4. 2) 201681454 Motivering Buitenplanse Omgevingsactiviteit
Tekst van het document
Bij het Schone Lucht Akkoord wordt toegewerkt naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit in 2030 voor fijn stof en stikstofdioxide. Het betreft hier de WHO-advieswaarden uit 2021.
De huidig bekende achtergrondconcentraties (tussen haakjes) aan de luchtkwaliteit zijn ruim lager dan de vastgestelde omgevingswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.7
Geluid Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Onderzoek Nabij het plangebied liggen enkele drukke wegen. Voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en is de situatie beoordeeld aan de hand van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Doel van dit onderzoek is het bepalen van het geluid binnen het plangebied voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer.
Pagina 33
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Uit het onderzoek blijkt dat het geluid vanwege de geluidbronsoort rijksweg A15 bij de nieuwe woningen hoger is dan het ambitieniveau van de gemeente Duiven, maar lager dan de standaardwaarde zoals deze geldt voor rijkswegen. Gezien de situatie en het berekende geluid, zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om het geluid op alle nieuwe woningen te reduceren tot het ambitieniveau. Wel wordt er voldaan aan de voorwaarden van de gemeente Duiven zoals deze zijn opgenomen in “Nota hogere grenswaarde gemeente Duiven”. Omdat alle nieuwe woningen beschikken over één of meer geluidluwe gevel(s) en een buitenruimte waar het geluid niet hoger is dan het ambitieniveau van de gemeente, wordt gesteld dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is bij alle woningen niet hoger dan de standaardwaarde, dit betekent dat het Besluit kwaliteit leefomgeving geen belemmering vormt voor het realiseren van de nieuwe woningen ten gevolge van het verkeer in de omgeving. Om een goed leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 50 dB.
Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen die voldoet aan een geluideis van Rq;a ≥ 0 dB) voldaan aan de minimale karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.8
Omgevingsveiligheid Het beleid voor omgevingsveiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Op basis van artikel 8.0b in dat besluit moeten deze instructieregels ook worden toegepast in geval van een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dit betreft onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, en groepsrisico. Uit de bepalingen van de genoemde paragraaf vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld aan de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Pagina 34
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6/jaar contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties c.q. standaardwaarde voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties is. Groepsrisico De benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden, moet ervoor zorgen dat het gemeentebestuur omgevingsveiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen.
Het groepsrisico blijft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen aandachtsgebieden rekening houden met dit groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Onderzoek Het plan voorziet in de realisatie van 40 woningen. Op basis van de signaleringskaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 14 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.
Pagina 35
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Afbeelding 14: Uitsnede landelijke signaleringkaart locatie Tempelstraat en Kerkakkers in Groessen, geraadpleegd op 5 juni 2024 (zwarte cirkels = ligging plangebied)
Het plangebied ligt op ca. 160 meter ten noorden van drie hogedruk aardgastransportleidingen (A-524, A-533 en A-635). Het brandaandachtsgebied van deze leidingen ligt over het plangebied. Ook ligt het plangebied op ca. 250 meter ten noorden van de toekomstige snelweg A15. Hiervoor is op 8 maart 20217 het Tracébesluit gepubliceerd. Het gifwolkaandachtsgebied van deze snelweg ligt over het plangebied. Op basis van de regeling Basisnet en de risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Dit betekent dat wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde zoals genoemd in artikel 5.7 en 5.11 van het Bkl. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. Naast bovengenoemde risicobronnen liggen op ca. 330 meter de Betuweroute en op ca. 730 meter de spoorlijn Arnhem – Zevenaar. Echter ligt het plangebied niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 of een aandachtsgebied van deze risicobronnen. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het brandaandachtsgebied van de drie aardgastransportleidingen en het gifwolkaandachtsgebied van de toekomstige snelweg A15. Om deze reden dient het groepsrisico verantwoord te worden zoals omschreven in artikel 5.15 van het Bkl.
