CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

9. 201544025 - bijlage 5 bp Nader onderzoek ecologie.pdf

Raadsavond 7 juni 2022, gemeente DuivenBij agendapunt: Bestemmingsplan Rijksweg 624.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Naderonderzoek kleine marterachtigen en vleermuizen Rijksweg 62 te Duiven

Nijverdal, 15 september 2020 Projectnummer 20.095

Colofon Titel

Naderonderzoek kleine marterachtigen en vleermuizen, Rijksweg 62 Duiven

Uitvoering

Otte Groenadvies

Opdrachtgever

Dhr. R. H. van de Beeten Aerdtsdijk 22 6913 KD Duiven +31 (0)316 52 77 52 rbeeten@planet.nl

Projectnummer

20.095

Datum

17 september 2020

Status

Eindrapportage

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.

Brilsweg 1a 7441 BV te Nijverdal Tel: 06 - 511 77 946 mail: info@ottegroenadvies.nl

2

Inhoudsopgave 1. INLEIDING ................................................................................................................................................... 4 1.1. AANLEIDING .................................................................................................................................................... 4 1.2. DOEL .............................................................................................................................................................. 4 1.3. HUIDIGE SITUATIE............................................................................................................................................. 4 1.4. PROJECT VOORNEMEN ....................................................................................................................................... 5 2. WETTELIJK BELANG ..................................................................................................................................... 6 3. METHODIEK ................................................................................................................................................ 7 3.1. WERKWIJZE KLEINE MARTERACHTIGEN (BUNZING) EN STEENMARTER ........................................................................... 7 3.2.

WERKWIJZE VLEERMUIZENONDERZOEK.................................................................................................................. 7 4. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING ................................................................................................... 8 4.1. RESULTAAT KLEINE MARTERACHTIGEN (BUNZING) EN STEENMARTER ........................................................................... 8 4.2. RESULTAAT VLEERMUIZEN................................................................................................................................. 10 5. CONCLUSIE ................................................................................................................................................ 13 5.1. OVERZICHT VAN DE BEVINDINGEN ...................................................................................................................... 13 5.2. AANBEVELING ................................................................................................................................................ 13 6. GELDIGHEID .............................................................................................................................................. 14 7. BIBLIOGRAFIE ............................................................................................................................................

15 BIJLAGEN 1 WETTELIJK KADER...................................................................................................................... 16 BIJLAGE 1 WET NATUURBESCHERMING .................................................................................................................... 16

3

1. Inleiding 1.1. Aanleiding In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten Wet natuurbescherming. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. In dit kader is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de voorgenomen herontwikkeling van het perceel (Otte Groenadvies, 8 april 2020). Uit de quickscan is naar voren gekomen dat het plangebied mogelijk fungeert als vaste rust- en/of verblijfplaats voor kleine marterachtigen (bunzing en steenmarter) en vleermuizen. Indien dat het geval is, heeft de ruimtelijke ingreep mogelijk consequenties voor deze soorten en worden mogelijk verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Om deze reden is geadviseerd om een nader onderzoek uit te voeren naar de functionaliteit van het plangebied voor deze soorten. Dit onderzoek zal antwoord geven op de volgende vragen:

1.2. Doel Kleine marterachtigen (bunzing) en steenmarter • Zijn er bunzing(s) en steenmarter(s) aanwezig? • Welke functie(s) heeft de planlocatie en de omgeving voor deze soorten? • Welk wettelijk belang is er waardoor de activiteiten moeten worden uitgevoerd? • Blijft de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en functioneel leefgebied behouden? • Welke eigenschappen van het object of gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden? • Is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren? Vleermuizen • Welke soorten vleermuizen komen momenteel voor in het plangebied? • Welke functies heeft het plangebied voor de aanwezige vleermuizen? • Leidt de ingreep tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de wet Natuurbescherming?

