CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

5. 201711807-Toelichting TAM-IMRO omgevingsplan 'Buitengebied, locatie Broekstraat 12-14 te Duiven

Raadsavond 9 december 2025, gemeente DuivenBij agendapunt: Vaststelling - TAM-IMRO omgevingsplan 'Buitengebied, locatie Broekstraat 12-14 te Duiven'14.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Motivering wijziging omgevingsplan (TAM-IMRO planwijziging)

‘Buitengebied, locatie Broekstraat 12 en 14 te Duiven’

Versie 1.0 Juli 2025

Inhoudsopgave Inhoudsopgave ........................................................................................................................................ 2 1. Inleiding ............................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 3 1.2 Projectgebied ................................................................................................................................. 3 1.3 Het omgevingsplan ........................................................................................................................ 4 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 5 2. Planbeschrijving .................................................................................................................................. 6 2.1 Huidige situatie .............................................................................................................................. 6 2.2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 7 3.

Beleid en regelgeving .......................................................................................................................... 8 3.1 Rijksbeleid en rijksregels ............................................................................................................... 8 3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels ......................................................................................11 3.3 Beleid Waterschap Rijn en IJssel ................................................................................................14 3.4 Gemeentelijk beleid .....................................................................................................................16 4.

Omgevingsaspecten..........................................................................................................................18 4.1 Archeologie en cultureel erfgoed .................................................................................................18 4.2 Duurzaamheid en klimaat ............................................................................................................21 4.3 Gezondheid .................................................................................................................................23 4.4 Landschap en stedenbouw/welstand ..........................................................................................23 4.5 Milieu ...........................................................................................................................................24 4.7 Natuur / ecologie..........................................................................................................................30 4.8 Water ...........................................................................................................................................34 4.9 Wegen, verkeer en parkeren .......................................................................................................35 5.

Juridische planopzet..........................................................................................................................36 5.1 Algemeen .....................................................................................................................................36 5.2 Toedelen van functies aan locaties .............................................................................................36 5.3 Algemene regels over functies ....................................................................................................36 5.4 Regels ter bescherming van waarden en objecten .....................................................................37 5.5 Overgangsregels .........................................................................................................................37 6. Uitvoerbaarheid .................................................................................................................................38

2

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie Broekstraat 12 en 14 te Duiven, in het buitengebied van de gemeente Duiven, is een melkveehouderij gelegen voor het houden van 128 melkkoeien en 68 stuks vrouwelijk jongvee. Omdat het bedrijf meedoet met de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbvplus) zijn de dieren afgevoerd van het bedrijf en staan de stallen leeg. De bedrijfsgebouwen die in gebruik waren voor de melkrundveehouderij moeten daarbij verplicht gesloopt worden. Naast de verplichte sloop is het tevens een voorwaarde vanuit de opkoopregeling dat de bestemming zodanig wordt gewijzigd, dat er geen landbouwhuisdieren meer mogen worden gehouden. Omdat de ondernemers door willen als akkerbouwbedrijf, is het geen optie om de agrarische bestemming eraf te halen. Wel kan met een aanduiding op het bouwvlak het agrarische gebruik voor het houden van vee worden uitgesloten en beperkt worden tot akkerbouw. Omdat nagenoeg alle bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt, is nieuwbouw ten behoeve van het akkerbouwbedrijf noodzakelijk. Initiatiefnemer is voornemens om daarvoor twee nieuwe loodsen te realiseren en een schuur te herbouwen. Qua positionering worden de nieuwe gebouwen binnen het bestaande agrarische bouwvlak gerealiseerd.

Binnen de regels van het geldende omgevingsplan kan het uitsluiten van het houden van vee op de locatie enkel worden geregeld middels een wijziging van het Omgevingsplan. Binnen de gemeente Duiven wordt daarvoor vooralsnog gewerkt volgens de systematiek van TAM-IMRO.

1.2 Projectgebied De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Duiven. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Duiven, sectie I, nummers 179, 289, 290 en 390 (gedeeltelijk). Het betreft momenteel een agrarisch perceel waar melkrundvee en vrouwelijk jongvee wordt gehouden. De op en rondom het terrein gelegen groenelementen blijven behouden met dit plan. Hieronder een weergave van de planlocatie.

Figuur 1: Weergave planlocatie rood omlijnd

3

De planlocatie wordt aan de zuidzijde begrensd door de Roodwilligenstraat en aan de westzijde begrensd door de Broekstraat. Aan de overige zijden van de locatie bevinden zich agrarische gronden. In de directe omgeving bevinden zich bedrijfsbestemmingen, burgerwoningen en agrarische bedrijven. De kern Duiven bevindt zich op een afstand van circa 100 meter ten zuiden van de planlocatie. Het bedrijventerrein Centrumpoort-Noord Duiven bevindt zich op een afstand van circa 250 meter ten noordoosten van de planlocatie.

