CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

7. 201672274-Bijlage 23 Nota beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen BP De Ploen-Noord, Duiven

Politieke Avond 1 oktober 2024, gemeente DuivenBij agendapunt: 19.30 – 21.30 - Vaststelling bestemmingsplan De Ploen-Noord Duiven - ronde tafel15.762 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

24

Aanpassing Nee

b.

c.

Reclamanten stellen dat op basis van de ervaringen uit het verleden er sprake is van een onzorgvuldige en onverantwoorde keuze voor de ligging van het woonwagenkamp in relatie tot de wijk.

Sinds 2016 wordt het gedeelte naast het woonwagenkamp gepacht. Op dit gedeelte is een weiland met 2 paardjes. Deze 2 paardjes zijn een toevoeging in de wijk voor jong en oud. Het is voor wijkbewoners van groot belang in het kader van de leefbaarheid en de leefomgeving dat deze paardjes in de wijk behouden blijven.

2.2.8

Reclamant 8:

Nr. a.

Samenvatting Voor reclamanten uiten hun zorg dat de opzet van de wijk Ploen-Noord niet overeenkomt met de opzet zoals deze gerealiseerd is in Ploen Zuid, namelijk ruime opzet, veel groen en geen hoogbouw. In het plan Ploen-Noord is er sprake van een deel wat in lijn is met deze uitgangspunten echter het terpen landschap wordt teniet gedaan en er komt zelfs hoogbouw (in strijd met eerdere toezeggingen). Voor Ploen-Noord is een intentieovereenkomst gesloten waarbij is vastgelegd dat er maximaal 300 woningen gerealiseerd kunnen worden.

b.

Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het plan. Ten aanzien van de uitbreiding van de woonwagenstandplaatsen wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 4 onder a. Hiervoor wordt een separate procedure gevolg inclusief participatietraject. Conclusie: De zienswijze geeft mede aanleiding tot het schrappen van de wijzigingsbevoegdheid en het plandeel ter plekke van de bestaande woonwagenstandplaatsen. Er bestaat begrip voor het standpunt dat groene ruimte van toegevoegde waarde is in een wijk. Ten aanzien van de uitbreiding van de woonwagenstandplaatsen en de invulling hiervan wordt in eerste instantie verwezen naar de beantwoording van zienswijze 4 onder a. Hiervoor wordt een separate procedure gevolg inclusief participatietraject. In die procedure zal gekeken worden of het weiland (deels) behouden kan blijven.

Ja

Ja

Conclusie: De zienswijze geeft mede aanleiding tot het schrappen van de wijzigingsbevoegdheid welke uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen mogelijk maakt.

Beantwoording Het betreffen twee wijken die weliswaar aansluiten op elkaar maar wel elk met een eigen identiteit. Daarbij zijn de uitgangspunten bij Ploen-Noord anders dan destijds bij Ploen-Zuid. Zo zitten er in Ploen-Noord meer betaalbare koopwoningen en sociale huurwoningen conform de regionale woondeal. Daarbij is rekening gehouden met een groene aansluitende overgang tussen beide wijken.

Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassingen De gemeenteraad heeft op 7 juni 2022 besloten om de planvorming te starten voor een beperkter aantal woningen, 80 – 100 op de gronden in Ploen-Noord die de

25

Aanpassing Nee

Nee

Echter nu is Ploen-Noord aangemerkt als versnellingslocatie waar 500-600 woningen gerealiseerd moeten worden. Dan is er helemaal geen sprake meer van een ruimtelijke opzet met terpen. Immers uitgangspunt was dat door het bouwen op terpen het omliggende landschap altijd zichtbaar zou zijn. Het aantrekkelijke dorpse milieu van Duiven vervalt. Reclamanten doen dan ook een beroep op het vertrouwens beginsel en vragen de gemeente zich te houden aan de reeds gemaakte afspraken en toezeggingen. c.

Reclamanten wijzen op de ontsluitingspunten van Ploen-Noord. In het ontwerpbestemmingsplan is er sprake van een nieuwe aansluiting met verkeerslichten aan de Westsingel als enige toegang voor motorvoertuigen. Het langzaam verkeer verloopt via verschillende routes. Bij verdere uitbreiding van Ploen-Noord zullen mogelijk extra ontsluitingen worden gerealiseerd. Reclamanten uiten hun zorg omtrent de ontsluiting op de Hoge weg. Momenteel is de Hogeweg nog in particulier eigendom en kan deze niet als doorgaande weg worden gebruikt. Echter aangegeven is dat er wel een mogelijke doorgang ter plaatse kan worden gerealiseerd en de eigendomsrechten komen te vervallen. Reclamanten worden dan geconfronteerd met verkeer langs de achtertuin, hetgeen geen wenselijke situatie is. Ten tijde van de bouw van de woningen van reclamanten is ook nooit sprake geweest het feit dat de Hogeweg als doorgaande weg zou gaan fungeren. Reclamanten verzoeken

ontwikkelaar en de gemeente in eigendom hebben. Dit aantal is geoptimaliseerd naar maximaal 130 woningen. Het plan dat met dit bestemmingsplan wordt bestemd gaat uit van de bouw van maximaal 130 woningen. Bij de opzet is wel rekening gehouden dat het plan zowel separaat gerealiseerd kan worden als dat het onderdeel kan zijn van een groter gebied. Over de mogelijke toevoeging van meer woningen zal de gemeenteraad uiteindelijk een besluit moeten nemen. Het ligt in de verwachting dat alle plancapaciteit de komende jaren benodigd is om aan de woningbouwopgave die de gemeente Duiven heeft te voldoen.

Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassingen. De Hogeweg maakt geen onderdeel uit van de plannen en zit ook niet in de verbindingsstructuur binnen en buiten het plan. De Ploen-Noord wordt ontsloten via de Westsingel middels een nieuwe aansluiting met een verkeersregelinstallatie waarbinnen ook de fietsers kunnen oversteken. Aan de zuidzijde van het plan komt een fietsverbinding met de Ploen-Zuid die in geval van calamiteiten gebruikt kan worden als calamiteiten uitgang en voor de hulpdiensten wanneer toegang vanaf de Westsingel bijvoorbeeld niet mogelijk is.

26

Nee

gemeente dan ook de Hogeweg uit te sluiten van de planvorming. De opzet van de wijk Ploen-Zuid is ook niet geschikt voor zo’n enorme toename van gemotoriseerd en langzaam verkeer.

Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassingen.

27

3 Ambtshalve wijzigingen Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn de volgende ambtshalve wijzigingen doorgevoerd:

Overzicht van ambtshalve wijzigingen

1. Wijzigingen verbeelding 1.1

De locatie rondom de woonwagenstandplaatsen is verwijderd van de verbeelding (inclusief de bestemming ‘Tuin’ en de hierbij behorende aanduiding ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied woonwagenstandplaatsen’).

1.2

Het zuidwestelijk gelegen woonblok is met circa 10 meter in noordelijke richting opgeschoven. De bijbehorende bergingen worden gerealiseerd binnen de bestemming ‘groen’, waarin deze expliciet zijn aangegeven middels de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – bergingen’.

1.3

In afwijking van het ontwerpbestemmingsplan is de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte’ vervangen door de maatvoeringsaanduiding ‘maximum goot- en bouwhoogte’.

1.4

In aanvulling op het ontwerpbestemmingsplan zijn de volgende aanduidingen toegevoegd op de verbeelding ‘aaneengebouwd’, ‘twee-aaneen’ en ‘vrijstaand’.

1.5

In het kader van de regeling omtrent ‘spuitzones’ zijn de volgende aanduidingen extra opgenomen (t.o.v. het ontwerpbestemmingsplan): ‘overige zone – haag’ en ‘overige zone – uitsluiten regulier menselijk verblijf’.

1.6

De dubbelbestemming ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting’ is naar aanleiding van het proefsleuvenonderzoek komen te vervallen op de verbeelding

28

2. Wijzigingen regels 2.1

Artikel 1.12 is als volgt gewijzigd: ‘’1.12 betaalbare koop laag Een koopwoning met een koopprijs vrij op naam van maximaal € 278.000,-, uitgaande van het prijspeil van 1 januari 2024.’’

2.2

Artikel 1.13 is als volgt toegevoegd (en nadien komende artikelnummers zijn hernummerd): ‘’1.13 betaalbare koop hoog een koopwoning met een koopprijs vrij op naam van maximaal € 390.000,- uitgaande van het prijspeil van 1 januari 2024.’’

2.3

Artikel 1.36 is als volgt toegevoegd (en nadien komende artikelnummers zijn hernummerd): ‘’1.36 regulier menselijk verblijf de bewoning van gebouwen en ruimten die bedoeld zijn voor dagelijkse menselijke activiteiten zoals wonen, werken, recreëren en andere levensbehoeften.’’

2.4

Artikel 1.42 is als volgt gewijzigd: ‘’1.42 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.’’

2.5

Artikel 3.2.1 is als volgt gewijzigd: ‘’3.2.1 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen mogen niet worden gebouwd.’’

2.6

Artikel 3.2.2 is als volgt toegevoegd (en nadien komende artikelnummers zijn hernummerd): ‘’3.2.2 Bijbehorende bouwwerken Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen – bergingen' zijn maximaal 8 bergingen toegestaan, die voldoen aan de volgende voorwaarden: a. maximale oppervlakte van 8 m² per berging; b. maximale bouwhoogte bedraag 3,5 m.’’

2.7

Artikel 4 is verwijderd en nadien komende artikelen zijn hernummerd.

29

2.8

Artikel 5.1 is als volgt gewijzigd: ‘’5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen, met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend twee-aaneen en vrijstaande woningen zijn toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' uitsluitend aaneengebouwde en twee-aaneen woningen zijn toegestaan; 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' uitsluitend aaneengebouwde woningen zijn toegestaan; 4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan; b. aan huis verbonden beroep; c. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; d. parkeer-, groen-, speel- en nutsvoorzieningen; e. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en (water)lopen; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, nutsvoorzieningen, tuinen en erven.’’

2.9

Artikel 5.2.1 is als volgt gewijzigd: ‘’5.2.1 Hoofdgebouwen Voor hoofdgebouwen gelden de volgende bouwregels: a. gebouwd binnen het bouwvlak; b. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal de op de verbeelding aangegeven goot- en bouwhoogte; c. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter, voor zover de hoofdgebouwen niet aaneen zijn gebouwd. d. Het bebouwingspercentage niet meer bedraagt dan onder artikel 5.2.2 sub b. bedoeld.’’

2.10

Artikel 5.2.2 is als volgt gewijzigd: ‘’5.2.2 Bijbehorende bouwwerken Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd en voldoen aan de volgende kenmerken: a. gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande, dat uitbouwen in de vorm van erkers tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits: 1. de horizontale diepte maximaal 1,5 m bedraagt; 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt; 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt; 4. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,3 m; b. gezamenlijke bebouwingspercentage (inclusief hoofdgebouw): 1. voor bouwpercelen met een oppervlakte tot 250 m² het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 70% is; 2. voor bouwpercelen met een oppervlakte van 250 tot en met 500 m², het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 60% is; 3. voor bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 500 m² het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% is 30

c. goothoogte maximaal 3 m dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,3 m; d. bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw verminderd met 1 m, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 m mag bedragen en maximaal 6 m;’’ 2.11

Artikel 5.2.6 is verwijderd.

