansenbeleid. Leeswijzer Dit beleidsplan is opgebouwd uit een aantal onderdelen. In het eerste hoofdstuk schetsen we de recente ontwikkelingen in de landelijke regelgeving, die belangrijke kaders bieden voor het lokale beleid. In hoofdstuk 2 beschrijven we de lokale visie op onderwijskansen en formuleren we een aantal doelen, ambities en speerpunten voor de nieuwe beleidsperiode.
In het derde hoofdstuk is het nieuwe beleid uitgewerkt in enkele kernthema’s. Per kernthema is beschreven wat we met elkaar willen bereiken (de ambitie) en hoe we dat willen gaan doen (welke activiteiten, initiatieven). In het laatste hoofdstuk gaan we in op de samenwerking en overlegstructuur. In de bijlagen vindt u onder andere een globale begroting voor de OAB middelen voor beide gemeenten.
3
1. Landelijke context 1.1 Gemeentelijk onderwijskansenbeleid Het gemeentelijk onderwijskansenbeleid, ook wel gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) genoemd, is gericht op het vergroten van onderwijskansen voor kinderen die dat nodig hebben. Het doel van het onderwijskansenbeleid is om kinderen de juiste ondersteuning te bieden, en dan met name de kinderen die op basis van hun omgevingskenmerken (dat wil zeggen: het gezin of de buurt waarin zij opgroeien) een vergroot risico lopen op een onderwijsachterstand. Het onderwijskansenbeleid valt in twee delen uit een: - Beleid voor de voorschoolse periode (gemeente ontvangt de middelen vanuit het Rijk) - Beleid voor de basisschoolperiode (schoolbestuur ontvangt de middelen vanuit het Rijk). Gemeenten hebben een wettelijke verantwoordelijkheid voor het realiseren van een voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod voorschoolse educatie (VE) voor peuters van 2,5 – 4 jaar oud. Voorschoolse educatie vindt plaats in de kinderopvang. Het is een aanbod van spelenderwijs leren waarbij gebruik wordt gemaakt van ontwikkelingsgerichte programma’s, gericht op de taal, reken, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Sinds 1 augustus 2020 moet het VE-aanbod 960 uur bedragen, zodat een kind vanaf de dag dat het 2,5 jaar oud is en tot het 4 jaar oud is (een periode van anderhalf jaar) tenminste 960 uur VE kan ontvangen.
Vanaf 1 januari 2022 dient een VE-aanbieder voor de verhoging van de kwaliteit van voorschoolse educatie een pedagogisch beleidsmedewerker/coach in te zetten op hbo werk- en denkniveau. Schoolbesturen in het basisonderwijs ontvangen naast de lumpsum aanvullende OABmiddelen die ze kunnen inzetten om onderwijsachterstanden te bestrijden, met name in de vroegschoolse periode (groep 1 en 2). De hoogte van budget voor gemeenten en schoolbesturen wordt bepaald op basis van een rekenmethode, waarbij het CBS op basis van vijf omgevingsfactoren (o.a. opleidingsniveau ouders, herkomstland, verblijfsduur in Nederland) het risico op onderwijsachterstanden bepaalt. Hoe hoger dat risico, hoe hoger het budget.1 Indien er in een gemeente aan de wettelijke verantwoordelijkheid voor voorschoolse educatie is voldaan, mag het resterende gemeentelijke budget ook worden ingezet voor het bestrijden van onderwijsachterstanden op basisscholen. Naast bovenstaand beschreven eigen verantwoordelijkheden, zijn er ook gezamenlijke verantwoordelijkheden: de gemeente, de kinderopvangaanbieders en de schoolbesturen dienen minstens één keer per jaar te overleggen over het beleid voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Er dienen afspraken te zijn over wie de doelgroepkinderen
1
https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-onderwijsachterstanden
4
zijn voor voorschoolse educatie, over de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie. De Inspectie van het Onderwijs ziet er op toe dat gemeenten en scholen aan hun wettelijke taak ten aanzien het van GOAB voldoen. Op niveau van de VE-aanbieder inspecteert zowel de GGD (VGGM) als de Inspectie van het Onderwijs. In bijlage 1 zijn de (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden verder uitgewerkt.
1.2 Nationaal Programma Onderwijs Het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) is een programma bedoeld om onderwijsvertragingen in te lopen en moet leerlingen ondersteunen die het moeilijk hebben door schoolsluitingen en corona. Het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs ontvangen voor de schooljaren 2021/22 tot en met 2024/25 aanvullende subsidie op basis van hun leerlingpopulatie. Ook gemeenten ontvangen extra budget vanuit het Rijk. Het is de bedoeling dat gemeenten en scholen samen optrekken in het NPO. Naast scholen en gemeenten zijn ook andere organisaties uit het jeugddomein relevante gesprek- en uitvoeringspartners, zoals bijvoorbeeld jeugd(hulp)organisaties, de bibliotheek, het jongerenwerk en (school)maatschappelijk werk. Het Rijk omschrijft verschillende rollen voor de gemeenten binnen het NP Onderwijs. De gemeente kan aanvullende programma’s financieren en de lokale samenwerking versterken. Daarnaast mag de gemeente ook geld besteden aan het inhalen van coronaachterstanden bij thuiszitters, kinderen die niet staan ingeschreven bij een school.
5
2. Lokale visie In de gemeente Duiven en Westervoort willen wij alle kinderen optimale ontwikkelkansen bieden, ongeacht het gezin of de buurt waarin ze opgroeien. Ieder kind in Duiven en Westervoort verdient een eerlijke kans op een succesvolle onderwijsloopbaan en verantwoordelijke plek in de maatschappij. Onder doelgroepkinderen verstaan we alle kinderen tot 12 jaar in de gemeente Duiven en Westervoort met (een risico op) een taal- of onderwijsachterstand als gevolg van kenmerken van hun gezin en/of leefomgeving. Het gaat hierbij vooral om kinderen die opgroeien in een thuisomgeving waarin geen of weinig Nederlands wordt gesproken; waarin weinig ruimte is voor ontwikkelingsstimulering; een omgeving waarin weinig gepraat, gelezen en gespeeld wordt en waarin weinig gerichte ondersteuning van de onderwijsloopbaan plaatsvindt. In Duiven en Westervoort worden ook kinderen tot de doelgroep gerekend die belemmeringen ervaren in hun sociaal-emotionele ontwikkeling en daardoor risico lopen in het onderwijs (taal)achterstanden op te lopen.
We hebben in Duiven en Westervoort een proactieve, integrale en thuisnabije aanpak voor deze groep kinderen, bestaande uit twee componenten: • preventie: het tijdig signaleren en voorkomen van achterstanden • curatie: het effectief aanpakken van bestaande achterstanden We streven naar een gezamenlijke aanpak, waarin ieders (wettelijke) taken, rollen en verantwoordelijkheden duidelijk zijn vastgelegd. Tegelijkertijd hechten we belang aan ruimte voor maatwerk en eigenheid op locatie. Bij een gezamenlijke aanpak denken we nadrukkelijk ook aan de afstemming tussen onderwijs/kinderopvang, jeugdgezondheidszorg en jeugdhulp. Een onderwijsachterstand staat namelijk niet altijd op zichzelf.
