CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

6d. 201672278-Bijlagen 1 tm 22 bij toelichting BP De Ploen-Noord, Duiven

Politieke Avond 1 oktober 2024, gemeente DuivenBij agendapunt: 19.30 – 21.30 - Vaststelling bestemmingsplan De Ploen-Noord Duiven - ronde tafel16.480 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.1.1

Stappen 1 en 2 In stappen 1 en 2 wordt onderzocht of gevoelige functies [zoals woningen] binnen de richtafstand van bedrijven komen te liggen. Indien de richtafstand wordt gerespecteerd kan verdere toetsing achterwege blijven en is inpassing mogelijk. Hierbij moet echter uitdrukkelijk worden opgemerkt dat de publicatie 'richtafstanden' aangeeft. Er is uitgegaan van een gemiddeld bedrijf en er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een grotere of kleinere afstand uitgegaan kan of moet worden. Dit dient dan echter te allen tijde zorgvuldig te worden gemotiveerd. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie (zoals een woning of woonschip) die volgens het bestemmingsplan of vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn per afzonderlijke milieucategorie verschillende richtafstanden opgenomen die kunnen worden aangehouden tot gevoelige functies teneinde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Deze richtafstand is gebaseerd op de als gevolg van de bedrijfsactiviteiten te verwachten milieuhinder (als gevolg van geur, geluid, stof of gevaar). Voor de beoordeling van een goede inpassing wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes.

De twee omgevingstypes die de VNG hanteert, zijn enerzijds “rustige woonwijk en rustig buitengebied” en anderzijds “gemengd gebied”. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden. De te onderscheiden omgevingstypen worden onderstaand nader getypeerd. Rustige woonwijk en een rustig buitengebied “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.”

7

Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vertrekpunt vormt in algemene zin de afstand behorend bij een rustige woonwijk en een rustig buitengebied. De richtafstanden die hierbij behoren, kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied. In de tabel 1 zijn de richtafstanden opgenomen zoals deze in de VNG-publicatie worden geadviseerd. Tabel 1

Richtafstanden conform VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstand (in meters) rustige woonwijk / buitengebied 10 30 50 100 200 300

Richtafstand (in meters) gemengd gebied 0 10 30 50 100 200

De richtafstanden gelden voor verschillende aspecten die tot milieuhinder kunnen leiden. Daarbij is de grootste afstand behorend bij één van de milieuaspecten; geur, stof, geluid en gevaar, bepalend voor de te hanteren richtafstand. Met het respecteren van de grootste afstand behorend bij een bepaalde bedrijfscategorie, wordt zo veel mogelijk hinder bij omwonenden voorkomen en wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun bedrijfsactiviteiten op de betreffende locatie kunnen uitoefenen. Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

3.1.2

Stap 3 Indien de milieuzones de gewenste woningbouwlocatie overlappen: a) pas de woningbouwplannen aan; of b) ga na wat de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten zijn. Indien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten kleinere richtafstanden opleveren, beoordeel dan of het benedenwaarts aanpassen van richtafstanden in het - vigerend - bestemmingsplan wenselijk is. Overweeg dit ook los van de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten, vanuit een langere termijnvisie op de gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein of de bedrijfslocatie. Bestaande bedrijven kunnen immers vertrekken en nieuwe bedrijven kunnen zich aandienen.

3.1.3

Stap 4 Indien de daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten van de gevestigde bedrijven strijdig zijn met de gewenste woningbouw: a) pas de woningbouwplannen aan; of b) doe desgewenst vervolgonderzoek naar de werkelijke milieubelasting van de bedrijven.

3.2

Omgevingstype en milieucategorie Het plan is gelegen aan de noordzijde van de kern Duiven. Rondom het plangebied zijn met name gronden met de bestemming ‘Wonen’, ‘Groen’, ‘Bedrijf’, ‘Bedrijventerrein’ en ‘Agrarisch’ gelegen. Voor de beschouwing van de mogelijke milieuhinder is een typering als ‘rustige woonwijk’ in de lijn van de milieutechnische situatie.

8

3.3

Milieubelasting vanuit de omgeving

3.3.1

Relevante bestemming(splann)en Op basis van het vigerende bestemmingsplannen gelden in de omgeving van het plangebied de volgende (relevante) bestemmingen: Bestemmingsplan Duiven Noord Bedrijf – Functieaanduiding verkooppunt motorbrandstoffen met lpg o Bestemd voor bedrijven ter plaatse van de aanduidingen: a. een verkooppunt van motorbrandstoffen met lpg maximale doorzet van 1.000 m3). Veegplan Duiven Bedrijf – Functieaanduiding agrarisch loonbedrijf o Bestemd voor een bedrijf, dat uitsluitend dan wel overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven, onderhoudswerkzaamheden aan (openbare) groenvoorzieningen en grond-/onderhoudswerkzaamheden aan infrastructurele voorzieningen, met behulp van landbouwwerktuigen en -apparatuur, alsmede het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud en reparatie van landbouwwerktuigen en -apparatuur. Bestemmingsplan Bedrijventerrein Graafstaete Bedrijventerrein – Functieaanduiding bedrijf tot en met categorie 3.1 / 3.2 o Bestemd voor: a. bedrijven met een lokale functie: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; 2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf en Centerpoort-Zuid, Duiven Bedrijventerrein – Functieaanduiding bedrijf tot en met categorie 3.2 o Bestemd voor: a. bedrijven ter plaatse van de aanduidingen: 1. bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;. Horeca o Bestemd voor: a. horeca in de categorieën I en II van de Staat van horecabedrijven [Licht en Middelzware horeca];

3.3.2

Toetsing richtafstanden Op basis van de in paragraaf 3.3.1 genoemde bestemmingsplannen is conform stap 1 van de VNG-publicatie beoordeeld welke bestemmingen mogelijk relevant zijn voor de planontwikkeling. In afbeelding 3 zijn de relevante bestemmingen in de omgeving van het plangebied weergegeven. Tevens zijn de bijbehorende richtafstanden op basis van gebiedstype “rustige woonwijk” weergegeven. De positionering van de woningen binnen het plangebied is gebaseerd op afbeelding 2.

9

Afbeelding 3

Ligging woningen in plangebied [groen] en (bedrijfs)bestemmingen in omgeving

Aan de gearceerde gebieden zijn op basis van de bestemmingsplannen de volgende bestemmingen toegekend: B – fa LPG: Bedrijf – Functieaanduiding verkooppunt motorbrandstoffen met lpg: voor deze functie is milieucategorie 3.1 gehanteerd; B – fa LB: Bedrijf – Functieaanduiding agrarisch loonbedrijf: voor deze functie is maximaal milieucategorie 3.1 gehanteerd; B – Cat3.1: Bedrijventerrein: voor deze functie is maximaal milieucategorie 3.1 gehanteerd; B – Cat3.2: Bedrijventerrein: voor deze functie is maximaal milieucategorie 3.2 gehanteerd; H: Horeca: voor deze functie is maximaal milieucategorie 2 gehanteerd; Uit afbeelding 3 blijkt dat de woningen niet gelegen zijn binnen de richtafstand van gronden met relevante bestemmingen nabij het plangebied. Er is sprake van voldoende ruimtelijke scheiding.