1.3. Huidige situatie Duiven maakt een deel uit van het stroomgebied van de Rijn. De dorpskern ligt op het hoger in het landschap gelegen oeverwallen. Ten noorden van Duiven liggen de lagergelegen kommenlandschap (Gemeente Duiven, 2017). De planlocatie ligt in de bebouwde kom van Duiven, in de buurt De Vergert nabij het centrum. (Alle Cijfers, 2020). Gemeente Duiven ligt nabij de Rijksnelweg A12 tussen de stad Arnhem en de bebouwde kom van Zevenaar. Ten noorden- en noordwesten van duiven loopt de rivier de IJssel, ten zuidwesten loopt de Nederrijn. Het plangebied betreft het rijksmonument ’t Hoge Veld, een monumentale boerderij en de directe omgeving. De bebouwing bestaat uit een boerderij met voorhuis met geschakelde deel en een aanpalende voormalige varkensschuur die in gebruik is als kunstgalerij. De oprit bestaat uit half verharding, het terrein is grotendeel verruigd. Op de noordzijde van de planlocatie ligt hout opgeslagen, een klein deel van het perceel is in gebruik als groentetuin. Voor de kunstgalerij is een beeldentuin aanwezig.

4

Afbeelding 1&2. Locatie plangebied (Google Maps, z.d.)

1.4. Project voornemen Met de voorgenomen ontwikkelingen worden de bestaande woning gerenoveerd en aan de achterzijde uitgebouwd. Ten behoeve van de reconstructie verdwijnt plaatselijk begroeiing, maar dit blijft beperkt tot struik- en kruidlaag. De werkzaamheden zijn gepland na het verkrijgen van de benodigde vergunningen.

5

2. Wettelijk belang Op het nader onderzoek is sinds 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) (Netwerk Groene Bureaus, z.d.) van kracht. De wet is een vervanging van en samenbundeling van drie voorgaande wetten, nl; • Natuurbeschermingswet 1998; • Boswet; • Flora- en Faunawet. Tevens heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden. Per 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Wnb is op te delen in grofweg drie delen, bescherming van; • Gebieden; • Soorten; • Houtopstanden. Voor deze rapportage is enkel de bescherming van soorten van toepassing. In bijlage 1 en 2 zijn het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijnen en jaarrond beschermde nesten bijgevoegd.

6

3. Methodiek 3.1. Werkwijze kleine marterachtigen (bunzing) en steenmarter De provincie Gelderland heeft geen specifiek beleid vastgesteld m.b.t. nader onderzoeken op beschermde voorkomende soorten kleine marterachtigen. Als basis voor dit onderzoek kan de methodiek gebruikt worden zoals deze wordt omschreven in het document Soortenbescherming in Overijssel bunzing, egel, hermelijn en wezel (Overijsssel, 2019), Handreiking kleine marters Noord-Brabant (Provincie Noord-Brabant, 2017) en Handreiking kleine marters Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, z.d.). Gelderland heeft (nog) geen handreiking vastgesteld. Om aan te tonen of de bunzing en steenmarter op de planlocatie aanwezig zijn is een struikrover in de periode maart tot en met augustus voor een periode van zes weken ingezet. Tijdens de periode dat de inventarisatie middelen geplaatst zijn mogen deze niet worden beroerd. Tevens wordt er tijdens het nader onderzoek op vleermuizen gelet op zichtwaarnemingen/voorkomen van deze soorten.

3.2. Werkwijze vleermuizenonderzoek Tijdens het onderzoek is gewerkt volgens de richtlijnen voor het inventariseren van vleermuizen, die zijn opgesteld door het Vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus; ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties' 2017 (Netwerk Groene Bureaus, 2017). De vleermuisdetector is bij het vleermuisonderzoek een onmisbaar apparaat. Met dit apparaat worden de ultrasone geluiden van vleermuizen hoorbaar gemaakt. Door verschillen in klank, ritme en andere kenmerken is het mogelijk de verschillende soorten te onderscheiden en de aard van gedrag te bepalen. Tijdens het onderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector (Pettersson D240x) en de Echometer Touch Pro 2 van Wildlife acoustics. Waar nodig zijn hoogwaardige digitale geluidsopnamen worden gemaakt met de Roland R-05 voor het uitvoeren van een soortenanalyse. Gedurende de veldbezoeken is bij daglicht op de locatie gezocht naar sporen die duiden op aanwezigheid van vleermuizen (vleermuiskeutels, meststrepen, afgebeten insectenvleugels en vetsporen). Het weer is van invloed op de activiteiten van vleermuizen en daardoor op de doelmatigheid van het inventariseren. Harde wind, langdurige regenval, dichte mist en lage temperaturen zijn belemmerende factoren. Tijdens dergelijke weersomstandigheden wordt niet gewerkt.

