CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

A11c. 201704274-Routekaart SEB

Raadsavond 17 september 2025, gemeente DuivenBij agendapunt: A - informatie van het college ter kennisname20.069 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Voorwoord Zowel voor de natuur, het klimaat en de gezondheid, als voor de voortgang van bouwprojecten is het van belang om de bouw te verduurzamen. De stikstofproblematiek heeft grote effecten gehad op de bouwsector, die essentieel is voor de Nederlandse economie. Zo werkt de sector aan de woningbouwopgave, de energietransitie en het in goede staat houden van onze infrastructuur. Het is van maatschappelijk belang dat de emissies gereduceerd worden en dat de sector door kan. Het is daarvoor noodzakelijk om de sector gereed te maken voor de toekomst door in te zetten op schoon en emissieloos bouwen. Hierbij hebben we met elkaar één gemeenschappelijk doel: een schoon, leefbaar en krachtig Nederland. De routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen en het bijbehorende convenant SEB hebben tot doel het bieden van duidelijkheid aan de sector met een meerjarenperspectief en het geven van een stappenplan dat leidt tot toenemende emissiereductie in de bouwsector richting 2030 en daarna. De routekaart bevat het definitieve reductiepad dat invulling geeft aan de doelen voor zowel stikstof als klimaat en schone lucht inclusief maatregelen en acties om dit te bewerkstellingen.

Via de maatregelen en acties uit de routekaart SEB wordt invulling gegeven aan de doelen voor zowel stikstof als klimaat en schone lucht en kan de sector een bijdrage blijven leveren aan de Nederlandse economie, de productie van woningen, aanleg en onderhoud van infrastructuur en de energietransitie.

2

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Inhoud VOORWOORD.................................................................................................................................................2 1.

INLEIDING...............................................................................................................................................4 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.

2.

WERK-, VOER- EN VAARTUIGEN IN DE BOUW .......................................................................................10 2.1. 2.2. 2.3. 2.4.

3.

MOBIELE WERKTUIGEN ..............................................................................................................................10 BOUWTRANSPORT ....................................................................................................................................11 VAARTUIGEN ...........................................................................................................................................11 EMISSIES WERK- VOER- EN VAARTUIGEN ........................................................................................................12

TRANSITIEPADEN..................................................................................................................................16 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8.

4.

AANLEIDING SCHOON EN EMISSIELOOS BOUWEN .............................................................................................. 4 DOEL PROGRAMMA EN ROUTEKAART SEB ....................................................................................................... 4 SCOPE VAN DE ROUTEKAART ......................................................................................................................... 7 LEESWIJZER ............................................................................................................................................... 8

TRANSITIEPAD WEG, DIJK, SPOOR (WDS).....................................................................................................16 TRANSITIEPAD WONINGBOUW EN UTILITEITSBOUW (W&U).............................................................................17 TRANSITIEPAD KUSTLIJNZORG EN VAARGEULONDERHOUD (KLZ & VGO) ............................................................18 TRANSITIEPAD ENERGIE ..............................................................................................................................19 METHODIEK TRANSITIEPADEN......................................................................................................................21 EMISSIE-EISEN ..........................................................................................................................................25 EMISSIEREDUCTIES ....................................................................................................................................36 CONCLUSIE BEHALEN DOELEN EN AMBITIES EMISSIEREDUCTIES ...........................................................................40

KENNISAGENDA....................................................................................................................................44 4.1. 4.2.

OVERZICHT KENNISAGENDA ........................................................................................................................44 KENNISBASIS, AANPAK EN KENNIS ONTSLUITEN................................................................................................48

5.

FINANCIEEL INSTRUMENTARIUM..........................................................................................................51

6.

CONTROLE OP DE NALEVING ................................................................................................................55

7.

MONITORING EN EVALUATIE................................................................................................................56

8.

ORGANISATIE .......................................................................................................................................58 8.1. 8.2.

9.

ORGANISATIESTRUCTUUR ...........................................................................................................................58 ROLLEN EN TAAKVERDELING ........................................................................................................................58

COMMUNICATIE...................................................................................................................................61

BIJLAGE 1. LIJST MET AFKORTINGEN .............................................................................................................63 BIJLAGE 2. TOELICHTING EMISSIENORMEN MOBIELE WERKTUIGEN EN VAREND MATERIEEL ........................64 BIJLAGE 3. ZERO-EMISSIE ZONES STADSLOGISTIEK ........................................................................................67

3

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding Schoon en Emissieloos Bouwen

Werk-, voer- en vaartuigen in de bouw (“bouwmaterieel”) stoten emissies uit die schadelijk zijn voor de natuur, het klimaat en de gezondheid. In de transitie naar een uitstootvrije en schone leefomgeving is de verdere verduurzaming van dit bouwmaterieel daarom een onmisbaar onderdeel. In het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN), het Klimaatakkoord, de strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten en het Schone Lucht Akkoord, zijn doelstellingen en ambities geformuleerd om deze schadelijke emissies terug te dringen. Naast deze emissiereductieopgave is de verduurzaming van bouwmaterieel van belang voor de continuïteit van de bouwsector. Door de stikstofproblematiek kwamen in 2019 en daarna vele bouwplannen en vergunningaanvragen stil te liggen vanwege te hoge stikstofdeposities die kunnen neerslaan op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Met het vervallen van de partiële bouwvrijstelling op 2 november 2022 moet weer per project beoordeeld worden of de uitstoot van stikstof bij de aanlegfase tot significant negatieve effecten leidt en of een natuurvergunning moet worden aangevraagd. Zowel voor natuur, klimaat, gezondheid als voor de voortgang van bouwprojecten is het van belang dat de uitstoot tijdens de bouwfase verder wordt teruggedrongen.

Vanuit de sector zijn verschillende initiatieven gestart om de uitstoot van werk-, voer- en vaartuigen in de bouw te verminderen. Zo werken Bouwend Nederland, Cumela, BMWT en MKB Infra samen aan het initiatief de Groene Koers1. Daarnaast hebben een aantal partijen in de bouwsector zich verenigd in Emissieloos Netwerk Infra2. Om in de bouwsector de opgaven op het gebied van natuur, klimaat en gezondheid gezamenlijk aan te pakken, is door de rijksoverheid (inclusief rijksdiensten en ProRail) in samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, marktpartijen en kennisinstellingen het programma Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) opgericht. In het programma SEB worden de verschillende doelen en ambities uit het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering, het Klimaatakkoord, strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten en het Schone Lucht Akkoord inzake de verduurzaming van bouwmaterieel gebundeld en gezamenlijk uitgevoerd. Daarnaast geeft het programma invulling aan de 1 miljard euro die voor de periode tot en met 2030 door de Rijksoverheid beschikbaar is gesteld voor emissie-reducerende maatregelen in de bouw. Alleen met een gezamenlijke aanpak kunnen de emissiereductiedoelstellingen voor bouwmaterieel op een effectieve wijze worden ingevuld.

1.2.

Doel programma en routekaart SEB

Het doel van het programma SEB is het verbeteren van de natuur, het klimaat, en de gezondheid door het reduceren van de emissies van werk-, voer- en vaartuigen in de bouw en zodoende invulling te geven aan de doelstellingen en ambities uit het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering, het Klimaatakkoord, de strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten en het Schone Lucht Akkoord. Figuur 1 geeft deze doelstellingen en ambities weer.

1 2

https://www.degroenekoers.nl/ https://www.emissieloosnetwerkinfra.nl/

4

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Figuur 1. Doelstellingen en ambities waar programma SEB aan werkt

Om deze doelstellingen en ambities te bereiken, worden vanuit programma SEB verschillende instrumenten ingezet. Dit zijn zowel instrumenten die de inzet van schoon en emissieloos bouwmaterieel stimuleren (‘pull- maatregelen’), als instrumenten met een meer dwingend karakter (‘push-maatregelen’), zie figuur 2.