2.1 Doelen en ambities Het eerste doel van het gemeentelijke onderwijskansenbeleid is dat kinderen een zo goed mogelijke start op de basisschool kunnen maken. Dit betekent dat wij ons inspannen om voldoende en kwalitatief hoogwaardig aanbod aan voorschoolse educatie en ondersteuning voor peuters met een (risico op) achterstand te realiseren. Binnen het beleid is en blijft dit de hoogste prioriteit: we zetten ons in om ontwikkelingsachterstanden bij kinderen vanaf 0 jaar te voorkomen of weg te werken, zodat zij goed voorbereid het onderwijs instromen. Er is extra inzet voor peutergroepen met veel doelgroepkinderen. De gemeente neemt hierin verantwoordelijkheid en regie, en werkt hierin nauw samen met de kinderopvangaanbieders en de jeugdgezondheidszorg. Dit doel correspondeert vooral met thema 3.1 Doelgroep, bereik en toeleiding, thema 3.2 Voorschoolse educatie en thema 3.6 Preventieve zorg/opvoedondersteuning. Het tweede doel van het gemeentelijke onderwijskansenbeleid is het bieden van optimale ontwikkelkansen voor ALLE kinderen. We streven naar een passend, divers en inclusief aanbod voor iedereen. De te treffen voorzieningen zijn laagdrempelig, betaalbaar en sluiten 6
aan bij de behoeften. Dit doel correspondeert met name met thema 3.4 OAB in het onderwijs. Ons derde doel is dat de educatieve partners met elkaar samenwerken om het aanbod en de voorzieningen op het gebied van onderwijskansen met elkaar te verbinden en op elkaar aan te laten sluiten. Deze samenwerking is er in de hele jeugdketen (inclusief jeugdhulp en jeugdgezondheidszorg) vanaf 0 jaar. Binnen de IKC’s worden de doorgaande ontwikkel- en leerlijnen geborgd en is de zorgstructuur voor kinderopvang en onderwijs op dezelfde wijze georganiseerd. De gemeente treedt op als regisseur waar het gaat om het realiseren van verbindingen tussen partijen binnen het netwerk rondom kinderen. Dit doel correspondeert vooral met thema 3.3. Doorgaande lijn en 3.7 Zicht op bereik, kwaliteit en opbrengsten. Ons vierde doel is het actief betrekken van ouders bij de ontwikkeling van hun kind vanaf de geboorte. We ondersteunen waar nodig ouders in hun rol als opvoeder. We bieden binnen taalarme gezinnen taal- en leesondersteuning. Waar mogelijk stimuleren we laaggeletterde ouders om ook zelf actief met taal aan de slag te gaan. Dit doel correspondeert vooral met thema 3.5 Een gezamenlijke focus op taal.
2.2 Speerpunten Op hoofdlijnen stellen we met elkaar een aantal uitgangspunten vast die de basis vormen voor de keuzes die we de komende tijd met elkaar maken. •
•
•
•
•
Wie? De onderwijsachterstandsmiddelen vanuit het rijk zijn hoofdzakelijk bedoeld voor kinderen die zijn geïndiceerd op (dreigende) onderwijsachterstanden. Wij vinden ten principale dat het onderwijskansenbeleid er moet zijn voor alle kinderen vanaf 0 jaar, maar ook dat maatwerk moet worden geboden. Dit zal in de praktijk betekenen dat de interventies die vanuit het kansenbeleid worden georganiseerd toch voor een flink deel terecht komen bij de kinderen en ouders die een extra steun in de rug kunnen gebruiken. Dit hoeven overigens niet alleen de kinderen te zijn die een indicatie hebben gekregen. Waar? Om gelijke kansen te bieden durven wij ongelijk te behandelen. We hebben in ons beleid extra aandacht voor hotspots: we besteden extra tijd, aandacht en middelen aan die plekken (opvanglocaties, scholen, kernen) waar de problematiek het zwaarst is. Wat? We vinden het van groot belang dat doelgroepkinderen zich in de volle breedte kunnen ontwikkelen. We kiezen echter in onze aanpak voor een focus op het stimuleren van de taalontwikkeling, omdat we weten dat taal één van de belangrijkste sleutels tot een succesvolle onderwijsloopbaan is.
Dat neemt niet weg dat in de voorschoolse educatie vier ontwikkelgebieden (naast taal ook rekenen, motorische vaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden) aandacht krijgen, en dat tevens moet worden ingezet op opvoedondersteuning en preventieve maatregelen om gedragsproblemen bij kinderen te voorkomen. Waarmee? Bij het kiezen van (nieuwe) aanpakken en activiteiten onderzoeken we altijd eerst of er bewijs is voor effectiviteit, zowel in de wetenschap als in de (eigen) praktijk en of er draagvlak is onder het voorschoolse en/of onderwijsveld. Hoe? De IKC’s bieden al een goede structuur qua samenwerking en doorgaande lijn. 7
We zetten ons gezamenlijk in om de juiste cultuur neer te zetten voor het werken aan gelijke kansen voor doelgroepkinderen. We integreren het onderwijskansenbeleid waar nodig en mogelijk met andere beleidsterreinen, zoals het jeugdbeleid, om een zo effectief mogelijke aanpak te realiseren.
8
3. Thema’s In dit hoofdstuk beschrijven we per thema wat we gezamenlijk willen bereiken en welke mogelijkheden we zien om beleid en praktijk de komende jaren te versterken en vernieuwen.
3.1 Doelgroep, bereik en toeleiding 3.1.1 Wat willen we bereiken? We streven naar een maximaal bereik van doelgroepkinderen in de gemeente Duiven en Westervoort. We hanteren daarbij een brede doelgroepdefinitie. Peuters waarbij sprake is van een risico op een taal- of ontwikkelingsachterstand worden tijdig geïndiceerd door de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en toegeleid naar voorschoolse educatie. We willen dat alle doelgroeppeuters uiterlijk op 2 ½ jarige leeftijd starten met voorschoolse educatie en 16 uur per week deelnemen, zodat het kind bij de start van de basisschool 960 uur VE heeft gehad. We streven ernaar om doelgroepkinderen zowel in Duiven als in Westervoort al op tweejarige leeftijd met een aantal uren per week deelname aan de peuteropvang te laten starten. Bij wachtlijsten hebben doelgroeppeuters voorrang.
3.1.2 Wat gaan we doen? Doelgroepbepaling Een doelgroepkind in de voorschool van Westervoort en voor Duiven voldoet aan één of meer van onderstaande criteria: o Kinderen met (dreigende) spraak-taalachterstanden zonder medische oorzaak; o Kinderen uit taalarme omgeving; o Kinderen met risico op onderwijs- en ontwikkelingsachterstanden; o Laag opleidingsniveau ouders; o Land van herkomst ouders; o Verblijfsduur van de moeder in Nederland Indicatie vindt plaats op het consultatiebureau. Daarnaast is het ook mogelijk dat een beroepskracht voorschoolse educatie een kind doorgeeft aan de jeugdgezondheidszorg met het verzoek om een VVE-indicatie af te geven. Soms komt een achterstand pas in beeld als een kind zich in een groep bevindt. De medewerker van de JGZ blijft wel de persoon die een indicatie mag afgeven.
Toeleiding en bereik VVE-geïndiceerde kinderen worden door JGZ doorverwezen naar een locatie met voorschoolse educatie. Dit gebeurt vóór de leeftijd van 24 maanden, zodat het kind dat nog geen gebruik maakt van kinderopvang op tweejarige leeftijd voor een aantal uren/dagdelen 9
per week een start kan maken op een peutergroep. Bij 2,5-jarige leeftijd wordt het aantal uren vervolgens geïntensiveerd. In grote lijnen ziet de toeleiding er als volgt uit: - JGZ indiceert kinderen die onder de doelgroepdefinitie vallen vóór de leeftijd van 24 maanden. Kinderen die nog geen gebruik maken van de kinderdagopvang kunnen zo op tweejarige leeftijd een start maken op een peutergroep; - JGZ informeert ouders vóór de leeftijd van 24 maanden over de indicering en het voorschoolse aanbod in Duiven en Westervoort; - JGZ verwijst ouders door naar de aanbieders van voorschoolse educatie; - JGZ informeert de kinderopvangorganisatie met een verwijsformulier dat het een kind met VE-indicatie naar een betreffende locatie heeft doorverwezen; - De kinderopvangorganisatie neemt contact op met JGZ als aanmelding heeft plaatsgevonden; - JGZ registreert of een kind met VE-indicatie is geplaatst op een voorschoolse voorziening of op een wachtlijst staat. Dit wordt ook in de peutermonitor opgenomen. Het bereik wordt vier keer per jaar gemonitord. De JGZ levert hiervoor de benodigde gegevens aan bij de gemeente, zo veel mogelijk geautomatiseerd en geanonimiseerd via de Peutermonitor. De gemeente deelt de cijfers in de betreffende gemeentelijke overleggen.