1.3 Het omgevingsplan 1.3.1 Huidige regels omgevingsplan Voor de planlocatie geldt het onherroepelijke bestemmingsplan 'Reparatieplan Buitengebied 2013’, dat is vastgesteld op 20 november 2018. Tevens geldt het onherroepelijke bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’, dat is vastgesteld op 1 juni 2015. Per 1 januari 2024 (datum inwerkingtreding Omgevingswet) zijn deze bestemmingsplannen onderdeel geworden van het omgevingsplan van rechtswege. Zie de figuur hieronder voor een uitsnede van de verbeelding.

Figuur 2: Weergave planologische situatie bestemmingsplan reparatieplan buitengebied 2013

Voor de gronden op de planlocatie geldt de bestemmingsvlak ‘Agrarisch’, voor de locatie is ook een bouwvlak opgeomen. Binnen het bouwvlak ligt ook nog een rioolleiding. Daarnaast is er een gedeetelijk ‘Waarde – Lage archeologische waarde’ en ‘Waarde – Hoge archeologische waarde’. Ook is de aanduiding: Maximale aantallen wooneenheden: 2 opgenomen. Op deze locatie is teven het ‘parapluplan parkeren Duiven’ van toepassing. Omdat het initief geen negatieve invloed heeft op het aspect parkeren en het erf voldoende van grote is om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien, wordt hier niet nader op dit plan ingegaan. Op het aspect parkeren wordt nader ingegaan onder paragraaf 4.9.

4

1.3.2 Strijdigheid met het omgevingsplan De bestemming ‘Agrarisch’ is bedoeld voor agrarische doeleinden. Voor de beoogde ontwikkeling moet het houden van vee wordt uitgesloten door de aanduiding ‘akkerbouw’ toe te voegen. Op grond van het omgevingsplan en de daarin opgenomen flexibiliteitsbepalingen is de beoogde ontwikkeling niet mogelijk te maken. Dat betekent dat een buitenplanse procedure nodig is. Daarbij is ingestoken op een wijziging van het omgevingsplan. 1.3.3 Participatie De gemeente Duiven heeft het Beleidskader participatie Omgevingswet Duiven 2024 op 17 januari 2025 vastgesteld. Dit heeft tot gevolg dat initiatiefnemer een motiveringsplicht heeft waarin staat hoe burgers, ondernemers, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen betrokken gaan worden bij de voorbereiding van de planwijziging. Feit is dat met dit omgevingsplan de mogelijkheden enkel worden ingeperkt. Want akkerbouw (waar men mee door wil op dit bedrijf) mag ook al op basis van het vigerende omgevingsplan. Daarnaast worden er geen nieuwe ontwikkelingen met dit plan mogelijk gemaakt. Daarom heeft er geen participatie plaatsgevonden. 1.3.4 Procedure Vooroverleg met de provincie Gelderland het Waterschap Rijn en IJssel is niet noodzakelijk geacht, nu er geen sprake is van directe provinciale belangen bij dit plan waarbij het initiatief tevens geen waterbelangen raakt.

Het ontwerp-omgevingsplan wordt toegezonden aan zowel het waterschap als aan de provincie. Het ontwerp-omgevingsplan wordt conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hierbij heeft eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen op het ontwerpplan. Eventuele zienswijzen zullen worden voorzien van een reactie en bij de (al dan niet gewijzigde) vaststelling van het omgevingsplan worden betrokken. Uiteindelijk is het aan de gemeenteraad om het omgevingsplan vast te stellen. Na vaststelling wordt het raadsbesluit bekend gemaakt en ligt het omgevingsplan gedurende 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een omgevingsplan treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald (Afdeling 16.7. van de Omgevingswet).

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de planbeschrijving beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het geldende beleid wat van toepassing is op de ruimtelijke ontwikkeling. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven en getoetst aan beleid. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planopzet. Hoofdstuk 6 gaat in op de procedure en de uitvoerbaarheid, zowel maatschappelijk als economisch.

5

2. Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De planlocatie bestaat momenteel geheel uit een agrarisch perceel met omliggende agrarische gronden. Op de locatie staan een tweetal bedrijfswoningen met bijbehorende bijgebouwen. Daarnaast zijn er diverse stallen, silo’s, een mestfoliebassin en kuilvoeropslagplaatsen aanwezig. Een gedeelte van het perceel is omringd met groen bestaande uit bomen en struiken die behouden blijven met dit plan. Verharding op de locatie bestaat uit meerdere inritten naar het bedrijf. Op het terrein zelf is voldoende werk- en manoeuvreerruimte om de machines stallen. De bedrijfslocatie wordt via een inrit ontsloten op de Broekstraat en op de Roodwilligenstraat. De bedrijfswoningen zijn bereikbaar via de Broekstraat. Hieronder een weergave van de locatie met daarbij ook een weergave van de te slopen bebouwing.

Figuur 3: Locatie gezien vanaf de Roodwilligenstraat kijkend in noordwestelijke richting

Figuur 4: Locatie gezien vanaf de Broekstraat kijkend in zuidelijke richting

6

Figuur 4: Weergave bouwvlak (blauw omlijnd) met de te slopen gebouwen en bouwwerken

2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is alle, in figuur 5 opgenomen, bebouwing gesloopt. Op de locatie wordt bedrijfsmatig geen vee meer gehouden. In de beoogde situatie wordt daarom voorzien in de herbouw van een schuur en de nieuwbouw van een tweetal nieuwe loodsen t.b.v. de akkerbouwtak. Hierbij blijft de vorm van het bouwvlak ongewijzigd.