5

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Figuur 2. Push- en pull-maatregelen binnen het programma SEB

Deze routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen is het instrument dat de emissiereductiedoelstellingen voor bouwmaterieel verbindt en koppelt aan maatregelen uitgezet tegen de tijd. Zo ontstaat één gedeeld beeld van de wijze waarop de verduurzaming van mobiele werk-, voer- en vaartuigen in de bouw de komende jaren vorm krijgt, zodat marktpartijen weten wat de maatregelen de komende periode zijn en waarop beslissingen over kwesties als investeringen, inkoop en innovatie zijn te baseren en opdrachtgevers inzicht hebben in wat zij van de markt kunnen vragen. Met de routekaart SEB wordt tevens een invulling gegeven aan de emissiereductieplicht uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), die met de Omgevingswet inwerking treedt. Artikel 7.19a verplicht initiatiefnemers om bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden ‘adequate maatregelen’ te nemen om stikstofemissies te beperken. Deze verplichting gaat gelden voor het bouwen of slopen van een bouwwerk (gebouwen en “kunstwerken” zoals bruggen, tunnels, sluizen etc.), maar niet voor de aanleg of sloop van werken (wegen, spoorlijnen). De verplichting geldt daarnaast alleen voor bouw- en sloopactiviteiten die vergunningplichtig zijn (bouw) of meldingplichtig (bouw en sloop).

Toepassing van het in hoofdstuk 3.5 en 3.6 beschreven minimumniveau kan gebruikt worden als deel van de invulling van het begrip “adequate maatregelen” als bedoeld in artikel 7.19a Bbl en kan door het bevoegd gezag gebruikt worden bij de beoordeling daarvan. Andere mogelijke maatregelen zijn bijvoorbeeld het beperken van bewegingen van voertuigen op de bouwplaats of prefabricage om de bouwtijd te beperken.

6

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

1.3.

Scope van de routekaart

De routekaart richt zich op de verduurzaming van het gebruik van mobiele werk-, voer-, en vaartuigen ingezet in de bouwsector. De bouwsector betreft de sector van bedrijven die zich richt op nieuwbouw, het onderhoud, de verbouw of het slopen en verwijderen van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Daaronder vallen ook bedrijven die zich bezighouden met de inrichting van de openbare ruimte in de directe omgeving van een onroerende zaak. Het dagelijks groenonderhoud valt hierbuiten. Onder mobiele werktuigen vallen machines die worden ingezet in de bouwsector, zoals graafmachines en mobiele kranen. Onder voertuigen valt het bouwtransport en daarmee het organiseren, plannen, besturen en uitvoeren van de aanvoer en afvoer van bouwmaterialen en bouwmaterieel van en naar de bouwlocatie. Onder vaartuigen valt het varend bouwmaterieel dat wordt ingezet bij bouwwerkzaamheden op het water, zowel op binnenwateren als buitengaats, zowel kustlijnzorg als vaargeulonderhoud. Bouwconcepten en digitalisering zijn onderdeel van bouwtransport in zoverre aan voorgaande een bijdrage wordt geleverd. Een verdere beschrijving van deze werk-, voer- en vaartuigen is opgenomen in hoofdstuk 2. Ondanks dat bouwgerelateerd personenvervoer als een activiteit binnen de bouw gezien kan worden, is dit geen onderdeel van de routekaart.

Het kwantificeren en onderscheiden van emissies vanuit deze activiteit specifiek voor de bouw is een complexe opgave. Daarnaast zijn er diverse sectoroverstijgende initiatieven om het personenvervoer te verschonen. Mogelijk wordt dit onderdeel later nog toegevoegd. Figuur 3 toont wat binnen én buiten de scope van de routekaart SEB valt en geeft voorbeelden van het type maatregelen voor schoon en emissieloos bouwen. Emissies door de (industriële) productie van bouwmaterialen, door de industrie en door het gebruik van de gerealiseerde bouw, vallen buiten de scope van SEB. Figuur 3. Scope routekaart SEB

Relatie tot andere programma’s verduurzaming bouw en mobiele werk-, voer- en vaartuigen Ook op onderdelen buiten de scope van SEB werken verscheidene trajecten en programma’s aan de verduurzaming van de bouw dan wel de verduurzaming van mobiele werk-, voer- en vaartuigen. Naast de trajecten waarvoor SEB voor bouwmaterieel invulling aan geeft, betreft dit 7

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

onder andere:

-

Programma Circulaire Economie ZE-stadslogistiek Green Deal Binnenvaart Green Deal Duurzaam GWW Maritiem Masterplan Vrachtwagenheffing NAL werkgroep Logistiek

Het streven is om deze trajecten elkaar te laten versterken. Convenant Schoon en Emissieloos Bouwen Onderdeel van het Programma SEB zijn afspraken met overheden, marktpartijen en kennisinstellingen over de uitvoering van deze routekaart SEB. Deze afspraken worden vastgelegd in het convenant Schoon en Emissieloos Bouwen.

1.4.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de werkzaamheden van de bouwsector, de hoeveelheid en het type bouwmaterieel dat hiervoor wordt ingezet en de emissies die dit genereert. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe met de inzet van deze routekaart de emissies door bouwmaterieel de komende tijd zullen verminderen en welke maatregelen hiervoor nodig zijn. In de daaropvolgende hoofdstukken wordt stilgestaan bij invulling van de kennisopgave, het financiële instrumentarium, controle op de naleving, monitoring en evaluatie, organisatiestructuur en communicatie.

8

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

9

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

2.

Werk-, voer- en vaartuigen in de bouw

De bouwsector is een diverse sector die een grote verscheidenheid aan werkzaamheden uitvoert. Die werkzaamheden vragen verschillende soorten bouwmaterieel. Hieronder volgt een nadere omschrijving van de typen die ingezet worden.

2.1.

Mobiele werktuigen

In 2020 waren ongeveer 110.000 dieselwerktuigen en ongeveer 40.000 benzine werktuigen actief in de bouw in Nederland. Mobiele werktuigen maken in beginsel geen gebruik van de openbare weg maar zijn wel mobiel inzetbaar, doordat ze bijvoorbeeld verrijdbaar of draagbaar zijn. De werktuigen hebben een eigen aandrijving - en zijn daarmee gemotoriseerd - en níet (hoofdzakelijk) bedoeld voor wegtransport van mensen of goederen. Voorbeelden van mobiele werktuigen zijn graafmachines, wielladers, aggregaten bulldozers en mobiele kranen. Binnen deze categorie valt ook al het specialistische materieel voor de aanleg en onderhoud van het spoor. Mobiele werktuigen worden gecategoriseerd naar vermogen (kW) en naar emissieklassen ook wel ‘fasenormen’ of ‘stagenormen’ genoemd: Europese emissienormen voor mobiele werktuigen die de toegestane uitstoot van onder andere NOₓ en fijnstofemissies per kWh weergeven (zie ook bijlage 2). Onderstaande grafiek geeft een overzicht van het aantal actieve dieselaangedreven mobiele werktuigen, gebaseerd op informatie uit het landelijke emissiemodel mobiele machines (EMMA)3. Stagenormen worden strenger in de tijd, waardoor het vervangen van oudere werktuigen relatief de grootste emissiereductiewinst oplevert. Figuur 4.

Aantal actieve diesel aangedreven mobiele werktuigen (exclusief spoorwerktuigen) in Nederland in 2020, op basis van EMMA model (Emissiemodel Mobiele Machines)

Bron: TNO 2022, Inventarisatie en categorisatie huidige en toekomstige aanbod mobiele werktuigen en bouwlogistiek

3

Dit betreft de verdeling naar fasenormen (ook wel stagenormen) per vermogenscategorie op basis van het aantal voertuigen en niet op basis van draaiuren of inzet. Op basis van het aantal draaiuren ontstaat het beeld dat nieuwere mobiele werktuigen intensiever worden ingezet dan oudere mobiele werktuigen.