10

4

CONCLUSIE In opdracht van Van Wanrooij Projectontwikkeling BV is door Kragten een quickscan milieuzonering uitgevoerd ten behoeve van een woningbouwplan Ploen Noord te Duiven. Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. De omgeving van het plangebied is getypeerd als ‘rustige woonwijk’. Uit de uitgevoerde beoordeling blijkt dat dat de woningen niet gelegen zijn binnen de richtafstand van gronden met relevante bestemmingen nabij het plangebied. Er is sprake van voldoende ruimtelijke scheiding.

11

Opdrachtgever: Projectnr: Datum:

Van Wanrooij Projectontwikkeling BV WAN012-0001 6 november 2023

Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:

Van Wanrooij Projectontwikkeling BV WAN012-0001 20231106-WAN012-RAP-AGG 2.0 Definitief 6 november 2023

Opsteller: DVDM

T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl

-+C0DVDM+-

Verificatie: RVHE

-+R0RVHE+-

Validatie: RVHE

© 2023 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.

-+V0RVHE+-

INHOUDSOPGAVE

3.1 3.2 3.3

Algemeen ...........................................................................................................................................................................7 Normering gemeente Duiven .................................................................................................................................................7 Woon- en leefklimaat ...........................................................................................................................................................8

5.1 5.1.1 5.1.1.1

Beoordeling veehouderijen ..................................................................................................................................................12 Milieurechten ....................................................................................................................................................................12 Planologische rechten .........................................................................................................................................................12

6.1 6.2 6.3 6.4

Toetsingskader ..................................................................................................................................................................13 Voorgrondgeurbelasting ......................................................................................................................................................13 Achtergrondgeurbelasting ....................................................................................................................................................13 Beoordeling woon- en leefklimaat ........................................................................................................................................14

BIJLAGEN

3

1

INLEIDING In opdracht van Van Wanrooij Projectontwikkeling BV is door Kragten een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke geurinvloed van de omliggende veehouderijen op de woningbouwontwikkeling te Duiven (gemeente Duiven). Enerzijds kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening door de gemeente medewerking verleend worden aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Anderzijds dient ter plaatse van het nieuw te realiseren geurgevoelig object sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat voor het aspect geur. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- als de voorgrondgeurbelasting. Middels voorliggend onderzoek is onderzocht of kan worden uitgesloten dat sprake is van inbreuk op de milieurechten van bestaande veehouderijen en of de planontwikkeling geen inbreuk veroorzaakt op de planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen. Tevens is in dit onderzoek onderzocht of ter plaatse van de planontwikkeling een voldoende woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van de voorgrond- en achtergrondgeurbelasting.

4

2

SITUERING Het plangebied is gelegen aan de Westsingel te Duiven (gemeente Duiven). In onderstaande afbeelding is de globale ligging van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 1

Situering plangebied (blauw kader)

Men is voornemens om woningen te realiseren binnen het plangebied en om het woonwagenkamp her in te richten. In navolgende afbeelding is de indeling van het plangebied weergegeven.

5

Afbeelding 2

Indeling plangebied, versie 30 augustus 2023

6

3

TOETSINGSKADER

3.1

Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo), zoals een woning. In de Wet geurhinder en veehouderij gelden verschillende normen, afhankelijk of de locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten tot een maximaal toegestaan niveau (norm) van geurbelasting. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt onderscheid gemaakt in twee soorten dieren: dieren waarvoor een geuremissiefactor (uitgedrukt in odour units per seconde) is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Met behulp van deze geuremissiefactor kan de geurbelasting op een ‘geurgevoelig object’ (ggo) worden berekend en worden getoetst aan de geurnorm. Deze dieren noemen we verder odour unit-dieren, afgekort als OU-dieren. dieren waarvoor géén geuremissiefactor is bepaald. Voor deze dieren geldt een minimaal te respecteren afstand (‘vaste afstand’) tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van een ‘geurgevoelig object’ (ggo). Deze dieren noemen we verder vaste afstand dieren, afgekort als VAdieren.

3.2

Normering gemeente Duiven De gemeente Duiven ligt in een concentratiegebied zoals bedoeld in de Meststoffenwet. In navolgende afbeelding zijn de concentratie- en de niet-concentratiegebieden opgenomen.

Afbeelding 3

Concentratie en niet-concentratiegebieden (rode cirkel gemeente Duiven in concentratiegebied I)

7

De gemeente Duiven heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt om, binnen bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Duiven 2008’. In de geurverordening zijn verschillende deelgebieden opgenomen. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied ‘De Ploen Noord’ is gelegen in deelgebied E ‘De Ploen Noord’ conform de geurverordening.

Afbeelding 4

‘Overzicht normstelling’ conform de geurverordening van de gemeente Duiven voor het invloedsgebied ‘De Ploen Noord’

In de geurverordening van de gemeente Duiven zijn geen afwijkende normen opgenomen voor ‘invloedsgebied De Ploen Noord’. Derhalve gelden de wettelijke normen conform de Wet geurhinder en veehouderij voor dit gebied. Wettelijk geldt voor de gemeente Duiven de volgende normstelling voor OU-dieren:  14 OUE/m3 98 percentiel voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom;  3 OUE/m3 98 percentiel voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom Voor VA-dieren gelden minimaal aan te houden vaste afstanden. In de geurverordening zijn afwijkende normen opgenomen. De vaste afstand tussen een veehouderij bedraagt tussen het emissiepunt van het dierenverblijf voor het huisvesten van VA-dieren en de buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal 50 meter. In de toekomstige situatie is het plangebied te beschouwen als binnen de bebouwde kom. Voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom geldt een norm van 3 OU E/m3 voor OU-dieren en een vaste afstand van 50 meter voor VA-dieren.

3.3

Woon- en leefklimaat Naast het wettelijke toetsingskader dient bij de realisatie van geurgevoelige objecten rekening te worden gehouden met de achtergrondbelasting voor het aspect geur ten gevolge van de omliggende veehouderijen. Eveneens dient te worden onderzocht of sprake is van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vergunde rechten van de omliggende veehouderijen.

8

Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7” d.d. 1 mei 2007 hierin is een relatie tussen de voor- en achtergrondbelasting en de geurhinder weergegeven voor een concentratiegebied en een niet-concentratiegebied. In de ‘Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij, gebiedsgericht geurbeleid in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij’ (d.d. 2 mei 2008) zijn normen opgenomen voor het woon- en leefklimaat ten gevolge van de achtergrondgeurbelasting. In deze gebiedsvisie is een maximale achtergrondgeurbelasting van 10 OUE/m3 opgenomen voor woningen binnen de bebouwde kom en een streefwaarde van 20 OU E/m3 voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. In onderhavige situatie wordt beschouwd als binnen de bebouwde kom waarvoor conform de gebiedsvisie een maximale achtergrondgeurbelasting van 10 OU E/m3 geldt.