Figuur 6: Weergave toekomstige situatie

7

3. Beleid en regelgeving 3.1 Rijksbeleid en rijksregels 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de lange termijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is een instrument van de Omgevingswet. De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en onder intrekking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Er zijn 21 nationale belangen beschreven die het lokale en regionale belang overstijgen: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. Beperken van klimaatverandering. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.

Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Ontwikkelen van een duurzame visserij.

Toetsing De NOVI gaat niet concreet in op relatief kleinschalige lokale ontwikkelingen als de beoogde ontwikkeling in dit plan. In het NOVI zijn geen belemmeringen benoemd ten aanzien van de planontwikkeling. In algemene zin draagt het plan bij aan de kwaliteit van het leven in stad en land, doordat er een veehouderij verdwijnt. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie. 8

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) De wetgever heeft in de Omgevingswet (Ow) de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd, om nationale en provinciale belangen te beschermen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Het Bkl vervangt de regels van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hoofdstuk 8 van het Bkl bevat beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen. Deze beoordelingsregels gelden voor omgevingsvergunningen waarvoor het Rijk de vergunningplicht bepaalt in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen waarvoor decentrale overheden de vergunningplicht bepalen staan in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. De beoordelingsregels in het Bkl gaan over: • algemene beoordelingsregels; • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; • waarborgen van de veiligheid; • beschermen van de gezondheid en van het milieu; • duurzaamheid en bruikbaarheid.

In het Bkl is in artikel 8.0a lid 2 opgenomen dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies in het omgevingsplan het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Afdeling 5.1 van het Bkl stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over: • algemene bepalingen; • waarborgen van de veiligheid; • beschermen van de waterbelangen; • beschermen van de gezondheid en van het milieu; • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; • behoud van ruimte voor toekomstige functies; • behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; • bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Afdeling 5.2 van het Bkl bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.

Deze instructieregels gaan over: • het voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen; • lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; • lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool; • bebouwingscontour jacht; • bebouwingscontour houtkap.

9

Toetsing Dit initiatief is voor wat betreft de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 getoetst aan de Rijksinstructieregels, Die Rijksinstructieregels zijn daar waar nodig vertaald in het omgevingsplan. Voor het overige wordt voldaan aan de Rijksinstructieregels zonder dat het nodig is om daarvoor iets te regelen in het omgevingsplan. Uit hoofdstuk 4 komt naar voren dat toepassing van de Rijksinstructieregels niet leidt tot belemmeringen voor dit initiatief. Het initiatief past daarmee binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van het Rijk voor de fysieke leefomgeving. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de op grond van de Omgevingswet geldende regels voor de fysieke leefomgeving. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Het doel van de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' (de 'Ladder') is het bewerkstelligen van een zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de NOVI binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening.

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Als bij een wijziging van een omgevingsplan (art. 5.129g Bkl) of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (art. 8.0b Bkl) 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, dient daarvoor op grond van de Ladder een verantwoording te worden gegeven. De onderbouwing bij de nieuwe ontwikkeling heeft zodoende: • een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling; en • indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gelegen, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voordat getoetst wordt aan de Ladder, moet worden vastgesteld of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving legt geen grens vast wat voldoende substantieel is.

Toetsing In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. In dit geval is er sprake van het uitsluiten van vee op een bestaande agrarische locatie. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Conclusie Het plan leidt niet tot strijdigheid met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

10

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de ‘Omgevingsvisie Gaaf Gelderland’ vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De kern van deze Omgevingsvisie is dat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland voorop staat. Om dit te behouden en te bereiken worden in de omgevingsvisie drie uitgangspunten centraal gesteld: een Duurzaam, Economisch krachtig en een Verbonden Gelderland. Duurzaam Gelderland beschikt over talrijke initiatieven en kansrijke aanknopingspunten op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en biodiversiteit. Gelderland maakt ruimte voor forse schaalsprongen ten behoeve van een duurzame omgeving, samenleving en economie. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: • Energietransitie: in 2050 is Gelderland energieneutraal. Dat wil de provincie bereiken door grootschalig besparen, opwekken uit duurzame energiebronnen en innoveren. Als tussendoel wordt ingezet op 49% CO2 reductie in 2030. • Klimaatadaptatie: in 2050 is Gelderland ingericht op het veranderde klimaat. • Circulaire economie: in 2050 is Gelderland een afvalloze provincie. Met als tussenstap 50% reductie van het gebruik van grondstoffen in 2030. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden.

