CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

8. 201544024 - Bijlage 4 bp Ecologisch onderzoek.pdf

Raadsavond 7 juni 2022, gemeente DuivenBij agendapunt: Bestemmingsplan Rijksweg 626.303 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora- en fauna Rijksweg 62 te Duiven

Nijverdal, 8 april 2020 Projectnummer 20.036

Colofon Titel

Quickscan flora- fauna Rijksweg 62 te Duiven

Uitvoering

Otte Groenadvies

Veldinventarisatie

Ing. P. Otte

Gecontroleerd

T.M. Stam – Gecertificeerd Stadswerk Flora en Fauna controleur 2018

Opdrachtgever

Projectnummer

Dhr. R. H. van de Beeten Aerdtsdijk 22 6913 KD Duiven +31 (0)316 52 77 52 rbeeten@planet.nl 20.036

Datum

8 april 2020

Status

Definitief

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.

Brilsweg 1a 7441 BV te Nijverdal Tel: 06 - 511 77 946 mail: info@ottegroenadvies.nl

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ...................................................................................................................................................... 4

1.1. Aanleiding en doelstelling .................................................................................................... 4 1.1.1 Uitgangspunten ..................................................................................................................... 4 1.2. Methodiek ........................................................................................................................... 4 1.2.1. Wat is een quickscan ............................................................................................................ 4 1.2.2. Uitvoer onderzoek ............................................................................................................... 5 2. Wetgeving................................................................................................................................................... 6 3. Gebiedsomschrijving ................................................................................................................................... 7

3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving ............................................................................... 7 3.2. Projectvoornemen ............................................................................................................... 8 3.3. Foto impressie planlocatie ................................................................................................... 8 4. Gebiedsbescherming ................................................................................................................................. 10

4.1. Natura 2000 ....................................................................................................................... 10 4.2. Gelders Netwerk Nederland (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) ............................. 11 4.3. Weidevogelgebied ............................................................................................................. 11 4.4. Lokaal ................................................................................................................................ 12 5. Beschermde flora en fauna ....................................................................................................................... 13

5.1. Flora................................................................................................................................... 13 5.2. Zoogdieren ......................................................................................................................... 13 5.3. Vleermuizen ....................................................................................................................... 15 5.4. Vogels ................................................................................................................................ 16 5.5. Overige soorten ................................................................................................................. 16 6. Conclusies ................................................................................................................................................. 18

6.1. Overzicht van de bevindingen ............................................................................................ 18 6.2. Aanbevelingen ................................................................................................................... 18 7. Kwaliteitsborging- en geldigheid ............................................................................................................... 20 Bibliografie ................................................................................................................................................... 21 Bijlage........................................................................................................................................................... 23

BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING ................. 23

3

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, herontwikkeling van de bestaande bebouwing, uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op de locatie Rijksweg 62 te Duiven. 1.1.1 Uitgangspunten Uitgangspunt voor deze rapportage is de inkomende e-mail van de heer G. Hendriksen (Wiba zevenaar) op 14 maart 2020. Met als onderwerp offerte fauna en fora onderzoek Rijksweg 62 te Duiven. Op 16 maart 2020 is door Otte Groenadvies bv een offerte met nr. 20.022 per mail verstuurd. Op 16 maart 2020 is de offerte per mail door de heer R.H. van de Beeten geaccordeerd. 1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming heeft de eigenaar besloten om een onderzoek te laten doen, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied.

Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming. In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en –beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veldbezoek en bureauonderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Eveneens dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkent. Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie.

Omdat het onderzoek een momentopname betreft, kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.

4

1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 2 april 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijk aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en fotocamera. De weersomstandigheden waren helder, droog, 19°C. Tijdens het onderzoek waar dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen in het plangebied.

5

2. Wetgeving De Wnb regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren (voorheen Flora- en faunawet) (naast de bescherming van gebieden). In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel van de Wet natuurbescherming. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes: •

Vogelrichtlijnsoorten

•

Habitatrichtlijnsoorten

•

Andere soorten

De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders. De zorgplicht is wel van toepassing. Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien: •

Er geen bevredigend alternatief is;

• •

Er sprake is van een wettelijk belang; Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Zie Bijlage 1 voor het Wettelijk kader van de soortbescherming in de Wnb. De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten. (Overheid, 2015)