Verantwoording groepsrisico Voor het groepsrisico geldt, in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, geen grens- of standaardwaarde. Het groepsrisico moet daarentegen verantwoord worden. Zowel de ontwikkellocatie als de eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen moeten worden overwogen vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid.
Pagina 36
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Daarnaast is er altijd sprake van een restrisico, hoe klein de kans op een ongeval ook is. Dit restrisico betreft het optreden van een scenario met gevaarlijke stoffen waarbij een groep personen komt te overlijden. Ook het accepteren van dit restrisico is onderdeel van de groepsrisicoverantwoording. Het voorgenomen initiatief is gelegen binnen een brandaandachtsgebied. Dit betekent dat de aanwezigen in het gebouw bij het onbedoeld vrijkomen van gevaarlijke stoffen kunnen komen te overlijden als gevolg van het volgende scenario: brand. Volgens artikel 5.15 lid 2 onder b van het Bkl moeten daarom de volgende aspecten worden afgewogen: 1. 2.
maatregelen ter bescherming van personen in het gebouw, of; mogelijkheden om het aantal aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in het gebouw te beperken.
De ontwikkeling ligt op relatief grote afstand van risicobronnen en het deelgebied aan de Tempelstraat ligt tevens geheel buiten het 100%-letaalgebied van de hogedrukaardgasleidingen. Ten aanzien van het groepsrisico is in het ‘Onderzoek omgevingsveiligheid, Woningbouwplan Bloesemgaarde Groessen’, d.d. 22 maart 2024 (bijlage 9), een berekening uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat het groepsrisico met de ontwikkeling dermate licht toeneemt dat dit niet af te lezen is uit de FN-curve. Daarnaast blijft het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen significant effect heeft op het groepsrisico. Aanvullende maatregelen zoals beschreven in artikel 5.15 lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn niet nodig. Volgens artikel 5.2 Bkl moet voor deze ontwikkeling beoordeeld worden: 1. 2. 3.
of er voldoende mogelijkheden zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van de relevante scenario’s door de hulpdiensten (bestrijdbaarheid); of er voldoende mogelijkheden zijn voor de personen in het gebouw om zich in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid), en; de mogelijkheden voor geneeskundige hulpverlening.
Bestrijdbaarheid Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van de ontwikkeling. Zelfredzaamheid Brand Personen zijn na het ontstaan van een fakkelbrand in eerste instantie op zichzelf en anderen aangewezen. Ervan uitgaande dat de personen zich binnen bevinden, is het advies om naar buiten en van het gevaar af te vluchten. Bij voorkeur in de schaduw van gebouwen zodat vluchtende personen zo min mogelijk worden blootgesteld aan de warmtestraling van de fakkelbrand. Gifwolk Personen zijn na het ontstaan van een gifwolk in eerste instantie op zichzelf en anderen aangewezen. Ervan uitgaande dat de personen zich binnen bevinden, is het advies om binnen te blijven. Hierbij is het van groot belang dat ramen en deuren worden gesloten en mechanische ventilatie wordt uitgezet.
Pagina 37
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Het is nodig dat personen op tijd worden gewaarschuwd, zodat zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmeringssysteem) door de hulpdiensten en via NL-alert. Gezien de beoogde ontwikkeling en het betreffende scenario zijn aanvullende bouwkundige veiligheidsmaatregelen, uitgezonderd afschakelbare mechanische ventilatie, niet zinvol. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico is voldoende verantwoord en aanvaardbaar. Geneeskundige hulpverlening Voor dit initiatief geeft de GHOR geen maatwerkadvies omdat de geneeskundige hulpverlening wordt gewaarborgd binnen het kader van de operationele hulpverleningsorganisatie. Het standaardadvies is om de toegankelijkheid en bereikbaarheid van het initiatief, voor de ambulancedienst altijd te garanderen. In het kader van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid adviseert de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden in het advies van 12 juni 2024, kenmerk Z2024-00002100, om bij de uitwerking van de plannen: · Afspraken bij werkzaamheden aan de aardgasleidingen te laten maken. In overleg met de beheerder van de aardgasleidingen kunnen afspraken gemaakt worden over het informeren van de omgeving over de mogelijke risico’s bij (geplande) werkzaamheden.