10

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Spoormaterieel Een subcategorie binnen de mobiele werktuigen is spoorspecifieke werktuigen. Deze worden ingezet voor de aanleg en het onderhoud van het spoor en voor werzaamheden rondom ballast, dwarsliggers, spoorstaven en de bovenleiding. Deze subcategorie omvat circa 1.800 werktuigen, waarvan ongeveer 40 met een zeer hoog motorvermogen (tussen de 560 tot 2000 kW) en ongeveer 1.000 kleinere werktuigen met vermogens onder 19 kW. Spoorwerktuigen zijn veelal specialistische machines, zoals werktreinen en rail-weg voertuigen. Deze specialistische werktuigen leiden tot veel uitstoot en het specialistische karakter maakt de verduurzaming complex.

2.2.

Bouwtransport

Bouwvoertuigen worden gebruikt om materiaal en personeel4 van en naar de bouwlocatie te brengen en/of ingezet voor vervoer op de bouwlocatie zelf. Naast specifieke bouwvoertuigen, zoals betonmixers of kippers, worden algemene voertuigtypes zoals bestelwagens, kleine vrachtwagens en trekkers - opleggers veel ingezet. Er zijn ongeveer 277.000 bouwvoertuigen actief in Nederland. Onderstaande tabel geeft de specifieke onderverdeling weer. Tabel 1. Overzicht omvang bouwvoertuigen

*Totale omvang van bouwvoertuigen, op basis van SBI-codering, is bepaald voor de gehele keten van winning van grondstoffen tot en met het transport naar de bouwlocatie. Het vervoer van materiaal van winning van grondstoffen naar productielocatie is buiten SEB-scope. Bron: TNO 2022, Inventarisatie en categorisatie huidige en toekomstige aanbod mobiele werktuigen en bouwlogistiek

2.3.

Vaartuigen

Bouwvaartuigen worden ingezet bij bouwwerkzaamheden op het water: zowel op binnenwateren als op de Noordzee (tot aan de vastgestelde internationale grens), voor zowel kustlijnzorg en vaargeulonderhoud als voor offshore energieprojecten (bijvoorbeeld een windmolenpark). Vaartuigen binnen de scope van deze routekaart zijn kraanschepen, kabelleggers en 4

Met name bestelauto’s worden ook veel gebruikt voor het vervoer van personeel van en naar de bouwlocatie. Voertuigen die uitsluitend zijn bedoeld voor personenvervoer, zoals personenbusjes, vallen echter buiten de hier gehanteerde categorie “bouwvoertuigen”.

11

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

baggerschepen. Bouwvaartuigen zijn in te delen in drie categorieën: de zoete, zoute en offshore waterbouwvaartuigen. Ze worden ingezet voor respectievelijk kustlijnzorg en vaargeulonderhoud, en offshore bouwwerkzaamheden. Zoete waterbouw In Nederland zijn ongeveer 300 zoete waterbouwvaartuigen actief. De samenstelling van de zoete waterbouwvloot laat een grote verscheidenheid aan type vaartuigen zien naargelang de werkzaamheden die het uitvoert. De vaartuigen verschillen zowel in technische kenmerken als operationele inzet. Zo is een vaartuig dat ingezet wordt voor baggerwerkzaamheden niet inzetbaar voor het bouwen van kademuren of sluizen. Zoute kustlijnzorg en zoutwater vaargeulonderhoud In totaal werken circa 15 tot 30 verschillende vaartuigen per jaar aan kustlijnzorg en zoutwater vaargeulonderhoud. Deze vaartuigen worden niet uitsluitend in Nederland ingezet, maar opereren veelal wereldwijd. De specifieke inzet van schepen in Nederland is op basis van beschikbaarheid en tenderspecificaties, wat zorgt voor een onvolledig beeld over de exacte grootte van de vloot in Nederland. Offshore Voor de offshore-industrie wordt een grote verscheidenheid aan vaartuigen ingezet voor de installatie, aanleg en het onderhoud van windmolenparken, aanleg van kabels in zee en olie- en gasactiviteiten.

De markt voor bouwvaartuigen voor werkzaamheden op zee is zeer internationaal, waardoor het beeld met betrekking tot de hoeveelheid schepen die op de Nederlandse markt actief zijn onvolledig is. Schepen die bijvoorbeeld worden ingezet voor offshore windenergie zijn valpijpschepen voor het storten van stenen en kabellegschepen voor de aanleg van kabels. De komende jaren zal de aanleg van windturbines op zee fors toenemen. Inzet van installatie- en onderhoudsschepen neemt daardoor ook significant toe de komende jaren. Naar verwachting zullen daarnaast steeds grotere schepen worden ingezet. Offshore schepen hebben een grote variëteit aan operationele inzet en motorgebruik.

2.4.

Emissies werk- voer- en vaartuigen

De totale huidige uitstoot van het bouwmaterieel dat binnen de scope van de routekaart SEB valt met zichtjaar 2018 is 23,23 kton stikstof (NOx), 3,916 Mton koolstofdioxide (CO2) en 810 ton fijnstof (PM10). Dit betreft directe “tank to wheel”-emissies, ofwel de emissies “aan de uitlaat”. Emissies van bouwmaterieel omvatten circa 7,4% van de totale NOx-emissies, circa 2,5% van de totale CO2-emissies en circa 2,8% van de totale fijnstofemissies (PM10) in Nederland. Onderstaande tabel geeft de onderverdeling van emissies weer op basis van de meest recente cijfers, waarbij ten opzichte van 2018 - al een kleine autonome afname is op te merken.

12

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Tabel 2. Uitstootcijfers mobiele werktuigen, bouwtransport en vaartuigen binnen scope Schoon en Emissieloos Bouwen

* Geschaalde cijfers: het brandstofverbruik en emissies zijn door de Taakgroep Emissieregistratie voorlopig geschaald volgens de oude rekenmethodiek op basis van het brandstofverbruik. Ongeschaald liggen de uitstootcijfers volgens de nieuwe rekenmethodiek op basis van nieuwe aantallen machines hoger. Deze cijfers zijn voor de compleetheid wel toegevoegd in de bovenstaande tabel. ** Totale omvang uitstoot van bouwvoertuigen, op basis van SBI codering, is bepaald voor de gehele keten van winning van grondstoffen tot en met het transport naar de bouwlocatie. Het vervoer van materiaal van winning van grondstoffen naar productielocatie is buiten SEB-scope. Bronnen: TNO 2022, Inventarisatie en categorisatie huidige en toekomstige aanbod mobiele werktuigen en bouwlogistiek TNO 2023, Transitiepaden Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)

Stikstofoxiden (NOx) en Ammoniak (NH3) zijn de schadelijke verbindingen als gevolg van stikstof. Emissies van bouwmaterieel5 bestaan vrijwel geheel uit stikstofoxiden. Echter, bouwmaterieel met een SCR-katalysator (materieel in stagenorm IV en V) produceert ook ammoniak. Dit aandeel is verwaarloosbaar ten opzichte van stikstofoxiden en wordt niet meegenomen in het uitstootcijfer. Figuur 5 toont de autonome emissiereducties van NOx, CO2 en fijnstof van werk-, voer- en vaartuigen in de gehele bouwsector. Autonome reductie betreft de reductie die de komende jaren naar verwachting zal plaatsvinden als er geen aanvullende maatregelen worden genomen of beleid wordt uitgevoerd. Een voorbeeld van een aanvullende maatregel is de Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel en de uitvoering van routekaart SEB. In onderstaand figuur wordt zichtbaar dat met name fijnstof emissies relatief veel dalen en de emissies van CO2 en NOx maar beperkt dalen. Deze autonome reductie is onvoldoende om de doelstellingen en ambities van SEB (zie figuur 1) te behalen waardoor additionele maatregelen noodzakelijk worden geacht.

