CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

A18c. 201578503 -Transitievisie Warmte gemeente Duiven.pdf

Politieke Avond 1 november 2022, gemeente DuivenBij agendapunt: 19.30 – 20.30 - De Vergert aardgasvrij - ronde tafel21.987 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

7.5 Rol van de gemeente in warmtenet ontwikkeling In de gemeente Duiven ligt al een grootschalig warmtenet. Door de aanwezigheid van deze infrastructuur zijn er kansen voor de wijken die nu nog gas verbruiken. Voor de twee startwijken De Vergert en Oud Zuid/Centrum, is het in het vervolgtraject dan ook goed om verder te onderzoeken hoe kansrijk de uitbreiding van het bestaande warmtenet daadwerkelijk is. Dit wordt in het wijkuitvoeringsplan proces (zie paragraaf 7.1) vergeleken met andere warmteoplossingen en getoetst aan het afwegingskader in hoofdstuk 3. 14

Een hybride warmtepomp anno 2020 zorgt voor circa 58% besparing op het aardgasverbruik. Zie rapport “De waarde van de hybride warmtepomp”, Ecorys (2021).

51

Het ontwikkelen van een warmtenet is een complex proces dat globaal in 8 fases te onderscheiden is. Het ontwikkelwiel van adviesbureau Greenvis (figuur rechts) geeft een algemeen raamwerk voor dit proces: 1.

Ideevorming

2.

Idee-uitwerking

3.

Haalbaarheidsonderzoek

4.

Concretiseren

5.

Financial close

6.

Voorbereiding realisatie

7.

Realisatie

8.

Exploitatie

Vooral in de eerste fases speelt de vraag wat voor rol de gemeente Duiven wil vervullen in het ontwikkelproces. Wanneer de gemeente Duiven start met vervolgonderzoek in het kader van het wijkuitvoeringsplan, neemt zij de regierol in het proces. Hoe de gemeente vervolgens wil gaan samenwerken met de markt(partijen), vraagt om een weloverwogen keuze.

Figuur 18 Het Greenvis ontwikkelwiel - de verschillende fases voor de ontwikkeling van een warmtenet.

Op hoofdlijnen kan de gemeente de volgende rollen kiezen: -

Facilitator: Stimuleren en faciliteren van initiatieven van marktpartijen en/of burgerinitiatieven. Partner: Samenwerken met externe partner in de vorm van een concessie (1 op 1). Aanbesteder: Kiezen tussen marktpartijen, vastleggen in de vorm van een concessie. Opdrachtgever / zelf doen: Eigen warmtebedrijf opzetten

Minder zeggenschap, minder risico

Meer zeggenschap, meer risico

Elke rol kent voor- en nadelen, die per situatie ook nog eens kunnen verschillen. Ook zijn er verschillende tussenvarianten mogelijk. Naast een rol van de gemeente zal ook nagedacht worden over een mogelijk rol van bewoners en bedrijven in warmtenet ontwikkeling. Voor het bestaande warmtenet geldt deze rolkeuze van de gemeente voorlopig nog niet. Marktpartij Vattenfall houdt voor dit gebied een concessie (een afspraak om warmte te mogen leveren) voor onbepaalde tijd. Hierin zijn afspraken vastgelegd en daarnaast wordt de levering van warmte geborgd door de huidige warmtewet. Wanneer de nieuwe Warmtewet van kracht gaat (zie onderstaande paragraaf), zal de huidige concessie met onbepaalde tijd waarschijnlijk omgezet worden in een concessie voor een periode van 30 jaar. Verstrijkt deze periode, dan komt de gemeente opnieuw voor een rolkeuze te staan m.b.t de warmtelevering in het concessiegebied. De details en afspraken rond deze omzetting worden nog verder uitgewerkt in de nieuwe Warmtewet. Juridisch kader rol van de gemeente bij collectieve warmte De aangekondigde nieuwe Warmtewet deelt een rol toe aan gemeenten bij de ontwikkeling van warmtenetten voor bestaande bouw. De keuze voor een individuele of collectieve warmtevoorziening (warmtenet) heeft een grote invloed op de rol van de gemeente. Wanneer er gekozen wordt voor een

52

warmtenet heeft dit impact op de openbare ruimte. De gemeente kan ervoor kiezen om de ontwikkeling van het warmtenet aan marktpartijen over te laten, om er zelf actief in te participeren, of iets daar tussenin. De ontwikkeling van de Warmtewet 2 (zie kader) is van grote invloed op de rol van de gemeente bij de ontwikkeling van warmtenetten. Warmtewet 2: waar gaan we naartoe? Wetgeving over de warmtetransitie is nog volop in ontwikkeling. Een belangrijke wet die in de maak is, is de Warmtewet 2 (formeel de “Wet Collectieve Warmtevoorziening”), over de ontwikkeling en exploitatie van warmtenetten. De Warmtewet 2 zou per 1 januari 2022 ingaan, maar de kans lijkt groot dat die datum niet gehaald wordt. De huidige warmtewet is vooral gericht op consumentenbescherming. Om de energietransitie te versnellen, wordt de wet verbreed naar een wet die ook de uitrol voor bestaande bouw en de verduurzaming van warmtenetten mogelijk maakt. De wet zal onder andere ingaan op de rol en bevoegdheden van gemeenten en andere partijen, op tarieven en duurzaamheid.