2.12

Artikel 5.3 is als volgt gewijzigd: ‘’5.3 Specifieke gebruiksregels a. Binnen de bestemming 'Wonen' mogen maximaal 130 woningen; b. Van het totaal aantal gerealiseerde woningen: 1. ten minste 30% een sociale huurwoning als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro; 2. ten minste 17% een middeldure huur & betaalbare koop laagwoning, en; 3. ten minste 17% een betaalbare koop hoogwoning. c. Het betaalbare programma, bestaande uit sociale huurwoningen, middeldure huur & betaalbare koop laag en betaalbare koop hoogwoningen bedraagt minimaal 64 % van het totale woningbouwprogramma als genoemd onder a. d. De gebruiksoppervlakten, de prijs-kwaliteitverhoudingen alsmede de V.O.N. prijzen en huurprijzen, behorende tot het plan, dienen te conformeren aan de 'Doelgroepenverordening gemeente Duiven 2023' en diens rechtsopvolger.’’

2.13

Artikel 8 is verwijderd en nadien komende artikelen zijn hernummerd.

2.14

Artikel 10.4 is verwijderd.

2.15

Artikel 11.2 is als volgt gewijzigd: ‘’11.2 Voorwaardelijke verplichting - Waterberging Het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden van de bestemmingen 'Groen', 'Wonen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de toename van de afvoer van afstromend regenwater wordt gecompenseerd conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit; b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. de compensatie bedraagt tenminste 80 mm per m2 verharding; d. de waterhuishoudkundige voorzieningen welke strekken tot de berging van het hemelwater als opgenomen in de omgevingsvergunning bouwen danwel een voorziening die een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligd dienen uiterlijk binnen één jaar na de bouw van het project worden gerealiseerd en in stand gehouden.’’

31

2.16

Artikel 11.3 is als volgt gewijzigd: ‘’11.3 Voorwaardelijke verplichting - Natuurwaarden De gronden binnen het plangebied zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de, bescherming, instandhouding, versterking en/of ontwikkeling van ter plaatse eventueel voorkomende ecologische waarden en/of Flora en fauna, specifiek het leefgebied van de wezel. Onder strijdig gebruik wordt verstaan het uitvoeren van werk en/of werkzaamheden en/of het bouwen van een bouwwerken binnen het plangebied. Het strijdig gebruik wordt pas opgeheven: a. Indien uit ecologisch onderzoek is gebleken dat er geen onevenredige aantasting of verstoring van ecologische waarden en/of Flora en fauna ontstaat of kan ontstaan, of; b. Indien er sprake is van aantasting van de aanwezige ecologische waarden en/of Flora en fauna, deze op een passende wijze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd om de waarden in stand te houden, een en ander conform de Wet natuurbescherming.’’

2.17

Artikel 11.4 is als volgt toegevoegd: ‘’11.4 Voorwaardelijke verplichting - Spuitzones Het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden van de bestemmingen 'Groen', 'Wonen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - haag', dient ten minste een haag met een afschermingshoogte van 2 meter te worden gerealiseerd en in stand worden gehouden; b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - uitsluiten regulier menselijk verblijf', is regulier menselijk verblijf uitgesloten.’’

2.18

Artikel 13.2 is verwijderd.

2.19

Artikel 14 is als volgt gewijzigd: ‘’Artikel 14 Overige regels 14.1 Parkeerregeling, laden en lossen 14.1.1 Parkeren auto's en fietsen a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, vernieuwen of uitbreiden van een gebouw en/of een omgevingsvergunning voor de verandering van het gebruik van een (bouw)perceel wordt slechts verleend indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan de gemiddelde parkeernormen ten aanzien van auto's en fietsen zoals opgenomen in de 'Parkeernormennota Duiven' die in werking is getreden op 3 februari 2018, of diens rechtsopvolger. Dan wel, bij het ontbreken van gemeentelijk beleid, aan de gemiddelde parkeerkencijfers van de CROW Parkeerkencijfers 2018 (publicatie 381) of de meest recente uitgave hiervan op moment van het indienen van de aanvraag; b. De benodigde parkeerplaatsen zoals bedoeld onder a. dienen te worden aangelegd en duurzaam in stand gehouden worden op eigen terrein of gronden die duurzaam daarvoor aangewend kunnen worden en welke direct aansluitend bij het gebouw/perceel zijn gelegen. Het niet voldoen aan deze voorwaarde is een vorm van strijdig gebruik van de bestemmingsomschrijving van de geldende enkelbestemming als opgenomen in het onderliggende bestemmingsplan. 32

14.1.2 Laden en lossen a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, vernieuwen of uitbreiden van een gebouw en/of een omgevingsvergunning voor de verandering van het gebruik van een (bouw)perceel wordt slechts verleend als is verzekerd dat er in een behoefte voor het laden en lossen van goederen wordt voorzien en daarbij ook inbegrepen de bijbehorende voorzieningen en manoeuvreerruimte zoals bepaald in de 'Parkeernormennota Duiven' die in werking is getreden op 3 februari 2018 of diens rechtsopvolger. Dan wel, bij het ontbreken van gemeentelijke beleid, aan de kaders van de meeste recente uitgave van de ASVV (uitgegeven door CROW); b. De benodigde laad- en losruimte zoals bedoeld onder a. dient te worden aangelegd en duurzaam in stand gehouden te worden op eigen terrein of gronden die duurzaam daarvoor aangewend kunnen worden en welke direct aansluitend bij het gebouw/perceel zijn gelegen. Het niet voldoen aan deze voorwaarde is een vorm van strijdig gebruik van de bestemmingsomschrijving van de geldende enkelbestemming als opgenomen in het onderliggende bestemmingsplan. 14.1.3 Afwijkingsregel a. Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder artikel 14.1.1 en 14.1.2 indien: 1. op andere wijze in de benodigde parkeer- of laad- en losruimte wordt voorzien, of; 2.