De NH3-uitstootcijfers voor mobiele werktuigen en bouwtransport zijn terug te vinden in het TNO-rapport Transitiepaden Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) (2023).

5

13

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Figuur 5. Autonome reductie in NOx, CO2 en fijnstof (in figuur aangegeven als PM10) van werk-, voer- en vaartuigen in de totale bouwsector

14

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

15

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

3.

Transitiepaden

Dit hoofdstuk beschrijft de methodiek om emissies (stikstof, CO2 en fijnstof) te reduceren en geeft een inschatting van de verwachte emissiereductie die daarmee wordt bereikt. In deze routekaart is de bouwsector onderverdeeld in vier deelsegmenten. Voor elk deelsegment van de bouw is een zogenaamd transitiepad opgesteld, dat het kader geeft voor de inzet van schoon en emissieloos bouwmaterieel bij bouw-, onderhouds- en sloopprojecten voor de komende jaren. Door per deelsegment een transitiepad in te richten, zijn haalbare maatregelen opgesteld die inspelen op de mogelijkheden tot voldoende verduurzaming van bouwmaterieel afgestemd op de kenmerken van het betreffende deelsegment van de bouw. Deze segmentering maakt het namelijk mogelijk om rekening te houden met de bouwlocatie, de aard en omvang van een bouwproject en/of -werkzaamheden, de aanbestedingsvorm, het type opdrachtgever en de beschikbare laad- en tankinfrastructuur. De mogelijkheden tot verduurzaming van bouwmaterieel worden sterk bepaald door deze karakteristieken. De transitiepaden zijn tot stand gekomen op basis van doelbereik voor stikstof, CO2 en fijnstof, de technische haalbaarheid en de kosten. Het uitgangspunt hierbij is dat de maatregelen aan de ene kant realistisch en haalbaar zijn en aan de andere kant uitdagend genoeg zijn om de doelstellingen en ambities te behalen.

De transitiepaden zijn in samenwerking met medeoverheden en de markt georganiseerd naar transitiepad. Naast de expert judgement vanuit de betrokkenen is het proces ook ondersteund met analyses vanuit TNO. De routekaart SEB bestaat uit de volgende vier transitiepaden: transitiepad Weg, Dijk en Spoor (WDS) transitiepad Woningbouw en Utiliteitsbouw (W&U) transitiepad Kustlijnzorg en Vaargeulonderhoud (KLZ & VGO) transitiepad Energie De transitiepaden van WDS en KLZ & VGO zijn ook onderdeel van de strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten (KCI)6. In dit hoofdstuk wordt eerst een beschrijving van de vier transitiepaden gegeven en de emissies per transitiepad. Daarna worden de maatregelen om deze emissies te reduceren en de verwachte effecten hiervan toegelicht.

3.1.

Transitiepad Weg, Dijk, Spoor (WDS)

Het transitiepad Weg, Dijk, Spoor (WDS) behelst de inzet van de mobiele werktuigen (inclusief stationair materieel op de bouwlocatie), specialistisch spoorbouwmaterieel en het transport van en naar de bouwlocatie (bouwtransport) binnen de Grond-, Weg- en Waterbouw (GWW) en Spoor. Dit omvat de inzet van materieel bij aanleg, beheer en onderhoud van: • Wegen: aanleg, beheer en onderhoud van bijvoorbeeld wegen (inclusief droog grondverzet, fundering, wegverharding, wegmeubilair en installaties), viaducten, tunnels en bruggen. • Dijken: aanleg, beheer en onderhoud van dijken, dammen, waterkeringen, sluizen, gemalen en uiterwaarden. • Spoor: aanleg, beheer en onderhoud van spoorwegen (waaronder bovenbouw, spoorstaven, grindbed, dwarsliggers en installaties voor beveiliging en energievoorziening), kunstwerken (bruggen, tunnels etc.) en stations. De opdrachten in de GWW komen voor het overgrote deel van overheden (de Rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen). Op het spoor worden de opdrachten door ProRail verleend. Naast de rol van opdrachtgever hebben overheden in de rol van bevoegd gezag een rol in de vergunningverlening van GWW-projecten.

6

In de strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten wordt voor dit transitiepad de naam Weg-, Dijken Spoormaterieel (WDSM) gehanteerd.

16

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

De GWW-sector omvat zowel Nederlandse bedrijven als een aantal buitenlandse aannemers. Het betreft een aantal grote bouwbedrijven (10-15), veel MKB-bedrijven en een grote groep kleine bouwbedrijven. Het materieel varieert in grootte en er is een groeiende tendens om materieel te leasen of te huren. Daarnaast is er ook een beperkt aantal specialistische aannemers, zoals (erkende) spooraannemers. Emissies Transitiepad Weg, Dijk, Spoor (WDS) De mobiele werktuigen binnen transitiepad WDS zorgen voor iets minder dan de helft van de CO2-, NOx- en fijnstofemissies van alle mobiele werktuigen in de bouw, zie tabel 3. Een groot deel van het materieel is nog voorzien van een verbrandingsmotor en relatief veel oud materieel is nog in gebruik. Een groot aandeel van het materieel en inzet zit in de categorie tot 56 kW. Het grootste deel van de CO2- en NOx-uitstoot wordt veroorzaakt door materiaal vanaf 130 kW, ondanks dat dit qua aantallen de kleinste categorie is. Voor fijnstof ligt dit anders, de voornaamste uitstoot wordt veroorzaakt door materieel tot 19 kW, met name veroorzaakt door minder strenge eisen die aan de motoren worden gesteld in deze categorie. Het aandeel in de emissies veroorzaakt door bouwtransport binnen dit transitiepad is een stuk kleiner, zo’n 14%, ten opzichte van de andere transitiepaden. Tabel 3.

Emissies vanuit het transitiepad WDS veroorzaakt door Mobiele werktuigen en bouwtransport, inclusief het aandeel (%) in het totaal van de vier transitiepaden in 2020

* Inclusief spoor-specialistisch materieel. Bron: TNO 2023, Transitiepaden Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)

3.2.

Transitiepad Woningbouw en Utiliteitsbouw (W&U)

Het transitiepad Woningbouw en Utiliteitsbouw (W&U) betreft alle mobiele werktuigen en bouwtransport die ingezet worden op bouwlocaties waarop woning- en utiliteitsbouw plaatsvindt in Nederland. Er worden tientallen types mobiele werktuigen gebruikt, variërend van hoogwerkers, betonmixers, laadschoppen, een variëteit aggregaten en veel klein materieel. De voertuigen betreffen het transport van materialen en materieel van en naar de bouwlocatie. In vergelijking met de andere transitiepaden worden voor de woningbouw en utiliteitsector verreweg de meeste bestelauto’s gebruikt. Onder woningbouw vallen alle bouwactiviteiten aan gebouwen met een woonbestemming. De Utiliteitsbouw beslaat alle gebouwen die geen woonbestemming hebben. De bouw van stationsgebouwen valt onder het transitiepad Weg, Dijk, Spoor (WDS). Meer dan 90% van de projecten binnen dit transitiepad vindt plaats in de private sfeer, zoals door projectontwikkelaars, aannemers, woningbouwcorporaties of particulieren. Een klein deel betreft bouwactiviteiten die onderdeel zijn van een overheidsopdracht, zoals de realisatie van maatschappelijk vastgoed. Het transitiepad kenmerkt zich daarmee met een breed en omvangrijk spectrum aan opdrachtgevers. De overheid vervult in veel gevallen de rol van bevoegd gezag (vergunningverlener).