9

4

OMLIGGENDE VEEHOUDERIJEN In voorliggend onderzoek zijn alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rondom het plangebied meegenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de online beschikbare informatie op ‘Kernregistratie dierenverblijven’1. In een straal van 2 kilometer rondom het plangebied zijn 9 veehouderijen gelegen, waarvan 5 met vaste afstand dieren (VA-dieren) en 4 intensieve veehouderijen (OU-dieren). In onderstaande tabel zijn deze veehouderijen opgenomen. Tabel 1

Overzicht veehouderijen

Adres

OU-dieren [OU E/m3]

Afstand tot het plangebied [meter]

Relevant

Ploenstraat 17, Duiven

VA-dieren

190 meter

Nee*

Broekstraat 12, Duiven

VA-dieren

650 meter

Nee*

Kosterstraat 11, Duiven

VA-dieren

1.450 meter

Nee*

Giesbeeksestraat 23, Duiven

22.356

2.000 meter

Ja**

Bremmenstraat 1, Duiven

VA-dieren

2.000 meter

Nee*

Roodwilligenstraat 10, Duiven

VA-dieren

1.500 meter

Nee*

Roodwilligenstraat 1b, Duiven

4.680

1.500 meter

Nee***

Laarstraat 20, Duiven

54.767

1.750 meter

Ja**

Heiliglandstraat 5, Groessen

18.258

1.950 meter

Ja**

*Deze veehouderijen hebben enkel VA-dieren waarvoor conform de geurverordening een vaste afstand van 50 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt. Hier wordt voor deze veehouderijen ruimschoots aan voldaan. ** Deze veehouderijen zijn gezien de afstand tot het plangebied en dat er meerdere bestaande geurgevoelige objecten tussen de veehouderij en het plangebied zijn gelegen enkel relevant voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat. *** Gezien de afstand tot het plangebied en de totale geuremissie is deze veehouderij niet relevant voor de voorgrondgeurbelasting in het kader van de beoordeling van het woon- en leefklimaat. Deze veehouderij wordt wel meegenomen in de berekening van de achtergrondgeurbelasting.

Uit bovenstaande tabel volgt dat er enkel relevante veehouderijen aanwezig zijn voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat. In navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied en de veehouderijen uit tabel 1 weergegeven.

1

‘Kernregistratie Dierenverblijven’ download 8 september 2023

10

Afbeelding 5

Omliggende veehouderijen en situering plangebied (blauwe kader)

11

5

BEOORDELING RECHTEN VEEHOUDERIJEN Beoordeeld dient te worden of de nieuwe bestemming mogelijk inbreuk kan maken op de vergunde geurruimte van de omliggende veehouderijen. Daarnaast wordt beoordeeld of de nieuwe bestemming mogelijk inbreuk maakt op de planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen. In onderstaande paragrafen wordt beoordeeld of het realiseren van een geurgevoelig objecten binnen het plangebied (afbeelding 1, blauwe kader) mogelijk inbreuk maakt op de vergunde en planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen. Indien noodzakelijk zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd.

5.1

Beoordeling veehouderijen

5.1.1

Milieurechten Van aantasting van vergunde geurrechten kan slechts sprake zijn indien de nieuw te realiseren geurgevoelig object de maatgevende beperking vormen voor een veehouderij. In voorliggend geval liggen er een bestaande woningen tussen en/of op kortere afstand dan het plangebied. Derhalve kan worden gesteld dat de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de vigerende milieurechte van de veehouderijen die opgenomen zijn in tabel 1 en zijn weergegeven in afbeelding 5.

5.1.1.1

Planologische rechten Van aantasting van de planologische geurrechten kan slechts sprake zijn indien de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten de maatgevende beperking vormen voor een veehouderij. In de onderhavige situatie liggen er een bestaande woningen tussen en/of op kortere afstand dan het plangebied. Derhalve kan worden gesteld dat de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de planologische geurruimte van de veehouderijen die opgenomen zijn in tabel 1 en zijn weergegeven in afbeelding 5.

12

6

WOON- EN LEEFKLIMAAT

6.1

Toetsingskader Bij de realisatie van geurgevoelige objecten dient rekening te worden gehouden met de voorgrond- en achtergrondbelasting voor het aspect geur ten gevolge van de omliggende veehouderijen. Voor de beoordeling wordt aangesloten bij de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 en 7” d.d. 1 mei 2007 hierin is een relatie tussen de voor- en achtergrondbelasting en de geurhinder weergegeven voor een concentratiegebied en een niet-concentratiegebied. De gemeente Duiven is gelegen in een concentratiegebied conform de Meststoffenwet. In de navolgende tabel zijn de milieukwaliteitseisen voor de voorgrond- en achtergrondbelasting in concentratiegebied uit de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij weergeven. Hierin worden de milieuklassen weergeven die corresponderen met het percentage geurgehinderden. Tabel 2

Milieukwaliteiteisen (concentratiegebied) Handreiking Wet geurhinder en veehouderij GeurVoorgrondgeurbelasting Achtergrondgeurbelasting Milieukwaliteit gehinderden [OU E/m3] [OU E/m3] [%] Zeer goed <5 0 – 1,5 0–3 Goed 5 – 10 1,5 – 3,7 3–8 Redelijk goed 10 – 15 3,7 – 6,5 8 – 13 Matig 15 – 20 6,5 – 10 13 – 20 Tamelijk slecht 20 – 25 10 – 14 20 – 28 Slecht 25 – 30 14 – 19 28 – 38 Zeer slecht 30 – 35 19 – 25 38 – 50 Extreem slecht >35 25 – 32 > 50

6.2

Voorgrondgeurbelasting Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de vier (intensieve) veehouderijen aan de Giesbeeksestraat 23, Roodwilligenstraat 1B, Laarstraat 20 en de Heiliglandsesstraat 5 in een straal van 2 kilometer rondom het plangebied zijn gelegen. Gezien de totale geuremissie en afstand tot het plangebied is de voorgrondgeurbelasting vanwege de veehouderij aan de Laarstraat 20 maatgevend. De voorgrondgeurbelasting van deze veehouderij is met behulp van het computerprogramma ‘V-stacks vergunning’ ter plaatse van de randen van het plangebied berekend. Voor de hoogte uitstroomopening (EP-hoogte), gemiddelde gebouwhoogte, diameter uitstroomopening (EP-diameter) en uittreedsnelheid (EP-uittreedsnelheid) zijn de standaardwaarden conform de handleiding V-Stacks Vergunning aangehouden2. De berekende voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Laarstraat 20 bedraagt ten hoogste 0,4 OUE/m3 ter plaatse van de randen van het plangebied. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de voorgrondgeurbelasting te classificeren als ‘Zeer goed’. De berekening van de voorgrondgeurbelasting is opgenomen in bijlage B1 (berekening voorgrondgeurbelasting).