• Biodiversiteit: vanaf 2019 denkt en werkt Gelderland natuur-inclusief. Biodiversiteit gaat verder dan de bekende natuurgebieden. Ook daarbuiten, in woonwijken, op werklocaties en bij infrastructuur wordt van biodiversiteit een kernkwaliteit gemaakt. Een krachtige economie De ‘oude’ economie van ongelimiteerde groei verandert in een economie die in balans is met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. Vestigingsklimaat, arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden steeds belangrijker. De woningmarkt in Nederland kampt enerzijds met schaarste en anderzijds met krimp. Daarnaast is er een grote opgave om bestaande bouw te verduurzamen. Gelderland heeft sterke troeven voor een internationaal onderscheidende en uiterst potentiële positie – clustering van economische activiteit, maakindustrie, logistieke kracht, sociaal ondernemen, natuur, kennis en onderwijs, ruimte, cultuur en sport en een strategische ligging. Op woongebied heeft Gelderland eveneens een uitzonderlijke positie. Door zowel te investeren in een bruisende en levendige stad als in een vitaal platteland ontstaat een symbiose waarbij beide elkaar versterken. Hierdoor gaat van Gelderland aantrekkingskracht uit. De Gelderse economie is krachtig.

Deze situatie is niet vanzelfsprekend. Duurzame werkgelegenheid en bedrijvigheid zijn cruciaal voor de economische kracht van de Gelderse regio’s. Daarnaast vraagt een goed vestigingsklimaat om hoogwaardige culturele voorzieningen. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: • Het uitnutten van de strategische ligging van Gelderland. De Gelderse economie kan zich verder ontwikkelen binnen de natuur- en landschapswaarden en deze dragen duurzaam bij. • Het positioneren van Gelderland als hét vestigingsgebied voor de nieuwe generatie ondernemers. Ondernemers die duurzaam ondernemen in balans met de sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving hoog in het vaandel hebben. • Een sociaal evenwichtig vestigingsklimaat in Gelderland. Het versterken van de positie van Gelderland op het gebied van food, health en energy en andere topsectoren en stimuleren van kleinschalig ondernemerschap en innovatie, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten. 11

•

Het verduurzamen van de bestaande gebouwde woonomgeving. Dit is noodzakelijk om steden toekomstbestendig en economisch aantrekkelijk te maken. De provincie zoekt actief naar interessante transformaties, zoals de functiemenging op bedrijventerreinen en het omzetten van kantoren naar woningen.

Blijvend verbonden Het is van belang dat mensen andere mensen kunnen ontmoeten. Dat geldt voor mensen in steden, wijken en voor het platteland. Of het nu gaat om werk of sociale contacten, de samenleving moet voor flexibele netwerken zorgen die voor iedereen open staan en beschikbaar zijn. Naast traditionele voorzieningen als auto en OV doen nieuwe spelers en technologieën op het gebied van verbindingen en netwerken hun intrede, zoals smart mobility, zelfrijdende auto’s en deelauto’s. Ook het belang van snelle en betrouwbare data-uitwisseling neemt toe en is hier onderdeel van. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op en zijn soms onstuimig. Het is van belang dat de relatief goede bereikbaarheid een toekomst vaste waarde voor Gelderland is. Systemen moeten meebewegen met nieuwe ontwikkelingen en deze ook faciliteren. Mobiliteit moet verder verduurzaamd worden. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: • Een optimale bereikbaarheid van Gelderland door onderlinge aansluiting van vervoersmogelijkheden en verplaatsingen te faciliteren. In 2050 dient de mobiliteit van Gelderland volledig duurzaam te zijn in termen van energie, klimaat, circulair en biodiversiteit. • Het creëren van slimme en duurzame oplossingen voor het verbinden van mensen, goederen en data. Daaronder wordt ook begrepen het beter benutten van bestaande infrastructuur en gedragsverandering.

De opties tussen weg, rail en water worden zorgvuldig en duurzaam afgewogen. • Het stimuleren en faciliteren van nieuwe vormen van vervoer en verplaatsing. Dit kan bijvoorbeeld door autonoom rijden. Toetsing De Omgevingsvisie doet geen specifieke uitspraken met betrekking tot de voorliggende ontwikkeling. In de stedenbouwkundige uitwerking wordt rekening gehouden met de ruimtelijke, landschappelijke en groene kwaliteiten van de omgeving, waarmee recht wordt gedaan aan de locatie. Zodoende wordt bijgedragen aan het realiseren van een duurzame en toekomstbestendige omgeving. Voor wat betreft de relevante themakaarten kan het volgende worden opgemerkt: • ruimtelijk beleid: geen specifieke aandachtspunten; • milieubeleid: de planlocatie is niet gelegen in een stiltegebied of ander gebied waar beperkingen gelden vanuit het oogpunt van milieu; • waterbeleid: de planlocatie is niet gelegen binnen provinciale beschermingszones ter bescherming van grondwater, oppervlaktewater of natte landnatuur; • natuur- en landschapsbeleid: de planlocatie is niet gelegen binnen een ecologische verbindingszone, Gelders Natuur Netwerk, Natura 2000-gebied, weidevogelgebied of zoekgebied voor nieuwe natuur. Wel is de locatie gelegen binnen de groene ontwikkelingszone en rustgebied voor ganzen.