Hierin onderscheidt het transitiepad W&U zich van het transitiepad WDS, waarin de overheid naast de rol van bevoegd gezag ook opdrachtgever is. Emissies Transitiepad Woningbouw & Utiliteitsbouw (W&U) Een groot deel van de mobiele werktuigen in de W&U bestaat uit klein materieel tot 56 kW. De verwachting is dat het gaat om materieel met een relatief korte afschrijvingstermijn, zodat een groot deel van dit materieel voor 2030 vernieuwd wordt. Voor materieel met een relatief korte 17

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

afschrijvingstermijn dat veel gebruikt wordt is vaak al emissieloos of -arm materieel beschikbaar, maar dit wordt nog niet standaard ingezet. Het grootste deel van de emissies van het bouwtransport binnen de hele bouwsector ligt binnen het transitiepad W&U (rond de 83%). Bestelwagens veroorzaken hier 60% van, ondanks hun relatief lage emissiekenmerken. Het gaat dan om ook grote aantallen voertuigen, van de geschatte 256.000 die totaal in de bouw rondrijden worden ongeveer 237.000 voor de W&U ingezet. Sturen op uitfaseren van oudere voertuigen en/of het emissieloos maken van specifiek het bestelwagenpark zal dus een zeer groot effect hebben op het bouwtransport in het geheel en voor de woningbouw en de utiliteit in het bijzonder. Tabel 4. Emissies vanuit het transitiepad W&U veroorzaakt door mobiele werktuigen en bouwtransport, inclusief het aandeel (%) in het totaal van de vier transitiepaden in 2020

Bron: TNO 2023, Transitiepaden Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)

3.3.

Transitiepad Kustlijnzorg en Vaargeulonderhoud (KLZ & VGO)

Het transitiepad Kustlijnzorg en Vaargeulonderhoud (vanaf nu: KLZ & VGO) behelst de inzet van varend materieel dat wordt ingezet voor kustlijnzorg, vaargeulonderhoud en overige baggerwerken. Ook de inzet van kleinere vaartuigen door gemeenten en waterschappen valt onder dit transitiepad. Dit transitiepad richt zich voornamelijk op materieel dat wordt ingezet op baggerwerken, te onderscheiden in: binnenlands (varend, mobiele werktuigen) en zeegaand (kust en vaargeulen zout). Op veel waterbouwschepen zijn verschillende motoren aanwezig: Voortstuwingsmotoren (voor aandrijving van de schroefas van het schip). Een deel van het materieel heeft geen voortstuwing aan boord (stationaire zandzuigers en transportbakken). Werkmotoren voor de aansturing van machines die benodigd zijn voor de hoofdfunctie van het schip (zoals bijvoorbeeld de kraan op het kraanschip). Daarnaast hebben de schepen veelal kleine hulpmotoren voor overige apparatuur. Deze zijn veelal kleiner dan 55 kW. De Nederlandse zeegaande baggerwerken worden vooral bepaald door Rijkswaterstaat (Kustlijnzorg, vaargeulonderhoud, zeetoegangsgeulen, hoofdvaarwegen) en Havenbedrijven. Kustlijnzorg wordt gedaan in opdracht van Rijkswaterstaat. Zout vaargeulonderhoud gebeurt in opdracht van de Rijkswaterstaat en havenbedrijven.

Zoet vaargeulonderhoud wordt gedaan in opdracht van Rijkswaterstaat, provincies, gemeenten en waterschappen. Zowel de zeegaande als de binnenlandse baggermarkt en de scheepsmarkt zijn internationale markten. Nederland en de baggerindustrie zijn relatief kleine spelers in de scheepsmarkt en de sector is energie- en kapitaalintensief. Het materieel heeft zowel een lange economische als technische levensduur; doorgaans zo'n 25 tot 30 jaar. Emissies Transitiepad Kustlijnzorg & Vaargeulonderhoud (KLZ & VGO) Op zee wordt vooral scheepsdiesel (of HVO) gebruikt, binnenlands wordt veelal diesel gebruikt. Soms is de aandrijving emissieloos (of hybride), indien mogelijk met walstroom en anders met hulp van een aggregaat.

18

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Sommige bedrijven kiezen bij het zoete baggeren om bij natuurlijke vervangingsmomenten over te gaan op elektrisch. Met strengere internationale regelgeving in het vooruitzicht wordt er nu ook vaker voor alternatieve brandstoffen gekozen, zoals LNG. De verwachting is dat voor de meeste scheepstypes pas na 2030 elektrisch, e-fuels en waterstof een grotere rol gaan spelen. Tabel 5. Uitstoot (bandbreedte) varend materieel 2021 voor KLZ & VGO en Energie

Bron: TNO 2023, Transitiepaden Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)

3.4.

Transitiepad Energie

Het transitiepad Energie bevat de inzet van materieel ingezet voor de aanleg van projecten voor energieopwekking en energie infrastructuur. Het gaat hierbij zowel om projecten op zee als op land. Bouwactiviteiten die binnen de scope van dit transitiepad vallen hebben een aantal gemeenschappelijke eigenschappen. Zo gaat het in dit segment van de bouwsector doorgaans om grootschalige bouwprojecten die automatisch lange planning- en besluitvormingstrajecten met zich meebrengen. Vanwege de omvang van deze bouwprojecten worden veelal grote mobiele werktuigen ingezet. De belangrijkste projecttypen binnen dit transitiepad zijn: wind op zee projecten en aanleg van netten mijnbouw op zee aanleg van gasleidingen op zee energiehoofdinfrastructuur op land energie-opweklocaties op land (projecten die onder Rijkscoördinatieregeling vallen) mijnbouwactiviteiten op land CCS (Carbon Capture and Storage) Op zee zullen de komende jaren veel bouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van de aanleg van windparken. Wegens het internationale en afwijkende karakter van de vaartuigen ingezet voor dit transitiepad, is gekozen voor een eigen transitiepad dat verschilt van bijvoorbeeld KLZ & VGO. Het transitiepad Energie is vooralsnog beperkt tot energieprojecten op land en het net op zee.

Het aanleggen van het energienet op zee betreft het leggen van de stroomkabels en het aanleggen van transformator- en converterstations. Dit onderdeel van de offshore-energie heeft de nauwste band met het land en zal in omvang de komende jaren wezenlijk groeien. Bij projecten op land wordt voornamelijk generiek materieel ingezet. Uitzondering hierop is een zogenaamde Vibroseis truck voor het opsporen van olie- en gasvelden. Over het algemeen zijn energiebedrijven opdrachtgever waar het gaat om de bouw van energieopweklocaties. Soms is zo'n locatie in beheer van een ander type bedrijf (denk aan een ondernemer of investeringsmaatschappij) of wordt de opweklocatie na de bouw verkocht aan een 19

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

andere partij. Waar het gaat om de vitale infrastructuur van de energiesector is het opdrachtgeverschap in handen van de door de overheid aangewezen netbeheerders. Projecten voor de energiesector worden uitgevoerd door aannemers die ook in andere deelsegmenten van de bouw actief zijn. Daarbij wordt op land ook sterk gekeken naar samenwerking met aannemers en bedrijven uit de regio waar het project plaatsvindt. Emissies Transitiepad Energie Vanwege de energietransitie wordt de komende jaren een grote hoeveelheid aan energieprojecten uitgevoerd. Met name de opgave voor duurzame elektriciteit, waaronder wind op zee, vraagt de komende periode veel aandacht. Daarnaast loopt het aantal bouwprojecten in de categorie mijnbouw terug. Op zee is de verwachting dat mijnbouw in 2050 volledig is verdwenen. De huidige situatie is dus zeker niet tekenend voor de komende tien jaar. Op land heeft de energiesector heeft op dit moment maar een klein aandeel in de totale uitstootcijfers, omdat het aantal projecten lager is dan in de andere segmenten. Met name voor de drijvende werktuigen valt wel veel emissiereductie te bewerkstelligen. Echter, dit beeld is enigszins vertekend, doordat veel bedrijven die bouwwerkzaamheden voor de energiesector uitvoeren, geoormerkt zijn als een bedrijf dat thuishoort in een andere sector.

