7. 201577737 – Bijlage 2 Vormvrije mer beoordeling d.d. 10-08-22.pdf
Tekst van het document
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Duiven, Walcherenstraat 5
Gemeente Duiven
Datum: 3 juni 2022 Projectnummer: 190270
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3
Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer
3 3 5
2
Kenmerken van het plan
6
2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Beschrijving plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan
6 6 6 6
3
Plaats van het plan
8
3.1 3.2 3.3
Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
8 8 8
4
Kenmerken van het potentiële effect
13
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit
13 14 15 16 16
5
Conclusie
18
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De gronden aan de Walcherenstraat 5 in Duiven-Zuid zijn in het verleden gebruikt als basisschool. Inmiddels staat dit schoolgebouw leeg, waardoor met de sloop van dit gebouw een herontwikkelingslocatie kan ontstaan binnen de bebouwde kom van Duiven. Passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving bestaat nu het voornemen om de gronden ter plaatse te herontwikkelen ten behoeve van maximaal 16 grondgebonden woningen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r.
en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.
1.2
De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.
3
Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl).
Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een ontwikkeling mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een ontwikkeling mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sinds een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag.
Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor ontwikkelingen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavige ontwikkeling (de realisatie van 16 grondgebonden woningen) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 2 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.”
4
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 16 grondgebon2 den woningen. Het totale plangebied betreft circa 4.200 m . Onderhavige activiteit blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde en dus kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: kenmerken van de activiteit; plaats waar de activiteit wordt verricht; kenmerken van de gevolgen van de activiteit.
Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
1.3
Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.
5
2 2.1
Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de ontwikkeling besproken. De aard en de omvang van de ontwikkeling worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.
2.2
Beschrijving plan Binnen het plangebied is het schoolgebouw van basisschool De Timp in onbruik geraakt. Daarom is gezocht naar een passende invulling voor het plangebied. Passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving bestaat het voornemen om ter plaatse woningen te realiseren. Het gaat om maximaal 16 grondgebonden woningen, bestaande uit één laag met een symmetrisch zadeldak, zoals dat veelvuldig in de omgeving voorkomt. Het uitgangspunt daarbij is dat het om betaalbare woningen gaat in de sociale huur- dan wel betaalbare en middeldure koopsector. De woningen worden aardgasloos gebouwd. Daarnaast bestaat het voornemen dat een aantal woningen een levensloopbestendig karakter krijgen.
2.3
Omvang van het plan Met deze ontwikkeling wordt voorzien in maximaal 16 grondgebonden woningen. De maximale bouwhoogte van de woningen bedraagt 10 meter.
2.4
Overige kenmerken van het plan
2.4.1
Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere planen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.
2.4.2
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het besluitgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde woningen wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken.
6
De nieuwe functie maakt geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt de ontwikkeling hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. 2.4.3
Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de ontwikkeling wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).
2.4.4
Risico van ongevallen Onderhavige ontwikkeling vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.
7
3 3.1
Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.
3.2
Het bestaande grondgebruik Het plangebied ligt in de kern Duiven (gemeente Duiven) te midden van de woonwijk ‘Duiven - Zuidoost’. Aan de westzijde van het plangebied loopt de Walcherenstraat en aan de noord- en oostzijde loopt een fietspad. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan Integraal Kind Centrum (IKC) het Klokhuis. Het besluitgebied zelf bestaat uit een leegstaand schoolgebouw van basisschool De Timp. Het schoolgebouw wordt omringd door een verhard speelplein met aan de randen van het plangebied enkele bomen en een hekwerk.
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu
3.3.1
Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.
3.3.2
Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Wetlands
Conventie van Ramsar
In of in de directe nabijheid van het besluitgebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.
8
Kustgebieden
Het besluitgebied is niet gelegen in een kustgebied.
Berggebieden en bosgebieden
Wet natuurbescherming
Het besluitgebied is niet gele-
Reservaten en natuurparken:
Nationale Landschappen zijn
Het besluitgebied ligt niet in een
Nationale Landschappen
benoemd in de Nota Ruimte
Nationaal Landschap.
Nationale parken
Nationale Parken zijn onderdeel
Het besluitgebied ligt niet in een
van de EHS.
Nationaal Park.
Wet natuurbescherming
In de omgeving van het besluit-
gen in een berg- en bosgebied.
3.3.2.1
Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen
gebied liggen Natura 2000-
krachtens Richtlijn 79/409/EEG
gebieden (zie verder onder 1).
(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-
Europese milieurichtlijnen (o.a.
Het besluitgebied ligt niet in ge-
munautaire wetgeving vastge-
kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-
bieden waar basis van commu-
stelde normen inzake milieu-
derrichtlijn water)
nautaire wetgeving reeds nor-
kwaliteit reeds worden
men worden overschreden.
overschreden Gebieden met hoge bevol-
Het besluitgebied is niet gele-
kingsdichtheid
gen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.