We besteden de komende tijd extra aandacht aan de groep kinderen met een VE-indicatie, die geen gebruik maakt van voorschoolse voorzieningen. We brengen in kaart wat de beweegredenen van ouders zijn om kinderen niet deel te laten aan een voorschools programma en we werken enkele oplossingsrichtingen uit. We willen uiteindelijk zorgen voor een community van “ambassadeurs”: alle professionals die werken met jonge gezinnen (denk aan verloskundigen en kraamverzorgenden) weten hoe de lijnen naar JGZ en voorschoolse educatie lopen en stimuleren ouders hiervan gebruik te maken.
3.2 Voorschoolse educatie (VE) 3.2.1 Wat willen we bereiken? Het voorschools aanbod bestaat uit ten minste 960 uur VE voor doelgroeppeuters. Het aanbod is er op gericht kinderen een zo goed mogelijke start op de basisschool te geven, door een uitdagende ontwikkelomgeving te bieden. Het stimuleren van de taalontwikkeling is daarbij ons speerpunt. We streven naar thuisnabije voorzieningen: iedere peuter heeft dichtbij huis de mogelijkheid om deel te nemen aan voorschoolse educatie. Afstand mag geen reden zijn voor non-bereik. Dat betekent dat we zorgen voor een goed gespreid aanbod over de wijken. Ook streven we zoveel mogelijk naar gemengde groepen waar doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen van elkaar kunnen leren. Voor peuters en gezinnen met een aanvullende ondersteuningsbehoefte is er een duidelijke zorgstructuur waardoor zij snel de professionele hulp krijgen die zij nodig hebben. Voor professionals is duidelijk welke zorg en ondersteuning beschikbaar is en de routes hiernaar toe worden duidelijk vastgelegd. 10
Samen met de basisscholen realiseren we voor ieder kind een doorgaande ontwikkellijn. We zorgen voor een goede onderlinge afstemming als het gaat om zorg en begeleiding van het individuele kind, maar vinden het ook belangrijk om gezamenlijk initiatieven te ontplooien die aan de bredere groep doelgroepkinderen en hun gezinnen ten goede komen.
3.2.2 Wat gaan we doen? Subsidieregeling voorschoolse educatie Zowel in Duiven en Westervoort is een subsidieregeling van kracht, dat 960 uur voorschoolse educatie (16 uur per week) regelt voor peuters met een VE-indicatie tussen 2 en 4 jaar. Peuters zonder VE-indicatie kunnen 8 uur per week gebruik maken van de peuteropvang. Aanbieders ontvangen subsidie voor het uitvoeren van VE via een geldvolgt-kindregeling. Ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage, via kinderopvangtoeslag of via de gemeentelijke regeling. Aanvullend hierop ontvangen peuteropvangaanbieders een opslag per uur voor extra voorbereidings- en evaluatietijd om kwalitatief goede VE te kunnen aanbieden aan de peuters. We houden vast waar we trots op zijn, en versterken waar nodig. In Duiven en Westervoort zijn de VE- partners trots op het eigen pedagogisch en educatief handelen op de groepen. Aandachtspunten zijn de doorgaande lijn, de ouderbetrokkenheid en zorg en ondersteuning. De uitwerking van deze thema’s is in de volgende hoofdstukken te vinden. We voeren jaarlijks met elkaar gesprekken over de kwaliteitsaspecten voor VE en de invulling van deze aspecten. We gebruiken daarvoor in eerste instantie de inspectierapporten en de jaarverslagen i.v.m. de subsidievaststelling.
De nieuwe pedagogisch beleidsmedewerkers/coaches VE binnen de organisaties krijgen een inhoudelijke en coachende rol in het creëren van een uitdagend en ontwikkelingsstimulerend aanbod voor doelgroeppeuters. Ook kunnen zij de brugfunctie zijn naar JGZ, jeugdhulp en het onderwijs, en een rol spelen in het vergroten van de ouderbetrokkenheid en leesstimulering bij ouders van VE-geïndiceerde peuters. Gemeente en kinderopvangorganisaties onderzoeken of hierin gezamenlijke focuspunten geformuleerd kunnen worden. Aanvullende subsidieregeling “zware” locaties Voor VVE locaties met tenminste 40% VVE of zorg geïndiceerde peuters, wordt er een aanvullende subsidieregeling vastgesteld voor extra begeleiding op de groep. Met de middelen kan een extra p.m.-er en/of groepshulp worden aangesteld, zodat er meer “handen” zijn op de groep en er dus meer ondersteuning en begeleiding kan worden geboden voor de peuters die dat nodig hebben. Voor deze regeling geldt een subsidieplafond van € 79.000,- voor Duiven en € 75.000 voor Westervoort.
11
Aanvullende subsidieregeling cursussen VVE Tegelijk met de subsdieregeling “zware” locaties is er een regeling voor cursussen ten behoeve van p.m.-ers van VE-locaties, te denken valt aan “oplossingsgericht communiceren met ouders”, “planmatig doelen stellen”, “opbrengst gericht werken” en basiscursus Kijk! (ook beschikbaar voor docenten p.o.). Voor deze regeling geldt een subsidieplafond: -voor Duiven € 25.000; - voor Westervoort € 18.000. Vindplaats gericht werken bij zorgsignalen(zie ook 3.6.2) Ook zorgen we er gezamenlijk voor dat kinderen en gezinnen met een aanvullende zorgen/of ondersteuningsbehoefte goed en snel geholpen worden, zo dicht mogelijk bij de vindplaats (kinderopvang/school). De zorgstructuur in de kinderopvang wordt daartoe daar waar mogelijk gelijk getrokken met die van het basisonderwijs. Er wordt gewerkt vanuit het vindplaats gericht werken. De jeugdverpleegkundige is het eerste aanspreekpunt wanneer er bij ouders of professionals zorgen zijn over de ontwikkeling van het jonge kind. Jeugdverpleegkundigen van VGGM komen gemiddeld iedere twee à drie weken op de kinderopvanglocaties om als vraagbaak te dienen voor pedagogisch medewerkers en ouders. Preventie is een belangrijk onderdeel van de aanwezigheid van jgz.
Ouders kennen de jeugdverpleegkundige van het consultatiebureau en omgekeerd kent de jeugdverpleegkundige de p.m.ers, de ouders en hun kinderen, zodat de drempel om zorgen te melden zo klein mogelijk is. Indien nodig worden huisbezoeken afgelegd. Ook kan de jeugdverpleegkundige doorverwijzen naar het (school-) maatschappelijk werk of andere disciplines. Om bovenstaande frequentie van bezoeken aan de kinderopvang te kunnen garanderen, zal in Westervoort het aantal uren van de verpleegkundige worden vergroot. In Duiven is deze al op peil. In het kader van de gewenste afstemming van de zorgstructuur binnen het IKC is het van belang dat de lijnen tussen jeugdverpleegkundige en schoolmaatschappelijk werker zo kort mogelijk zijn en dat er bij “zorgpeuters” altijd sprake is van een warme overdracht richting SMW. In verband met harmonisatie van de zorgstructuur is het gewenst dat op regelmatige basis ( b.v. 1x per zes weken) de schoolmaatschappelijk werker ook in de kinderopvang aanwezig is.