7.6 Communicatie- en participatiestrategie Een belangrijke rol van de gemeente is de communicatie met inwoners over wat er op hen afkomt en het organiseren van de participatie. Om mee te kunnen doen moeten inwoners weten wat er aan de hand is, wat er gaat gebeuren en wat dat voor hen betekent. Het activeren van inwoners bij deze veranderingen, zodat zij ook mee gaan doen, is een voorwaarde voor succes. Dit kan alleen door helder en zorgvuldig te communiceren. In de communicatie hanteren we waar mogelijk drie niveaus: (1) eenvoudige informatie, voor iedereen te begrijpen, (2) de mogelijkheid voor inwoners om zich verder te verdiepen, bijvoorbeeld via een projectwebsite. En (3) online beschikbaarheid van alle rapporten en onderzoeken voor de inwoners die alles willen weten. Elke wijk is anders. De diversiteit van wijken vraagt om maatwerk in de communicatie: in het soort informatie, keuze van de communicatiekanalen en de communicatie en participatieaanpak. We zijn helder over de harde kaders, over wat er al vast staat en over wat we nog niet weten of kunnen beloven. We zijn ook helder over rollen, verantwoordelijkheden, proces, planning, dilemma’s, hinder, risico’s, mate van invloed van bewoners, en communiceren daar actief over. We maken gebruik van bestaande netwerken en communicatiekanalen zoals het Energieloket, www.samen1nergie.nl en sociale media.

Voor het organiseren van de participatie is een participatiestrategie opgesteld. De participatiestrategie gaat in op de samenwerking met inwoners, het betrekken van inwoners bij de benodigde veranderingen en de mate van invloed die inwoners hebben op het veranderingsproces. De participatiestrategie heeft een aantal belangrijke uitgangspunten die hieronder kort benoemd worden. De gehele communicatie- en participatiestrategie vindt u in bijlage F en bijlage H. 1.

2.

Als één gemeenschap samenwerken aan circulaire economie Op basis van wederzijds vertrouwen en partnerschap werken inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners, woningbouwcorporaties en gemeente aan het verwezenlijken van de doelen op het gebied van de Circulaire Economie. Ieder vanuit zijn unieke ervaring, kennis en rol. Elk afzonderlijk participatieproces wordt vanaf de voorkant samen ontwikkeld, niet voor elkaar maar met elkaar. Bijvoorbeeld door een klankbordgroep te formeren waar inwoners kunnen meepraten of meebeslissen over de wijkuitvoeringsplannen. Iedereen doet mee op een manier die past Er wordt rekening gehouden met verschillen tussen en binnen de diverse doelgroepen. Speciale aandacht is er voor diverse leeftijds- en inkomensgroepen. Doel is dat iedereen een steentje bijdraagt op een manier die past. Daar hoort ook een afweging bij tussen meedenken, meebeslissen, meedoen of een mix van deze drie. Streven is zo veel mogelijk mensen op een zo passend mogelijke manier te laten meedoen.

53

3.

4.

5.

6.

Alles draait om goede communicatie Herkenbare taal en open en eerlijke communicatie zijn de basis. We zetten verschillende communicatievormen in voor het bereiken van verschillende doelgroepen zodat iedereen de informatie krijgt. Hierbij kun je denken artikelen in de krant, maar ook aan huisbezoeken of een vragenloket in de wijk. Klein beginnen, slim aansluiten en stap voor stap uitbouwen De ambities binnen de gemeente zijn hoog. Door klein te beginnen wordt het voor iedereen een stuk beter te volgen en te behappen. Ook voor mensen die meer op afstand staan. Daar waar energie zit, kan stap voor stap worden uitgebouwd. Meedoen betekent resultaat boeken Meedoen betekent een verschil maken, concreet iets veranderen, resultaat boeken. Aan elke deelnemer wordt gevraagd: Wat kan jij doen? Meedoen en meepraten wordt gewaardeerd, maar we zetten in op actie. Als mensen niet mee willen doen, dan is dat hun goed recht. Maar we nodigen ze wel uit om met een alternatief te komen. Zo wordt eigen initiatief zo veel mogelijk gestimuleerd. Waardering voor elkaar en elkaars inzet Wat mensen bijdragen aan de verandering mag gezien en gewaardeerd worden. Goede initiatieven verdienen extra aandacht. Beloning is er in verschillende vormen en maten en wordt passend ingezet.