uit (parkeer)onderzoek blijkt dat voldoende parkeer- of laad- en losgelegenheid aanwezig is in het openbaar gebied, of; 3. er door andere omstandigheden, mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of bouwwerk, zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm. b. De afwijking zoals bedoeld onder a. is enkel mogelijk mits: 1. het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; 2. bij de omgevingsvergunning het behoud van een stedenbouwkundige eenheid en de verkeersveiligheidsbelangen in acht worden genomen.’’

33

3. Wijzigingen toelichting 3.1

In de toelichting is in paragraaf 3.2.3 en 3.3 de kwalitatieve woningverdeling herzien. Hierbij is niet langer sprake van ‘goedkope koop’, ‘betaalbare koop’ en ‘vrije sector koop’. Deze termen zijn vervangen door ‘middeldure huur & betaalbare koop laag’, ‘betaalbare koop hoog’ en ‘dure koop/huur’. De bijbehorende percentages zijn in stand gehouden. Daarnaast wordt in deze paragraaf verwezen naar de ‘Woondeal 2.0’.

3.2

In de toelichting is in paragraaf 4.1.3 enkele aantallen herzien. Niet langer wordt gesproken over de periode tot 2030, maar deze wordt geconcretiseerd tot de periode 2022-2030. Daarnaast betreft de woningbehoefte in Duiven niet 780 woningen, maar 1.000 woningen. Tot slot wordt in de Woondeal 2.0 niet langer gesproken over de realisatie van minimaal 50% betaalbare woningen, maar van 66%.

3.3

In de toelichting is paragraaf 5.2.1 ‘Verkeersgeneratie’ gewijzigd. Door Goudappel is een separaat parkeeronderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Hierdoor is het ‘verkeer- en parkeeronderzoek’ uitgevoerd door Kragten bijgeschaafd tot een ‘verkeersonderzoek’ (bijlage 3). In dit verkeersonderzoek zijn de opmerkingen uit de ingebrachte zienswijzen (2.2.1., lid a.) verwerkt.

3.4

In de toelichting is paragraaf 5.2.2 ‘Parkeren’ gewijzigd. Door Goudappel is een separaat parkeeronderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Hieruit volgt dat, conform gemeentelijk beleid, de parkeerbehoefte 247 parkeerplaatsen bedraagt. Door maatwerkbenadering is het noodzakelijk om 189 parkeerplaatsen te realiseren. Dit kan op basis van de ingetekende parkeerplaatsen.

3.5

In de toelichting is paragraaf 5.5.2 gewijzigd. Ambtshalve is een nader bodemonderzoek uitgevoerd en ingevoegd. Hieruit volgt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Westsingel ong. te Duiven in voldoende mate is onderzocht. Er zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen onroerend goed transactie en/of voorgenomen herontwikkeling.

3.6

In de toelichting is paragraaf 5.6.2 gewijzigd. Door de Omgevingsdienst Regio Arnhem is een verantwoording hoogte groepsrisico opgesteld (hieronder overgenomen): ‘’Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (zie onderdelen H en I) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelwegen A12 en A15 en de Betuweroute; en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) artikel 13 vanwege het LPG-tankstation aan de Westsingel. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 05 maart 2024 (kenmerk Z2024-00000303). A. Personendichtheid Het plan maakt de realisatie van 130 nieuwe woning mogelijk. Hierdoor neemt het aantal personen maximaal toe met 312 personen conform PGS 1 deel 6. Echter liggen enkel de woonwagenstandplaatsen binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation.

Hierdoor neemt het aantal personen binnen het invloedsgebied met maximaal 9,6 personen toe. 34

B. Hoogte groepsrisico Doordat in de beoogde situatie de aanwezigen binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation zich op grotere afstand van de risicobron zijn gesitueerd dan in de huidige situatie, neemt de hoogte van het groepsrisico af. Uit de uitgevoerde risicoberekening (projectnr. WAN012, d.d. 18 maart 2014, bijlage 9) blijkt dat de berekende hoogte van het groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt. C t/m E. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico binnen de inrichting De mogelijkheden het groepsrisico binnen de inrichting te beperken hebben betrekking op de bedrijfsvoering van het tankstation. Maatregelen met betrekking tot de bedrijfsvoering kunnen enkel in afstemming met de inrichtinghouder worden genomen en worden bekrachtigd in de omgevingsvergunning van het tankstation. Gezien de hoogte van het groepsrisico ziet de gemeente Duiven geen noodzaak om het groepsrisico verder te beperken. F. De voor en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Omdat het plan binnen het invloedsgebied beperkt van aard is en de woonwagenstandplaatsen op grotere afstand wordt gesitueerd van de risicobron ziet de gemeente Duiven geen andere mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico. G.

Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst De gemeente Duiven is niet voornemens nieuwe maatregelen te nemen om het groepsrisico te beperken. Daarnaast leidt het plan al tot een afname van het groepsrisico. H Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van een fakkelbrand, explosie of toxische wolk te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. VGGM ziet ook geen reden om aanvullend te adviseren in het kader van de bestrijdbaarheid. I. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert VGGM heeft volgende geadviseerd: 'Het plangebied ligt binnen de effectafstand (een stukje binnen het explosie-aandachtsgebied) van de explosiescenario's waarbij doden te verwachten zijn. Hierdoor is er zeer waarschijnlijk geen handelingsperspectief. Voor de aanwezigen verder in het plangebied is er een handelingsperspectief;… evacueren/ontvluchten, dekking zoeken en/of binnenhuis schuilen.