3.3 Doorgaande lijn 3.3.1 Wat willen we bereiken? Ieder doelgroepkind verdient een zachte landing op de basisschool. Dat zien we als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van kinderopvang, onderwijs en ouders. Wanneer er extra zorgen zijn rondom een kind, spannen wij ons hiervoor extra in. We willen dat de doorgaande lijn van voor- naar vroegschool voor iedere partner een belangrijk aandachtspunt is binnen de VVE-aanpak, dat zowel in beleid als praktijk concrete uitwerking krijgt. Dat betekent dat we zowel op locatieniveau als op gemeentelijk niveau hierover concrete werkafspraken met elkaar maken.
12
3.3.2 Wat gaan we doen? We zetten ons gezamenlijk in voor een doorgaande lijn voor kinderen met een VVEindicatie. De gemeente voert de regie en is wettelijk verantwoordelijk voor de realisatie van gemeentelijke afspraken en uniforme werkwijzen rondom de doorgaande lijn. In de gemeente Duiven en Westervoort zijn IKC’s waarin peuteropvang en basisschool samen zijn gehuisvest. Binnen ieder IKC worden o.a. de afspraken gemaakt over de overdracht van de kindgegevens en de zorg en begeleiding van kinderen. Als er behoefte en/of mogelijkheden zijn voor meer samenwerking dan wordt dit ook vastgelegd in het borgingsdocument. Warme overdracht van voor- naar vroegschool Het maakt niet uit van welke opvanglocatie een kind vertrekt of naar welke school een kind gaat, elke doelgroeppeuter in Duiven en Westervoort wordt warm overgedragen. We maken op gemeenteniveau afspraken over wat een warme overdracht inhoudt: welke gegevens worden overgedragen en welke personen bij de warme overdracht aanwezig zijn. We hebben speciale aandacht voor het betrekken van ouders bij de overdracht. In Westervoort maken we daarbij gebruik van hetzelfde volgsysteem: Kijk! Op locatie- en clusterniveau worden individuele afspraken gemaakt over de precieze invulling van het proces. We streven op elke locatie naar een standaardprocedure, waardoor voor iedereen de taken en verantwoordelijkheden duidelijk zijn.
Zo spreken we af wie het aanspreekpunt per locatie is, wie het initiatief neemt voor het maken van de afspraak en wie bij het gesprek aanwezig is. We hechten belang aan een terugkoppeling van vroegschool naar voorschool en zorgen er de komende jaren voor dat deze een structurele plek krijgt in de samenwerking. Versterken van de doorgaande ontwikkellijn Voor kinderen met een VVE-indicatie is er extra aandacht voor de doorgaande ontwikkellijn. Een doorgaande ontwikkellijn betekent dat voor- en vroegscholen het pedagogisch klimaat en educatief handelen op elkaar afstemmen en werken aan het wegnemen van ontwikkelingsdrempels. Ontwikkelingsdrempels zijn de verschillen die een kind ervaart na een overgangsmoment, en die een negatieve impact kunnen hebben op het welbevinden en de ontwikkeling van het kind (en de ouders). De doorgaande ontwikkellijn kan op verschillende manieren versterkt worden. In het gemeentelijke VVE-overleg wordt onderzocht wat wenselijk en werkbaar is in de gemeenten Duiven en Westervoort. Welke initiatieven zijn kansrijk, kunnen op gemeenteniveau worden gerealiseerd en welke kwaliteitscriteria willen we daarbij hanteren? Het gaat hierbij onder andere om initiatieven als: - Doorbegeleiding van VVE kinderen door pm’ers op de vroegschool; - Gezamenlijke scholing/studiedagen voor pm’ers en leerkrachten (bijv.
elk jaar een of twee thema-avonden); - Gezamenlijke VVE-verbeterplannen voor IKC’s, evt. met aansluiting van (zorg)partners; - Het faciliteren van gezamenlijke overlegmomenten en/of collegiale consultatie.
13
Het versterken van de doorgaande ontwikkeling in VVE is het meest relevant voor kinderopvangorganisaties en scholen met relatief veel VVE-kinderen (zie bijlage 2). Het verdient de voorkeur om in eerste instantie juist met deze scholen en voorscholen te investeren in de samenwerking en doorgaande lijn. Doorgaande lijn in zorg Voor kinderen met extra zorg- en ondersteuningsvragen vinden we een meer intensieve samenwerking van belang. In de eerste plaats zien we hier een rol voor de pedagogisch coaches van de kinderopvang en IB’ers van de basisschool, die op de locatie gezamenlijk optrekken in het realiseren van passende ondersteuning en begeleiding richting de basisschool. Bij een meer complexe hulpvraag is de jeugdverpleegkundige (KO) of de schoolmaatschappelijk werker (PO)door het eerste aanspreekpunt en van daaruit kan verwezen worden voor verder onderzoek of ondersteuning.
3.4 OAB in het onderwijs 3.4.1 Wat willen we bereiken? Als kinderen vier jaar oud zijn maken ze de overstap naar de basisschool. We streven er naar dat zoveel mogelijk kinderen met een VE-indicatie ook bij de kleuters worden ondersteund met een beredeneerde taalaanpak, om te voorkomen dat zij met een achterstand instromen in groep 3. Ook na groep 3 geven wij speciale aandacht aan kinderen met taal- en onderwijsachterstanden. We ondernemen hierin activiteiten die bewezen effectief zijn en waar bij voorkeur al positieve ervaringen mee zijn opgedaan. We delen onze initiatieven en leren van elkaar. Omdat veel doelgroepkinderen uit kwetsbare gezinnen komen, vinden we het belangrijk dat niet alleen de kinderen, maar ook de ouders de zorg en aandacht krijgen die zij nodig hebben. We benadrukken met elkaar het belang van een stevige verbinding tussen onderwijs en zorg, waarbij we vooral rond preventie een goede gemeentelijke structuur willen neerzetten. De ene school heeft meer met onderwijsachterstanden te maken dan de andere school2. De komende jaren gaan we gerichter investeren op scholen met veel doelgroepkinderen: aan die scholen gaan we meer tijd, middelen en aandacht besteden. Dat betekent dat we op die scholen ook hogere verwachtingen hebben van een kwaliteitsimpuls op OAB-thema’s zoals de doorgaande lijn, het taalonderwijs en de ouderbetrokkenheid.
3.4.2 Wat gaan we doen? Taalschool de Liemers Voor nieuwkomersleerlingen van 6 tot 13 jaar is er vanaf 2023 de taalschool in Zevenaar. Voorheen gingen deze leerlingen naar Arnhem; Oekraïense kinderen gingen naar Duiven. Kinderen die nieuw zijn in Nederland hebben extra taalonderwijs nodig omdat zij nog geen Nederlands spreken. De leerlingen krijgen dan circa een jaar lang een “taalbad” zodat ze hun achterstanden op het gebied van de Nederlandse taal zo veel mogelijk inhalen. Daarna stromen ze uit naar het reguliere onderwijs.
2
In Bijlage 2 is een overzicht met de onderwijsachterstandsscores van het CBS te vinden.