Waar hebben de initiatiefnemers het meeste aan? Een beloning kan mensen verleiden om aan de voorkant mee te doen en het kan dienen als tegemoetkoming bij het maken van grote keuzes.

7.7 Financiering en betaalbaarheid Betaalbaarheid is één van de belangrijkste criteria om draagvlak te vinden. We sturen aan op de laagste kosten voor bewoners, bedrijven en alle belanghebbenden. Een zwaarwegend criterium bij het kiezen van de aardgasvrije techniek, is daarom de techniek met de laagste totale kosten. Soms is dat echter niet genoeg om de overstap voor iedereen betaalbaar te maken, en is er extra financiering nodig. De warmtetransitie vraagt investeringen voor isolatie, installaties of de aanleg van nieuwe warmtebronnen. Doorgaans levert dit een besparing in de energielasten op, of meerwaarde voor de woning. Toch betekent dit niet automatisch dat elke maatregel betaalbaar en financierbaar is. Om ze betaalbaar te maken, en om ervoor te zorgen dat iedereen (met een grote en kleine portemonnee) mee kan in de warmtetransitie, zijn er subsidies en financieringsregelingen (duurzaamheidsleningen) nodig. De Rijksoverheid speelt hier een belangrijke rol in. Het beschikbaar maken van subsidies en interessante financieringsvormen speelt een essentiële rol in de warmtetransitie. De gemeente zet daarom in om goede informatievoorziening op dit punt. Dat doen we niet alleen voor de startwijken maar voor alle bedrijven en bewoners die hun woning aardgasvrij (ready) willen maken.

Subsidies Als de besparing op de energielasten niet voldoende is om een investering binnen een redelijke termijn terug te verdienen, spreken we van een ‘onrendabele top’. Subsidies zijn er met name om de onrendabele top af te dekken, en soms ter stimulering van een nieuwe techniek. Het Rijk biedt hier verschillende subsidies: - voor particulieren: voor isolatiemaatregelen of aanschaf van installaties (Investeringssubsidie Duurzame Energie). - voor woningcorporaties, institutionele beleggers en particuliere verhuurders: de Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen voor het aardgasvrij maken van woningen met warmtenetten en de Renovatieversneller om corporatiebezit innovatief te verduurzamen. - voor energieproducenten: voor het produceren van duurzame energie (Subsidie Duurzame Energie++). De beschikbare subsidies en bijbehorende bedragen wijzigen vaak jaarlijks.

54

Duurzaamheidsleningen Duurzaamheidsleningen maken het mogelijk om duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand daarvoor veel eigen geld hoeft te gebruiken. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren met eigen middelen (zoals spaargeld). Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent meestal een lage rente. Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder: - Het Nationaal Warmtefonds voor particulieren en VvE’s (nationaal) - Zakelijke Duurzaamheidslening via SVn en BNG duurzaamheidsfonds (nationaal) Rekenvoorbeeld Investeringsruimte Stel: Een bewoner kan 650 euro per jaar op de energierekening besparen door te isoleren en een warmtepomp te nemen, maar hij of zij heeft geen eigen geld om de investering te doen. Hoe kan een financieringsconstructie dit oplossen? De besparing van 650 euro per jaar, komt over een looptijd van 30 jaar (na rentelasten) neer op circa 18.000 euro. Dit noem je de investeringsruimte. Een goede financieringsconstructie maakt dit bedrag vooraf beschikbaar, waarbij de maandlasten van bewoners gelijk blijven. De investering en de rentelast worden dan dankzij de lagere energierekening in 30 jaar terugbetaald. Via diverse subsidies kan een aanvullende bijdrage van circa 5.000,- euro per woning aangevraagd worden.

In dit rekenvoorbeeld is het daarom mogelijk om ongeveer 23.000 euro in de woning te investeren, waarbij de maandlasten van bewoners gelijk blijven. Voorwaarden voor de haalbaarheid van de transitie voor gemeente Duiven De regierol van de gemeente Duiven in de warmtetransitie vraagt extra tijd en inzet van ambtenaren en politici. Communicatie en participatie, projectmanagement en technische analyse zijn noodzakelijke onderdelen van de vervolgstappen richting het uitvoeringsplan. De gemeentelijke opgave en hiermee gepaarde uitgaven kunnen niet zonder extra financiële steun van het Rijk worden gerealiseerd. De mate waarin het Rijk voornemens is met extra middelen de gemeenten te ondersteunen is echter nog onduidelijk. Naar verwachting neemt het kabinet daarover op zijn vroegst in 2022 een besluit, na gesprekken en onderhandelingen tussen de VNG en het Rijk.” Daarnaast willen we graag benadrukken dat de warmtetransitie komende jaren veel uitvoeringscapaciteiten kunde gaat vragen. De beschikbaarheid in de (arbeids)markt van bijvoorbeeld installatietechnici, bouwers & aannemers, adviseurs en participatiedeskundigen zal mede bepalen hoe snel we stappen kunnen zetten richting een aardgasvrije gemeente.