Groene ontwikkelingszone De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. Het versterken van natuur en landschap in de Groene Ontwikkelingszone is gericht op de kernkwaliteiten van de natuur en de ontwikkelingsdoelen die er zijn voor de verschillende deelgebieden in de GO.

12

Ganzenrustgebied De provincie en haar partners willen invulling geven aan de internationale verplichting tot duurzame instandhouding van de ganzenpopulatie. Conclusie Voorliggend initiatief voorziet in het uitsluiten van het houden van vee op de locatie en het bedrijf schakelt om naar een duurzaam akkerbouwbedrijf. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen om duurzame land- en tuinbouw in de provincie te garanderen, dat aansluit bij de wensen van de inwoners en de omgeving. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en is in werking getreden na invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie.

Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd. Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels: • Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening); • Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening); • Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening); • Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening); • Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening); • Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening); • Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening). Toetsing De provinciale instructieregels voor natuur, erfgoed, milieu en provinciale wegen zijn niet relevant voor deze ontwikkeling. De planlocatie ligt wel in een gebied met specifiek beschermde waarden waarvoor op grond van de omgevingsverordening regels zijn gesteld. De locatie is gelegen in de Groene ontwikkelingszone. Hierbij is het van belang dat de kernkwaliteiten van het gebied niet worden aangetast maar versterkt door natuur- en landschapselementen aan te leggen. Zie hiervoor het erfinpassingsplan in bijlage 1 bij deze motivering waarbij er nader in wordt gegaan op de ligging binnen de groene ontwikkelingszone en het behouden en versterken van de daarbij behorende kernkwaliteiten. In de Omgevingsverordening is een instructieregel ten aanzien van klimaatadaptie opgenomen.

Voor zover een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de motivering bij de wijziging van het omgevingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet een beschrijving worden opgesteld waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Voor die beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas. 13

Op basis van de klimaatatlas gemeente Duiven is in paragraaf 4.9 in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. Daaruit volgt dat bij het voorliggende initiatief voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening provincie Gelderland.

3.3 Beleid Waterschap Rijn en IJssel Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Wettelijk kader Uit de instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat de gemeente bij vaststelling van het omgevingsplan of een BOPA de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken. Voorbeelden zijn: • watercompensatie in verband met toenemende verharding; • Waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; • bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; • waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt.

De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: • bescherming van primaire waterkeringen, Zie artikel 5.38 Bkl. • behoud waterveiligheid kust, artikel 5.40 van het Bkl. • behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl. • IJsselmeergebied, artikel 5.49 van het Bkl. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Waterschap Rijn en IJssel: Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van het Waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s:

14

• Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig in te vullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. • Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. • Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. • Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid.

Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Waterschap Rijn en IJssel: Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening staan regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Zo staan er bijvoorbeeld regels in over water onttrekken, water lozen en andere activiteiten. Deze regels gelden voor iedereen. Soms is niet alleen de beek of dijk zelf beschermd, maar ook een strook grond er langs. Ook deze zones staan aangegeven in de Waterschapsverordening. Per 1 januari 2024 zijn ook sommige rijksregels over lozingen vervallen. Deze regels van het rijk zijn nu in de Waterschapsverordening opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om lozingen op een oppervlaktewater van een waterschap of zuiveringtechnisch werk van een waterschap. Waterschap Rijn en IJssel: weging waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies.

De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen.

15

We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. Toetsing Het plan heeft geen betrekking op een toename van de verhard oppervlakte, er is zelfs een afname van verhard oppervlakte. Hemelwater kan nog steeds worden geïnfiltreerd op het eigen erf. Nadere afstemming met waterschap Rijn en IJssel is daarom niet nodig. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Duiven De gemeente Duiven heeft in 2022 de Omgevingsvisie Duiven vastgesteld. De gemeente Duiven streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Voor nu én voor de toekomst. Om dit te bereiken heeft de gemeente de Omgevingsvisie opgesteld als stip op de horizon voor de fysieke leefomgeving van Duiven, Groessen en Loo in 2040. De visie is tot stand gekomen in samenwerking met diverse gebruikers van de leefomgeving, waaronder inwoners, maatschappelijke instellingen, bedrijven en verenigingen. Aan de hand van een GebiedsGespreksAgenda is het Koersdocument Omgevingsvisie Duiven opgesteld in 2020, waarna een participatiebijeenkomst en schriftelijke consultatie heeft plaatsgevonden. Hierbij zijn een breed aantal reacties opgehaald vanuit de samenleving, professionele partijen en gemeenteraad. Deze reacties hebben geresulteerd in een rapportage voor de gemeenteraad en een reactienota (van de consultaties). Dit alles is verwerkt tot deze omgevingsvisie. De omgevingsvisie sluit aan bij nationaal, regionaal en lokaal beleid. De inhoudelijke basis voor deze omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: • Historie: de gemeente Duiven heeft een rijke geschiedenis waar we op voortbouwen.

• Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere de vitale, sterk onderling verbonden inclusieve gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de uitstekende voorzieningen van de gemeente Duiven. • Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in Duiven, Groessen en Loo dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. • Ontwikkelingen & toekomstperspectief: leidraad voor de toekomst is dat we ruimte willen bieden aan ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, maatwerk leveren op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg dragen voor natuur en milieu. Dit doen we samen met alle gebruikers van de leefomgeving. Voor de gemeente Duiven zijn de volgende thema’s, ambities en doelen van belang.