Door het cross-sectionele opereren van deze bedrijven is het ook lastig om materieel specifiek toe te schrijven aan de energiesector, in het bijzonder voor het materieel op land. Doordat de markt voor het materieel op zee zeer internationaal is, is het daarnaast lastig om een beeld te hebben van de hoeveelheid schepen die in de Nederlandse markt actief zijn. Activiteiten op land Op land wordt veel generiek materieel ingezet, waardoor de situatie overeenkomstig is met het transitiepad WDS. Netverzwaring zorgt voor een grote opgave. Aansluiting van materieel op het net is uitdagend omdat het net zelf tijdens de werkzaamheden afgeschakeld is of omdat het niet geschikt is om materieel op aan te sluiten. Tabel 6. Emissies vanuit het transitiepad Energie veroorzaakt door mobiele werktuigen en bouwtransport, inclusief het aandeel (%) in het totaal van de vier transitiepaden in 2020

Bron: TNO 2023, Transitiepaden Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)

Activiteiten op zee Bij deze projecten zijn een gering aantal partijen betrokken en kent het materieel een lange levensduur. Het betreft een deels overeenkomstige situatie als bij de sectoren kustlijnzorg en vaargeulonderhoud op zee. Een relatief snelle afname van emissies door nieuwe schepen is hierdoor beperkt mogelijk. Verder is er een spanningsveld tussen de realisatieopgave voor wind op zee en de beschikbaarheid van schepen, met name van Tier III schepen. De activiteiten voor mijnbouw op zee zijn teruglopend, waardoor ook weinig investeringen plaatsvinden. Dit beperkt de mogelijkheden om te verschonen, naast het feit dat het een zeer internationale markt is. Zoals hierboven aangegeven focust het transitiepad Energie zich voor het offshore deel vooralsnog alleen op de aanleg van net op zee. De hoeveelheid kabels die voor net op zee wordt geïnstalleerd, is afhankelijk van het aantal en de omvang van projecten voor wind op zee, en de afstand van het windpark tot aan de wal. Dit fluctueert sterk per jaar, en de bouwactiviteiten vinden vooral plaats in de jaren 2027 tot en met 2030. Tabel 7 bevat een inschatting van de emissies voor het zichtjaar 2021.

20

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Tabel 7. Emissies vanuit het transitiepad Energie (net op zee) veroorzaakt door vaartuigen in 2020

Bron: TNO 2023, Transitiepaden Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB)

3.5.

Methodiek transitiepaden

Eisen aan de maximale emissies Kern van de methodiek uit deze routekaart is het stellen van eisen aan de maximale emissies van het bouwmaterieel dat wordt ingezet in bouw-, onderhouds- en sloopprojecten. In de emissie-eisen is grofweg een onderscheid te maken naar een tweetal typen emissie-eisen, om de schadelijke emissies van stikstof, CO2 en fijnstof terug te dringen: • eisen m.b.t. de inzet van materieel met schonere motoren (verlagen emissies door uitvragen emissienormen, filters en/of katalysatoren, emissieloos); • eisen m.b.t. de inzet van materieel met schonere brandstoffen of andere duurzame energiedragers (inclusief emissieloos). Dit soort eisen worden alleen toegepast bij varend materieel. Hierin is een balans gezocht tussen enerzijds het zo snel mogelijk verschonen van bouwmaterieel ten behoeve van het reduceren van stikstof en fijnstof, en anderzijds het versnellen van de transitie naar emissieloos materieel, dat nodig is met het oog op de benodigde CO2-reductie. Figuur 6. Samenhang transitiepaden en bijbehorend materieel

Richting 2030 worden de emissie-eisen steeds strenger, waardoor het bouwmaterieel steeds schoner en meer emissieloos wordt. De volgende tijdsperioden worden gehanteerd: Periode 1: 1 januari 2023 tot en met 31 januari 2024 Periode 2: 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2027 21

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Periode 3: 1 januari 2028 tot en met 31 januari 2029 Periode 4: 1 januari 2030 (d.w.z. 2030 en verder) Door het vaststellen van het transitiepad over langere termijn kunnen bedrijven daarbij afwegen welke investering het meest gunstig is. De emissie-eisen dienen te worden toegepast in nieuwe aanbestedingsopdrachten en contracten en bij de vergunningverlening. De eisen gelden niet met terugwerkende kracht voor lopende contracten en opdrachten of reeds vergunde projecten. In nieuwe contracten langer dan 5 jaar wordt opgenomen dat de emissie-eisen worden aangescherpt op de omslagpunten, indien deze binnen de looptijd van het contract vallen.

Emissienormen Het aanknopingspunt voor de emissie-eisen wordt gevormd door de stagenormen (mobiele werktuigen), euronormen (bouwtransport) en tier-klassen en CCR-klassen (varend bouwmaterieel) zoals gedefinieerd in de internationale emissiewetgeving. Met de invoering van de stagenormen werden emissienormen van kracht voor de productie en verkoop van nieuwe machines. Dat betekent bijvoorbeeld dat nieuw materieel met ingang van 2014 aan de stage IVen per 2019 aan de stage V-emissienormen moet voldoen. Verouderde machines en voertuigen kunnen nog lang na invoering van de volgende stagenorm worden ingezet bij werkzaamheden. De emissie-eisen zijn erop gericht om het gebruik van verouderd, verontreinigend materieel in de bouw terug te dringen door deze materieelcategorieën versneld uit te faseren. Zie voor een toelichting op de stagenormen, tier-klassen en CCR-klassen bijlage 2.

22

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Drie niveaus voor het stellen van eisen De routekaart bevat drie niveaus die de hoogte van de emissie-eisen bepalen. De rol van de overheid is van belang voor de keuze welk niveau van toepassing is. Figuur 7. Drie niveaus voor het stellen van emissie-eisen

•

Het minimumniveau geldt voor mobiele werktuigen gebruikt bij bouw- en sloopactiviteiten die vergunningplichtig zijn (bouw) of meldingplichtig (bouw en sloop). Toepassing van het in hoofdstuk 3.6 beschreven minimumniveau kan gebruikt worden als deel van de invulling van het begrip “adequate maatregelen” als bedoeld in artikel 7.19a Bbl en kan door het bevoegd gezag gebruikt worden bij de beoordeling daarvan. Andere mogelijke maatregelen zijn bijvoorbeeld het beperken van bewegingen van voertuigen op de bouwplaats of prefabricage om de bouwtijd te beperken. In specifieke gevallen kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift een nadere invulling geven aan de emissiereductieplicht (bijvoorbeeld in de directe omgeving van Natura 2000-gebieden).