6.3

Achtergrondgeurbelasting Uit hoofdstuk 4 blijkt dat sprake is van meerdere relevante veehouderijen met intensieve diersoorten (OU-dieren) die binnen een straal van 2.000 meter rondom het plangebied zijn gelegen. Om een uitspraak te kunnen doen 2

Standaardwaarden; EP-hoogte 6,0 meter, gemiddelde gebouwhoogte 6,0 meter, EP-diameter 0,5 meter, EP-uittreedsnelheid 4,0 m/s

13

over het woon- en leefklimaat ter plaatse van het woningbouwplan als gevolg van de geuremissie van de intensieve veehouderijen in de omgeving, dient tevens de achtergrondgeurbelasting berekend te worden. Voor de achtergrondgeurbelasting is aangesloten bij de online beschikbare gegevens op Kernregistratie dierenverblijven (KRD)3. De achtergrondgeurbelasting is berekend met behulp van het computerprogramma ‘V-Stacks Gebied’. In bijlage B2 (berekening achtergrondgeurbelasting) zijn de invoergegevens opgenomen. In navolgende afbeelding zijn de geurcontouren van de achtergrondgeurbelasting rondom het plangebied weergegeven.

Afbeelding 6

Geurcontouren achtergrondgeurbelasting (plangebied blauwe kader)

De berekende achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 0,5 OU E/m3 ter plaatse van de randen van het plangebied. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondgeurbelasting te classificeren als ‘zeer goed’.

6.4

Beoordeling woon- en leefklimaat Conform de vuistregel ‘dat de voorgrondgeurbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondgeurbelasting’ is in onderhavige situatie voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat de voorgrondgeurbelasting maatgevend voor het woningbouwplan. Het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgrondgeurbelasting is te kwalificeren als ‘zeer goed’ ter plaatse van de geurgevoelige objecten binnen het plangebied.

3

Download Kernregistratie Dierenverblijven (KRD) van 12 juni 2023.

14

7

CONCLUSIE In opdracht van Van Wanrooij Projectontwikkeling BV is door Kragten een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke geurinvloed van de omliggende veehouderijen op de woningbouwontwikkeling te Duiven (gemeente Duiven). Enerzijds kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening door de gemeente medewerking verleend worden aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Anderzijds dient ter plaatse van het nieuw te realiseren geurgevoelig object sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat voor het aspect geur. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- als de voorgrondgeurbelasting. Middels voorliggend onderzoek is onderzocht of kan worden uitgesloten dat sprake is van inbreuk op de milieurechten van bestaande veehouderijen en of de planontwikkeling geen inbreuk veroorzaakt op de planologische geurruimte van de bestaande veehouderijen. Tevens is in dit onderzoek onderzocht of ter plaatse van de planontwikkeling een voldoende woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als gevolg van de voorgrond- en achtergrondgeurbelasting. Beoordeling milieurechten en planologische rechten De planontwikkeling maakt geen inbreuk op de milieurechten en planologische geurruimte van omliggende veehouderijen.

Beoordeling woon- en leefklimaat De berekende voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Laarstraat 20 is maatgevend bedraagt ten hoogste 0,4 OUE/m3. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de voorgrondgeurbelasting te classificeren als ‘zeer goed’. De berekende achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 0,5 OU E/m3 ter plaatse van de geurgevoelige objecten binnen het plangebied. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondgeurbelasting te classificeren als ‘zeer goed’. Conform de vuistregel ‘dat de voorgrondgeurbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondgeurbelasting’ is in onderhavige situatie voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat de voorgrondgeurbelasting maatgevend voor het woningbouwplan. Het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgrondgeurbelasting is te kwalificeren als ‘zeer goed’ ter plaatse van de geurgevoelige objecten binnen het plangebied. Disclaimer Dit onderzoek is uitgevoerd onder toepassing van de wet- en regelgeving op datum van uitgifte van dit rapport. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Vanaf dan kunnen andere rekenmethodes, normen en toetsingen van kracht zijn waardoor dit onderzoek mogelijk (op onderdelen) dient te worden geactualiseerd.

15

BIJLAGEN

B1 BEREKENING VOORGRONDGEURBELASTING

B1-1

Gegenereerd op: 6-11-2023

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 1

Naam van de berekening: Veehouderij Laarstraat 20 Gemaakt op: 2023-11-06

9:58:37

Rekentijd: 0:00:22 Naam van het bedrijf: Veehouderij Laarstraat 20 v2 Berekende ruwheid: 0,249 m

Brongegevens: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh. E-Aanvraag

Geb. Hoogte

1

Stal A

200 036

440 356

8,3

1,0

4,50

25 603

6,8

2

Stal B

199 982

440 283

3,6

0,4

4,00

4 600

2,9

3

Stal D

199 998

440 263

3,7

0,8

4,00

8 280

2,7

4

Stal F

199 969

440 218

4,8

0,8

4,00

16 284

3,3

Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

Geurnorm

Geurbelasting

5

1

198 060

441 181

3,0

0,3

6

2

198 177

441 108

3,0

0,4

7

3

198 347

441 046

3,0

0,4

8

4

198 306

440 957

3,0

0,4

9

5

198 200

440 990

3,0

0,4

10

6

198 171

440 935

3,0

0,4

11

7

198 041

441 016

3,0

0,3

12

8

197 955

441 054

3,0

0,3

13

9

198 008

441 113

3,0

0,3

Gegenereerd op: 6-11-2023

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 2

B2 BEREKENING ACHTERGRONDGEURBELASTING

B2-1

Gegenereerd op: 9-08-2023 met V-Stacks-Gebied Versie V-2020.1

Naam van de berekening: De Ploen Noord te Duiven Gemaakt op: 9-08-2023 11:59:43 Rekentijd : 0:07:41 Naam van het gebied: De Ploen Noord te Duiven Berekende ruwheid: 0,33 m Meteo station: Nvt Rekenuren: 25

Bronbestand: P:\prj100\WAN\012\2_Werk\Onderzoek\Agrarisch geur\02 Berekeningen\Achtergrondgeurbelasting\bronbestand_WAN012.d

Receptorbestand: P:\prj100\WAN\012\2_Werk\Onderzoek\Agrarisch geur\02 Berekeningen\Achtergrondgeurbelasting\receptorbestand_W Resultaten weggeschreven in: P:\prj100\WAN\012\2_Werk\Onderzoek\Agrarisch geur\02 Berekeningen\Achtergrondgeurbelasting Rasterpunt linksonder x: 196243 m Rasterpunt linksonder y: 439283 m Gebied lengte (x): 4000 m , Aantal gridpunten: 50 Gebied breedte (y): 4000 m , Aantal gridpunten: 50