6

3. Gebiedsomschrijving 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving Duiven maakt een deel uit van het stroomgebied van de Rijn. De dorpskern ligt op het hoger in het landschap gelegen oeverwallen. Ten noorden van Duiven liggen de lager gelegen kommenlandschap (Gemeente Duiven, 2017). De planlocatie ligt in de bebouwde kom van Duiven, in de buurt De Vergert nabij het centrum. (Alle Cijfers, 2020). Gemeente Duiven ligt nabij de Rijksnelweg A12 tussen de stad Arnhem en de bebouwde kom van Zevenaar. Ten noorden- en noordwesten van duiven loopt de rivier de IJssel, ten zuidwesten loopt de Nederrijn. Het plangebied betreft het rijksmonument ’t Hoge Veld, een monumentale boerderij en de directe omgeving. De bebouwing bestaat uit een boerderij met voorhuis met geschakelde deel en een aanpalende voormalige varkensschuur die in gebruik is als kunstgalerij. De oprit bestaat uit half verharding, het terrein is grotendeel verruigd. Op de noordzijde van de planlocatie ligt hout opgeslagen, een klein deel van het perceel is in gebruik als groentetuin. Voor de kunstgalerij is een beeldentuin aanwezig.

Afbeelding 1 & 2. Locatie plangebied (rood) (Google Maps, sd)

7

3.2. Projectvoornemen Met de voorgenomen ontwikkelingen wordt het rijksmonument gerenoveerd en getransformeerd naar zorgappartementen. Op de plaats van de groentetuin wordt een nieuwe werkplaats/kunstgalerij gebouwd. Ten behoeve van de reconstructie en het terugbrengen/in beeld brengen van het rijksmonument zal een dele van de bestaande monument en bosplantsoen worden gerooid. Het terrein wordt opnieuw ingericht. De werkzaamheden zijn gepland ne het verkrijgen van de benodigde vergunningen. 3.3. Foto impressie planlocatie

Voorzijde bebouwing (noordzijde)

Binnenzijde bebouwing

Deel en voorhuis (zuid, zuidwest zijde)

bebouwing met aanpalende voormalige varkensschuur

8

Houtopslag

Groente tuin

Beeldentuin

9

4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 Er liggen geen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Dichtbij zijnde gebied is Rijntakken (gebiedsnummer 38), ongeveer 3,5 kilometer ten zuiden van de locatie. (Provincie Gelderland, z.d.) Wijziging beleidsvoering: Door het veranderen van de beleidsvoering m.b.t. tot het landelijk stikstof probleem wordt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gebruikt gemaakt van de beslisboom. Voor alle ”nieuwe” ontwikkelingen moet een AERIUSberekening worden uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan 0,00 of minder is kan een vergunning worden verleend. (Rijksoverheid, z.d.)

Afbeelding 3. Locatie plangebied (rood) N2000 (groen) (Kadviewer, z.d.) (Provincie Gelderland, z.d.)

10

4.2. Gelders Netwerk Nederland (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) De locatie waar het onderzoek heeft plaatsgevonden bevind zich op circa 3,5 km ten zuiden van de GNN en GO. In samenhang met de GNN en GO wil de provincie meer ecologische samenhang creëren van de natuur. Hierbij wordt de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten gewaarborgd. Het beschermingsregime voor de GNN lijkt op dat voor Natura 2000-gebieden. Activiteiten en projecten die de wezenlijke waarden en kenmerken kunnen aantasten zijn niet toegestaan. Er wordt een uitzondering gemaakt als er geen redelijk alternatief is, er een dwingende reden van openbaar belang is en compensatie plaatsvindt. De bescherming van de GNN en GO zijn juridisch vastgelegd in het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente. Als de geschetste realisatie overeenkomt met de bestemming dan zijn er geen beperkingen. Als voor de ontwikkeling een afwijking van het bestemmingsplan nodig is, dan is afstemming met de provincie nodig. In onderstaande afbeelding wordt de GNN en de GO weergegeven. (Provincie Gelderland, z.d.)

Afbeelding 4. Locatie plangebied (rood) GNN (donkergroen) GO (lichtgroen) (Kadviewer, z.d.) (Provincie Gelderland, z.d.) 4.3. Weidevogelgebied De weidevogelgebieden maken deel uit van de Groene Ontwikkelingszone. De Groene Ontwikkelingszone bestaat uit terreinen die geen natuurbestemming hebben maar die vaak ruimtelijk vervlochten is met het Gelders Natuurnetwerk. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en

11

dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Ook ganzenfoerageergebieden maken deel uit van de Groene Ontwikkelingszone. (Provincie Gelderland, sd) Met de nieuwe inrichting van het terrein, de planlocatie worden geen negatieve effecten op weidevogel gebieden verwacht. 4.4. Lokaal In de aanlegfase kunnen werkzaamheden met machines leiden tot een tijdelijke geluids- en optische verstoring. Dit kan leiden tot enige tijdelijke negatieve effecten op aanwezige fauna. De tijdelijke verstoring in de aanlegfase is van korte duur en zal naar alle verwachting niet leiden tot negatieve effecten, daar de soorten voldoende alternatieven hebben om te foerageren in de omgeving. Significante negatieve effecten zijn daarmee op voorhand uit te sluiten.