Eventueel kunnen afspraken gemaakt worden over aanwezigheid van personen ten tijde van geplande werkzaamheden. · Rekening te houden met vluchtroutes die van de risicobron (in dit geval de aardgasleidingen, de toekomstige rijksweg A15 en spoorlijn) af gericht zijn. · (Technische) maatregelen te treffen om het gebouw of delen daarvan luchtdicht af te kunnen sluiten om een veilige schuilmogelijkheid te creëren ingeval van een toxische wolk. · Toekomstige bewoners te informeren over de risico’s van een incident met gevaarlijke stoffen en het bijbehorende handelingsperspectief. Risicocommunicatie draagt bij aan de mate van zelfredzaamheid. · Rekening te houden met een hoogwaterscenario/wateroverlast. Schade aan installaties en essentiële functies is bijvoorbeeld te voorkomen door deze hoger in het gebouw te positioneren. Het ligt in de verwachting dat de voorgestelde maatregelen een positief effect hebben op de veiligheid, maar daarmee valt niet uit te sluiten dat zich een incident voordoet dat boven de mogelijkheden van de ramporganisatie uitstijgt. Het is aan het bevoegd gezag dit restrisico expliciet te accepteren en dit in het besluit te verantwoorden. Het advies van de Veiligheidsregio is opgenomen in de bijlagen.
Aanvullend wordt door de Omgevingsdienst Regio Arnhem geadviseerd om, in het kader van de basis brandweerzorg te zijner tijd voor de concretere invulling van het bluswater en bereikbaarheid aanvullend advies te vragen. Samenvatting Het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Het plangebied ligt binnen een brandaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. In dit kader is het groepsrisico verantwoord. Geconcludeerd wordt dat het groepsrisico niet significant toeneemt als gevolg van het voorgenomen initiatief. Aanvullende veiligheidsmaatregelen zijn daarom niet nodig. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening voldoende onderzocht.
Pagina 38
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
De Veiligheidsregio heeft hierover geadviseerd. De gemeente Duiven acht de externe veiligheidsrisico’s verbonden aan het initiatief voldoende laag en aanvaardbaar. Het restrisico wordt geaccepteerd. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.9
Archeologie, cultuurhistorie en landschap Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen, onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten, die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Onderzoek Archeologie Binnen plandeel ‘Tempelstraat’ is de dubbelbestemming ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting’ aanwezig. Hierdoor is bij grondwerkzaamheden met een oppervlak boven 500 m² een archeologisch onderzoek benodigd. Ten behoeve van het initiatief is op 29 januari 2024 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in de bijlagen van deze toelichting. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Op basis van de resultaten van het booronderzoek is mogelijk een archeologische vindplaats in het plangebied aanwezig. Deze bevindt zich in de top van de crevasse-oeverafzettingen, direct onder het verstoorde pakket/de bouwvoor (maximaal 60 centimeter dik pakket vanaf het maaiveld). Hierna dient laagsgewijs verdiept te worden om te bepalen of er in de rest van het pakket mogelijk nog één of meer sporen niveaus aanwezig zijn. Voor het gedeelte centraal in het plangebied waar nog een kleilaag is aangetroffen geldt dat op dit niveau in ieder geval nader onderzocht dient te worden. Het vervolgonderzoek wordt opgenomen als voorwaarde bij de vergunning.