Bronnen IDNR 1 2 3 4

X 199377 199739 199973 199802

Y 442168 440814 440224 439519

Rekenpunten 1 2 3 4 5 6 7 8 9

X 198060 198177 198347 198306 198200 198171 198041 197955 198008

ST-hoogte 6 6 6 6

GemGebH 6 6 6 6

ST-bindiam 0,5 0,5 0,5 0,5

ST-uittree 4 4 4 4

E-vergund 22336 4680 54767 18258

E-MaxVerg 22336 4680 54767 18258

Y 441181 441108 441046 440957 440990 440935 441016 441054 441113

Geuremissie 0,20 0,20 0,51 0,51 0,46 0,46 0,18 0,17 0,18

Rekenresultaten Y 441181 441108 441046 440957 440990 440935 441016 441054 441113

1 2 3 4 5 6 7 8 9

X 198060 198177 198347 198306 198200 198171 198041 197955 198008

Gemeente Duiven Duiven Duiven Duiven

Adres Giesbeeksestraat 23, Duiven Roodwilligenstraat 1B, Duiven Laarstraat 20, Duiven Heiliglandsestraat 5, Groessen

Watertoets Betreft

Ons kenmerk

Datum

Behandeld door

De Ploen – Noord, Duiven WAN012 04-12-2023 R. Rijneveld / C. Maas

Inleiding Het voornemen bestaat om in de gemeente Duiven maximaal 130 woningen te ontwikkelen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Duiven-Noord’ geldt ter plaatse de bestemming ‘agrarisch’. Het toevoegen van woningen en het gebruik als woonbestemming is niet rechtstreeks toegestaan binnen deze bestemming. Dit betekent dat in het kader van de beoogde ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan opgesteld moet worden. Bij het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan dient ook gekeken te worden hoe met water wordt omgegaan. In deze notitie wordt beschreven op welke wijze rekening gehouden wordt met de waterhuishoudkundige aspecten en met de wensen en voorwaarden van de waterbeheerder. Hiervoor zijn de relevante uitgangspunten zoals het beleid, de omgeving, de bodemopbouw en de grondwaterstanden beschreven. Vervolgens worden de beoogde waterhuishoudkundige voorzieningen getoetst aan het beleid van Waterschap Rijn en IJssel en Gemeente Duiven ten aanzien van het afkoppelen van hemelwater. Met deze watertoets kan vervolgens de watertoets procedure doorlopen worden. Beleid Waterschap Rijn en IJssel Het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) staat in het waterbeheerplan 2022-2027. Het waterbeheerplan is een uitwerking van de ‘Watervisie 2030’ waarin het waterschap de lange termijn visie heeft verwoord.

In het waterbeheerplan is het beleid voor de primaire taak het bieden van waterveiligheid, voldoende water, schoonwater, afvalwaterketen en vaarwegbeheer beschreven. Het waterschap heeft als norm dat 80 mm per m² aan toename van verhard oppervlak aan hemelwater geborgen dient te worden binnen het plangebied. Verder is het belangrijkste uitgangspunt voor het waterbeheer bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen ‘waterneutraal ontwikkelen’, dus dat een ontwikkeling zijn omgeving niet belast met meer of minder water. Zo wordt voorkomen dat verdroging of wateroverlast optreedt in het plangebied van de ontwikkeling en in zijn omgeving. Sinds de nieuw Keur Waterschap Rijn en IJssel 2023 zijn afstromingen van verhardingen > 500 m2 vergunning plichtig. Vertraagde afvoer vanuit bergingen, wadi’s, etc. kunnen vergund worden tot 2 x de afvoernorm (1,6 liter/seconde/hectare). Beleid gemeente Duiven Gemeente Duiven benoemt in het Watertakenplan De Liemer (2022 – 2026) dat afstromend schoon regenwater van verhardingen zoveel mogelijk direct of anders via voorzieningen naar de bodem wordt geleid, zodat het vertraagd kan afstromen en in perioden van droogte een buffer vormt. In z’n algemeenheid wordt nagestreefd om het hemelwater zoveel mogelijk vast te houden, daar waar het valt.

Burgers, ondernemers en overige belanghebbenden worden gestimuleerd om waterbewust te handelen en hemelwater zoveel mogelijk op het eigen terrein vast te houden. Ruimtelijke plannen worden hydrologisch neutraal aangelegd. Dit betekent dat het omliggende watersysteem niet zwaarder belast zal worden ten gevolge van de ontwikkeling.

Blad 2

Verder benoemt de gemeente de volgende beleidsdoelen: 1. In navolging op het landelijke beleid vastgesteld in de Wet Milieubeheer (art.10. 29a), het Nationaal Bestuursakkoord Water en Waterbeheer 21e eeuw hanteert de gemeente de trits vasthouden-bergen-infiltreren-afvoeren. 2. In lijn met de trits voor waterkwaliteit streeft de gemeente naar het zoveel mogelijk gescheiden houden van hemelwater en vuilwater; 3. Hemelwater voert bij voorkeur bovengronds en zichtbaar af naar oppervlaktewater en indien mogelijk via infiltratie naar de bodem (afhankelijk van lokale situatie); 4. Wateroverlast wordt beperkt. Wateroverlast in gebouwen door hevige neerslag wordt niet geaccepteerd. Daarnaast is er aandacht voor de doorgaanbaarheid van belangrijke verkeersaders en de bereikbaarheid van woonstraten voor calamiteitenverkeer; 5. De gemeente anticipeert op klimaatverandering door in het ontwerp en inrichting van zowel (afval)waterketen, watersysteem als openbare ruimte rekening te houden met de verwachte klimaateffecten op (middel)lange termijn (2050). Hierbij wordt nadrukkelijk gezocht naar een integrale benadering bij groot onderhoud, reconstructie en nieuwbouw; 6. Actief scheiden van waterstromen (hemelwater en afvalwater) - geïnitieerd en bekostigd door gemeente en/of waterschap - bij particulieren is dit alleen wenselijk als dit doelmatig is. Dit is maatwerk; 7.

Het is niet toegestaan om hemelwater af te voeren via de mechanische riolering. In het buitengebied zal het hemelwater daarom strikt gescheiden van afvalwater moeten blijven en lokaal worden geïnfiltreerd, geborgen of afgevoerd naar oppervlaktewater. Ook hier worden perceeleigenaren actief in gestimuleerd; 8. De particulier neemt zo veel mogelijk zijn verantwoordelijkheid voor het verwerken van hemelwater binnen de perceelgrenzen (infiltreren, hergebruik, ontharden etc.). Waar mogelijk ondersteunt de gemeente de particulier daarbij; 9. Voor gebieden (wijken, bedrijventerreinen e.d.) waar afkoppelen nodig is zal de gemeente in de planperiode, conform de mogelijkheid van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer, een verordening vaststellen op grond waarvan het mogelijk is afkoppelen binnen een redelijke termijn te verplichten. Hierbij wordt aangegeven voor welke gebieden een aanwijzingsbesluit zal worden vastgesteld. Voorafgaand aan de inzet van deze verordening verzorgt de gemeente voorlichting over nut en noodzaak van afkoppelen. Nieuwbouw 10. Hemelwater dient bij nieuwbouw op eigen terrein te worden verwerkt of wanneer dit niet mogelijk is, in het plangebied; 11. De terreinen rond bedrijven worden afhankelijk van de vervuilingsgraad aangesloten op een verbeterd of een duurzaam gescheiden systeem.