12

5. Beschermde flora en fauna 5.1. Flora De vegetatie op de planlocatie is grotendeels verruigd. In de boomlaag staan soorten als walnoot, kers, ruwe berk, beuk, zomereik, taxus, conifeer, fijnspar en een grove den. In de struiklaag staan soorten als gewone vlier, hagebeuk, hulst, gewone braam en opslag van jongen bomen. Tevens staat op de erfgrens aan de westzijde van de planlocatie een verwilderde ligusterhaag. In de kruidlaag zijn de soorten grote brandnetel, zevenblad en speen- en kleefkruid dominant aanwezig. verspreid staan de veel voorkomende soorten grassen. Ingebracht door de gebruiker van het perceel zijn de niet gebiedseigen soorten als ossentong en zwartmoeskervel. Beschermde houtopstanden Gemeente Duiven heeft een lijst opgesteld waarop beschermde- en monumentale bomen staan vernoemd. Uit deze lijst is gebleken dat er geen beschermingswaardige bomen op de planlocatie en de directe omgeving aanwezig zijn. Er zijn randvoorwaarden vastgesteld wanneer een boom in aanmerking komt voor het plaatsen op de lijst van bijzondere bomen. Deze lijst bestaat uit 4 categorieën: Monumentale boom, waardevolle boom, herdenkingsboom en monumentale bomenlanen. Per 1 januari 2012 is de kapvergunning afgeschaft. Hiermee maak de eigenaar van de boom zelf de afweging deze te kappen of te behouden.

(Gemeente Duiven, 2017) Effectenbeoordeling Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. 5.2. Zoogdieren Onder zoogdieren worden hier bedoeld alle grond- en boomgebonden zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Eekhoorn (rode) Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van het bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. (Zoogdiervereniging, z.d.) Steenmarter De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen De steenmarter komt voor in een parklandschap, bosloze gebieden, steengroeven en gebouwen. Deze soort is een echte cultuurvolger en hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen, boerderijen en grote steden. De aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen zijn van belang, hier zoekt de steenmater zijn voedsel.

(Zoogdiervereniging, z.d.) Kleine marterachtigen Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor

13

daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen. (Zoogdiervereniging, z.d.) Hermelijn Hermelijn komt in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers, vochtig terrein. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. (Zoogdiervereniging, z.d.) Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap (Rd) maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden èn de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. (Zoogdiervereniging, z.d.) Algemeen voorkomende soorten Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals huismuis, huisspitsmuis en egel komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. Effectenbeoordeling Rode eekhoorn Mogelijk gebruikt de rode eekhoorn gebruik van de planlocatie als foerageergebied. Nestplaatsen zijn niet aangetroffen.

Steenmarter De te amoveren bebouwing is in potentie geschikt als verblijfplaats voor steenmarter. Verblijfplaatsen van steenmarter zijn beschermd. Nader onderzoek is nodig voor deze soort. Nader onderzoek op de steenmarter is maatwerk, veelal wordt deze uitgevoerd op basis van waarnemingen op de locatie. Deze kan plaatsvinden tijdens nader onderzoek op overige soorten. Bunzing In de omgeving van de planlocatie zijn waarneming van bunzing geregistreerd. Het plangebied bied een geschikt habitat en schuilmogelijkheden voor deze soort. Hierop moet nader onderzoek worden uitgevoerd. Hermelijn en wezel Het plangebied en de omgeving bieden geen geschikt habitat voor deze soort. Beide soorten mijden bebouwde stedelijke gebieden. Eveneens zijn er geen waarnemingen in de omgeving bekend, wel komt deze soort voor in het omliggende landelijk gebied. Algemene soorten Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt.

14

5.3. Vleermuizen Een vleermuisonderzoek valt buiten het kader van een quickscan. Wel is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2017) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse. (Netwerk Groene Bureaus, z.d.) (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, 2011) Verblijfplaatsen De voorgenomen ingreep heeft betrekking op voor vleermuizen geschikte bebouwing. Soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger kunnen in bebouwing voorkomen. Bebouwing De woning met deel is opgebouwd uit een steensmuur met rieten kap. Een deel van de kap is ingestort. Het gehele gebouw is in zeer slechte staat van onderhoud.