7.8 Doorontwikkeling Transitievisie Warmte De Transitievisie Warmte is een levend document en een startpunt voor het gesprek met alle instellingen, bedrijven en bewoners van onze gemeente. De warmtetransitie is een langdurig proces, dat door loopt tot 2050. Nieuwe ontwikkelingen en inzichten zullen ervoor zorgen dat we de visie gaandeweg willen bijstellen en concreter kunnen maken. Zo zal er meer inzicht ontstaan in de haalbaarheid van nieuwe warmtebronnen en warmteoplossingen in specifieke wijken. Ook zullen we willen inspelen op nieuwe technologieën en ontwikkelingen in de prijsstelling van de verschillende warmteoplossingen en installaties. Door in gesprek te gaan met alle betrokkenen in onze gemeenten kunnen we de visie sterker maken en in samenspraak concrete plannen opstellen. Zo zullen we steeds meer ervaring opdoen met het transitie-gereed maken van gebouwen, buurten en wijken. Nieuwe inzichten en ontwikkelingen nemen we mee door de Transitievisie iedere 5 jaar te actualiseren.

55

Bijlage A Bouwjaren en energielabels De bouwjaren van de panden in gemeente Duiven zijn te zien in onderstaande figuur.

Figuur 19 Bouwjaren panden in gemeente Duiven

56

De energielabels van de panden in gemeente Duiven zijn te zien in onderstaande figuur.

Figuur 20 Energielabels panden in gemeente Duiven

57

Bijlage B Toelichting technische analyse In Hoofstuk 4 is een voorspelling gegeven van de energiebesparing voor 2050. In deze bijlage wordt de achterliggende analyse toelicht. De huidige energielabels zijn gebaseerd op meerdere (landelijke) bronnen. Wanneer aanwezig zijn geregistreerde of voorlopige energielabels van het RVO overgenomen. Wanneer deze data niet beschikbaar zijn, is er een inschatting gemaakt op basis van het bouwjaar van de woning.

Figuur 21. Herkomst energielabels woningen en utiliteiten in gemeente Duiven Vervolgens wordt door middel van de energielabels de warmtevraag van de woningen ingeschat. De kentallen zijn weergegeven in tabel 1. De waardes zijn gebaseerd op literatuur en een analyse van de warmtevraag in Nederland.

Voorspelling toekomstig energielabel Aan de hand van de huidige energielabels voorspellen we een toekomstig energielabel. Voor elk huidig energielabel gaan we uit van een labelstap die als economisch rendabel wordt beschouwd. Deze labelstappen zijn gebaseerd op basis van expertise van De WarmteTransitieMakers en praktijkervaring. Een voorbeeld: slecht geïsoleerde woningen, met energielabel G of F of een bouwjaar voor 1940, hebben een beperkt aantal betaalbare isolatiemogelijkheden. Dit komt doordat er vaak geen spouwmuur aanwezig is en een deel van de woningen een beschermd aangezicht of monumentenstatus heeft. Als alleen economisch rendabele isolatiemaatregelen worden uitgevoerd, blijft de verbetering van het energielabel steken op label D of C. De voorspelde energielabels bij de huidige energielabels zijn weergegeven in Tabel 2. De labelsprongen in Tabel 2 zijn enigszins conservatief ten opzichte van de labelsprongen die RVO geeft in het rapport over voorbeeldwoningen. Dit is met name voor labels G en F het geval door de eerder benoemde beperkingen. Vervolgens wordt de besparing ingeschat door de huidige en toekomstige warmtevraag te vergelijken.

Toekenning temperatuurniveau Tot slot wordt het verwachte temperatuurniveau bepaald dat nodig is voor de afgifte. Verwacht wordt dat woningen die nu energielabel A hebben geschikt zijn voor een lage temperatuurafgifte. Er zal hiervoor wel aanpassing nodig zijn aan het afgiftesysteem. Woningen met energielabel B t/m E zullen naar verwachting goed met midden temperatuur te verwarmen zijn en met de nodige investering ook in sommige gevallen met een lage temperatuur verwarmd kunnen worden. Label F en G zijn moeilijker te isoleren en zullen naar verwachting midden tot hoge temperatuur warmteafgifte nodig hebben.