… Dit is echter afhankelijk van de afstand tot het incident en de snelheid waarin een explosie-scenario zich kan ontwikkelen.” VGGM ziet dan ook geen reden om aanvullende te adviseren in het kader van de zelfredzaamheid. Tot slot adviseert de VGGM wel aanvullend met betrekking tot de basis brandweerzorg om een tweede ontsluitingsroute te realiseren in het plangebied.

35

Conclusie Het plan ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens en richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de snelweg A12 en A15 en een LPG-tankstation. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief niet tot een toename van het groepsrisico leidt en geen significant effect heeft de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. De VGGM zag eveneens geen aanleiding om aanvullend te adviseren op deze twee aspecten.’’ 3.7

In de toelichting is paragraaf 5.7.2 gewijzigd. Ambtshalve is het volgende toegevoegd aan deze paragraaf: NOOT: De quickscan bedrijven en milieuzonering betreft een beoordeling van het voldoen aan de richtafstanden (ruimtelijk inpassen van plannen – woningbouw ten opzichte van bedrijfsbestemmingen). Indien voldaan wordt aan deze afstanden is er sprake van voldoende ruimtelijke scheiding. Dit wil niet zeggen dat de op de bedrijfsbestemmingen gelegen bedrijven niet beperkt zouden kunnen worden door het plan, omdat bijvoorbeeld de desbetreffende 'milieucontour' groter is dan op grond van de richtafstand behorende bij de bedrijfsbestemming. Of de milieucontour al dan niet groter is dan de richtafstand kan je op een aantal manieren bepalen: 1. Door de ligging van aanwezige geluidgevoelige gebouwen: a. Indien deze in globaal dezelfde richting als nieuwe woningen maar op kortere afstand gelegen zijn dan zal milieucontour daardoor bepaald zijn.  In de voorliggende situatie zijn niet c.q. beperk aanwezig. Enkel voor het bedrijf ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf – Agrarisch loonbedrijf' ten oosten van 'De Ploen' en het tankstation aan de Westsingel (zie onderstaande afbeelding; rode omkaderd zijn geluidgevoelige gebouwen).

2. Aan de hand van de vigerende milieuvergunning en/of milieumelding a. Hierin kunnen geluidgrenswaarden zijn opgenomen die bepalend zijn voor de milieucontour. 3. Het aanwezige bedrijf c.q. type bedrijf 36

a. Inschatting milieucontour op basis van vergelijkbare bedrijven c.q. bedrijfstypen.  Voor de bedrijven ter plaatse van de overige (niet onder 1 genoemde) bedrijfsbestemmingen geldt dat er, gezien het (type) bedrijf (waaronder outletwinkel, Gamma, Intratuin, Hotel Van der Valk, Installatie- en autobedrijven etc), en de afstand tot het plan (grotendeels meer dan 2x de richtafstand behorend bij de milieucategorie waarin het aanwezig bedrijf valt), geen grote(re) milieucontour te verwachten is. Voor het terrein waar Gamma en Intratuin zitten, geldt dat het zwaartepunt van de activiteiten (buiten voornamelijk parkeren) bij deze bedrijven aan de westkant op het open terrein plaatsvindt en dat ter plaatse van de Westsingel een dichte gevel staat. De milieucontour van deze bedrijven zal daardoor richting het plangebied en de nieuwe woningen, gelegen aan de oostkant van de bedrijven en de Westsingel, beperkt zijn. 3.8

In de toelichting is paragraaf 5.9.2 gewijzigd. Ambtshalve is het volgende toegevoegd aan deze paragraaf: ‘’In aanvulling op de door Kragten uitgevoerde watertoets heeft Nelen & Schuurmans een memo analyse opgesteld aangaande de impact van de ontwikkeling op de (grond)watersituatie in de omgeving van het plangebied, rapport: ''Memo analyse impact ontwikkeling De Ploen-Noord op (grond)watersituatie omgeving'' (23 juli 2024, Z0099). De memo is als bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. Geconcludeerd wordt dat de invloed van het huidige ontwerp op de (grond)watersituatie gering is. Door een combinatie van ophogingen en het creëren van nieuwe bergingsruimte kan het nieuwe gebied meer water vasthouden. De effecten daarvan naar de omgeving blijven beperkt (de grondwaterstand binnen het gebied zelf zal iets hoger kunnen worden (t.o.v. NAP, niet t.o.v. het nieuwe maaiveld)) maar dat zal nauwelijks uitstralen naar de omgeving omdat de peilen in de sloten t.o.v. NAP gelijk blijven. Er wordt niet dieper gegraven dan dat de huidige sloten/greppels diep zijn. Door het vasthouden van extra water in het nieuwe gebied, wordt er ook wat minder afgewenteld op het lagergelegen noorden. De plassen die in de huidige situatie in het noordelijke deel ontstaan, zullen na de ontwikkeling ongeveer een centimeter minder diep zijn, omdat meer water 'bovenstrooms' wordt vastgehouden.’’