Voor de daken van bedrijven geldt dat afstromend hemelwater zoveel mogelijk dient te worden geïnfiltreerd in de bodem op eigen terrein of als laatste stap rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater. Ontwateringsbeleid Gemeente Duiven hanteert de volgende ontwateringseisen: Als maatstaf voor de grondwaterstand in de openbare ruimte hanteert De Liemers een minimale ontwateringsdiepte voor wegen van 70 cm –mv, welke maximaal 2 weken aaneengesloten per jaar mag worden overschreden; Voor nieuwbouw hanteert De Liemers een ontwateringsdiepte voor woningen van ten minste 90 cm –mv, welke maximaal 2 weken aaneengesloten per jaar mag worden overschreden;

Blad 3

Uitgangspunten geohydrologisch systeem Beschikbare gegevens Voor het opstellen van deze watertoets zijn de volgende gegevensbronnen beschikbaar (allen geraadpleegd in augustus 2023): - Bestemmingsplannen, https://www.ruimtelijkeplannen.nl/landing - Watertakenplan De Liemers, 2022-2026, Royal Haskoning DHV, 16 juni 2022 - Peilbuis- en boorgegevens, www.dinoloket.nl, TNO - REGIS II database, www.dinoloket.nl, TNO - Bodemkaart van Nederland, www.bodemdata.nl - Actueel Hoogtebestand Nederland, www.ahn.nl - Grondwaterkaart van Nederland, TNO - Peilbuizen, https://www.dinoloket.nl/ - Legger Waterschap Rijn en IJssel, https://www.wrij.nl/ - Keur Waterschap Rijn en IJssel, https://www.wrij.nl/ - Infiltratieonderzoek august 2023, Hopveld Advies - Klimaatatlas Duiven, https://storymaps.arcgis.com/collections/6715794b5d1f4122aa0858c8943b04ea?item=7, geraadpleegd augustus 2023 Locatie en oppervlaktewater De ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 1. Het projectgebied ligt aan de noordrand van Duiven, tegen de wijk De Ploen aan.

Figuur 1 Begrenzing planlocatie en leggerkaart

Blad 4

Oppervlaktewater in beheer bij waterschap Met behulp van de leggerkaart van Waterschap Rijn en IJssel is nagegaan of er zich in de omgeving van de projectgebied oppervlaktewateren bevinden. Deze zijn ook weergegeven in Figuur 1. Op de afbeelding is te zien dat aan de westrand van het gebied, aan de andere kant van de Westsingel, een watergang van het waterschap ligt. Verder ligt circa 300 m ten noorden, 300 m ten oosten, en 200 m ten zuiden watergangen. Deze watergangen liggen op zo’n afstand van het projectgebied dat deze niet gebruikt kunnen worden bij de uitwerking van de afvoer van hemelwater. Oppervlaktewater in beheer bij gemeente en particulieren Op een deel van de westgrens, noordgrens, en zuidgrens van het projectgebied liggen watergangen die niet in beheer zijn bij het waterschap (Figuur 2). Ook door het projectgebied heen liggen deze watergangen.

Figuur 2 Overzicht overige watergangen Maaiveldniveau Met behulp van het AHN4 is het maaiveldniveau van het terrein in beeld gebracht, zie Figuur 3. Het maaiveldniveau ligt in het zuiden van het projectgebied hoger dan in het noorden. In het zuiden ligt het maaiveld ter plaatste van de bebouwing op een hoogte van circa NAP +10,8 m en ter plaatse van het grasland op circa NAP + 10,6 m. Dit loopt af naar het noorden naar circa NAP + 9,4 m.

Blad 5

NAP 9,6 m NAP 10,8 m NAP 9,4 m

NAP 9,9 m

NAP 10,6 m

Figuur 3 Maaiveldniveau Bodemopbouw Met behulp van de Bodematlas is het bodemtype van de ondiepe bodem in beeld gebracht. Het noorden van het projectgebied heeft de bodemcode “Rn47C” en het oosten van het projectgebied heeft de bodemcode “Rn44C”. Dit zijn beide kalkloze poldervaaggronden die bestaan uit zware klei. Dit bodemtype staat bekend om zijn slechte waterdoorlatendheid. Het zuiden van het projectgebied heeft de bodemcode “bEZ23”. Dit zijn hoge bruine enkeerdgronden die bestaan uit lemig fijn zand. Dit bodemtype staat bekend om zijn matige waterdoorlatendheid. Uit het infiltratieonderzoek, dat is uitgevoerd voor dit project, is naar voren gekomen dat de bovenlaag van de bodem voornamelijk bestaat uit zwak zandige klei dat zwak humeus is. Deze deklaag heeft een dikte variërend van circa 0,5 m tot 0,9 m dik. Hierna zijn er tot 2,5 m onder maaiveld verschillende lagen aangetroffen van zwak tot sterk zandige klei, zwak kleiig veen, en matig fijn zand dat kleiig of zwak tot sterk siltig is. Vanaf 2,5 m onder maaiveld is matig grof zand aangetroffen dat zwak siltig en zwak grindig is. Het infiltratieonderzoek staat verderop in deze notitie beschreven.

Blad 6

Figuur 4 Bodemkaart Met behulp van Dinoloket is de bodemopbouw van de projectomgeving in beeld gebracht. Het geohydrologische model REGIS II v.2.2 biedt inzicht in de verschillende lagen in de ondergrond. Een doorsnede is opgenomen in Figuur 5.

Figuur 5 Geohydrologische doorsnede met de globale locatie van het projectgebied bij de verticale grijze lijnen.