58

Tabel 2. Voorspelde energiebesparing en verbetering van het energielabel door isolatie. We gaan uit van de isolatie die economisch rendabel is. De mogelijke besparing is berekend door de warmtevraag van het huidige en het toekomstige energielabel te vergelijken.

Bedrijfspanden Door de diversiteit in functies en soorten gebouwen is er bij bedrijfspanden een grotere onzekerheid over de huidige en toekomstige warmtevraag. Daarnaast gelden er andere energie-eisen voor utiliteitsbouw dan voor woningbouw. In de warmteanalyse wordt voor alle bedrijfspanden een besparing van 30% geschat. Voor bestaande kantoorpanden gelden vanaf 2023 strengere energie-eisen. Label C is vanaf dan minimaal vereist voor grotere kantoren (>100 m2). Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet.15 De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de EU en binnen Nederland verder aangescherpt zullen worden. De verwachting is daarmee dat het merendeel van de kantoren in 2050 geschikt zal zijn voor lagere of middelhoge temperatuur warmte (zie Tabel 3). Bij andere bedrijfspanden hangt de warmtevraag sterk af van de functie van een gebouw. Zo is het vaak niet nodig om een opslagloods tot 20°C te verwarmen. Voor bedrijfspanden moet meer op individueel niveau gekeken worden welke warmtevoorziening volstaat. Industriepanden gebruiken afhankelijk van de precieze functie ook warmte in processen. Hiervoor is vaak zeer hoge temperatuur warmte nodig.

Tabel 3. Voorspelde warmteprofielen bedrijven (exclusief industrie). Omdat voor kantoorpanden strengere regelgeving geldt, is de verwachting dat veel oudere kantoren grondig gerenoveerd (of nieuw gebouwd) gaan worden. Daardoor is een groot deel van de kantoorpanden in de toekomst geschikt voor lagetemperatuurverwarming.

15

https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/bestaandebouw/energielabel-c-kantoren

59

Ondanks dat er meer onzekerheid is bij het inschatten van de warmtevraag in bedrijfspanden, zijn er wel kentallen beschikbaar die een indicatie geven voor de warmtevraag op basis van landelijke gemiddeldes.16 Dat betekent dat er op lokaal niveau wel grote foutmarges kunnen optreden. Zo vallen loodsen onder ‘industriefunctie’, maar een kas of een bakker ook. Daarnaast hebben veel bedrijfspanden meerdere functies, waardoor er ook onzekerheden zitten in het toekennen van de juiste kentallen. In Tabel 4 staan de kentallen weergegeven.

Tabel 4 Kentallen warmtevraag voor verschillen type gebruiksfuncties utiliteit. Gebruiksfunctie Bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidszorgfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfunctie Overige gebruiksfunctie Sportfunctie Winkelfunctie

16

Warmtevraag [GJ/m2/jaar] 0,53 0,65 0,55 0,30 0,40 0,56 0,39 0,17 0,47 0,35

Bron: Greenvis, Innax en CBS

60

Bijlage C Niet of beperkt aanwezige warmtebronnen Niet of zeer beperkt aanwezig Biomassa (houtachtig), Collectief Biomassa is de verzamelnaam voor diverse soorten organische materiaal, zoals voedselresten, snoeihout, meststromen en productiebossen. Er zijn vele vormen van biomassa, maar de inzet van biomassa voor het verwarmen van woningen zal naar verwachting gering blijven. Dit heeft te maken met de beperkte beschikbaarheid van duurzaam beschikbare biomassa én de andere toepassingsmogelijkheden die biomassa heeft. Biomassa kan meegestookt worden in grote energiecentrales en op kleinere schaal ingezet worden met pelletkachels. De potentie voor de productie van warmte uit resthout op het grondgebied van de gemeente Duiven is geschat op 40 TJ per jaar17.

17

Bron: Warmteatlas

61

Bijlage D Toelichting Startanalyse Leidraad In Hoofdstuk 5 hebben we de Visie Warmtevoorziening voor gemeente Duiven gepresenteerd. Op deze kaart is te zien welk type warmtevoorziening kansrijk is als alternatief voor aardgas. Er zijn ook andere landelijke en lokale modellen die in beeld brengen welke warmtevoorziening kansrijk is en de laagste nationale kosten met zich mee brengt. In deze bijlage geven we een overzicht van de modellen die iets zeggen over de mogelijke toekomstige warmtevoorziening in gemeente Duiven. We vergelijken de uitkomsten van de Startanalyse van PBL en de buurtanalyse van netbeheerder Liander met onze eigen Visie Warmtevoorziening en lichten de overeenkomsten en verschillen toe. Elk model is een andere versimpelde weergave van de werkelijkheid. Het is belangrijk om de gemaakte aannames en interpretaties in acht te nemen en niet alleen op basis van de resultaten conclusies te trekken.