16

Figuur 7: Weergave ambities gemeente Duiven

Toetsing Voorliggend initiatief is niet in strijd met de thema’s welke zijn gesteld in de Omgevingsvisie Duiven.

17

4. Omgevingsaspecten Op grond van de Omgevingswet en op basis van jurisprudentie moet de uitvoerbaarheid van een ontwikkeling worden aangetoond. Er moet voor de ontwikkeling worden onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor deze ontwikkeling relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.1 Archeologie en cultureel erfgoed 4.1.1 Erfgoedwet en Omgevingswet De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ontwikkelingen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. Daar moet vervolgens bij het opstellen van ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het maakt ook onderdeel uit van de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Bij een opgraving kunnen de kosten hoog oplopen. 4.1.2 Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart Provincies beschikken over hun eigen cultuurhistorische waardenkaarten. Deze laten een breed scala aan cultuurhistorie zien. Meestal belichten ze op hoofdlijnen archeologie, cultuurlandschap en gebouwde monumenten. Welke aspecten zijn uitgelicht en welke keuze zijn gemaakt, verschilt per provincie. Vanwege de gehanteerde schaal zijn provinciale kaarten vaak een stuk nauwkeuriger dan de meeste landelijke overzichten. Hiermee geven ze een gedetailleerd beeld van de cultuurhistorie per provincie, maar laten ook zien welk erfgoed nu juist voor die provincie van belang is. De kaarten zijn digitaal beschikbaar in een GIS-viewer.

In het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, worden in de provincie Gelderland ontwikkelingen getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). In de provincie Gelderland zijn twee kaarten beschikbaar: • Kaart historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie • Kaart cultuurhistorie Toetsing Op basis van het beschikbare kaartmateriaal zijn er geen bijzonderheden op te merken voor de beoogde ontwikkeling aan de Broekstraat 12 en 14 te Duiven. 18

4.1.3 Gemeentelijk archeologisch beleid Duiven Erfgoedverordening en Erfgoedkaart In de erfgoedverordening staan voorschriften en regels met betrekking tot cultureel erfgoed, zowel voor monumenten als archeologie. Om de aanwezige cultuurhistorische waarden (monumentale gebouwen, archeologische terreinen, cultuurhistorische landschapselementen en historische stedenbouwkundige structuren en infrastructuur) in beeld te brengen, is een gemeentelijke erfgoedkaart vervaardigd, die met name een signalerende functie heeft. Hierdoor wordt een integrale afweging mogelijk. Op basis van de erfgoedkaart, kunnen cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle gebieden in omgevingsplannen een passende regeling krijgen. Op basis van de Erfgoedkaart is een vigerend gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld door de gemeenteraad in december 2023 (Erfgoedverordening met archeologische beleidskaart). Toetsing Op basis van de beschikbare gegevens zijn er geen bijzonderheden op te merken voor de beoogde ontwikkeling aan de Broekstraat 12 en 14 te Duiven. Er zijn geen cultuurhistorische waarden op de locatie aanwezig die een belemmering zijn voor de beoogde ontwikkeling. Een visie op het Erfgoed van de gemeente Duiven, 2017-2030 Op 20 maart 2017 heeft de gemeenteraad van Duiven de ‘Visie op het Erfgoed van de gemeente Duiven, 2017-2030’ vastgesteld (nr. 17RB002).

Het doel van deze erfgoednotitie is het vaststellen van: • Een visie op het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente en de wijze waarop dit erfgoed kan worden doorgegeven aan de volgende generaties. • Een visie op de wijze waarop dit erfgoed een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Bestemmingsplan Archeologie, gemeente Duiven, 2009 Op 31 mei 2009 heeft de gemeenteraad van Duiven het bestemmingsplan ‘Archeologie’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan regelt voor de verschillende soorten archeologische waardengebieden een onderzoeksplicht vanaf een bepaalde verstoringsoppervlakte en -diepte. De kosten van een archeologisch onderzoek zijn voor rekening van de initiatiefnemer. In sommige gevallen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. In principe kent het onderzoekstraject de volgende opbouw: bureauonderzoek, verkennend veldonderzoek (boren), karterend veldonderzoek (boren), waarderend onderzoek (proefsleuf) en de definitieve opgraving. Afhankelijk van de situatie kunnen sommige stappen worden gecombineerd. Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Duiven, 2023 Op 23 april 2024 heeft de gemeenteraad van Duiven het bestemmingsplan ‘Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Duiven’ vastgesteld.

Met betrekking tot archeologie is er een uitzondering op de vergunningplicht voor archeologisch onderzoek door een erkende archeologische partij opgenomen. Hierdoor is het niet nodig om een vergunning aan te vragen voor het doen van onderzoek, hetgeen tijd en moeite bespaart aan de kant van zowel initiatiefnemer als gemeente. Toetsing Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. In het omgevingsplan van rechtswege zijn de waarde omtrent archeologie opgenomen. zie de figuur hieronder.