14
De taalschool is boven-bestuurlijk georganiseerd: er is één taalschool waar kinderen van alle scholen in de Liemers aan deel kunnen nemen. Het gaat in deze variant overigens niet alleen om taalonderwijs; het volledige curriculum komt aan bod. Met deze school is er ook een nieuwe bekostiging aan de orde. De grootste kosten kunnen worden afgedekt door de rijksbekostiging voor schoolgaande nieuwkomers. Aanvullende kosten kunnen worden betaald uit de OAB-middelen van de gemeente. Binnen de Liemerse gemeenten wordt hiertoe de meest geëigende verdeelsleutel vastgesteld. Woordenschat LOGO3000 Alle basisscholen zijn in de gelegenheid gesteld om met de gemeentelijke middelen LOGO 3000 aan te schaffen. LOGO 3000 is bedoeld voor peuters (2-4 jaar) en kleuters (4-6 jaar) met een woordenschatachterstand die gebruik maken van een kinderdagverblijf, peuterspeelzaal of in groep 1 of 2 van de basisschool zitten. Het doel van LOGO 3000 is om bestaande woordenschatachterstanden bij jonge kinderen te verkleinen zodat zij succesvol het vervolgonderwijs vanaf groep 3 van het basisonderwijs kunnen volgen. Aanpak LOGO 3000 leert jonge kinderen op een speelse manier de 3000 basiswoorden van de Basiswoordenlijst voor Amsterdamse Kleuters (de BAK). Deze 3000 woorden worden in een doorgaande lijn van het kinderdagverblijf/peuterspeelzaal naar groep 1 en tot slot naar groep 2 behandeld.
Leidsters en leerkrachten kunnen deze 3000 woorden met behulp van onder andere praatplaten, woordwebben en woordkalenders flexibel, binnen thema’s of het bestaande curriculum aanbieden. Ouders worden middels ouderbijeenkomsten betrokken. Zomerschool Kunstwerk! organiseert tijdens de zomervakantie in Duiven en Westervoort een Zomerschool voor kinderen die tijdens de vakantie ondersteuning van de (Nederlandse) taal nodig hebben. Kinderen in de leeftijd van 6 t/m 10 jaar zijn drie ochtenden per week welkom. In de periode van drie weken worden er allerlei activiteiten rondom taal georganiseerd, denk aan theaterlessen, muzieklessen, kooklessen, verhalen schrijven, 21eeuwse vaardigheden. Ook initiatieven voor een peuterzomerschool voor doelgroeppeuters worden ondersteund, zoals die van Humankind in Westervoort.
3.5 Een gezamenlijke focus op taal 3.5.1 Wat willen we bereiken? Een taalrijke omgeving, waar veel met kinderen wordt gepraat, gelezen, gezongen en gespeeld is een basisvoorwaarde voor de schoolse ontwikkeling van kinderen. In Duiven en Westervoort zijn alle professionals rondom het kind en ouders zich bewust van het belang van een taalrijke (thuis)omgeving, leesbevordering en het voorkomen van laaggeletterdheid.
15
3.5.2 Wat gaan we doen? Taalondersteuning voor ouders Ouders en professionals rondom het kind werken samen en ieder vanuit zijn eigen rol aan het versterken van de taalrijke (thuis)omgeving van kinderen met een risico op een onderwijsachterstand. Ouders die vaardigheden missen worden zo vroeg mogelijk gesignaleerd en extra ondersteund. Dit gebeurt onder andere via de aanpak Thuis in taal. Deze aanpak helpt pedagogisch medewerkers en leerkrachten stapsgewijs een wederkerige relatie met ouders op te bouwen en de samenwerking vorm te geven ter ondersteuning van de taalontwikkeling van het kind. Deze basis wordt gelegd door middel van het doorlopen van een stappenplan. In Duiven is deze methodiek al ingevoerd op een aantal IKC’s (Droomgaard, Toermalijn, Kameleon) en in Westervoort op de Hoge Hoeve. De middelen die de gemeente hiervoor beschikbaar stelt zullen geleidelijk worden afgebouwd, als de aanpak is geïmplementeerd. Thuis in taal wordt gecoördineerd door de landelijke kerngroep Thuis in Taal van stichting Actief Ouderschap. Leesbevordering Op school en in de kinderopvang is gerichte taalstimulering en leesonderwijs nodig om kinderen met een risico op onderwijsachterstand maximale onderwijskansen te bieden.
Als het gaat om leesbevordering ondersteunen de bibliotheek en Mikado scholen en kinderopvangaanbieders met programma’s zoals de Voorleestrein en BoekStart voor baby’s en in de kinderopvang, inclusief het aanstellen van een boekstartcoach die ook op de consultatiebureaus actief is. Bibliotheek (Kunstwerk!) en Mikado nemen hier een voortrekkersrol in en sluit op dit thema aan in de werkgroep VVE. Vanaf 2023 zetten we de Voorleestrein structureel in, alsmede Boekstart in de kinderopvang en de boekstartcoach. Vragen die we blijven stellen: -
-
Hoe kunnen we het huidige aanbod beter en structureler onder de aandacht brengen van scholen en kinderopvang? Welk aanbod gericht op de VVE kunnen, en willen we, verbeteren dan wel uitbreiden? Het gaat hier bijvoorbeeld om het aantal locaties dat deel kan nemen aan BoekStart in de kinderopvang. Zijn er mogelijkheden om Voorleestrein of BoekStart te intensiveren?
Laaggeletterdheid signaleren en herkennen Duiven en Westervoort werken mee aan de aanpak laaggeletterdheid. De gemeenten en de bibliotheek nemen deel aan het Liemers Taalhuis (waaraan verder deelnemen o.a. Kunstwerk!, Mikado en Rijn-IJssel) en kunnen de verbinding leggen met de werkgroep VVE. Bijvoorbeeld als het gaat om kennis over het herkennen en signaleren van laaggeletterde ouders. Het risico dat laaggeletterdheid van generatie op generatie wordt doorgegeven is groot. Laaggeletterde ouders kunnen hun kinderen niet goed voorlezen en praten vaak minder met de kinderen. Door een gebrek aan taalstimulering thuis, beginnen veel kinderen al met een taalachterstand op school. Zo’n taalachterstand wordt vaak niet ingehaald, zodat kinderen school verlaten met taalproblemen. Zij vormen de nieuwe aanwas laaggeletterden die dit op den duur ook weer dreigen door te geven aan hun eigen kinderen. Dit is de cyclus van laaggeletterdheid. De boekstartcoach op het consultatiebureau kan laaggeletterdheid bij ouders opsporen en doorverwijzen richting bibliotheek of Taalhuis. 16
Samenvattend: we realiseren een gezamenlijke focus op taal voor Duiven en Westervoort door de samenwerking tussen bibliotheek (Kunstwerk!), welzijn (Mikado), JGZ, kinderopvang en onderwijs te versterken en de cyclus van laaggeletterdheid te doorbreken. We zorgen voor een groter bewustzijn van het belang van een preventieve aanpak voor laaggeletterdheid, het belang van een taalrijke (thuis)omgeving en leesbevordering, bij alle professionals en ouders. We maken gebruik van, en leren van, elkaars expertise. We zorgen ervoor dat alle professionals van de JGZ, kinderopvang, school en het Liemers Taalhuis die contact hebben met ouders bekend zijn met het aanbod in Duiven en Westervoort op het gebied van laaggeletterdheid, taalrijk- en meertalig opvoeden. We maken in de werkgroep VVE afspraken over het verzamelen en delen van deze informatie.