De Startanalyse van de Leidraad – versie september 2020 De Startanalyse van de Leidraad is een analyse die de kosten van verschillende strategieën voor de toekomstige warmtevoorziening in kaart brengt. Er zijn in totaal vijf strategieën: -

S1: Individuele elektrische warmtepomp (paars) S2: Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron (licht rood) S3: warmtenet met lagetemperatuurbron (blauw) S4: Groengas (groen) S5: Waterstof (geel)

Per CBS-buurt wordt de strategie met de laagste nationale kosten weergegeven op de kaart in Figuur 22.18 De kleuren van bovenstaande strategieën corresponderen met de kleuren uit onderstaande figuur.

18

Voor deze analyse is gebruikt gemaakt van de Vesta MAIS software, waarin het Planbureau voor de Leefomgeving een model heeft gemaakt dat per CBS-buurt in Nederland de strategie met de laagste nationale kosten kan berekenen. Nationale kosten zijn inclusief de kosten en baten van energiebesparing en alle kosten en investeringen voor de opwek en distributie van stroom en warmte, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het is een open-source model en alle aannames en gebruikte methodieken zijn online in te zien: https://github.com/RuudvandenWijngaart/VestaDV/wiki/F%29-Vesta-MAIS-in-de-Leidraad Meer informatie over De Startanalyse en hoe de resultaten geïnterpreteerd kunnen worden, is onder andere door De Warmtetransitiemakers uitgelegd in een webinar die online terug te zien is: https://vimeo.com/470550595

62

Figuur 22. Weergave van de scenario's met de laagste nationale kosten per gereduceerde ton CO2-uitstoot volgens de Leidraad Startanalyse voor gemeente Duiven. Legenda S1: Individuele elektrische warmtepomp (paars) S2: Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbron (licht rood) S3: warmtenet met lagetemperatuurbron (blauw) S4: Groengas (groen) S5: Waterstof (geel)

Interpretatie van de resultaten De Startanalyse van de Leidraad verschilt in methodiek met de analyse in Hoofdstuk 5 waarin de Visie Warmtevoorziening gepresenteerd is. Hier bespreken we de belangrijkste aandachtspunten bij het interpreteren van de resultaten in Figuur 22. CBS-buurten in plaats van logische clusters De kostenberekening van een techniek uit de Leidraad Startanalyse gaat per CBS-buurt. Omdat binnen een CBS-buurt verschillende type woningen staan, kan het resultaat een vertekend beeld geven dat niet representatief is voor de verschillende gebieden in de CBS-buurt. De gehele buurt wordt zogezegd over een kam geschoren.

63

Beschikbare warmtebronnen in Strategieën 2 t/m 5 De nationale kosten in Strategieën 2 en 3 worden berekend op basis van de beschikbare warmtebronnen die bij het PBL bekend zijn. Doordat de Startanalyse rekent met de algemene openbare data komen er ook warmtebronnen voor in de Startanalyse die in praktijk niet (meer) beschikbaar zijn. Andersom geldt dat relevante warmtebronnen niet meegenomen zijn of is niet de juiste data over de bron bekend. Voor Strategie 3 geldt dat vaak niet de hele CBS-buurt aangesloten wordt op het warmtenet met een lage temperatuur bron. Dit maakt het interpreteren van Strategie 3 lastig: de kaart in Figuur 22 laat niet zien welk deel van de buurt daadwerkelijk aangesloten wordt op het warmtenet. Daarnaast zijn de kosten voor het aansluiten van de hele buurt niet inzichtelijk, wat een vergelijking met andere strategieën of andere buurten moeilijker maakt. Strategie 4 geeft de nationale kosten wanneer groengas wordt ingezet. Bij groengas wordt geen rekening gehouden met de beperkte beschikbaarheid maar wordt alleen weergegeven wanneer de strategie zorgt voor de laagste nationale kosten. De kaart van de Startanalyse laat geen verschillen met de alternatieven zien Op de kaart in Figuur 22 is niet te zien hoe groot het verschil in nationale kosten is met het goedkoopste alternatief.

In Figuur 23 is te zien dat het wel relevant is om het verschil in acht te nemen en zien we hoeveel duurder of goedkoper Strategie 2 is ten opzichte van Strategie 1.