3.9

In de toelichting is paragraaf 5.10.2 gewijzigd. In deze paragraaf zijn subkoppen aangemaakt voor het ‘verkennend flora- en faunaonderzoek’ en het ‘nader soortenonderzoek’. Daarnaast is in het verkennend flora- en faunaonderzoek de herziene komgrens opgenomen voor het kappen van houtopstanden. Ambtshalve is het volgende toegevoegd aan deze paragraaf: ‘’Naar aanleiding van een concretisering van het plangebied (enkel daar waar het stedenbouwkundig plan betrekking op heeft) heeft Kragten een nader soortenonderzoek uitgevoerd, rapport: ''Ploen Noord, Duiven; Nader onderzoek kleine marterachtigen'' (16 januari 2024, 20240116-WAN011-NSO-RAP1.0). Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 16. Geconcludeerd wordt dat tijdens het onderzoek de aanwezigheid van de wezel en de steenmarter is vastgesteld. Voor de wezel geldt dat bij het vaststellen van de aanwezigheid van de soort ook aangenomen moet worden dat er binnen het plangebied sprake is van aanwezigheid van vaste rusten voortplantingsplaatsen. Voor de steenmarter geldt dat er binnen het plangebied geen geschikte vaste rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig zijn. Wel kan de soort in de directe omgeving van het plangebied een vaste rust- en voortplantingsplaats hebben. Voor beide soorten geldt dat het plangebied kan fungeren als foerageergebied.

De voorgenomen plannen kunnen leiden tot het vernietigen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de wezel. Wanneer tijdens de werkzaamheden geen rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de wezel, kunnen bovendien exemplaren worden gedood. Ook gaat het

37

huidige territorium van de wezel verloren. Hiermee is sprake van overtreding van verbodsbepalingen zoals vastgelegd in artikel 3.10, lid 1a en 1b, van de Wnb voor wat betreft de wezel. Voor het doden van exemplaren van de wezel kan in principe geen ontheffing worden verkregen. Hiervoor dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Voor het vernietigen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen kunnen geen mitigerende maatregelen worden getroffen. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden en dienen compenserende maatregelen getroffen te worden. Voor de steenmarter geldt dat de voorgenomen plannen niet leiden tot negatieve effecten op de soort aangezien de vaste rust- en voortplantingsplaatsen zich buiten het plangebied bevinden en het plangebied slechts een klein deel vormt van het totale territorium van de steenmarter. Voor de steenmarter geldt dan ook dat er geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies is door Ecologisch advies en onderzoek een compensatieplan opgesteld, rapport ''Compensatieopgave kleine marterachtigen 'Ploen Noord, Duiven'' (27 juni 2024, MEC_003_2024). Deze rapportage is bijgevoegd als bijlage 17.

Op basis van een habitatanalyse ten aanzien van het bouwplan 'Ploen Noord' te Duiven wordt geconcludeerd dat gezien de aanwezigheid van de wezel sprake is van (tijdelijk) verlies van circa 0,9 ha functioneel leefgebied van wezel. Derhalve is sprake van overtreding van artikel 11.54 lid 1 b Bal. Ten behoeve de voorgenomen ingreep dient ten aanzien van dit artikel een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Ter onderbouwing van de aanvraag dient een activiteitenplan te worden opgesteld met hierin minimaal opgenomen: • Compensatieopgave: • realiseren 0,83ha functioneel leefgebied binnen plangebied; • aanleg 4 droge faunaduikers (min. Ø 400mm) • Mitigerende maatregelen; • B&O.’’ 3.10

In de toelichting is paragraaf 5.11.2 gewijzigd. Ambtshalve is het volgende toegevoegd aan deze paragraaf: ‘’Naar aanleiding van bovenstaande conclusies heeft Bodac een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, rapportage: ''Evaluatierapport archeologie; Proefsleuven conform protocol 4003'' (22 maart 2024, A24010). Het rapport is als bijlage 19 bijgevoegd. Geconcludeerd wordt dat de bodemopbouw binnen het plangebied laat zien dat er drie potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn.

1. Het eerste en bovenste niveau is gelegen op de top van de rivierduin, aangetroffen in het zuiden van het plangebied. In het noordelijke gedeelte is dit niveau door erosie verdwenen. Hierin zijn alleen niet behoudenswaardige sporen van de stellingen van de Tweede Wereldoorlog aangetroffen en enkele natuurlijke fenomenen.

2. Het tweede niveau omhelst een zeer ijzerrijke zandlaag waarin zich in de lage gebieden in het zuiden een vegetatiehorizont heeft gevormd. Dit niveau heeft geen archeologische resten opgeleverd.

38

3. Op het derde archeologische niveau dat, in tegenstelling tot de resultaten van het vooronderzoek, wel in het hele plangebied aangetoond kan worden door middel van vlakken en/of profielwaarnemingen, zijn sporen aangetroffen van een erf of nederzetting. De sporen kunnen op basis van het aangetroffen materiaal gedateerd worden in de vroege prehistorie. De behoudenswaardigheid van de prehistorische vindplaats kan worden vastgesteld met behulp van de waarderingstabel uit de KNA (onderstaande tabel). De waardering scoort op criteria van fysieke kwaliteit hoog tot middelhoog. De gaafheid van de site wordt hoog geschat, aangezien de sporen gelegen zijn onder een vegetatiehorizont. Gezien de aangetroffen vondsten die uit dezelfde periode stammen en betreft het hier vermoedelijk het oorspronkelijke loopniveau. Hierdoor kan de intactheid van het archeologisch niveau als zeker worden beschouwd. De conservering van de sporen wordt echter middelhoog ingeschat. De sporen zijn onderhevig aan een erosief proces bestaande uit uitloging. Hierdoor zijn de sporen aan de bovenzijde zeer moeilijk herkenbaar, maar worden zij duidelijker wanneer er op een dieper niveau (bijvoorbeeld bij couperen) naar de sporen wordt gekeken. De diepte van de sporen lijkt eveneens zeer representatief voor deze vroege perioden. Ze gingen namelijk 10 tot maximaal 40 centimeter diep.