Gedurende de veldbezoeken werd het onderzoeksgebied en directe omgeving geïnventariseerd om een goed beeld te krijgen van het gedrag en mogelijke verblijfplaatsen.

7

4. Resultaten en effectenbeoordeling In onderstaande paragrafen bevinden zich de gegevens van de uitgevoerde onderzoeken, onderzoek data en omstandigheden tijdens het onderzoek naar de kleine marterachtigen (bunzing en steenmarter) en vleermuizen. De veldonderzoeken zijn uitgevoerd door Ing. P. Otte, directeur/eigenaar bij Otte Groenadvies en T.M. Stam, Gecertificeerd Stadswerk Flora en Fauna controleur.

4.1. Resultaat kleine marterachtigen (bunzing) en steenmarter Habitat bunzing en steenmarter Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen. (Zoogdiervereniging, z.d.) Steenmarter De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen De steenmarter komt voor in een parklandschap, bosloze gebieden, steengroeven en gebouwen. Deze soort is een echte cultuurvolger en hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen, boerderijen en grote steden. De aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen zijn van belang, hier zoekt de steenmater zijn voedsel. (Zoogdiervereniging, z.d.) Aanwezig habitat planlocatie • Ligging planlocatie bebouwde kom, woning met diverse bijgebouwen op het perceel; • Aanwezig groen in de vorm van een siertuin/bostuin, met diverse bomen, struiken en hagen.

• Beschuttingsmogelijkheden en voedselaanbod middels groenvoorziening in de siertuin. Onderzoek 1 Datum

27 mei 2020 1 juni 2020

25 juni 2020

Soort

Struikrover Plaatsen/ verwijderen

Temperatuur

Bunzing/ steenmarter Bunzing/ steenmarter

21.10 uur plaatsing 5.30 uur vervangen batterijen/chip Verwijderen struikrover

Bunzing/ steenmarter

Wind

Weertype

18 °C

Zwak 2 Bf

Bewolkt

14 °C

Zwak 2 Bf

Bewolkt

26°C

Zwak 1 Bf

Zonnig

Tabel 1. Schematisch overzicht plaatsen en verwijderen Struikrover (KNMI, z.d.) Op 27 mei 2020 is een struikrover met lokvoer op de planlocatie geplaatst (Afbeelding 3). De struikrover is zes weken aaneengesloten op de locatie aanwezig geweest. Tussentijds zijn eenmalig de baterijen en chipcard verwisseld. Op 25 juni 2020 is de struikrover verwijderd. Per abuis heeft de camera geen opnames geregistreerd waardoor het onderzoek opnieuw heeft plaatsgevonden.

8

Onderzoek 2 Datum

7 juli 2020 28 juli 2020 18 augustus 2020

Soort

Struikrover Plaatsen/ verwijderen

Temperatuur

Wind

Weertype

Bunzing/ steenmarter Bunzing/ steenmarter Bunzing/ steenmarter

Plaatsing struikrover Vervangen batterijen/chip Verwijderen struikrover

17 °C

Zwak 1 Bf

Wisselvallig

20 °C

Matig 3 Bf

Licht bewolkt

21°C

Zwak 1 Bf

Helder

Tabel 2. Schematisch overzicht plaatsen en verwijderen Struikrover (KNMI, z.d.) Op 7 juli 2020 is een struikrover met lokvoer opnieuw op de planlocatie geplaatst (Afbeelding 3). De struikrover is zes weken aaneengesloten op de locatie aanwezig geweest. Tussentijds zijn eenmalig de baterijen en chipcard verwisseld. Op 18 augustus 2020 is de struikrover verwijderd en zijn de opnames geanalyseerd.

Afbeelding 2: Planlocatie, met locatie struikrover (Geel) (Google Maps, z.d.)

Struikrover

Struikrover achter oude waterput, beschut gelegen in groenstrook en rakkenrillen Analyse uitlezen struikrover Tijdens de zes weken dat de struikrover op de planlocatie heeft gelegen zijn er opnames van de egel, muizen en meerder nieuwsgierige huiskatten gemaakt. Daarnaast is er een steenmarter eenmalig als passant langsgekomen, de bunzing is niet waargenomen.