Landschappen van
Verdrag van Valletta
In het besluitgebied zijn geen
historisch belang
Monumentenwet
historische bouwwerken, mo-
cultureel belang
Gemeentelijk landschaps-
numentale panden of structuren
ontwikkelingsplan
met een cultuurhistorische of
o
beschermd stads- en dorpsgezicht
beeldbepalende waarde te be-
archeologisch belang
noemen. Het besluitgebied heeft op basis van het bestemmingsplan ‘Archeologie’ een lage archeologische Verwachtingswaarde (zie verder onder 2).
1. Natura 2000 gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Wel ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ op circa 2,3 kilometer van de bebouwde kom van Duiven af, zoals op navolgende afbeelding weergegeven.
9
Globale ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000-gebied (witte arcering). (Bron: Provincie Gelderland).
Op voorhand kan niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op het Natura 2000 gebied. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect natuur. 2. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Duiven heeft specifiek archeologiebeleid in de vorm van het ‘Bestemmingsplan Archeologie’, zoals vastgesteld door de gemeente Duiven op 31 mei 2009. Op basis van dat plan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’, inclusief gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting 5’. Dit betekent dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemin2 grepen groter dan 10.000 m en die dieper reiken dan 0,5 meter.
De bodemingrepen voor voorliggend plan zijn kleinschaliger, waarmee archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is en negatieve effecten niet te verwachten zijn. Om die reden wordt dit aspect niet verder in hoofdstuk 4 behandeld.
10
3.3.3
Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied
Juridisch kader
Relevantie voor de activiteit
Natuurnetwerk Nederland (voor-
Provinciale verordening
Het besluitgebied maakt geen
heen: Ecologische Hoofdstruc-
deel uit van het Natuurnetwerk
tuur)
Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), maar er ligt wel NNN in de buurt (zie onder 3).
Gebied geschikt voor be-
Wet natuurbescherming
schermde soorten
Het besluitgebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 4).
Weidevogelgebied en ganzen-
Provinciale verordening
foerageergebied
Het besluitgebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.
Stiltegebied
Bodembeschermingsgebied
Wet milieubeheer
Het besluitgebied is niet gelegen
Provinciale verordening
in een stiltegebied.
Provinciale verordening
Het besluitgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verordening
Het besluitgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.
3. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk.
Globale ligging van de plangebieden (rode kaders) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen). (Bron: Provincie Gelderland). 11
Het plangebied ligt niet binnen NNN (zie hiervoor opgenomen afbeelding). Wel bevindt het plangebied zich op ongeveer 400 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN. Omdat het NNN in het Gelderland (GNN) geen externe werking kent, zijn negatieve effecten op het NNN uit te sluiten en wordt het niet nader beschouwd. 4. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.
12
4 4.1
Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van de ontwikkeling en de plaats van de ontwikkeling zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van het logistieke centrum. Hoofdstuk 2 laat zien dat de ontwikkeling de realisatie maximaal 16 grondgebonden woningen in de wijk ‘Duiven Zuidoost’ betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van enig verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het besluitgebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving van het besluitgebied bevindt zich een Natura 2000-gebied. Verder kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het besluitgebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: natuur: Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.
Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie. verkeer: de ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-) effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. geluidshinder: de ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken van de concrete ontwikkeling en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen: water: Er is met het plan niet tot nauwelijks sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand niet te verwachten. externe veiligheid: de functies in onderhavige ontwikkeling leiden niet tot externe veiligheidseffecten.
13
cultuurhistorie: De functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden. bodem: onderhavige ontwikkeling bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. geurhinder: de functies in onderhavige ontwikkeling leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan. Daarbij geldt dat – indien noodzakelijk – aandacht is voor: het grensoverschrijdende karakter van het effect; 'de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
4.2
Natuur
4.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de gemeente Duiven aan de Walcherenstraat. De omgeving kenmerkt zich door hoofdzakelijk de woonfunctie. Aan de zuidzijde bevindt zich het Integraal Kind Centrum (IKC) het Klokhuis. In de nabijheid ligt een kunstmatige watergang.
4.2.2
Effecten ontwikkeling Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt in de buurt van het besluitgebied. De afstand bedraagt circa 1,5 kilometer. Op een dergelijke afstand kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. Ten behoeve van de ontwikkeling van de eerste fase van de logistieke ontwikkeling reeds een onderzoek stikstofdeposi1 tie uitgevoerd. Uit het betreffende onderzoek volgt dat er in de gebruiksfase rekenresultaten van maximaal 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden verwacht kunnen worden. Hieruit volgt dat er geen sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie en dat significant negatieve effecten derhalve kunnen worden uitgesloten. Gelet op deze resultaten zijn er geen significant nadelige effecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Beschermde soorten 2 Door middel van een quick scan natuur is onderzocht of beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, 1
SAB (2022). Onderzoek stikstofdepositie. Duiven, Walcherenstraat 5. Projectnummer: 190270. 3 juni 2022.
