CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

4. 201630138 – Toelichting bestemmingsplan Duiven, Mastraat 5, d.d. 6-9-2023

Raadsavond 26 september 2023, gemeente DuivenBij agendapunt: Bestemmingsplan Maststraat 58.163 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bestemmingsplan | Toelichting

Duiven, Maststraat 5

Gemeente Duiven

Datum: 26 september 2023 Projectnummer: 210380 ID: NL.IMRO.0226.BPBUITENGEBIED030-VS01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied

6 7

3

Beleid en regelgeving

8

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Regionaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

8 10 10 12

4

Milieu- en omgevingsaspecten

13

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

13 13 14 14 16 17 18 20 21 22 22

5

Wijze van bestemmen

24

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

24 25

6

Uitvoerbaarheid

27

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

27 27

Bijlagen − − − −

Bijlage 1: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 2: Digitale Watertoets Bijlage 3: Quick scan natuur Bijlage 4: Onderzoek stikstofdepositie

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op het adres Maststraat 5 te Duiven bevindt zich een autosloopbedrijf waar een aantal jaar geleden een hevige brand is geweest, wat er onder meer toe heeft geleid dat de aanwezige bedrijfswoning en andere bedrijfsbebouwing zijn afgebrand. Inmiddels bestaat de wens om het bedrijfsperceel na de brand op een meer efficiënte wijze vorm te geven en in te richten. Daarbij doen zich ook kansen voor om het perceel meer landschappelijk in te passen. Dit kan slechts deels binnen het huidige bestemmingsplan gerealiseerd worden. Om het plan mogelijk te maken is het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bevindt zich aan de rand van bedrijventerrein Centerpoort Nieuwgraaf in de kern Duiven behorende bij de gelijknamige gemeente Duiven in de provincie Gelderland. Het betreft de gronden die kadastraal bekend staan als gemeente Duiven, sectie F, perceelnummers 1299, 2042, 2044 en gemeente Duiven, sectie H, perceelnummers 1538 en 2388. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.

Ligging plangebied (globaal rood omlijnd) in relatie tot de omgeving (Bron: PDOK viewer).

3

Het plangebied bij benadering globaal rood omlijnd (Bron: PDOK viewer).

1.3

Geldende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf en Centerpoort-Zuid, Duiven’, dat is vastgesteld op 27 mei 2013.

Uitsnede juridisch-planologische situatie ter plaatse van het plangebied (Bron: SAB).

4

Raadpleging van het bestemmingsplan wijst uit dat het plangebied grotendeels de bestemming ‘Bedrijf - Autosloopbedrijf’ kent, waarop zich twee bouwvlakken bevinden. Het oostelijke bouwvlak heeft een maximum bouwhoogte van 7 meter. Het westelijke bouwvlak staat de bouw van één bedrijfswoning toe met tevens een maximum bouwhoogte van 7 meter. Verder ligt in het zuiden van het plangebied een strook met een groenbestemming en heeft een deel van de gronden in het plangebied de verkeersbestemming. Naast het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf en CenterpoortZuid, Duiven’ geldt ter plaatse ook het bestemmingsplan ‘Archeologie’, dat is vastgesteld op 31 mei 2009. Met dit plan wordt het gemeentelijk archeologisch beleid juridisch-planologisch vastgelegd.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie plangebied Bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf Het plangebied ligt ten noordwesten van de kern Duiven en maakt onderdeel uit van het regionale bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf. Het bedrijventerrein ligt aan de A12, ingeklemd tussen de bedrijventerreinen Seingraaf, Graafstaete en Centerpoort zuid. Er zijn met name (groot-)handels-, distributie- en transportbedrijven gevestigd. Daarnaast behelst dit bedrijventerrein het grootste PDV-cluster binnen de Stadsregio Arnhem Nijmegen. Op het bedrijventerrein liggen bijvoorbeeld de IKEA, Leen Bakker en de PRAXIS. Ook is er horeca op het bedrijventerrein gevestigd zoals de McDonald’s en een hotel.