9

Passerende steenmarter

Egel

Kat

Huismuizen

4.2. Resultaat vleermuizen Tijdens de voorjaarsonderzoeken zijn er twee soorten vleermuizen waargenomen, namelijk: • Gewone dwergvleermuis; • Laatvlieger. Waarnemingen planlocatie Soort Aanwezigheids- indicatie Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

Beschermd Beschermd

Bijzonderheden: verblijfplaatsen, vliegroutes, ect. Zomer- en paarverblijfplaats, foeragerend Overvliegend

Tabel 3. Waarnemingen

Vleermuizenonderzoek Datum

Soort onderzoek

Periode

Tijdstip onder zoeken

Zon op/onder

Eerste/ laatste waarneming totaal

Temp.

Windkr.

Weertype

22 mei 2020

Voorjaar

Avond

21:15 uur/ 00.00 uur

21.50 uur

Eerste: 21.35 uur. Gewone dwergvleermuis

18°C

Zwak 2 Bf

Bewolkt

1 juni 2020

Voorjaar

Ochtend

3.15 uur/ 5.20 uur

5.18 uur

Laatste: 4.59 uur. Gewone dwergvleermuis

14°C

Zwak 2 Bf

Bewolkt

10

25 juni 2020

Voorjaar

Avond

21.30 uur/ 24.00 uur

22.01 uur

Eerste: 22.19 uur. Gewone dwergvleermuis

26 °C

Zwak 1 Bf

Helder

7 augustus 2020

Winter

Nacht

00.00 uur/ 02.00 uur

21.18 uur

n.v.t.

21°C

Zwak 1 Bf

Helder

18 augustus 2020

Najaar + Winter

Avond/ Nacht

21.15 uur/ 02.00 uur

20.53 uur

n.v.t.

22°C

Zwak 1 Bf

Helder

11 september 2020

Najaar

Ochtend

5.00 uur/ 7.10 uur

7.08 uur

6.55 uur. Gewone dwergvleermuis

10°C

Zwak 1 Bf

Helder

Tabel 4. Onderzoeksmomenten en omstandigheden (Zonsopgangzonsondergang, z.d.) Gewone dwergvleermuis Verblijfplaatsen/zwermgedrag Tijdens de veldbezoeken in het voorjaar is tijdens het ochtend onderzoek een invliegende gewone dwergvleermuis aangetroffen. In het najaar was tijdens het avondonderzoek een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen. Het daadwerkelijk invliegen in een paarverblijfplaats is niet gezien, echter doordat een gewonde dwergvleermuis veelal baltst in de nabijheid van zijn paarverblijfplaats is het zeer waarschijnlijk dat de zomerverblijfplaats ook als paarverblijfplaats wordt gebruikt.

Verblijfplaats gewone dwergvleermuis Foerageergebied Tijdens alle onderzoeksmomenten zijn meerdere individuen van gewone dwergvleermuis meerdere malen foeragerend en overvliegend waargenomen. Vlieg- en mitigatieroute Het vliegpatroon van de gewone dwergvleermuis was enigszins diffuus. Echte overduidelijke vliegroutes waarbij met een zekere regelmaat vleermuizen passeren zijn niet aangetroffen. Laatvlieger Verblijfplaatsen/zwermgedrag Tijdens de veldbezoeken in het voor- en najaar zijn geen waarnemingen gedaan waaruit de aanwezigheid van verblijfplaatsen blijkt. Zowel in het plangebied als de directe omgeving hiervan zijn geen kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen vastgesteld.

11

Foerageergebied Tijdens het voor- en najaars onderzoeksmoment is een meerdere malen een laatvlieger foeragerend waargenomen. De locatie bevond zich boven de moestuin ten oosten van het perceel. Vlieg- en mitigatieroute Echte overduidelijke vliegroutes waarbij met een zekere regelmaat vleermuizen passeren zijn niet aangetroffen. Zwermlocatie winterverblijfplaats In het najaar worden twee onderzoeksmomenten uitgevoerd op winterverblijfplaatsen en zwermlocaties. Het eerste onderzoeksmoment heeft plaatsgevonden op 7 augustus, het tweede moment heeft plaatsgevonden op 18 augustus. Tijdens de inventarisatiemomenten zijn hierbij geen winterverblijf- zwermplaatsen aangetroffen.