3.6 Preventieve zorg/opvoedondersteuning 3.6.1 Wat willen we bereiken? Preventieve zorg en opvoedingsondersteuning hebben enerzijds als doel om de ouderlijke opvoedvaardigheden te verbeteren, opvoedcompetenties te vergroten, een positief ondersteunend opvoedklimaat te bevorderen en het sociale netwerk rondom gezinnen te versterken. Anderzijds is het doel om problemen bij het opvoeden en opgroeien in een vroeg stadium te verminderen of op te lossen. Het uiteindelijke doel van de ondersteuning van de ouders is een positieve ontwikkeling van kinderen te optimaliseren. Met de geboden ondersteuning willen we voorkomen dat in een later stadium zwaardere zorg nodig is, en dat de ontwikkeling en leerprestaties van kinderen geschaad worden.
3.6.2 Wat gaan we doen? Kansrijke Start Doel is om voor, tijdens en na de zwangerschap in te zetten op aanstaande ouders in kwetsbare situaties zodat alle kinderen een gelijke en kansrijke start hebben. Zowel in Duiven als in Westervoort zetten we via de interventies Nu Niet Zwanger, Voorzorg en Stevig ouderschap extra in op een kansrijke start. Het doel is om een kansrijke start voor alle (te) geboren kinderen in Duiven en Westervoort te bevorderen. Concreet zijn we bezig met het updaten van het Zorgpad Kwetsbare Zwangeren, met het opzetten van Centeringzorg en met het opzetten van een Mamacafé. Waar nodig kunnen nieuwe interventies die sterk aansluiten bij het onderwijskansenbeleid worden gefinancierd uit OAB-middelen. Buurtgezinnen Bij Buurtgezinnen worden een of meerdere kinderen uit een vraaggezin opgevangen door een steungezin. Het vraaggezin wordt dan even ontlast en het kind is even uit de vaak hectische gezinssituatie. Dit wordt aangestuurd door een coördinator die matches maakt tussen gezinnen. De uitvoering is in handen van Stichting Buurtgezinnen. HomeStart Een professionele coördinator van Humanitas begeleidt vrijwilligers die een gezinnen helpen met het opvoeden van kinderen. Home-start zit (vooralsnog) alleen in Duiven. 17
Integrale Vroeghulp Integrale Vroeghulp (IVH) is tijdige hulp aan kinderen van 0 tot 7 jaar en te vroeg geboren kinderen. De hulp wordt ingezet bij vragen over ontwikkeling of gedrag en wordt gegeven aan kind en ouder/verzorger. Integrale Vroeghulp wordt uitgevoerd door MEE. Vindplaats gericht werken (zie ook 3.2) De jeugdverpleegkundigen JGZ 0-4 komen al vele jaren, regelmatig, op alle opvanglocaties voor de 0-4 jarigen. Er is zo een laagdrempelige manier van contact leggen met ouders van jonge kinderen en met de leidsters ontstaan. Zo kunnen ouders bij jgz terecht met: • • •
vragen over bijvoorbeeld (spraak/taal) ontwikkeling en gezondheid van je kind; vragen over de opvoeding van je kind (zoals bijv. eten/slapen/zindelijkheid); vragen over zorgen binnen je gezin, bijvoorbeeld echtscheiding of schulden. De jeugdverpleegkundige kan verwijzen naar de juiste hulp.
Er is in de afgelopen jaren een goede samenwerking en vertrouwensband met de pedagogisch medewerkers opgebouwd. Preventie is een belangrijk onderdeel van de aanwezigheid van de jeugdverpleegkundigen, zij gaan in op vragen en verwijzen zo nodig naar het maatschappelijk werk, of andere disciplines. Daarnaast is er vanuit het vindplaats gericht werken op de locaties regelmatig een maatschappelijk werker op de scholen aanwezig. Dit voor de 4-12 jarigen. JGZ heeft zo nodig, op individueel niveau, contact met deze schoolmaatschappelijk werker. Hiertoe is er ook een apart overleg vindplaatsgericht werken in het leven geroepen.
3.7 Zicht op bereik, kwaliteit en opbrengsten 3.7.1 Wat willen we bereiken? Met elkaar moeten en willen we het bereik, de kwaliteit en de opbrengsten van onze inspanningen beter zichtbaar maken. We gaan in beeld brengen of we de doelstellingen van ons beleid behalen. Het gaat in de kern om de volgende doelstellingen: 1. alle kinderen die dat nodig hebben, nemen deel aan voor- en vroegschoolse educatie en/of andere ontwikkelingsstimulerende activiteiten; 2. de kinderen die deelnemen aan het aanbod lopen hun achterstanden in / maken een significante groei door in hun ontwikkeling; 3. de kwaliteit van ons aanbod is goed en we hebben zicht op waar verbeteringen mogelijk zijn. De beschikbare informatie hierover willen we vaker met elkaar bespreken. We vinden het belangrijk om met elkaar een kwaliteitsdialoog te voeren met als hoofdvraag: doen we in Duiven en Westervoort de goede dingen voor de doelgroepkinderen? De gemeente moet wettelijk met schoolbesturen afspraken maken over de resultaten van vroegschoolse educatie. Belangrijk is dat de resultaten meetbaar zijn en daadwerkelijk gemeten worden. Dit betekent dat scholen/schoolbesturen concrete gegevens moeten 18
aanleveren zodat de gemeente (en de inspectie) kan (kunnen) nagaan in hoeverre de gewenste resultaten bereikt worden. Voor Duiven en Westervoort gelden de volgende prestatie-afspraken: De kleuters met een VVE-indicatie maken tussen de midden groep 1 (K1M) en eind groep 2 (K2E) registratie in de observatiesystematiek minimaal een ontwikkelingsgroei van 1,5 jaar door (= groei gelijk aan de groei in kalenderleeftijd). Op de momenten eind peuter (P2E) en eind groep 2 (K2E) is de gemiddelde ontwikkelingsleeftijd van alle kinderen 100% van de gemiddelde kalenderleeftijd.
3.7.2 Wat gaan we doen? We voeren in ieder geval de wettelijke verplichte onderdelen uit, deze zijn: • Bereik voorschoolse educatie: hoeveel kinderen met een indicatie nemen daadwerkelijk deel aan voorschoolse educatie, en met welke intensiteit? • Resultaatafspraken VVE: zicht op de ontwikkeling van doelgroepkinderen, lopen ze hun (verwachte) achterstanden in? Bereik voorschoolse educatie (zie ook 3.1) Het in kaart brengen van het bereik van de voorschoolse educatie is een gezamenlijke inspanning van gemeente, JGZ en kinderopvangorganisaties. Het gaat hier met name om een gemeentelijke analyse van al beschikbare gegevens, zoals de bereikcijfers van JGZ en de jaarlijkse ve-subsidieaanvragen en -beschikkingen van kinderopvangorganisaties. De monitor bestaat o.a. uit de volgende onderdelen: • aantal geïndiceerde peuters • redenen van verwijzing • aantal geplaatste peuters • ve-tijd (deelname in maanden/dagdelen) • redenen voor non-bereik Het is van belang om de analyses niet alleen op gemeenteniveau te doen, maar ook uitsplitsingen te doen op locatie, wijk en kern/gemeenteniveau.. We gebruiken de peutermonitor hierbij als basis. Deze monitor heeft vanaf 2022 een module die het bereik in kaart brengt. We onderzoeken de komende periode of de module de informatie levert die we nodig hebben.
Resultaatafspraken VVE Resultaatafspraken zijn afspraken tussen schoolbesturen/kinderopvangorganisaties en gemeente over de resultaten die zij met de (voor en) vroegschool willen behalen. De resultaatafspraken zijn bedoeld om antwoord te geven op de vraag hoe doelgroepkinderen in Duiven en Westervoort zich ontwikkelen en in hoeverre in de voor- en vroegschoolse periode eventuele achterstanden worden ingelopen. De resultaten worden jaarlijks gemeten via een observatiesystematiek. Voor Westervoort is dit Kijk! Belangrijk om hier te noemen is dat het uitdrukkelijk niet gaat om afspraken waar men op wordt afgerekend: de essentie is het stellen van ambitieuze verwachtingen en op basis daarvan een kwaliteitsdialoog te voeren met elkaar.