Blad 7

De bovenste circa 4 m bestaat uit Holocene afzettingen. Deze laag bestaat uit een afwisseling van weinig tot matig grof zand, zandige klei, klei en veen. Hieronder bevindt zich een zandlaag van de Formatie van Kreftenheye van circa 10 m dik en vervolgens een kleilaag van de Formatie van Kreftenheye van circa 10 m dik. Hieronder liggen een aantal dunne klei en zandlagen uit verschillende formaties over een dikte van 2 m. Hieronder begint een zandlaag uit de Formatie van Peize en de Formatie van Waalre die meer dan 20 m doorloopt. Grondwaterstanden Met behulp van het Landelijk Hydrologisch Model is de gemiddelde stijghoogte van het grondwater over de periode 1 april 2011 t/m 31 maart 2018 bepaald (zie Figuur 6). De grondwaterisohypsen laten zien dat het grondwater over het algemeen in noordelijke richting stroomt richting de IJssel en dat de gemiddelde grondwaterstand bij het projectgebied rond de NAP +8,9 m ligt. In de TNO/BRO-database Dinoloket zijn ook meetgegevens van grondwaterstanden opgenomen. Hierbij kwam naar voren dat er vier peilbuizen in de omgeving van het projectgebied aanwezig zijn, welke in het freatische deel van de ondergrond gemeten zijn. Hiervan is 1 peilbuis over langere tijd gemeten (B40B0452) maar deze meetreeks loopt tot 2012. De overige drie peilbuizen hebben recentere meetreeksen (tot 2020) maar hebben kortere meetreeksen.

Deze peilbuizen liggen op circa 850 m ten noordwesten, 470 m ten noorden, 650 m ten zuidoosten, en 1 km ten zuidoosten van het projectgebied. De locaties van deze peilbuizen zijn weergegeven in Figuur 7. De gemeten grondwaterstanden zijn opgenomen in Figuur 8.

Figuur 6 Gemiddelde stijghoogte over de periode 1 april 2011 t/m 31 maart 2018 (Landelijk Hydrologisch Model)

Blad 8

Uit de grafiek in Figuur 8 komt naar voren dat de grondwaterstand ongeveer tussen de NAP +8,0 m en NAP +9,5 m ligt. De range van deze gemeten waarden komt overeen met de gemiddelde grondwaterstand uit het Landelijk Hydrologisch Model (Figuur 6). De GHG en GLG van de peilbuizen is als volgt: - B40B0452 GHG: NAP +8,8 m GLG: NAP +8,2 m - Overige peilbuizen GHG en GLG: Onbekend, meetreeks niet lang genoeg De recentere meetreeksen liggen in dezelfde ordegrootte als de meetreeks die tot 2012 loopt. Verder ligt peilbuis B40B0452 op ongeveer dezelfde grondwaterisohypselijn als het projectgebied (Figuur 6). Hierom wordt deze GHG als representatief geacht voor het projectgebied. De GHG bevindt zich hierdoor op circa NAP + 8,8 m, dus 0,6 m – 2,0 m onder maaiveld binnen het projectgebied. De GLG bevindt zich hierdoor op circa NAP + 8,2 m, dus 1,2 m – 2,6 m onder maaiveld binnen het projectgebied.

Op 15 augustus 2023 is tijdens het infiltratieonderzoek de grondwaterstand variërend van 0,8 m onder maaiveld tot 1,4 m onder maaiveld aangetroffen. De grondwaterstand ligt in augustus vaak dicht bij de GLG. Gezien er in de periode voor het uitvoeren van het veldwerk veel neerslag gevallen is, is het te verklaren dat het grondwater iets hoger dan de GLG staat. Het aangetroffen grondwater ligt wel in de range van de grondwaterstanden van peilbuis B40B0452.

Figuur 7 Peilbuizen in de omgeving

Blad 9

Figuur 8 Grondwaterstanden Infiltratieonderzoek Hopveld Advies heeft 15 augustus 2023 een infiltratieonderzoek uitgevoerd op deze projectlocatie. Op de locatie zijn 12 boringen tot circa 2,0 m tot 3,0 m onder maaiveld geplaatst, de boorprofielen zijn weergegeven in bijlage 1. Vervolgens zijn 12 infiltratiemetingen uitgevoerd. De locaties zijn weergegeven in Figuur 9.

Figuur 9 Locaties boringen en infiltratiemetingen Aan de hand van de boringen is de bodemopbouw inzichtelijk gemaakt en de textuur uit de te onderscheiden horizonten geclassificeerd. De boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 2. Uit de boringen is gebleken dat de bovenlaag van de bodem voornamelijk bestaat uit zwak zandige klei dat zwak humeus is. Deze deklaag heeft een dikte variërend van circa 0,5 m tot 0,9 m dik. Hierna zijn er tot 2,5 m onder maaiveld verschillende lagen aangetroffen van zwak tot sterk zandige klei, zwak kleiig veen, en matig fijn zand dat kleiig of zwak tot sterk siltig is. Vanaf 2,5 m onder maaiveld is matig grof zand aangetroffen dat zwak siltig en zwak grindig is.

Blad 10

De infiltratiemetingen zijn uitgevoerd volgens de falling-head methode, ook wel een omgekeerde putproef genoemd. Op basis van de meetgegevens van de veldproeven is de doorlaatfactor (k-waarde) van de bodem bepaald. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 2. Een samenvatting is weergegeven in Tabel 1. Opgemerkt wordt dat gezien de relatief lage k-waarden bij verschillende boorpunten maar 1 veldmeting is uitgevoerd in plaats van 2. Dit betreffen de metingen 1 t/m 3, 7 en 8. Metingen 4, 6, en 9 t/m 12 zijn uitgevoerd op basis van twee afzonderlijke veldmetingen. Tabel 1

Overzicht gemeten doorlatendheden

Tot 2,5 m onder maaiveld zijn er verschillende lagen aangetroffen van zwak tot sterk zandige klei, zwak kleiig veen, en matig fijn zand dat kleiig of zwak tot sterk siltig is. Ervan uitgaande dat locaties 1,2, 3, 5, 6, 7 en 8 representatief zijn voor de ondergrens van de kleiige ondergrond, zal de gemiddelde doorlatendheid circa 0,3 m/d zijn. Dit komt overeen met literatuurwaarden en wordt gekwalificeerd als matig doorlatend (Tabel 2). Ervan uitgaande dat locaties 4, 9,11 en 12 representatief zijn voor de bovengrens van de kleiige ondergrond, zal de gemiddelde doorlatendheid circa 0,8 m/d zijn. Dit komt overeen met literatuurwaarden en wordt gekwalificeerd als vrij goed doorlatend (Tabel 2). Op locatie 10 is matig fijn zand dat zwak siltig is aangetroffen en dit heeft een gemiddelde doorlatendheid van 3,5 m/d. Dit komt overeen met literatuurwaarden en wordt gekwalificeerd als goed doorlatend (Tabel 2). Tabel 2:

Kwalificatie doorlatendheid bodem (bron: Cultuurtechnisch vademecum, pagina 504)

Doorlatendheid [m/d] < 0,001 0,01 – 0,1 0,1 – 0,5 0,5 – 1,0 1,0 – 10 10 <

Kwalificatie Zeer slecht doorlatend Slecht doorlatend Matig doorlatend vrij goed doorlatend goed doorlatend zeer goed doorlatend

Om de rekenwaarde van de k-waarde voor een infiltratievoorziening te bepalen wordt conform het voorschrift van Stichting RIONED een factor 0,5 op de gemiddelde k-waarde toegepast. De k-waardes waarmee voor een eventuele infiltratievoorziening in de verschillende kleiige lagen rekening gehouden dient te worden is (0,3 m/d * 0,5 =) 0,15 m/d en kan oplopen tot (0,8 m/d *0,5 =) 0,4 m/d. De k-waarde