Afbeelding 3. Overzichtskaart waarnemingen

12

5. Conclusie 5.1. Overzicht van de bevindingen Soortgroepen Kleine marterachtigen (Bunzing) Steenmarter Vleermuizen – verblijfplaatsen Vleermuizen – vliegroute Vleermuizen – foerageergebied 1

Aanwezigheid geen passant aanwezig geen ja

Effecten geen geen Ja geen mogelijk

Aanbevelingen geen geen ontheffing geen 1 geen, mits..

= Mits beperkt met lichtbelasting wordt omgegaan

Kleine marterachtigen (Bunzing) en steenmarter: • Uit onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen geen belang vertegenwoordigt voor de kleine marterachtigen en steenmarter. Hiervoor hoeft geen compensatie/mitigatieplan te worden opgesteld; • Op de planlocatie worden geen negatieve effecten verwacht op het foerageergebied; • De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de gunstige staat van instandhouding van de kleine marterachtigen; • Voor de geplande werkzaamheden hoeft geen ontheffing worden aangevraagd; Vleermuizen • Verblijfplaatsen: Op basis van de verrichte onderzoeksinspanning kan het voorkomen van kraam/kolonie en winterverblijfplaats in het plangebied worden uitgesloten; • In de bebouwing is een zomer verblijfplaats die zeer waarschijnlijk ook als paarverblijfplaats wordt gebruikt, aangetroffen; • Vlieg- en mitigatieroute: Gezien de aantallen en frequentie waarop de vleermuizen gebruik maken van het plangebied als zijnde vliegroute, valt het gebruik van een essentiële vliegroute op basis van huidig onderzoek niet aangetroffen; • Foerageergebied: Boven- en nabij de planlocatie zijn foeragerende vleermuizen waargenomen. In de omgeving zijn vergelijkbare locaties aanwezig. De planlocatie is niet van essentieel belang voor deze soort.

5.2. Aanbeveling Vleermuizen • Stel een activiteitenplan op; • Vraag een ontheffing bij provincie Gelderland aan; • Zorg voor tijdelijke- en permanente compensatie; • Stel conform voorwaarden uit de ontheffing een ecologisch werkprotocol/ ecologisch logboek op.

13

6. Geldigheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezag hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 1. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

14

7. Bibliografie Alle Cijfers. (2020, 03 28). Buurt West Duiven. Opgeroepen op 7 April 2, 2020, van https://allecijfers.nl/buurt/west-duiven/ Gemeente Duiven. (2017, Maart 28). Landschapsontwikkelingsplan. Opgeroepen op 4 April 02, 2020, van https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2017-11066/1/bijlage/exb2017-11066.pdf Google Maps. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 12 Juni - 15 September 8, 2020, van https://www.google.nl/maps KNMI. (z.d.). Koninklijk Nederlands Metreologisch Instituut. Opgeroepen op 8 April- 15 September 22, 29, 13, 2020, van https://www.knmi.nl/nederland-nu/weer/verwachtingen Netwerk Groene Bureaus. (2017). Vleermuisprotocol 2017. Opgeroepen op 25 Maart - 15 September 11, 2020, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Netwerk Groene Bureaus. (z.d.). Home. Opgeroepen op 8 April - 15 September 11, 2020, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Otte Groenadvies. (8 april 2020). 20.036 Quickscan Flora en fauna Rijksweg 62 te Duiven. Nijverdal. Overijsssel, P. (2019, juli). Soortenbescherming in Overijssel. Zwolle, Overijssel. Provincie Noord-Brabant. (2017, Oktober 11). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming.