Bedrijventerreinen aan de A12 (bron: Duiven maakt het waar).

Plangebied Op het adres Maststraat 5 te Duiven bevindt zich momenteel een autosloopbedrijf. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.300 m2. Door een brand is het woonhuis volledig verwoest. De loods gelegen in de oostelijke helft van het perceel is gespaard gebleven. Naast de loods is het perceel vrijwel volledig ingericht ter behoeve van de opslag van te slopen auto’s. Het oppervlak is vrijwel volledig verhard en met enkele betonmuren afgeschermd. In het noorden en zuiden van het plangebied bevindt zich een groenstrook. Net buiten het plangebied aan de zuidkant liggen een sloot.

De huidige situatie van het plangebied (globaal rood omlijnd) (bron: pdokviewer.nl).

6

2.2

Toekomstige situatie plangebied Naar aanleiding van de brand in het plangebied is samen met de gemeente Duiven gesproken over de herstructurering en herinrichting van het bedrijfsperceel. Enerzijds om het bestaande bedrijfsperceel toekomstbestendig te maken, en anderzijds om het perceel meer landschappelijk in te passen. Ter hoogte van de voormalige bedrijfswoning wordt voorzien in een nieuw bouwvlak van 15 bij 25 meter voor bedrijfsbebouwing met de mogelijkheid voor een bedrijfswoning. De maximum bouwhoogte zal daarbij op 7 meter blijven. Het bouwvlak wordt, ten opzichte van de huidige situatie, een kwartslag gedraaid en iets meer in zuidelijke richting verplaatst. Het andere bouwvlak rondom de bestaande loods zal worden verkleind tot rondom de bestaande bebouwing. Om de planologische en eigendomssituatie meer met elkaar gelijk te trekken is aan de noordzijde van het plangebied circa 45 m2 bedrijfsbestemming toegevoegd. Aan de zuidzijde wordt de bedrijfsbestemming ook uitgebreid onder de voorwaarde dat een landschappelijke inpassing in de vorm van een groenstrook van minimaal 3 meter diep wordt toegevoegd. Deze gronden tussen het bedrijfsperceel en de zuidelijke sloot zijn onsamenhangend en met weinig kwaliteit ingericht. Om die reden wordt een strook van 3 meter breed vanaf de slootkant landschappelijk ingepast.

Door deze landschappelijke inpassing zal het bedrijf vanaf de Rijksweg minder prominent aanwezig zijn en kunnen de resterende gronden bij het bedrijfsperceel worden betrokken. Ten slotte wordt ook een kleine strook met de verkeersbestemming toegevoegd aan het reeds bestaande verkeersvlak. Navolgende afbeelding geeft de wijzigingen in de bestemmingen weer. De blauwe vlakken waren ‘Groen’ en worden ‘Bedrijf’, het gele vlak was ‘Agrarisch’ en wordt ook ‘Bedrijf’. Het groene vlak was ‘Agrarisch’ en wordt ‘Groen’. Het paarse vlak was ‘Groen’ en wordt ‘Verkeer’.

Toekomstige situatie plangebied met de bestemmingsaanpassingen weergegeven (bron: SAB).

7

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Voorliggend plan voorziet in de herinrichting van een bestaand bedrijfsperceel met als doel om een efficiënt, toekomstbestendig en landschappelijk inpasbaar perceel te realiseren. De ontwikkeling sluit aan bij de kenmerken en identiteit van de omgeving. Hierdoor is de ontwikkeling in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.