19
4. Afspraken rondom samenwerking en overleg
Systematisch werken aan gelijke kansen bestaat uit een aantal onderdelen: 1. Overleg op bestuursniveau over beleidsontwikkelingen; 2. Overleg op uitvoerend niveau over beleidsontwikkelingen en de vertaling van beleid naar praktijk; 3. VVE- overleg op kind en locatieniveau voor pedagogisch coaches en ib’ers; 4. Multidisciplinair overleg voor het brede jeugddomein voor kennisdeling en casuïstiek; 5. Kennisdeling tussen OAB partners voor kwaliteitsverbetering en creëren van gedeelde waarden en werkwijzen Zowel in Duiven als in Westervoort zijn IKC’s, gebouwen waar ten minste basisonderwijs en kinderopvang onder één dak zijn ondergebracht. Structureel overleg vindt zowel plaats op het niveau van de gemeente als op het niveau van de IKC’s. Op gemeenteniveau vindt kennisdeling, beleidsontwikkeling en de ontwikkeling van procesafspraken en benodigde materialen plaats. Daarnaast hebben deze overleggen een signalerende functie: er worden waardevolle praktijkervaringen opgehaald die ingebracht kunnen worden op de agenda van de LEA en de werkgroep VVE. Overlegstructuur 1. VVE werkgroep Er wordt een VVE projectgroep ingericht met een aantal vaste leden, dit zijn vertegenwoordigers vanuit de gemeente, het onderwijs (o.a. i.b.-ers) en de kinderopvang. In ieder geval zijn de scholen en kinderopvang met een hoog aantal doelgroepkinderen vertegenwoordigd in deze werkgroep.
Ook de JGZ is uitgenodigd, de bibliotheek en welzijn. Bewaken, beheersen en verbeteren van de kwaliteit van voorschoolse educatie. Zorgen dat alle betrokkenen tot een goede afstemming en samenwerking komen. Brug bieden tussen gemeentelijk beleid en de uitvoering, wederzijds inspelen op ontwikkelingen. De werkgroep VVE bereidt de besluitvorming voor, welke plaatsvindt in de LEA. Uit het overleg van de werkgroep kunnen specifieke opdrachten naar voren komen, die in een kleinere (eventueel tijdelijke) groep kunnen worden belegd. Wat? Beleidsvoorbereiding, uitwerking en uitvoering op gebied VVE. Hoe vaak? 2 a 3 x per jaar overleg, afzonderlijk voor Westervoort en voor Duiven, bij voorkeur aansluitend op de netwerkoverleggen 12-. Voorzitter: gemeente Regie/secretariële ondersteuning: gemeente 2. Netwerkoverleg 12 Doel: verbeteren samenwerking tussen verschillende voorzieningen voor 12- jeugd (elkaar kennen en kunnen vinden). Signalen en ontwikkelingen delen op het gebied van 12- jeugd.
20
Wat? Overleg tussen partners die betrokken zijn bij zorgvraagstukken van kinderen (en hun ouders) tot en met de basisschoolleeftijd. Deelnemers: Onderwijs Zorgcoördinatoren kinderopvang, regiomanagers van de kinderopvangcentra, intern begeleiders van de basisscholen, directeuren van IKC’s/basisscholen. Zorg Jongerencoach, voorleestrein, buurtgezinnen, maatschappelijk werk, jeugdverpleegkundige. Gemeente Beleidsmedewerkers Jeugd en Onderwijs. jeugdconsulent SOJ GGZ Hoe vaak? 2x per jaar (Duiven), 3x per jaar (Westervoort) Voorzitter: gemeente Regie/secretariële ondersteuning: gemeente. 3. Overleg vindplaatsgericht werken (voormalig CJG-overleg) Doel: afstemming en behoud korte lijnen tussen alle partijen die betrokken zijn bij ondersteuning en zorg van kinderen in de kinderopvang en het onderwijs en Westervoort en Duiven. Wat? Overleg waarin knelpunten kunnen worden besproken, zorgsignalen worden opgepakt en werkwijzen op elkaar worden afgestemd. Deelnemers: jongerencoaches, (school)maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg, jeugdconsulenten, jeugdbeleid. Hoe vaak: 4x per jaar. Voorzitter: gemeente. Regie/secretariële ondersteuning: gemeente. 4. Directieoverleg Overleg met de directeuren van de basisscholen. In Westervoort wordt dit vanuit de gemeente geïnitieerd, in Duiven vanuit de directies. Deze overleggen kunnen heel praktisch zijn, of meer beleidsmatig.
Wat? Overleg op directieniveau over lokale onderwijszaken. Hoe vaak? 4 á 5 maal per jaar Voorzitter: gemeente (voor Westervoort), onderwijs (voor Duiven). Regie/secretariële ondersteuning: gemeente (voor Westervoort), onderwijs (voor Duiven). 5. Lokale Educatie Agenda (LEA) Bestuurlijk overleg over onderwijs- en jeugdaangelegenheden, waaronder OAB-zaken die zijn voorbereid in VVE-werkgroepen, en over zaken waarover volgens de wet waarover op overeenstemming gericht overleg (OOGO) moet worden gevoerd. Bij deze overleggen zijn aanwezig de bestuurders van het onderwijs (Innerwaard, Liemersnovum en Candea), Samenwerkingsverband de Liemers PO, en de besturen van de kinderopvangorganisaties. Gelet op de harmonisatie van onderwijsbeleid in Westervoort en Duiven en het feit dat het voor Duiven en Westervoort nagenoeg dezelfde bestuurders aan tafel zitten, gaan we de komende tijd onderzoeken of de LEA voor Duiven en Westervoort kan worden samengevoegd. Op termijn kan ook worden overwogen (b.v. een maal per jaar) een LEA voor de hele Liemers (inclusief Zevenaar) te organiseren. 21
Wat? Bestuurlijk en op overeenstemming gericht overleg over lokale onderwijszaken. Hoe vaak? 3 maal per jaar Voorzitter: gemeente (wethouder). Regie/secretariële ondersteuning: gemeente.