•

Het basisniveau legt de lat iets hoger en geldt voor bouw-, sloop- én onderhoudsprojecten met een publieke opdrachtgever (en private opdrachtgevers die dat willen). Het basisniveau is opgesteld voor alle typen bouwmaterieel (mobiele werktuigen, voertuigen en vaartuigen). De overheid heeft hierbij de rol van opdrachtgever of initiatiefnemer. De minimumeisen uit dit niveau worden in de aanbestedingsopdrachten en contracten van de opdrachtgevers opgenomen. Voor elke eis geldt dat opdrachtgevers ook kunnen kiezen om de lat voor bepaalde klassen al hoger te leggen. Ook zijn opdrachtnemers (uiteraard) vrij om materieel in te zetten dat al voldoet aan een strengere eis. 23

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

•

Het ambitieuze niveau stelt de hoogste eisen waarmee de emissies verder worden gereduceerd en wordt in aanvulling op het basisniveau toegepast. Dit niveau is een generiek niveau voor een selecte groep partijen - zogenoemde koplopers - die een hoger ambitieniveau nastreven dan het basisniveau. Net als het basisniveau geldt dit niveau voor de bouw-, onderhoud- en sloopprojecten met een publieke opdrachtgever (en private opdrachtgevers die dat willen). Voor mobiele werktuigen en bouwtransport bevat het ambitieuze niveau een ingroeipercentage voor de inzet van emissieloos materieel. Dit ingroeipercentage wordt toegepast door koplopers in een deel van de projectenportefeuille, dit betreffen zogenaamde koploperprojecten. Het deel koploperprojecten van de totale projectenportefeuille (o.b.v. budgettaire omvang) is aangegeven door een percentage in de tabellen van het ambitieuze niveau. Het streven is dat zo veel mogelijk opdrachtgevers zich via het convenant aan het basis- en ambitieuze niveau committeren. Net als bij het basisniveau heeft de overheid hierbij de rol van opdrachtgever of initiatiefnemer. De eisen uit het ambitieuze niveau worden in de aanbestedingsopdrachten en contracten van de opdrachtgevers opgenomen.

Indien gewenst, kan een opdrachtgever kiezen hogere eisen te stellen, bijvoorbeeld in het geval van gebieden met een hoge blootstelling aan luchtvervuiling of de nabijheid van kwetsbare Natura 2000-gebieden.

Naast het opnemen van emissie-eisen kunnen opdrachtgevers de markt verder uitdagen en stimuleren, bijvoorbeeld via een gunningscriterium gericht op inzet van zero emissie materieel of reduceren van emissies via procesmaatregelen. Toepassing van de niveaus zorgt voor een schonere bouw en leidt tot positieve effecten op de stikstofdepositiereductie en daarmee op de natuur. Dit neemt echter niet weg dat met het vervallen van de partiële bouwvrijstelling op 2 november 2022, weer per project beoordeeld moet worden of de aanlegfase tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden leidt en of een natuurvergunning moet worden aangevraagd. Dit kan betekenen dat er lokaal strengere emissie-eisen gelden. Daarnaast geldt dat los van de maatregelen uit deze routekaart, bedrijven onverkort aan andere regelgeving moeten voldoen, zoals de arbeidsomstandighedenregelgeving, zie de toelichting op de DME-minimalisatieplicht. Minimalisatieplicht blootstelling Dieselmotoremissie (DME) vanuit de Arbeidsomstandighedenwet Los van de eisen die zijn geformuleerd in transitiepaden voor de drie verschillende niveaus, geldt dat bedrijven onverkort aan andere regelgeving moeten voldoen, zoals de Arbeidsomstandighedenregelgeving.

Om de gezondheid van werknemers te beschermen die op de werkplek de uitstoot van dieselmotoren kunnen inademen, geldt daarom een minimalisatieplicht: dieselaangedreven arbeidsmiddelen moeten worden vervangen door niet-dieselaangedreven varianten indien dit technisch en operationeel uitvoerbaar is. Zo lang vervanging nog niet mogelijk is, moet de uitstoot van dieselmotoren zo ver mogelijk worden teruggedrongen, bijvoorbeeld door het toepassen van een zo ‘schoon’ mogelijke dieselmotor, of door het aanbrengen van een roetfilter. De Arbeidsinspectie kan op basis van de minimalisatieplicht maatwerk toepassen indien in een specifieke situatie méér nodig is, of meer mogelijk is, dan de generieke eisen die gesteld zijn in de routekaart SEB of in de BIM DME. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft de algemene uitgangspunten voor het toezicht en de handhaving met betrekking tot blootstelling aan de uitstoot van dieselmotoren vastgelegd in de zgn. Basisinspectiemodule DME (te vinden op www.nlarbeidsinspectie.nl).

24

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

De eisen uit de transitiepaden zijn in principe ‘techniek vrij’, welke technieken worden ingezet bepaalt de markt zelf. In de transitie naar emissieloos materieel heeft de inzet van batterijelektrisch materieel veel potentie, maar dat geldt bijvoorbeeld ook voor waterstof. SEB maakt hierin geen onderscheid, maar probeert wel via de kennisagenda bij te dragen aan kennisontwikkeling en er is aansluiting bij bijvoorbeeld de Nationale Agenda Laadinfrastructuur en het Nationaal Waterstof Programma. Ook de inzet van biobrandstoffen kan bijdragen aan de transitie naar duurzamer bouwmaterieel, ten behoeve van CO2-reducties. Daarbij geldt dat Nederland op grond van de betreffende EUregelgeving (RED II) kaders heeft gesteld aan de in te zetten hoeveelheid biobrandstoffen (jaarverplichting). Op basis van het duurzaamheidskader biogrondstoffen en het beeld van de internationale en nationale beschikbaarheid van biobrandstoffen zet het kabinet in op een zo hoogwaardig mogelijke inzet van biobrandstoffen, bijvoorbeeld in zwaar wegvervoer, luchtvaart of zeevaart. Hierbij gaat het kabinet uit van de tijdige afbouw van de stimulering van laagwaardige toepassingen, de transitiegerichte toepassing in sectoren waar op middellange termijn geen alternatieven beschikbaar zijn, en van opschaling van hoogwaardige toepassingen.

In lijn met deze inzet wordt binnen de routekaart SEB het gebruik van biobrandstoffen vooral gevraagd bij het materieel dat moeilijker kan overgaan op emissieloos materieel, namelijk vaartuigen ingezet in de bouw. In deze gevallen bevatten de transitiepaden naast emissie-eisen ook uitvragen voor ‘duurzame energiedragers’. Onder ‘duurzame energiedragers’ worden vanuit SEB de volgende opties toegestaan: biobrandstoffen: biobrandstoffen voortkomend van grondstoffen uit lijst A of B van de Europese richtlijn RED II (Bijlage IX Deel A en Deel B); conventionele biobrandstoffen; hernieuwbare brandstoffen, zoals hernieuwbare waterstof en synthetische brandstoffen7. Ook wel bekend als RFNBO’s (Renewable Fuels of Non-Biological Origin); hernieuwbare elektriciteit. Vanwege kaders vanuit de betreffende EU-regelgeving moet de groei met name vanuit geavanceerde biobrandstoffen (RED II Bijlage IX Deel A), RFNBO’s en hernieuwbare elektriciteit komen.

3.6.

Emissie-eisen

Dit hoofdstuk bevat de emissie-eisen voor de verschillende typen bouwmaterieel: ingedeeld in mobiele werktuigen (inclusief spoor), voertuigen en vaartuigen. Deze kunnen in de verschillende transitiepaden worden toegepast. Niet elk type bouwmaterieel wordt echter ingezet in ieder transitiepad. Figuur 6 geeft per transitiepad aan welk type bouwmaterieel van toepassing is. Emissie-eisen mobiele werktuigen De eisen voor mobiele werktuigen zijn gericht op het verschonen van werktuigen door materieel met hoge emissies te weren en de inzet van schone en emissieloze (ZE) werktuigen te bevorderen. De eisen aan mobiele werktuigen gelden voor alle vier de transitiepaden. Voor mobiele werktuigen bestaan drie niveaus: minimumniveau, basisniveau en ambitieuze niveau. Voor Spoor zijn daarnaast aparte emissie-eisen opgesteld, die specifiek gericht zijn op de verduurzaming van specialistisch spoormaterieel. De belangrijkste overwegingen bij het opstellen van de emissie-eisen voor mobiele werktuigen zijn: Gelet op de beschikbaarheid dan is voor licht materieel (<56kW) en stationair materieel de overgang naar zero- emissie al voor 2030 mogelijk. Het gaat hierbij echter om grote aantallen en om de haalbaarheid te vergroten is stage V-materieel van voor 1 januari 2028 nog tot 1 januari 2033 toegestaan. Het gaat hierbij om de datum van aankoop van nieuw materieel.