De aanpalende voormalige varkensschuur is eveneens opgebouwd uit een steensmuur, het dak is belegd met dakpannen. In de gehele bebouwing zijn vele naden en kieren aanwezig die in potentie geschikt zijn als zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats voor vleermuizen.

In potentie vleermuis geschikte bebouwing woning en voormalige varkensschuur Bomen De boomopstand op de planlocatie is relatief jong. Er zijn geen holten, stam- en takscheuren aangetroffen die in potentie geschikt zijn om te dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. Foerageergebied en vlieg- en mitigatieroutes Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen. In de directe omgeving zijn vergelijkbare en geschikte locaties aanwezig. Daarnaast blijft tijdens- en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Het plangebied vormt geen schakel als vlieg- en mitigatieroute.

15

Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen. Effectenbeoordeling Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is nader onderzoek noodzakelijk. Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen bestaat uit meerder onderzoeken. De onderzoeken vinden plaats in een periode van 15 mei – 15 juli , 15 augustus – 30 september en 1 augustus t/m 10 september waarna mogelijk een ontheffing bij de provincie Gelderland moet worden aangevraagd. (Netwerk Groene Bureaus, 2017) 5.4. Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Geschikte bebouwing voor huismus, gierzwaluw en uil ontbreken, waardoor nestlocaties zijn uitgesloten in het plangebied. Overige broedvogels De omgeving van het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels. Het plangebied biedt mogelijkheden voor nestlocaties.

Tijdens de inventarisatiezijn diverse vogels soorten als vink, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees en houtduif gezien en gehoord. Gezien de periode van het jaar is het zeer waarschijnlijk dat en nestactiviteiten plaatsvinden. Effectenbeoordeling De ruimtelijke ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voorplantingsplaatsen van vogels. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli. 5.5. Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen soorten komen mogelijk wel voor in en rond het plangebied.

Herkomst is terug te voeren op de eventueel aanwezige vijverpartijen in de omgeving. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Gelderland. Effectenbeoordeling

16

Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

17

6. Conclusies 6.1. Overzicht van de bevindingen Gebiedsbescherming

Aanwezigheid

Natura 2000 - zuurgevoeligheid

habitat/soorten mogelijk

AERIUS-berekening

Overige onderdelen GNN & GO

niet

geen

geen

Soortgroepen

Aanwezigheid

Effecten

Aanbevelingen

Flora – beschermde soorten

niet

geen

geen

Zoogdieren – gebouwbewonend

niet

geen

geen

Zoogdieren – grond-/boombewonend

mogelijk

mogelijk

nader onderzoek

Zoogdieren – vrijgestelde soorten

aanwezig

mogelijk

zorgplicht

Vleermuizen – verblijfplaatsen

mogelijk

mogelijk

nader onderzoek

Vleermuizen – vlieg/foerageerroute

mogelijk

geen

geen, mits.

Vogels – jaarrond beschermde nesten

niet

geen

geen

Vogels – algemene broedvogels

mogelijk

beperkt

zorgplicht

Amfibieën/vissen – vrijgestelde soorten

niet

geen

geen

Amfibieën/vissen – beschermde soorten

niet

geen

geen

Reptielen/ongewervelden – vrijgest. soort mogelijk

beperkt

zorgplicht

Reptielen/ongewervelden – besch. soort

geen

geen

1

niet

Effecten

Aanbeveling

1

= mits beperkt met licht- en trillingsbelasting wordt omgegaan

6.2. Aanbevelingen Gebiedsbescherming • Wijziging beleidsvoering: Voer een AERIUS-berekening uit om aan te bepalen of met de nieuwe ontwikkeling/inrichting negatieve effecten op N2000 gebied plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan 0,00 of minder is kan een vergunning worden verleend. Flora • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Fauna Zoogdieren: Steenmarter: • Nader onderzoek op deze soort is maatwerk, veelal wordt deze uitgevoerd op basis van waarnemingen op de locatie. Deze kan plaatsvinden tijdens nader onderzoek op overige soorten; Kleine marterachtigen: Bunzing: • Voor deze soort wordt een cameraval gebruikt. De cameraval moet in de periode maart t/m augustus 6 weken onverstoord op een geschikte locatie aanwezig zijn. Voor onderzoek buiten deze periode