3.1.1

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro 8

bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre de ontwikkeling, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte de voorliggende ontwikkeling mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit jurisprudentie volgt dat er in beginsel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling indien er met een ontwikkeling minder dan 500 m2 aan planologisch beslag op de ruimte wordt toegevoegd. In voorliggende situatie worden slechts kleine aanpassingen gemaakt aan de contouren en functies van het plangebied waarbij het bedrijfsperceel niet met meer dan 500 m2 zal worden vergroot. Om die reden is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Het doorlopen van een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is om die reden niet noodzakelijk. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

9

3.2

Regionaal beleid

3.2.1

Regionaal Programma Werklocaties In het Regionaal Programma Werklocaties aangeeft dat de uitbreiding van bestaande solitaire vestigingen in principe niet gewenst is, tenzij aangetoond kan worden dat verplaatsing van dit solitaire bedrijf naar een bedrijventerrein onmogelijk is. Dan kan een kleine uitbreiding plaatsvinden van 10% van de oppervlakte van de bestemming bedrijventerrein van die solitaire vestiging, tot een maximum van 0,5 hectare. Hiervoor volstaat een melding in het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (IOW). Omdat in voorliggende situatie geldt dat het bedrijf zich ruimtelijk gezien op een goede locatie bevindt en geen hinder veroorzaakt op omliggende gevoelige functies, er juridisch-planologisch geen uitbreiding van bebouwingsmogelijkheden plaatsvindt, er met plan kansen ontstaan voor een betere landschappelijke inpassing van de locatie en er geen ruimte voor het bedrijf op bestaande bedrijventerreinen aanwezig is, is het verantwoordbaar de uitbreiding toe te staan. De gemeente heeft hiervoor een melding gedaan bij het IOW. Inmiddels heeft het intergemeentelijk overleg werklocaties plaatsgevonden. Geconcludeerd kan worden dat de herinrichting past binnen het regionaal beleid. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het regionale beleid.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.

10

− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de herinrichting van een bedrijfsperceel.

Hierbij worden enkele kleine aanpassingen uitgevoerd met als doel een efficiënt toekomstbestendig en meer landschappelijk ingepast perceel te realiseren. Deze hebben geen negatieve effecten op de doelen gesteld in de Omgevingsvisie en -verordening. Na raadpleging van de provinciale kaarten blijkt dat er geen gebiedsspecifieke regels vigerend zijn binnen het plangebied. Wel gelden er voor bedrijfsontwikkelingen regels op grond van de Omgevingsverordening. Omdat het plangebied formeel buiten de IBIS-contour van het bedrijventerrein Centerpoort Nieuwgraaf ligt, moet volgens het provinciaal beleid uitgegaan worden van een solitaire bedrijven in het buitengebied. In de Omgevingsverordening is opgenomen dat grote uitbreidingen van solitaire bedrijven in het buitengebied alleen onder voorwaarden mogelijk zijn. Van een grote uitbreiding is sprake als de uitbreiding zelf meer dan 250 vierkante meter is en de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing boven de 1000 vierkante meter komt. Daar is hier geen sprake van, aangezien het voorliggende plan juridisch-planologisch voorziet in een afname van de mogelijkheden voor bedrijfsbebouwing.

Verder geldt dat in de Omgevingsverordening is opgenomen dat in regionaal verband een Regionaal Programma Werklocaties moet worden opgesteld waarin onder meer in regionaal verbeeld een visie op bedrijventerreinen wordt gemaakt en kwantitatieve en kwalitatieve afspraken. Uit dit regionale beleidskader volgt dat de uitbreiding van bestaande solitaire vestigingen in principe niet gewenst is, tenzij aangetoond kan worden dat verplaatsing van dit solitaire bedrijf naar een bedrijventerrein onmogelijk is. Dan kan een kleine uitbreiding plaatsvinden van 10% van de oppervlakte van de bestemming bedrijventerrein van die solitaire vestiging, tot een maximum van 0,5 hectare. Hiervoor volstaat een melding in het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (IOW). Omdat in voorliggende situatie geldt dat het bedrijf zich ruimtelijk gezien op