Voor zwaarder materieel (56-560kW) is door het uitfaseren van ouder materieel (ouder dan 7

De inzet van synthetische brandstoffen voor vaartuigen is op dit moment niet gedefinieerd in de Regeling energie vervoer, waardoor deze niet onder de jaarverplichting vallen en geen aanspraak gemaakt kan worden op HBE’s.

25

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

-

1.

stage IIIb) al veel winst te behalen op de uitstoot van stikstof en fijnstof. Een echt grote stap wordt echter gerealiseerd met de overgang naar stage IV/V (met roetfilter/katalysator). Voor CO2-reductie is de overstap naar emissieloos materieel noodzakelijk; dit zal echter meer tijd vergen dan bij licht materieel. De verduurzaming van zeer zwaar (>560kW) en specialistisch materieel is complex en vergt hoge investeringen. Hiervoor zal meer maatwerk nodig zijn, waarbij in ieder geval wordt ingezet op de toepassing van roetfilters en katalysatoren en komende jaren geëxperimenteerd zal worden met nul-emissie en alternatieve brandstoffen. Minimumniveau mobiele werktuigen:

Tabel 8. Verplicht minimumniveau mobiele werktuigen8

* Met 'katalysator’ wordt bedoeld een effectieve SCR-katalysator. Met 'roetfilter’ wordt bedoeld een werkend, gesloten roetfilter. ** Voor Stage V-materieel is een overgangsregeling van kracht. Stage V-materieel van voor 1 januari 2028 is nog tot 1 januari 2033 toegestaan.

De categorie specialistisch materieel betreft materieel dat in ieder geval wordt gekenmerkt door: • zwaar materieel met forse vermogens (>130kW); • lange levensduur (vaak >15 jaar); • kleine afzetmarkt, weinig vraag; • weinig/geen beschikbaarheid van schoon/ZE materieel. Vanuit het programma SEB wordt er gewerkt aan een indicatieve lijst met materieel dat onder deze categorie valt. Deze komt separaat beschikbaar.

8

Aanvullend wordt in het kader van afspraken uit het Schone Lucht Akkoord onderzocht in een pilot of aanvullende eisen voor hoogbelaste en/of binnenstedelijke gebieden effectief is.

26

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

2.

Basisniveau mobiele werktuigen:

Tabel 9. Basisniveau mobiele werktuigen9

* Met 'katalysator’ wordt bedoeld een effectieve SCR-katalysator. Met 'roetfilter’ wordt bedoeld een werkend, gesloten roetfilter.

3.

Ambitieuze niveau mobiele werktuigen:

De eisen binnen dit niveau worden toegepast in een vastgesteld percentage aan koploperprojecten. Per periode is hier een bandbreedte gegeven. Voor deze projecten geldt dat een bepaald percentage van het werk met emissieloos materieel dient te worden uitgevoerd. Het percentage emissieloos te verrichten werk is bedoeld om de emissiereductie te versnellen door de ingroei van emissieloos materieel te stimuleren. Dit criterium dient te worden aangetoond op basis van het ingezette vermogen en het aantal draaiuren van de betreffende vermogenscategorie. Voor het overige materieel dat wordt ingezet gelden minimaal de emissie-eisen zoals opgenomen in het basisniveau.

9

Vanuit het Schone Lucht Akkoord zal in samenwerking met SEB worden onderzocht of bredere toepassing voor mobiele werktuigen buiten de bouw mogelijk is.

27

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Tabel 10. Ambitieuze niveau mobiele werktuigen

* Percentage van het projectenportfolio van een opdrachtgever

Emissie-eisen bouwtransport De emissie-eisen voor bouwtransport zijn gericht op het verschonen van de voertuigen door voertuigen met hoge emissies te weren en de inzet van emissieloze (ZE) voertuigen te bevorderen. De eisen zijn van toepassing op de transitiepaden WDS, W&U en Energie. De belangrijkste overwegingen bij het opstellen van de emissie-eisen voor bouwtransport zijn: Gelet op de beschikbaarheid is voor licht materieel (bestelauto’s) de overgang naar emissieloos al voor 2030 goed mogelijk. Het gaat hierbij wel om grote aantallen. Voor zwaarder materieel (lichte en zware vrachtwagens) is de overgang naar emissieloos ook mogelijk, maar dit kost met name bij zware vrachtwagens meer tijd.

28

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Voor bouwtransport zijn twee niveaus van toepassing: 1.

Basisniveau bouwtransport:

Tabel 11. Basisniveau bouwtransport

2.

Ambitieuze niveau koplopers bouwtransport:

De emissie-eisen binnen dit niveau worden toegepast in een vastgesteld percentage aan koploperprojecten, per periode is hier een bandbreedte gegeven. Voor deze projecten geldt dat een bepaald percentage van het werk met emissieloos materieel dient te worden uitgevoerd. Dit criterium dient te worden aangetoond op basis van de ingezette categorie voertuigen en het aantal gereden kilometers per categorie. Voor het overige materieel gelden minimaal de emissie-eisen zoals opgenomen in het basisniveau. Tabel 12. Ambitieuze niveau bouwtransport

* Percentage van het projectenportfolio van een opdrachtgever.

29

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Naast deze emissie-eisen dient ook rekening gehouden te worden met de toegangsregimes voor milieuzones en zero-emissiezones, in het kader van de afspraken uit de Uitvoeringsagenda ZE Stadslogistiek. In de emissie-eisen is zoveel mogelijk rekening gehouden met de milieu- en zeroemissiezones, zodat de emissie-eisen hier niet strijdig mee zijn. De toegangsregimes voor zeroemissiezones zijn opgenomen in bijlage 3. Emissie-eisen aan specialistisch spoormaterieel Deze emissie-eisen zijn een nadere invulling voor specialistisch spoormaterieel. Deze eisen zijn van toepassing op alle spoorse projecten. Samengevat heeft specialistisch spoormaterieel betrekking op: • Werktreinen: een werktrein is (vaak) een diesellocomotief die bedoeld is voor het vervoer van bouw- of onderhoudsmaterialen. Deze kunnen zowel ingezet kunnen worden voor bouwwerkzaamheden maar ook voor regulier goederenvervoer; • Specialistische spoorwerktuigen: dit gaat bijvoorbeeld om stopmachines, spoorkranen, ombouwtreinen, inspectie- en meettreinen, slijp- en freestreinen en hoogwerkers; • Rail-weg voertuigen: dit gaat bijvoorbeeld om krollen (graafmachine op rails) en lasbussen. Met name de krol wordt bij spoorwerkzaamheden vaak ingezet; • Spoorspecifiek klein materieel: zoals kraagboutmachines en (kleine) slijp- en freesmachines en schroef- en boormachines.

Net als de specialistische mobiele werktuigen is de verduurzaming van zeer zwaar (>560kW) en specialistisch spoormaterieel complex en vergt hoge investeringen. Ook hier zal meer maatwerk nodig zijn, waarbij in ieder geval wordt ingezet op de toepassing van roetfilters en katalysatoren en komende jaren geëxperimenteerd wordt met emissieloos materieel en alternatieve brandstoffen.

30

Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen

Tabel 13. Emissie-eisen specialistisch spoormaterieel

* Naast deze eisen dient ook rekening gehouden te worden met de toegangsregimes voor milieuzones en ZEzones, in het kader van de afspraken uit de Uitvoeringsagenda ZE Stadslogistiek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=a2f761bd-a3d8-43b4-8814-3c3dc0d1e01d