22
Bijlage 1: Rollen, taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partners In het gemeentelijk onderwijskansenbeleid heeft iedere partij zijn eigen (wettelijke) taken en verantwoordelijkheden. Op hoofdlijnen ziet dat er als volgt uit: • De gemeente is primair verantwoordelijk voor het realiseren van voldoende, kwalitatief hoogwaardig voorschools aanbod. Deze taak voert zij uit in samenwerking met de kinderopvangaanbieders. • De gemeente ondersteunt het onderwijs bij haar primaire taak om onderwijsachterstanden in de schoolse periode te bestrijden. • De gemeente treedt op als regisseur waar het gaat om het realiseren van verbindingen tussen partijen binnen het netwerk rondom kinderen. In onderstaande tabellen zijn de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende partners preciezer uitgewerkt. Gemeente Verantwoordelijkheden
Taken
Rollen
De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor: • voldoende en kwalitatief hoogwaardig aanbod van voorschoolse educatie • het vaststellen van de doelgroep • het bereik van alle doelgroepkinderen en goede toeleiding van kinderen naar voorschoolse educatie • toezicht op en handhaving van de kwaliteit de kinderopvang en de peuteropvang • jaarlijks overleg voeren met de schoolbesturen over de resultaten van vroegschoolse educatie Daarnaast zal de gemeente: • het onderwijs ondersteunen bij OAB-aanbod in de schoolse periode • overige partijen, zoals huisartsen en gastouderbureaus informeren over gemaakte afspraken indien daar noodzaak dan wel aanleiding voor is • evalueren, verbeteren en borgen van het OAB-beleid in een kwaliteitscyclus • vaststellen kaders en randvoorwaarden voor uitvoering VVE samen met de VVE-partners • actualiseren subsidie/kwaliteitseisen VVE • vaststellen en jaarlijks evalueren uurprijs VVE • faciliteren van uitwisseling tussen kinderopvang en scholen • bewaken traject resultaatafspraken • deelname aan gemeentelijk overleg • trekker en regisseur voor VVE 23
Levert informatie over
• • • • •
partner en toezichthouder VVE-uitvoering partner en facilitator OAB-samenwerking Kengetallen over aantallen peuters in de gemeente (CBS) GGD-rapportages over kwaliteit kinderopvang Rapportages Inspectie van het Onderwijs over kwaliteit VVE
Kinderopvangaanbieders Verantwoordelijkheden
Taken
Rollen
Levert informatie over
•
Het bieden van aanbod volgens door gemeente opgestelde subsidievoorwaarden VE, de wet Kinderopvang en de landelijke geldende kwaliteitseisen voor VE • Het bieden van informatie aan ouders over VE Wettelijke taken: • Deelnemen aan het maken van afspraken over doelgroepdefinitie en toeleiding VE • Maken van afspraken over de doorgaande lijn en de overdracht naar scholen Overige taken: • deelnemen aan diverse overleggen • evalueren OAB samen met andere partners • uitwisseling met de scholen • uitvoeren gemeentelijk VE-beleid • meedenken en input geven aan gemeentelijk beleid • signaleren wanneer beleid en praktijk niet goed aansluiten op elkaar • vergroten ouderbetrokkenheid • aantal peuters en aantal VVE-peuters • afgenomen aanbod (in jaren/dagdelen) • observaties ontwikkeling VVE-peuters conform werkwijze resultaatafspraken
Onderwijs Verantwoordelijkheden Taken
Samenwerkingsverband/schoolbesturen/scholen: • Passend (taal)aanbod kinderen met (een risico op) een (taal)achterstand Wettelijke taken (schoolbesturen) • Deelnemen aan het maken van afspraken over doelgroepdefinitie en toeleiding VE • Maken van afspraken over de doorgaande lijn en overdracht met kinderopvangorganisaties en gemeente • Jaarlijks overleg voeren met de gemeente over de resultaten van vroegschoolse educatie • Organiseren taalonderwijs bij taalachterstanden in het onderwijs Overige taken (scholen): • Bieden van passend taalaanbod 24
• • • • • •
Rollen
• •
Leveren informatie over
Deelname aan overleg indien aan de orde evalueren OAB samen met andere partners uitwisselen en terugkoppelen met kinderopvangorganisaties uitvoeren vroegschoolse educatie meedenken en input geven aan gemeentelijk beleid signaleren wanneer beleid en praktijk niet goed aansluiten op elkaar vergroten ouderbetrokkenheid observaties ontwikkeling leerlingen conform werkwijze resultaatafspraken
JGZ Verantwoordelijk heden
Rollen Levert informatie over
• • • • • • • •
Indicatie van peuters op basis van de door de gemeente vastgestelde doelgroepdefinitie Leveren van informatie aan ouders van peuters in de gemeente m.b.t. voorschoolse voorzieningen en VVE Vraagbaak voor p.m.ers en ouders, doorverwijzen indien nodig meedenken en input geven aan gemeentelijk beleid signaleren wanneer beleid en praktijk niet goed aansluiten op elkaar aantal geïndiceerde peuters, conform afspraken met gemeente aantal geïndiceerde peuters in kinderopvang non-bereik
Bibliotheek/welzijn Verantwoordelijk heden
Rollen Levert informatie over
• • • • • • •
Uitvoeren diverse taal- en leesstimuleringsmaatregelen zoals Voorleestrein en Boekstart Leveren van informatie aan ouders van peuters in de gemeente m.b.t. lees- en taalbevordering binnen de context van het gezin Bestrijden laaggeletterdheid meedenken en input geven aan gemeentelijk beleid signaleren wanneer beleid en praktijk niet goed aansluiten op elkaar aantal laaggeletterden deelname taal- en leesstimulering
25
Bijlage 2: Onderwijsachterstandsscores CBS Het CBS berekent jaarlijks voor iedere school een schoolgewicht: een score die aangeeft hoe groot het risico op onderwijsachterstanden op de betreffende school is. Dit risico wordt berekend op basis van een combinatie van vijf omgevingsfactoren: het opleidingsniveau van vader en moeder, het herkomstland van moeder, de verblijfsduur in Nederland, het gemiddelde opleidingsniveau van de moeders op school en of het gezin wel/niet in de schuldsanering zit. Hoe hoger de score, hoe hoger het risico op onderwijsachterstand op een school. De score is een optelsom van alle leerlingen op een school. NB: deze score staat los van de daadwerkelijke onderwijsprestaties van leerlingen en de invloeden van de coronacrisis. De landelijk gemiddelde score is 89. In onderstaande tabel zijn de scores met drempel te vinden voor schooljaar 2021/2022. Scholen met een score van 0 ontvangen geen budget van het Rijk voor het bestrijden van onderwijsachterstanden3.
1 2 3 4 5 6
3
Naam school Toermalijn Droomgaard Ravelijn Hoge Hoeve Startblok Klokhuis Overige scholen
Gemeente Duiven Duiven Westervoort Westervoort Westervoort Duiven
Meer informatie is te vinden op: https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-onderwijsachterstanden
26
Score met drempel 200,31 151,50 103,78 94,80 72,15 5,80 0
Bijlage 3: globale begroting OAB Duiven SISA OAB jaarlijks 2023-2026
485.000
Overgeheveld budget 2019-2022 jaarlijks
54.000
Totaal
539.000
verwachte uitgaven: artikel 166 WPO
peuters VVE KOT
115.000
peuters VVE N- KOT
135.000
vve aanbod doelgroeppeuters
250.000
Coördinatie 5%
27.000
Aanvullende advieskosten
5.000
Peutermonitor
18.000
Scholing VVE
25.000
Extra personele inzet zware VE- locaties
79.000
Versterking/afstemming zorgstructuur voorschool
30.000
Preventieve zorg/opvoedondersteuning
10.000
artikel 165 WPO Taalschool nieuwkomers
20.000
Voorleestrein, Boekstart, Boekstartcoach
35.000
Zomerschool Kunstwerk!
10.000
Taalstimulering thuis (o.a. Thuis in taal)
30.000 539.000
restant t.o.v. budget
0
27
Bijlage 4: globale begroting OAB Westervoort SISA OAB jaarlijks 2023-2026
435.000
Overgeheveld budget 2019-2022 jaarlijks
50.000
Totaal
485.000
verwachte uitgaven: artikel 166
peuters VVE KOT
85.000
peuters VVE N- KOT
140.000
vve aanbod doelgroeppeuters
225.000
Coördinatie 5%
24.000
Aanvullende advieskosten, b.v. monitoring Kijk!
5.000
Peutermonitor
18.000
Scholing VVE
18.000
Extra personele inzet zware VE-locaties
75.000
Versterking/afstemming zorgstructuur voorschool
25.000
Preventieve zorg/opvoedondersteuning
10.000
artikel 165 Taalschool nieuwkomers
15.000
Voorleestrein, Boekstart, Boekstartcoach
30.000
Zomerschool Kunstwerk! en Peuterzomerspelen
15.000
taalstimulering thuis (o.a. Thuis in taal)
25.000 485.000
restant t.o.v. budget
0
28