11

een goede locatie bevindt en geen hinder veroorzaakt op omliggende gevoelige functies, er juridisch-planologisch geen uitbreiding van bebouwingsmogelijkheden plaatsvindt, er met dit plan kansen ontstaan voor een betere landschappelijke inpassing van de locatie en er geen ruimte voor het bedrijf op bestaande bedrijventerreinen aanwezig is, is het verantwoordbaar de uitbreiding toe te staan. De gemeente heeft hiervoor een melding gedaan bij het IOW. Geconcludeerd kan worden dat de herinrichting past binnen de afspraken uit het Regionaal Programma Werklocaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het provinciale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Duiven De gemeente Duiven streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Om dit te bereiken heeft de gemeente Duiven de Omgevingsvisie Duiven opgesteld. De inhoudelijke ambities en doelen voor de leefomgeving bestaan uit de volgende vijf thema’s: 1. Een duurzaam thuis; 2. Gezonde, sociale en veilige leefomgeving; 3. Vitale economie; 4. Bereikbaarheid; 5. Klaar voor de toekomst. Toetsing Met voorliggend plan wordt een bedrijfsperceel opnieuw ingericht, met als doel een efficiënt, toekomstbestendig en meer landschappelijk ingericht perceel te realiseren. Dit sluit aan bij meerdere thema’s gesteld in de omgevingsvisie Duiven, zoals thema 5; ‘Klaar voor de toekomst’. Daarnaast zorgt het bestemmingsplan niet voor grootschalige wijzigingen, waardoor geen negatieve effecten bestaan ten opzichte van de omgevingsvisie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het gestelde in het gemeentelijk beleid.

12

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Toetsing Omdat het bestemmingsplan voorziet in de wijziging en uitbreiding van een autosloopbedrijf, heeft het plan betrekking op een activiteit zoals opgenomen in de D-lijst in de bijlage van het besluit m.e.r. Het gaat om ‘de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor de opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken’ (D18.8).

Het plan blijft onder de drempelwaarden, waardoor in eerste instantie kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling1, die tevens kan worden gezien als een aanmeldnotitie, volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk.

1

SAB (2023). Vormvrije m.e.r.-beoordeling Mastraat 5 Duiven. Projectnummer: 210380. 8 juni 2023. 13

Toetsing Voorliggend plan voorziet enkel in kleine aanpassingen van bestemmingsgrenzen. Uitsluitend de bedrijfswoning voorziet in een functie waar mensen zich langdurig frequent bevinden. Omdat deze min of meer op dezelfde locatie is beoogd, wordt geen reden gezien om voor dit bestemmingsplan bodemonderzoek te verrichten. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Voorliggend plan voorziet in een aantal geringe aanpassingen van bestemmingsgrenzen van een bestaand bedrijfsperceel. Het bedrijf maakt geen onderdeel uit van een gezoneerd industrieterrein. Daarnaast neemt het aantal geluidgevoelige objecten als gevolg van voorliggend plan daarbij niet toe en is de bedrijfswoning min of meer op dezelfde locatie beoogd. Gelet op de ligging van de woning met aan de zuidkant een weiland en aan de noordkant diverse afgeschermde gebouwen van de zoneringsplichtige weg (Dijkgraaf), is het niet waarschijnlijk dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Om deze redenen is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau

14

voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a.

woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Toetsing Voorliggend plan voorziet in een aantal geringe aanpassingen van bestemmingsgrenzen. Dit betekent dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van voorliggend plan niet tot nauwelijks zal veranderen ten opzichte van de geldende juridisch-planologische mogelijkheden. Desondanks is beoordeeld wat de verkeersgeneratie van het volledige bedrijfsperceel is. Daarbij is uitgegaan van een vrijstaande koopwoning en een bedrijf in de categorie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw waarbij het getal naar boven is afgerond. Zo wordt de worst-case situatie berekend. kenmerk Nieuwbouw Vrijstaande woning (koop duur) Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief Bestaande loods Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief totaal afgerond

aantal

kencijfer

per

verkeersgeneratie gemiddeld

1 2,7

8,2 4,8

woning 100 m2 bvo

8,2 13,0

8,22

4,8

100 m2 bvo

39,3 61

Berekening verkeersgeneratie per etmaal

Bovenop de hierboven beschreven verkeersgeneratie wordt gerekend met een aantrekkende werking voor middelzwaar vrachtverkeer van 1% van de totale verkeersgeneratie. Aan de hand hiervan is de NIBM-tool ingevuld (zie navolgend), waaruit volgt dat het perceel niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Ook volgt uit de Atlas Leefomgeving dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de geldende grenswaarden. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering.