Op inhoudelijke kwaliteit scoort de vindplaats hoog. Vindplaatsen uit deze periode zijn namelijk niet veel voorkomend binnen de regio van het plangebied. De informatiewaarde is hiermee direct eveneens hoog, aangezien er meer inzicht gegeven kan worden over de locatiekeuze van bewoning in deze vroege perioden. De ensmeblewaarde wordt eveneens hoog ingeschat, aangezien de sporen een aanvulling geven bij het archeologisch onderzoek hier direct ten zuiden van. De diepteligging van de aangetroffen archeologische resten binnen huidig onderzoeksgebied is minimaal 100 centimeter onder maaiveld. Rekening moet dan ook gehouden worden dat alle graafwerkzaamheden meer dan 70 centimeter diep (100 centimeter plus een noodzakelijk buffer van minimaal 30 centimeter) dit niveau zal verstoren of vernietigen. Doordat de invulling van de geplande ontwikkeling nog niet vaststaat, is een (gedeeltelijk) behoud in situ op dit moment niet mogelijk. Daarnaast zal bij graafwerkzaamheden met betrekking tot de aanleg van de geplande nieuwe wijk, deze ondergrens snel behaald worden mits er geen maatregelen genomen worden om het maaiveld te verhogen zodat het archeologische niveau veiliggesteld kan worden.

Het advies is op basis van de beschikbare gegevens omtrent de ontwikkeling dat er nader onderzoek dient te worden gedaan naar de aangetroffen resten in de vorm van een vlakdekkende opgraving van 8.620 m² (onderstaande afbeelding).

39

De opgraving zal plaatsvinden binnen de zone van proefsleuven 1 en 2 en de zone van proefsleuven 4 t/m 10. De zone waar proefsleuf 3 zich bevindt, kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van een oude geul die het archeologische niveau heeft doorsneden. Daarnaast hebben ook de huidige sloten binnen deze zone het archeologische niveau al ernstig beschadigd. Aanvullende informatie over de aanwezige vindplaats wordt hier daarom niet verwacht.

40

Daarnaast dient aangegeven te worden dat gezien de resultaten het niet uitgesloten is dat de vindplaats zich, afgezien van waar de hiervoor genoemde geul aangetroffen is, nog verder buiten het onderhavig onderzoeksgebied uitstrekt. Gezien de al eerdere vrijgave van het overige gedeelte van het plangebied voor nader onderzoek, zal hier alleen nog een meldingsplicht gelden zoals vastgesteld in de Nederlandse wetgeving. Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied is het gemeentelijk archeologiebeleid in dit bestemmingsplan verwerkt. Op de verbeelding en in de regels zijn, bij de verwachtingswaarde passende, dubbelbestemmingen voor archeologie opgenomen. Op deze manier worden mogelijke archeologische waarden in de bodem beschermd tegen bodemingrepen in de toekomst.’’ 3.11

In de toelichting is paragraaf 5.12 als volgt toegevoegd: ‘’5.12 Ontplofbare oorlogsresten 5.12.1 Kader Tijdens de Tweede Wereldoorlog is ook het gebied van de gemeente Lansingerland doelwit geweest van bombardementen. Daar zaten zogenaamde blindgangers bij, explosieven die niet tot explosie kwamen en in de grond zijn blijven liggen. Een groot deel van die blindgangers is tijdens de Tweede Wereldoorlog al geruimd. Een deel daarvan kan nog steeds in de grond liggen. Deze niet ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Als een gebied verdacht is van explosieven dient er een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd door een gecertificeerd explosieven opsporingsbedrijf. 5.12.2 Analyse Om te ondervinden of er OO in de bodem ter plaatse van het plangebied aanwezig zijn heeft BeoBom onderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd: rapport ''Onderzoek Ontplofbare Oorlogsresten'' (2 februari 2024, BB23-417-OC-01). Het rapport is als bijlage 20 bijgevoegd. Geconcludeerd wordt dat uit archiefstukken en luchtfoto's blijkt dat de Duitse bezetter gedurende de oorlog in en rondom het projectgebied geschutopstellingen, mangaten en andere militaire objecten heeft aangelegd.

Het is aannemelijk dat ook de geallieerden tijdens de voorbereidingen op operatie Quick Anger in de eerste week van april 1945 gebruikt hebben gemaakt van dezelfde posities. Daarom kan op sommige plekken binnen het projectgebied achtergelaten geschutmunitie, klein-kalibermunitie, hand- en geweergranaten, alsmede munitie voor granaatwerpers worden aangetroffen. Op basis van EODD-gegevens is het kaliber van de eventueel achtergelaten geschutmunitie 25 ponder (Brits), maar het is mogelijk dat ook Duitse kalibers (2 cm en 8,8 cm) worden aangetroffen. De maximale diepteligging van deze soorten ontplofbare oorlogsresten is bepaald op 2,50mMV ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, ofwel 7,80m+NAP. Advies Daar waar er bodemroering gaat plaatsvinden, zijn er beheersmaatregelen noodzakelijk. Afhankelijk van de voorgenomen werkzaamheden wordt het volgende geadviseerd: ''Het laten uitvoeren van een opsporingsproces binnen de verdachte gebieden, zoals beschreven in het CS-OOO.'' 5.12.3 Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen planologische belemmering voor het plan.’’