18

moet de cameraval tenminste 12 weken worden ingezet. Het aantal camera’s is afhankelijk van de grote van de planlocatie; (Zoogdiervereniging Handreiking Noord-Brabant, 2017) Vleermuizen: Vleermuizenonderzoek: Het vleermuis onderzoek omvat van zeven onderzoeksmomenten, nl. • Drie schemeronderzoeken waarvan één in de ochtend en twee in avond in de periode 15 mei – 15 juli • Twee onderzoeksmomenten de periode 15 augustus – 30 september. Hierbij wordt er per bezoek in een blok van 2 uur geobserveerd. Het onderzoek wordt uitgevoerd vanaf zonsondergang tot twee uur daarna of vanaf twee uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst, tijdens het najaar onderzoek concentreert het onderzoeksmoment zich rond middennacht. • Twee onderzoekmomenten op winterverblijfplaatsen vinden plaats in de periode 1 augustus – 10 september. Hierbij wordt er per bezoek in een blok van 2 uur geobserveerd van 00.00 uur tot 02.00 uur in de nacht. Een van de onderzoeksmomenten kan aansluitend worden uitgevoerd na het avond onderzoek op paarverblijfplaatsen. (Netwerk Groene Bureaus, z.d.) Vogels: • Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen; •

Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;

Overige • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan; •

Goedgekeurde gedragscode, ruimtelijke ontwikkeling van de vereniging Stadswerk kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht. Wel moet er een kanttekening worden geplaatst, als basis van de gedragscode ligt de Floraen faunawet. De gedragscode is nog niet aangepast op de (per 1 januari 2017) geldende wet- en regelgeving, Wet natuurbescherming.

19

7. Kwaliteitsborging- en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.

20

Bibliografie Alle Cijfers. (2020, 03 28). Buurt West Duiven. Opgeroepen op 7 April 2, 2020, van https://allecijfers.nl/buurt/west-duiven/ Bouwens, S. (2017, Oktober 11). Zoogdiervereniging Handreiking Noord-Brabant. Opgeroepen op april 7, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/0verigen/downloads/15908% 20Handreiking%20kleine%20Marters%20DIGITAAL.pdf Gemeente Duiven. (2017, Maart 24). Gemeenteblad van Duiven. Opgeroepen op April 2020, 2020, van https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-47927.html Gemeente Duiven. (2017, 03 28). Overheid.nl. Opgeroepen op 04 02, 2020, van https://repository.officieleoverheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2017-11066/1/bijlage/exb-2017-11066.pdf Google Maps. (sd). Opgeroepen op april 2, 2020, van https://www.google.nl/maps Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur. Kadviewer. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 7 April 2, 2020, van https://kadviewer.map5.nl Netwerk Groene Bureaus. (z.d.). Vleermuisprotocol. Opgeroepen op 7 April 7, 2020, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Overheid. (2015, December 16). Opgeroepen op 6 April 2020, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-10-01 Provincie Gelderland. (sd).

Opgeroepen op april 2, 2020, van https://gldanders.planoview.nl/planoview/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningvst1?s=SAAXIYAKQgF7vzJFhERCBAN4P4P_______wP38wJiAMdOCzhy3qgpM4ZOGbcCBA Provincie Gelderland. (z.d.). Omgevingsverordening. Opgeroepen op 7 April 2, 2020, van https://gldanders.planoview.nl/planoview/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningvst1?s=SAAXIYAKQgF7vzJFhERCBAN4P4P_______wP38wJiAMdOCzhy3qgpM4ZOGbcCBA Rijksoverheid. (z.d.). Rijksoverheid. Opgeroepen op 7 April 2020, van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/10/12/beslisboomtoestemmingverlening-stikstofdepositie-bij-nieuwe-activiteiten Zoogdiervereniging. (z.d.). Bunzing. Opgeroepen op 6 April 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bunzing Zoogdiervereniging. (z.d.). Eekhoorn. Opgeroepen op 7 April 7, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn Zoogdiervereniging. (z.d.). Hermelijn. Opgeroepen op 6 April 7, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/hermelijn Zoogdiervereniging. (z.d.). Steenmarter. Opgeroepen op 6 April 7, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter

21

Zoogdiervereniging. (z.d.). Wezel. Opgeroepen op 6 April 7, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel

22

Bijlage BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing. (Overheid, 2015) Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.

Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art.

3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt

23

niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1).

Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. 24

Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3.

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8.

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 13. in het algemeen belang.

25

Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvbg) aan bij het bevoegd gezag Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd. (Overheid, 2015)

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=cf769a9a-04a6-4e75-8a97-13049df9ec27