19

L

H

L

Figuur 8: Weergave archeologische waarden

Hiervoor geldt dat ter plaatse van de volgende aanduidingen het verboden is om een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: • ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting’ (H) voor bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 0,5m; • ‘Waarde – Lage archeologische verwachting’ (L) voor bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,5m; Uit de toetsing van het plan aan de oppervlaktecriteria voor de binnen plangebied gelegen zones met archeologische verwachting volgt geen noodzaak voor een archeologisch onderzoek. De grond, ter plaatse van de te slopen bebouwing, is daarbij al eerder verstoord geweest. Indien er voor de toekomstige nieuw te bouwen loodsen de oppervlakte criteria overschrijdt zal hiervoor een vergunning worden aangevraagd. Er is geen onderzoek nodig naar archeologie en cultuurhistorie. Er worden geen cultuurhistorische en archeologische waarden aangetast met de realisatie van dit plan. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.

20

4.2 Duurzaamheid en klimaat Duurzaamheid is een breed begrip. In een duurzamere wereld wordt gekeken of mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht kunnen zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Om te zorgen voor deze balans heeft Nederland zich geconformeerd aan het klimaatakkoord, wat heeft geresulteerd in de Klimaatwet (2019). Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen op het gebied van ontwikkeling voor een duurzame en gezondere leefomgeving. Naast het feit dat de gemeente hierin een belangrijke voorbeeldrol en eigen verantwoordelijkheid heeft, willen we het nemen van duurzamere keuzes vooral stimuleren en faciliteren. 4.2.1 Energietransitie De huidige samenleving zorgt voor uitputting van de bestaande energiebronnen (fossiel). Met de energietransitie werken we aan een samenleving waarin sprake is van duurzaam opgewekte, hernieuwbare energie. Deze transitie is essentieel om de nationale doelstellingen op het gebied van CO2-reductie te behalen. De Klimaatwet zegt ons dat we 55% CO 2 moeten reduceren in 2030 ten opzichte van onze uitstoot in 1990. Ook Duiven moet voldoen aan de landelijke doelstellingen. Naast het gebruik van duurzame energie, draagt het verminderen van energieverbruik (isoleren) ook bij aan het reduceren van CO2 uitstoot.

De gemeente beoordeelt (ver-)bouwplannen op hun bijdrage aan de lokale, regionale of nationale duurzaamheidsdoelstellingen. Het absolute minimum staat beschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarin naast eisen ten aanzien van de EPC en geluidisolatie, ook eisen ten aanzien van gasloos nieuwbouwwoningen bouwen zijn opgenomen. Sinds januari 2021 is de BENG-eis ingevoerd (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Toetsing De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op woningbouw waarvoor de eisen inzake BENG wel gelden. Het gaat hier om de sloop van voormalige veestallen waarbij er ruimte wordt gecreëerd om in de toekomst een tweetal nieuwe akkerbouwloodsen te bouwen. Het houden van vee wordt hier uitgesloten. 4.2.2 Circulariteit We streven als gemeente naar het bundelen van onze lokale kennis, technologie en innovaties om zo een meer circulaire lokale economie te krijgen. Een circulaire economie draagt bij aan het hergebruik van materialen, producten en diensten in plaats van de vernietiging daarvan. Het gebruik van biobased producten, gemaakt van hernieuwbare grondstoffen, draagt bij aan circulariteit en een duurzame samenleving. Toetsing Voor de toekomstige bouw van de loodsen zal er gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen. 4.2.3 Klimaatadaptatie Een veranderd klimaat heeft gevolgen voor de samenleving.

Wateroverlast, droogte, hitte en bodemdaling komen in meer of mindere mate regelmatig voor en dat neemt de komende jaren verder toe. Vanuit de landelijke overheid is bepaald dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig moet zijn ingericht. In de ‘Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016’ (NAS), het Nationaal Uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie (NUP KA) en in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt klimaatadaptatie verder uitgelegd. Dit betekent dat onze woningen en de ruimtelijke inrichting aangepast moeten worden zodat ze bestand zijn tegen o.a. hitte, droogte en wateroverlast. Bovendien moet dit ervoor zorgen dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt vergroot.