Blad 11

waarmee voor een eventuele infiltratievoorziening in het matig fijne zand dat zwak siltig is rekening gehouden dient te worden is (3,5 m/d * 0,5 =) 1,8 m/d. Conclusie Tot circa 2,5 m onder maaiveld zijn er kleiige lagen aanwezig met een matige doorlatendheid. Bij het bepalen van de leegloop van een bergingsvoorziening zal de ondergrens meegenomen worden en deze is laag (0,15 m/d) waardoor het wandoppervlak van de voorziening erg groot moet zijn om eisen voor de leegloop te realiseren. Het matig fijne zand dat zwak siltig is heeft wel een goede doorlatendheid en de leegloop kan daar dus wel via infiltratie verlopen. Deze bodemlaag is in het zuiden van het projectgebied al snel aanwezig (locatie 9,10,11,12) beginnend vanaf 0,5 m tot 1,1 m onder maaiveld. In het noorden van het projectgebied is ook matig fijn zand dat zwak siltig is aanwezig, maar dit zijn dunnere lagen die afgewisseld worden met kleilagen. Concluderend is vooral het noorden van het projectgebied door de grote aanwezigheid van kleilagen matig doorlatend. Klimaatstresstest Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het landelijk gebied. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid.

Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. Waterschap Rijn en IJssel en haar gemeenten werken samen aan water en klimaatadaptatie. In de regionale klimaatatlas bieden zij een uitgebreide set aan informatie over mogelijke klimaateffecten in de regio in 2050. Dit heet ook wel een "klimaatstresstest" Wateroverlast De wateroverlast bij overstromingen kaart van de regionale klimaatatlas toont de waterhoogte als ergens een dijk van de IJssel of de Rijn bezwijkt. Volgens deze kaart is er sprake van meer dan 5 m wateroverlast door overstromingen in het projectgebied (Figuur 10). Dit betekent dat bij nieuwbouw collectieve voorzieningen opgenomen dienen te worden.

Blad 12

Huidige situatie

Figuur 10 Wateroverlast bij overstromingen (regionale klimaatatlas) De wateroverlast bij hevige neerslag kaart van de regionale klimaatatlas toont waar een bepaalde bui leidt tot grote plassen water op straat, in tuinen en op het land (Figuur 11). Hoe donkerder de blauwe kleur, hoe dieper de plas. Het kan gebeuren dat wegen niet of moeilijk begaanbaar zijn na een extreme bui. Ook kan het gebeuren dat water bij woningen binnenloopt en waterschade veroorzaakt. Een kleine kans geldt bij 0-10 cm waterdiepte tegen de gevel. Een gemiddelde kans bij 10-25 cm waterdiepte tegen de gevel en een grote kans bij meer dan 25 cm waterdiepte tegen de gevel. De bovenste kaart toont een bui van 70 mm in 1 uur tijd, en de onderste kaart een bui van 160 mm in 48 uur tijd in de huidige situatie (Figuur 11). Bij de bui van 70 mm in 1 uur is er in de omgeving een kleine tot gemiddelde kans op waterschade en vormen zich in de huidige situatie plassen rondom de waterlopen en in het noordoosten van het projectgebied (10 tot 15 cm). Bij de bui van 160 mm in 2 uur is er in de huidige situatie in de omgeving ook een kleine tot gemiddelde kans op waterschade, komen de watergangen erg vol te staan en vormen zich plassen rondom de waterlopen en in het noordoosten van het projectgebied (20 tot 30 cm). Bij het bepalen van de bouwpeilen dient hier rekening mee gehouden te worden.

Blad 13

Figuur 11 Wateroverlast bij hevige neerslag in de huidige situatie (regionale klimaatatlas) Hittestress De hitte kaart van de regionale klimaatatlas geeft aan in welke gebieden het op warme dagen extra heet aanvoelt, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van veel bebouwing en verharding. Ook zijn de koelere plekken in de omgeving zichtbaar, zoals wegen met laanbeplanting, parken en bosgebieden. Volgens de hittekaart van de regionale klimaatatlas is de huidige gevoelstemperatuur in het plangebied normaal tot warm (Figuur 12).

Blad 14

Huidige situatie

Figuur 12 Hittestress - temperatuurverschillen (regionale klimaatatlas) Droogte De droogte kaart van de regionale klimaatatlas laat zien hoe diep het grondwater in een gemiddelde zomer weg kan zakken. De bovenste kaart toont de huidige situatie en de onderste kaart toont de gemiddelde situatie in 2050 door klimaatverandering. Volgens de droogtekaart van de regionale klimaatatlas zal het grondwater in een toekomstige zomer ongeveer op dezelfde diepte liggen (Figuur 13).

Blad 15

Huidige situatie

2050

Figuur 13 Droogtekaart - grondwaterstand in de zomer (regionale klimaatatlas)

Blad 16

Wateropgave hemelwaterafvoer Onderstaand zijn uitgangspunten opgesteld, met punten waarmee rekening gehouden dient te worden tijdens het verder uitwerken van het stedenbouwkundig plan. Indien nodig, dienen de waterhuishoudkundige aspecten (zoals invulling waterberging, bouwpeilen, afstroomrichting over maaiveld, aansluiting op rioleringsstelsel, etc.) verder uitgewerkt te worden in een waterhuishoudkundig plan, dat in een latere fase opgesteld wordt. Toekomstig afvoerend oppervlak Aan de hand van luchtfoto’s en obliekfoto’s is het huidige verhard oppervlak in beeld gebracht. Het gehele terrein bestaat momenteel uit onverhard oppervlak. Aan de hand van het schetsontwerp (d.d. 30-08-2023, bijlage 3) is het toekomstig verhard oppervlak van de ontwikkeling vastgesteld (Figuur 14). Het betreft hier een ontwikkeling van maximaal 130 woningen in een gebied van ca. 4,6 ha. De uitbreiding van het woonwagenkamp is bij de bepaling van de wateropgave niet meegenomen.

Figuur 14 Toekomstig verhard oppervlak Voor de uitgeefbare kavels en voor de openbare ruimte is het verhard oppervlak bepaald. In verband met uitbouwen, schuurtjes, veranda’s en terrassen is het uitgangspunten gehanteerd dat 80% van de uitgeefbare kavels meetelt als verhard. Voor de bergingsberekening is rekening gehouden met 70% afstroming van regenwater afkomstig van parkeervakken omdat deze in open bestrating/grasbeton uitgevoerd worden. Het oppervlakte van het water is het oppervlakte wat ook in de huidige situatie aanwezig is. Dit leidt tot 19.540 m2 netto nieuw verhard oppervlak (zie Tabel 3).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=d93b3b2a-f710-46af-97d9-9be273b3fb33