Opgeroepen op 25 April - 15 September 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/0verigen/downloads/15908% 20Handreiking%20kleine%20Marters%20DIGITAAL.pdf Provincie Noord-Holland. (z.d.). Wezel, Hermelijn en Buncing beschermd in Noord-Holland. Opgeroepen op 25 April - 15 September 2020, van https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=5&ved=2ahUKEwiD1KH1z9_m AhWBY1AKHY5RCXYQFjAEegQIBhAC&url=https%3A%2F%2Fwww.odnhn.nl%2FNieuws%2FBekendmak ingen%2FVergunningen_en_Ontheffingen%2F02_10_2017_ontheffing_Eendenkooi_Bloemendalerpol der Zonsopgangzonsondergang. (z.d.). Zonsopgangzonsondergang. Opgeroepen op 12 Mei - 15 September 18, 2020, van https://www.zonsopgangzonsondergang.nl/hoe-laat-donker/ Zoogdiervereniging. (z.d.). Bunzing. Opgeroepen op 26 April - 15 September 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bunzing Zoogdiervereniging. (z.d.). Steenmarter. Opgeroepen op 26 April - 15 September 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter

15

Bijlagen 1 Wettelijk kader BIJLAGE 1 Wet natuurbescherming Hoofdstuk 3. Soorten § 3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1 Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4 Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5 Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.2 1 Het is verboden vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn dood of levend, of gemakkelijk herkenbare delen daarvan, of uit deze vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of ten verkoop aan te bieden.

2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 3 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel B, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de verkoop, het vervoer voor verkoop, het onder zich hebben voor verkoop of het ten verkoop aanbieden van vogels van soorten, aangewezen op grond van het derde lid, en delen of producten van die vogels. 5 Een vogelsoort wordt op grond van het derde lid uitsluitend aangewezen, indien de handelingen, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd overeenkomstig regels als bedoeld in het vierde lid, er niet toe leiden dat het populatieniveau, de geografische verspreiding of de omvang van de voortplanting van deze soort in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht.

6 Het is verboden, anders dan voor verkoop, vogels, delen of producten als bedoeld in het eerste lid, onder zich te hebben of te vervoeren, tenzij deze vogels, delen of producten aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen. Artikel 3.3 1 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. 2 Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. 3 Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van: a. de verboden, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, ten aanzien van vogels, dood of levend, of gemakkelijk herkenbare delen daarvan, of ten aanzien van uit deze vogels verkregen

16

4

producten van daarbij aangewezen soorten, of b. regels, gesteld krachtens artikel 3.2, vierde lid. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: 1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2°. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4°. ter bescherming van flora of fauna; 5°. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6°. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. 5 In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c.

de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt. 6 De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, zesde lid, zijn niet van toepassing op handelingen ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat het desbetreffende besluit de handelingen uitsluitend toelaat indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, en dat aan het besluit de voorschriften worden verbonden, bedoeld in het vijfde lid. 7 De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, zesde lid, zijn niet van toepassing op: a. handelingen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2, en b. handelingen die zijn beschreven in en worden verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, een plan of een programma als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, of een programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste, zevende, of achtste lid, indien: 1°. ten aanzien van het beheerplan, het plan of het programma, althans het onderdeel dat betrekking heeft op de desbetreffende handelingen, is voldaan aan het in het vierde en vijfde lid bepaalde ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen, en 2°.

het bestuursorgaan dat het beheerplan, het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling als bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid voor dergelijke handelingen, of, als dat niet het geval is, het beheerplan, het plan of het programma is vastgesteld in overeenstemming met het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van de ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling. Artikel 3.4 Ingeval het vangen of doden van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, bij of krachtens deze wet is toegestaan, is het verboden deze vogels: a. te vangen of te doden met: 1°. middelen, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Vogelrichtlijn; 2°. middelen, installaties of methoden voor massaal of niet-selectief vangen of doden van vogels, of

17

3°. middelen, installaties of methoden waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, of b. te achtervolgen met behulp van vervoermiddelen, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Vogelrichtlijn, overeenkomstig de daar beschreven wijze. 2. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen en provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.3, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voor het gebruik van motorboten op open zee onder de in bijlage IV, onderdeel b, tweede gedachtestreep, tweede volzin, bij de Vogelrichtlijn genoemde voorwaarden. 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen, installaties of methoden worden aangewezen die in elk geval worden gerekend tot de middelen, installaties, onderscheidenlijk methoden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°. •

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=6e4b790d-1e34-4be7-bd2f-d128a19e1b9e