Verschillen tussen de Startanalyse en de Visie Warmtevoorziening Het eindbeeld van de Startanalyse is niet per buurt één-op-één te vergelijken met de Visie Warmtevoorziening, met name vanwege de genoemde verschillen in methodiek. Voor gemeente Duiven geldt dat géén van de CBS-buurten in zijn geheel homogeen gebouwd is. Dat betekent dat er per buurt veel nuances te maken zijn, die niet terugkomen in de resultaten van de Startanalyse. Dit maakt de resultaten van de Startanalyse moeilijk te interpreteren. Bij de Visie Warmtevoorziening in hoofdstuk 5 wordt geen rekening gehouden met buurtgrenzen. De optimale warmtevoorziening is bepaald aan de hand van de warmtevraagdichtheid, locatie en het type gebouw (bouwjaar, energielabel). Per buurt kunnen er dus meer warmtevoorzieningen mogelijk zijn waardoor er meer nuance is aangebracht. Tijdens het maken van deze TVW zijn alle potentiële energiebronnen in kaart gebracht. De warmtebronnen met de meeste potentie zijn verder onderzocht en is het gesprek aangegaan met de desbetreffende partijen. Zo wordt een actueel beeld verkregen van de soort en capaciteit van alternatieve energiebronnen in de gemeente. Totaaloverzicht startanalyse In Figuur 23 zijn de extra nationale kosten per ton gereduceerde CO2 ten opzichte van de aardgasreferentie weergegeven.

In de PBL analyse zijn alle buurten meegenomen, maar hieronder zijn alleen de buurten weergegeven waar nog op gas wordt gestookt en geen warmtenet ligt. In het Broek liggen de kosten nog bijna een factor 6 hoger dan in de grafiek te zien is. Dit komt omdat hier een warmtenet een extra kostbare optie is vanwege de erg lage warmtevraagdichtheid. Ten behoeve van de leesbaarheid van de grafiek is deze ingekort. Bij de afweging voor een warmtenet selecteert de PBL analyse voor elke buurt een aparte nieuwe warmtebron. Deze bron ligt volgens de gebruikte database meestal ver van de desbetreffende buurt. Dit is een van de verklaringen waarom een warmtenet in de PBL analyse voor een aantal wijken relatief slechter scoort. Daarnaast wordt er geen rekening gehouden met al bestaande warmtenetten die in de buurt liggen. In de TVW wordt wel rekening gehouden met de huidige warmtenetten en met bronnen die op zich op een logische afstand bevinden. Dit verklaart waarom in bepaalde buurten in de TVW is gekozen voor een warmtenet waarbij dat niet overeenkomt met de PBL startanalyse.

64

Het valt op dat de PBL analyse voor de buurt Centrum een laag temperatuur warmtenet als goedkoper ziet dan een hoger temperatuur warmtenet; strategie 3 t.o.v. strategie 2. Als we verder kijken in de analyse zien we dat de hierbij maar 1% van de buurt wordt aangesloten op een laag temperatuur warmtenet en 99% een individuele warmtepomp krijgt. Dit verklaart ook waarom strategie 1 bij Centrum niet te zien is; deze staaf is net zo hoog als strategie 3. De staven en de gebieden uit Figuur 23 kunnen dus soms een wat vertekend beeld geven waardoor het raadzaam is om de achterliggende analyse met getallen ernaast te houden. Deze zijn terug te vinden op de website van PBL.

Figuur 23. De extra nationale kosten van strategie 1, 2, 3 en 4 in de Startanalyse van de Leidraad voor gemeente Duiven.

Buurt analyse Liander Liander heeft onder andere voor de gemeente Duiven een buurtanalyse tool beschikbaar gesteld. Hierin is per buurt de meest passende warmteoplossing inzichtelijk gemaakt. Er zijn vier warmteoplossingen die met elkaar vergeleken worden: 1. Hoge temperatuur warmtenet 2. Lage temperatuur warmtenet 3. All-Electric 4. Hybride warmtepomp De keuze van het meest passende scenario hangt hoofdzakelijk af van de investeringskosten en of er een geschikte bron in de buurt is. Per buurt worden de uitkomsten uiteengezet in het overzicht zoals hieronder is weergegeven voor de buurt Centrum in de gemeente Duiven. Hierin is bijvoorbeeld te zien dat een hoog temperatuur warmtenet goed scoort (lage investeringskosten) omdat er een hoge temperatuur warmtebron in de buurt zou zijn. Deze scoort vergelijkbaar met de hybride warmtepomp. De lage temperatuur warmtebron of all-electric oplossing scoren slechter.