41

3.12

In de toelichting is paragraaf 5.12 als volgt toegevoegd: ‘’5.13 Boom- en fruitteelt 5.13.1 Kader Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. 5.13.2 Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Omdat direct ten noorden en oosten van het plangebied agrarische percelen zijn gesitueerd, kan er sprake zijn van een 'spuitzone' waarvoor een afstandsgrens van 50 meter wordt gehanteerd zoals aan de orde geweest in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 oktober 2022 (Asdockterrein, ECLI:NL:RVS:2022:3023). Om dit aspect nader inzichtelijk te maken heeft Adromi Groep een locatiespecifiek onderzoek uitgevoerd, rapportage: ''Notitie locatiespecifiek onderzoek gewasbeschermingsmiddelen'' (28 mei 2024, wil/R202437/2401a). Het rapport is als bijlage 21 bijgevoegd.

Geconcludeerd wordt dat blijkens diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak in principe kan worden gekomen tot een ruimtelijk inpasbare situatie door afscherming toe te passen tussen gewaspercelen en percelen waar regulier menselijk verblijf niet kan worden uitgesloten. Daarnaast wordt geadviseerd om de verkeers- en groenbestemmingen aan te passen zodat speelvoorzieningen hierin op voldoende afstand van de agrarische gronden zullen worden gesitueerd. Gelet op de omstandigheid dat bij representatieve invulling van de geldende planologische situatie rekening wordt gehouden met de teelt van akkerbouwgewassen, kan qua afschermingshoogte worden uitgegaan van een haag van 2 meter hoogte. Van belang is immers dat opgaande akkerbouwgewassen zoals maïs en zonnebloemen enkel gewasbehandelingen ondergaan in het groeiproces en niet in het rijpingsproces als het gewas de maximale groeihoogte heeft bereikt. Akkerbouwgewassen zoals aardappelen worden eveneens tijdens de groei gespoten, maar deze blijven lager. Op basis van extrapolatie van de uitspraken van de Afdeling v.w.b. de lengte waarover afscherming dient plaats te vinden kan worden uitgegaan van 12,5 meter als afstand tot waar een afscherming zich dient uit te strekken. Tevens is er een privaatrechtelijke koopovereenkomst gesloten met de eigenaar van de huidige agrarische percelen.

In deze overeenkomst is opgenomen dat eigenaar van de gronden zorg draagt voor beëindiging van de milieuvergunning (inclusief opheffing van de hindercirkels). De hierboven voorgeschreven maatregelen zijn juridisch vastgelegd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan. 5.13.3 Conclusie Het aspect boom- en fruitteelt vormt geen planologische belemmering voor het plan.’’

42

3.13

Middels het toevoegen van de paragrafen 5.12 en 5.12 is paragraaf 5.12 uit het ontwerpbestemmingsplan ‘Duurzaamheid’ opgeschoven naar paragraaf 5.14.

3.14

In paragraaf 6.2.2. ‘Groen’ is een verwijzing gemaakt naar de ‘extra’ aanduiding ‘specifieke vorm van groen – bergingen’. Binnen deze aanduiding zijn bergingen toegestaan behorende bij woningbouw.

3.15

In paragraaf 6.2.3 ‘algemene gebruiksregels’ is een verwijzing gemaakt naar de voorwaardelijke verplichtingen voor waterberging, natuurwaarden en spuitzones’. Daarnaast is voor de ‘algemene wijzigingsregels’ de tekst als volgt gewijzigd: ‘’In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens.’’

3.16

In de toelichting is paragraaf 7.2.2 als volgt aangevuld: ‘’Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende een periode van 6 weken, vanaf 27 december 2023, voor eenieder ter inzage gelegen. In deze periode zijn 8 zienswijzen ingediend. In de Nota van zienswijzen, bijgevoegd als bijlage 23, is aangegeven hoe er met deze zienswijzen is omgegaan (deels gegrond verklaard en hebben tot aanpassingen geleid). Naast de doorgevoerde aanpassingen, naar aanleiding van de ingediende zienswijzen, is het vastgestelde bestemmingsplan op een aantal punten ambtshalve gewijzigd (tevens op genomen in de Nota van zienswijzen, zie bijlage 23).’’

43

4. Wijzigingen bijlagen 4.1

Bijlage 1 ‘Beelkwaliteitsplan’ is toegevoegd (zowel in de bijlagen bij de toelichting als bijlagen bij de regels).

4.2

Bijlage 2 ‘M.e.r.-aanmeldnotitie’ is aangevuld met de ontbrekende/extra onderzoeken c.q. een doorkijk naar de ‘Ploen-Buiten’

4.3

Bijlage 3 ‘Verkeersonderzoek’ is gewijzigd en aangevuld, voormalige ‘verkeer- en parkeeronderzoek’.

4.4

Bijlage 4 ‘Parkeeronderzoek’ is toegevoegd.

4.5

Bijlage 7 ‘Diverse (water)bodemonderzoeken is toegevoegd.

4.6

Bijlage 9 ‘Verantwoording hoogte groepsrisico’ is verwijderd en nadien komende bijlagen zijn hernummerd.

4.7

Bijlage 9 ‘Safeti-berekening’ is aangepast.

4.8

Bijlage 13 ‘Memo analyse impact ontwikkeling op (grond)watersituatie omgeving’ is toegevoegd

4.9

Bijlage 16 ‘Nader soortenonderzoek’ is toegevoegd

4.10

Bijlage 17 ‘Compensatieplan’ is toegevoegd.

4.11

Bijlage 19 ‘Proefsleuvenonderzoek’ is toegevoegd.

4.12

Bijlage 20 ‘Onderzoek Ontplofbare oorlogsresten’ is toegevoegd

4.13

Bijlage 21 ‘Locatiespecifiek onderzoek (spuitzones)’ is toegevoegd

4.14

Bijlage 22 ‘Verslag omgevingsdialoog’ is aangepast.

4.15

Bijlage 23 ‘Nota van zienswijzen’ is toegevoegd.

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=fae4b689-b49e-4478-af88-571a8b4a373c