2

Bron BAG-viewer 15

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

61

Aandeel vrachtverkeer

1,0%

NO2 in μg/m3

0,04

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Voorliggend plan voorziet in een aantal geringe aanpassingen van bestemmingsgrenzen. Het gaat onder andere om het aanpassen van enkele grenzen van een autosloperij (autosloperijen: b.o. <= 1000 m2), waarvoor volgens het VNG een grootste richtafstand van 100 meter geldt. Binnen deze richtafstand zijn geen hindergevoelige functies aanwezig die het effect van deze geringe aanpassingen zullen ervaren. Het 16

aantal hindergevoelige objecten zal als gevolg van voorliggend plan daarbij niet toenemen. De beoogde bedrijfswoning is een milieugevoelige functie. Echter omdat ter plaatse al een functieaanduiding bedrijfswoning geldt, wijzigt de situatie niet. De omliggende bedrijven worden door de beoogde bedrijfswoning niet onevenredig in hun werkzaamheden beperkt Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Voorliggend plan voorziet in een aantal geringe aanpassingen van bestemmingsgrenzen. Het aantal (beperkt) kwetsbare objecten zal als gevolg van voorliggend plan daarbij niet toenemen. Ook worden er in dit plan geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt. Om die reden is een nadere beschouwing van het aspect externe veiligheid niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

17

4.7

Water Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument ‘de Watertoets’. Rijksbeleid – Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren.

Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem

18

en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem.

Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapbeleid – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel op welke wijze de volgende zaken in de periode 2022-2027 gedaan worden: het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en het zorgen voor het zuiveren van afvalwater. Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders.

Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: veilig water; − Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; − Afvalvermindering, wendbare keten: circulaire economie en energietransitie.

19

Toetsing Voor voorliggend plan is de watertoets 3 doorlopen waaruit volgt dat de ontwikkeling onder de ‘geen belang’-procedure valt en overleg met het waterschap niet noodzakelijk is. Er zijn geen specifieke waterbelangen in het plangebied, zoals de aanwezigheid van een waterkering, grondwaterbeschermingsgebied of watergang. Wel liggen er twee watergangen direct ten noorden en zuiden van het plangebied. Met de beoogde herinrichting van het bedrijfsperceel blijven er voldoende mogelijkheden over om het beheer en onderhoud aan deze watergangen te kunnen bewerkstelligen. Tot slot zal als gevolg van het plan nauwelijks sprake zijn van een toename aan verharding. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur 4 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Het onderzoek is enkel uitgevoerd op het westelijk deel van het plangebied, omdat alleen daar aanpassingen zijn beoogd die buiten de huidige plannen vallen. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan volgt dat de Natura 2000-gebieden “Rijntakken” en “Veluwe” in de directe omgeving van het plangebied liggen. Deze liggen respectievelijk 1,0 en 4,3 kilometer van het plangebied verwijderd.

In de voorgenoemde Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Voor dit plan is een onderzoek stikstofdepositie 5 uitgevoerd. Zowel wat betreft de aanleg- als gebruiksfase geldt dat er geen nadelige gevolgen op omliggende Natura 2000-gebieden worden verwacht. Daarom is een nadere beoordeling, in de vorm van een passende beoordeling, niet nodig. 3

Digitale Watertoets (2022). Vergunningencheck Digitale Watertoets Maststraat 5, Duiven. Projectnummer: 210380. 16 maart 2022.

4

SAB (2021). Quick scan natuur. Maststraat 5, Duiven. Projectnummer: 210380. 30 september 2021.