65

Figuur 24 Voorbeeld Buurtanalyse Liander

66

Methodiek beoordeling warmteoplossingen buurtanalyse tool Hieronder wordt de methodiek van Liander beschreven voor het beoordelen van een warmteoplossing voor een buurt. Deze wordt daarna vergeleken met de methodiek gebruikt in de TVW. In principe is de manier waarop Liander op deze uitkomsten komt vergelijkbaar op een aantal belangrijke verschillen na. Een uitgebreide beschrijving van de methodiek is te vinden op de website van Liander 19. Hoog temperatuur warmtenet Geschiktheid panden:

Afstand tot HT bron:

Hierbij wordt gekeken naar het aantal panden met een hoog gasverbruik; hoe meer panden met een hoog gasverbruik, hoe geschikter de buurt is voor een warmtenet. Hierbij wordt gekeken naar hoogbouw (zeer geschikt), buitenwijken (minder geschikt) of landelijk gebied (niet geschikt). Hoe dichterbij een geschikte bron hoe beter.

Potentie Geothermie:

Hierbij wordt gekeken naar de potentie van geothermie in een gebied

Geschiktheid buurttype:

Laag temperatuur warmtenet Geschiktheid panden:

Hierbij wordt gekeken naar het aantal panden waarvan het huidig energielabel A of B is. Geschiktheid buurttype: Hierbij wordt gekeken naar hoogbouw (zeer geschikt), buitenwijken (minder geschikt) of landelijk gebied (niet geschikt). Aansluitingen per meter gasleiding: Hiermee wordt de warmtevraagdichtheid bepaald door te kijken naar het aantal gasaansluitingen in een gebied. Afstand tot LT bron: Hoe dichterbij een geschikte bron hoe beter. All-electric Geschiktheid panden: Geschiktheid LS net: Geschiktheid MS net: Geschiktheid buurttype:

Hybride warmtepomp Geschiktheid panden:

Hierbij wordt gekeken naar het aantal panden waarvan het huidig energielabel A of B is. Mate van geschiktheid huidige laagspanningsnet; mate van vereiste netverzwaring. Mate van geschiktheid huidige middenspanningsnet; mate van vereiste netverzwaring. Hierbij wordt gekeken naar hoogbouw (zeer geschikt), buitenwijken (minder geschikt) of landelijk gebied (niet geschikt).

Status gasnet:

Hierbij wordt gekeken naar het aantal panden waarvan het huidig energielabel C, D of E is. Mate waarin komende jaren vervanging van het gasnet nodig is

Afstand tot geschikte bron:

Hoe dichterbij een geschikte bron hoe beter.

Biogaspotentie:

Als er een biogasbron in de buurt is, komt dit een hybride warmtepompsysteem ten goede.

Verschillen tussen de buurtanalyse tool en de Visie Warmtevoorziening Zoals al aangegeven is de methode van de buurtanalyse tool vergelijkbaar met de methode uit deze TVW. Hieronder worden de belangrijkste verschillen aangegeven. In de buurtanalyse wordt gekeken naar het aantal panden met een bepaald energielabel in een gebied, afhankelijk daarvan wordt voor de toekomst een warmteoplossing gekozen. In de TVW wordt niet alleen rekening gehouden met de huidige energielabels maar ook de verwachte energielabels in de toekomst. Een uitgebreide uitleg hiervan is te vinden in bijlage D. Zo wordt er verder 19

https://www.buurtanalysetool.nl/

67

gekeken dan de huidige situatie en wordt de geschiktheid van een warmteoplossing toegespitst op de toekomst. In de buurtanalyse wordt de warmtevraagdichtheid bepaald door te kijken naar het aantal grote gasaansluitingen in een gebied. Zo kan het zijn dat in een woonwijk alleen maar laagbouwwoningen (lage warmtevraagdichtheid) worden aangemerkt als geschikt als er maar een paar panden met een hoog gasverbruik in staan. In de TVW wordt gekeken naar de absolute warmtevraagdichtheid in de huidige situatie en de verwachte warmtevraagdichtheid in toekomst na energiebesparingsmaatregelen. Deze warmtevraagdichtheid is afhankelijk van de warmtevraag van de panden en de oppervlakte van het gebied. Tot slot wordt in de TVW de geschiktheid van de bron getoetst met de benodigde aanvoertemperatuur van de panden in een gebied. Deze aanvoertemperatuur is weer afhankelijk van de bouwjaren en energielabels. Zo zal er bijvoorbeeld geen laag temperatuur warmtebron worden gekozen in een gebied waar in de toekomst een hoge aanvoertemperatuur nodig wordt verwacht.

68

Bijlage E Infographic individuele oplossingen Zie meegeleverde bijlage

69

Bijlage F Economie

Participatiestrategie

Zie meegeleverde bijlage

70

Circulaire

Bijlage G planning Integraal Beheer Openbare Ruimte Zie meegeleverde bijlage

71

Bijlage H Communicatie- en participatieplan Transitievisie Warmte Zie meegeleverde bijlage

72

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=3642ed51-c15a-479e-8ea1-e9688b46b2cf