2
SAB (2020). Quick scan natuur. Duiven, Walcherenstraat 5. Projectnummer: 190270. 15 mei 2020. 14
mogelijke negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Uit het onderzoek blijkt dat er mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwe3 zig zijn. Hier is nader onderzoek naar uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er geen essentiële elementen voor vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied. Met essentiële elementen wordt onder andere verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied bedoeld. Verder kan ervan worden uitgegaan dat rekening zal worden gehouden met de algemene aanbeveling dat rekening moet worden gehouden met de broedperiode voor vogels en de zorgplicht. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een negatief milieueffect.
4.3
Verkeer
4.3.1
Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft een binnenstedelijke locatie op een inbreidingslocatie binnen de kern van Duiven. De locatie heeft in het verleden een verkeersaantrekkende werking gekend met basisschool De Timp, maar deze heeft inmiddels haar functie verloren. De realisatie van de grondgebonden woningen zorgt voor een nieuwe verkeersaantrekkende werking.
4.3.2
Effecten ontwikkeling Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gege4 nereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Duiven wordt geclassificeerd als ‘matig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Onderhavige ontwikkeling richt zich op het bouwen van maximaal 16 rijwoningen in het sociale huur-, dan wel betaalbare en middeldure koopsegment. Voor de ontwikkeling van 16 koopwoningen volgt uit de kencijfers dat er maximaal 120 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan. Deze verkeersgeneratie kan zonder negatieve gevolgen worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld van de omliggende wegen. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende. Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.
3
SAB (2020). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Duiven, Walcherenstraat 5. Projectnummer: 190270.01. 11 november 2020.
4
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 15
4.4
Geluid
4.4.1
Huidige situatie Het plangebied is binnenstedelijk gelegen waarbij verwacht mag worden dat reeds sprake is van een merkbare geluidsbelasting gezien binnenstedelijke ligging.
4.4.2
Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van maximaal 16 grondgebonden woningen zorgt voor de aantrekking van meer verkeer en daarmee potentieel hogere geluidswaarden. Onderhavig plan zal worden ontsloten op de aangrenzende 30 km/uur weg Walcherenstraat. Nabij deze weg zijn reeds bestaande woningen gelegen. Op deze woningen zou de geluidbelasting dus kunnen toenemen. In het kader van het op te stellen bestem5 mingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Voor de Walcherenstraat wordt ter hoogte van het plangebied uitgegaan van een etmaalintensiteit van 500 motorvoertuigen per etmaal. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de verkeersaantrekking geschat op circa 120 motorvoertuigen per etmaal. Bij dit plan is daarmee te verwachten dat de verkeerstoename op de aangrenzende 30 km/uur weg Walcherenstraat lager zal zijn dan 40%. Deze toename bedraagt met voorgaande uitgangspunten op zijn hoogst circa 24%. Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename. Gezien voorgaande worden is voor wat betreft geluid geen sprake van een significant negatieve (milieu)effect.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en (zeer) fijnstof in de huidige situatie beneden de gestelde grenswaarden.
5
SAB (2021). Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai. Duiven, De Timp. Projectnummer: 190270. 29 april 2021. 16
Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM2,5)
Achtergrondconcentratie (2020) 3 13 µg/m 3 27 µg/m 3 9 µg/m
Grenswaarde 3 40 µg/m 3 40 µg/m 3 25 µg/m
Stikstofdioxide en fijnstof huidige situatie (Bron: Atlas Leefomgeving).
4.5.2
Effecten ontwikkeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 16 grondgebonden woningen. Gezien de omvang is het plan ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM), zoals weergegeven in navolgende uitsnede. Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig plan onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
120
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m
3
0,08
PM10 in μg/m
3
0,02
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Berekening NIBM-tool, op basis van 120 extra voertuigbewegingen, waarvan 10,0% vrachtverkeer (Bron: Infomil / ministerie van Infrastructuur en Milieu)
Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.
17
5
Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van maximaal 16 grondgebonden woningen aan de Walcherenstraat in de gemeente Duiven belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)
Natuur (soortenbescherming) Verkeer
Geluid
Lucht
Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde stikstofonderzoek wijst uit significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Er is geen sprake van negatieve milieueffecten op het gebied van gebiedsbescherming. Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat geen sprake is van een negatief milieueffect. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de aangrenzende 30 km/uur wegen zonder te verwachten afwikkelingsproblemen. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De toename van het verkeer op de aangrenzende 30 km/uur weg Walcherenstraat is echter minder dan 40% ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. Daaarmee zijn negatieve (milieu)effecten uitgesloten. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering.
De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen negatieve effecten verwacht hoeven te worden. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
18