5

SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie Duiven, Maststraat 5. Projectnummer: 210380. 13 maart 2023. 20

Daarnaast ligt het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuurzones. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.

Verder volgt uit de quick scan dat essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet aanwezig zijn. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.9

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

21

Toetsing Voor het grondgebied van de gemeente Duiven geldt het bestemmingsplan ‘Archeologie’. Hierin is het gemeentelijke archeologische beleid planologisch juridisch vastgelegd. Hieruit volgt dat het plangebied de gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting 5’ heeft. Bij deze waarde is het verboden om een bodemingreep te doen bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,5 meter. Voorliggende ontwikkeling blijft onder deze grenzen. Door deze lage archeologische verwachting in combinatie met het feit dat geen grove bodemingrepen worden verricht is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Wanneer tijdens de uitvoering van werkzaamheden een monument wordt gevonden moet dit op grond van de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) verplicht worden gemeld aan de Minister van OCW en de gemeente Duiven. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.10

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Binnen het plangebied is geen monumentale en/of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig. Tevens zijn de aanpassingen van de bestemmingen gering, waardoor de uitstraling van het plangebied nauwelijks zal veranderen. Wel krijgt het bedrijf een betere landschappelijke inpassing, omdat een groenstrook wordt toegevoegd aan de zuidkant van het plangebied. Hierdoor springt het bedrijf minder in het oog vanaf de Rijksweg. Dit is positief voor de uitstraling van het plangebied. Dit maakt dat voorliggende ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied aantast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.11

Verkeer en parkeren Algemeen Bij een nieuwe ontwikkeling moet een inschatting gemaakt worden van de verwachte verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte. Vervolgens moet aangetoond worden op welke manier de ontwikkeling een goede kwaliteit, wat betreft verkeer en parkeren, kan waarborgen.

22

Toetsing Voorliggend plan voorziet slechts in een aantal geringe aanpassingen op het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf en Centerpoort-Zuid, Duiven’. Het aantal bedrijven en woningen zal als gevolg van voorliggend plan daarbij niet toenemen. Dit betekent dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van voorliggend plan niet tot nauwelijks zal veranderen ten opzichte van de geldende juridisch-planologische mogelijkheden. Significant negatieve effecten op de verkeersstromen zijn daarom niet te verwachten. Verder geldt voor het grondgebied van de gemeente Duiven de Parkeernormennota Duiven 2018 (d.d. 3 februari 2018). In onderhavig plan is het parkeernormennota van toepassing verklaard. Dit betekent dat de geldende parkeerregeling onverminderd blijft gelden en bij een omgevingsvergunningaanvraag getoetst zal worden aan de geldende regeling. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

23

5

Wijze van bestemmen

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

5.1.2

Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

24

2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

5.2.1

Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het

25

bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2

De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij de geldende bestemmingsplannen ‘Bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf en Centerpoort-Zuid, Duiven’ en ‘Archeologie’. De plannen bevatten de enkelbestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Verkeer’, ‘Groen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Bedrijf - Autosloopbedrijf De voor ‘Bedrijf-Autosloopbedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een autosloopbedrijf, één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ en maximaal één reclamezuil per bedrijfsgebouw. Verder zijn meerdere bouwregels en afwijkingsmogelijkheden toegevoegd. Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, wandelpaden, fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen. Ook zijn er bouwregels opgenomen voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Groen De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen, beplanting, parken, plantsoenen, paden, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Ook zijn er bouwregels opgenomen voor bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Waarde - Archeologie De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Er zijn regels opgenomen omtrent het uitvoeren van werkzaamheden.

26

6 6.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Dit plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure kunnen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Er is geen aanleiding om aan de economische uitvoerbaarheid van voorliggend project te twijfelen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.

6.2.2

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Duiven, Maststraat 5’ heeft van 27 juli 2023 tot en met 6 september 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan kan ongewijzigd worden vastgesteld.

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=b5d97e8f-112b-494d-b373-7d4e2d3fc467