21

In 2023 heeft het Rijk de Landelijke maatlat voor een groene gebouwde omgeving opgesteld. De maatlat definieert wat er wordt verstaan onder klimaatadaptief bouwen en wat hiervoor nodig is van overheden, vastgoedeigenaren en de bouwsector. De landelijke maatlat wordt als leidend principe bij ontwikkelingen gehanteerd. Op thema’s waar wij als gemeente al wel een uitwerking hebben op lokaal niveau, gelden de bestaande normen. Verwacht wordt dat bij nieuwe ontwikkelingen de uitkomsten van de stresstesten worden meegenomen bij de planvorming. Hierbij mag de nieuwe ontwikkeling de situatie in het werkingsgebied en omliggend gebied voor de thema’s hitte, droogte, wateroverlast en bodemdaling niet verergeren ten opzichte van de bestaande situatie, en draagt het liefst bij aan de verbetering daarvan. De initiatiefnemer moet aangeven in hoeverre het ontwerp voldoet aan de normen en richtlijnen van de landelijke maatlat (of geldende lokale normen) en welke maatregelen genomen worden om de ontwikkeling klimaatbestendig te maken. Toetsing Op basis van de klimaatatlas gemeente Duiven is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat op het noordoostelijke gedeelte van de planlocatie sprake is van geringe plasvorming na korte extreem hevige buien of bij langdurige extreme regen. Omliggen wegen zijn bij een lange bui onbegaanbaar, echter betreft het een bui welke mogelijk 1x per 1000 jaar valt. Een pand op de locatie heeft een gemiddeld risico van wateroverlast. Dit gebouw wordt gesloopt, met de bouw van de toekomstige gebouwen wordt hier rekening mee gehouden. Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie warm zal zijn. Na sloop van de bestaande bebouwing en toekomstige bouw van een tweetal loodsen zal de temperatuur logischerwijs op een vergelijkbaar niveau blijven liggen of lager worden omdat er meer verharding verdwijnt. Droogte Op de planlocatie is in een gemiddelde zomer sprake van lage grondwaterstanden die zich momenteel in de range tussen 1,2 en 2,5 m – mv bevinden. In 2050 zal het grootste deel van het perceel in een gemiddelde zomer te maken hebben met een grondwaterstand van tussen de 1,2 en 2,5 m – mv. De gronden zijn volgens de kaartbeelden nu en in 2050 aan te merken als droogtegevoelig.

Door het voornemen om het hemelwater binnen de planlocatie te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied zelf aanwezig. Op en direct rondom de planlocatie is geen sprake van droogvallende beken en waterpartijen. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er in geval van een overstroming de waterhoogte op de planlocatie kan stijgen tot meer dan 5 meter. De kans op een dergelijke overstroming is overigens klein. 1x per 300 tot 3.000 jaar. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Ter voorkoming van wateroverlast, tegengaan van droogte en vermindering van hittestress kunnen specifieke maatregelen worden getroffen in de vorm van ophoging van een deel van het terrein.

22

4.3 Gezondheid Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. De Omgevingswet beoogt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, het bereiken van een goede omgevingskwaliteit en het in stand houden daarvan. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), elkaar ontmoeten, ontspannen, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid), klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitteen wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen. Toetsing De toetsing aan de wettelijke milieunormen en de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling zijn in de voorgaande paragrafen per relevant omgevingsaspect aan bod gekomen. Ook bij het voldoen aan wettelijke milieunormen kan echter gezondheidsschade optreden. Belangrijk begrip daarbij is het voorzorgsbeginsel dat voortvloeit uit de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De overheid kan op basis hiervan maatregelen treffen als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben, zonder dat er (voldoende) wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn. Bij voorliggend initiatief worden geen significante gezondheidseffecten verwacht. De inrichting van het plangebied met veel groen draagt daarnaast bij aan positieve gezondheid. Groen in de buurt zorgt aantoonbaar voor een gevoel van welbevinden wat bijdraagt aan de gezondheid van bewoners.

4.4 Landschap en stedenbouw/welstand In dit deel van het hoofdstuk wordt duidelijk wat de ruimtelijke impact is op de omgeving, hoe er getracht is de ontwikkeling in te passen in de omgeving en welke belangenafweging is gemaakt. 4.4.1 Landschappelijke inpassing Op de locatie wordt het bestaande groen zoveel mogelijk behouden, er is al veel bestaand groen aanwezig. Aangezien het bouwvlak niet wijzigt en de bebouwingsmogelijkheden gelijk blijven is een landschappelijke inpassingsplan niet noodzakelijk. 4.4.2 Stedenbouwkundige inpassing De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van bestaande veestallen en een schuur wordt herbouwd en er worden twee nieuwe akkerbouwschuren gerealiseerd. Het bedrijfsmatig houden van vee wordt op deze locatie uitgesloten. De te bouwen schuren zullen met het indienen van de benodigde omgevinsgvergunningaanvraag daarvoor, worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand. 4.4.3 Welstandsnota Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld.

Toetsing De planlocatie is gelegen in het gebiedstype landelijk gebied (04). Hier geldt het welstandsniveau soepel. Het beleid van de gemeente Duiven voor dit gebied is gericht op het behoud van de karakteristiek van het agrarisch gebied. De agrarische bebouwing is van belang voor de identiteit van het landelijk gebied. Oude boerenerven vormen een unieke kwaliteit. Belangrijk is dat met respect voor 23

de karakteristiek van een boerenerf wordt omgegaan en dat wordt aangetoond dat een plan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en de vitaliteit van het landelijk gebied. De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. De uitgangspunten van het welstandsbeleid worden meegenomen in de realisatie van de schuren. Bij de uiteindelijk in te dienen bouwaanvraag zal de welstandscommissie worden geraadpleegd.

4.5 Milieu 4.5.1 M.e.r.-regelgeving Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1, Ow).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=d7d5516a-944e-45f5-9af9-7b480e9431d9