Pagina 39
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel zijn cultuurhistorische elementen van landschappelijke waarden van belang voor de gemeente Duiven. Dit zijn vaak straten, gebieden of gebouwen. De nog historische wegen worden hoog gewaardeerd omdat ze iets vertellen over de identiteit van het gebied. De mate waarin deze elementen bewaard zijn gebleven, wordt vertaald in de zogenaamde cultuurhistorische waarde. Het historisch wegenpatroon van doorgaande en lokale verbindingsroutes in Duiven is bijvoorbeeld van cultuurhistorische waarde. De situatie die omstreeks 1735 bestond, is nog goed herkenbaar met wegen zoals de Loostraat, Heiliglandsestraat, Dorpstraat en Kerkakkers, alsmede kerkepaden in Groessen en Loo. Omdat het plan geen afbreuk doet aan de bestaande waarden, heeft het geen negatieve invloed op de cultuurhistorie van de omgeving. Conclusie Het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, met inachtneming van de aan de vergunning gekoppelde voorwaarde om vervolgonderzoek uit te voeren. 5.10
Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten daarvan zijn als volgt: Er zijn enkele verhoogde waarden aangetroffen. Aanvullend is het plandeel verdacht op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen, wegens het voormalige gebruik als kassencomplex en boomgaard. De aangetroffen verhoogde gehalten betreffen geen sterke verontreinigingen. Voor de bouwvergunning wordt hierdoor voldaan aan de eisen.
Voor het doorvoeren van de gewenste ruimtelijke wijziging dient de rapportage door bevoegd gezag beoordeeld te worden. Nader asbestonderzoek is niet noodzakelijk aangezien het gewogen gehalte aan asbest kleiner is dan de helft van de interventiewaarde (100 mg/kg). Het is hierdoor statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde bij een nader onderzoekstraject niet wordt overschreden. Hiernaast wordt opgemerkt dat eventueel vrijkomende grond niet zonder meer in het grondverkeer kan worden opgenomen.
Pagina 40
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.11
Weging van het waterbelang Algemeen De weging van de waterbelangen is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). Bij ruimtelijke plannen geldt de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21ste eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer, en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Vervolgens komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld. Onderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling is een watertoets opgesteld die als bijlage onderdeel uitmaakt van deze motivering. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten. Hierbij kan gedacht worden aan: beheer en onderhoud, veiligheid, klimaatadaptatie (wateroverlast), waterkwaliteit, afvalwaterketen, grondwaterbeheer en recreatie en beleving.
De waterbeheerder stelt criteria in overleg met de initiatiefnemer vast. Het nieuw verhard oppervlak van het perceel aan de Tempelstraat heeft een oppervlakte van 20.000 m². Hiervan is 11.500 m² gereserveerd voor wonen en 8.500 m² voor groen. Het openbaar gebied, rijbanen en parkeerplaatsen is gezamenlijk 3.150 m². Voor het bepalen van de particuliere verharding, is een verhardingspercentage van 70% van het totale kaveloppervlak aangehouden. Op basis van de verharding binnen de gebieden dient er 633 m³ geborgen te worden. Aan de zuidkant is in het groengebied voldoende ruimte om 80 mm berging te realiseren in de vorm van infiltratievelden en verlagingen. Deze manier van bergen is in overleg met Waterschap Rijn en IJssel akkoord bevonden. Hierbij wordt de opmerking gemaakt om bij de technische uitwerking te zorgen voor grondverbetering om de ledigingstijd op maximaal 24 uur te houden.
Pagina 41
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Conclusie Het aspect water vormt na overleg met gemeente en waterschap geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.12
M.e.r. -beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De MER-beoordelingsprocedure dient gevolgd te worden wanneer sprake is van een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Onderzoek De M.e.r. beoordeling is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven (afdeling 16.4 Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit). Er is sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.beoordelingsplicht wanneer het te realiseren project wordt genoemd in kolom 1 in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. De voorgenomen activiteit van de initiatiefnemer valt onder de volgende categorie van Bijlage V: Tabel 6: Categorie Bijlage V. Categorie
Project (Kolom 1)
Gevallen waarin de merplicht geldt (Kolom 2)
J11
Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen
Niet van toepassing
Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt (kolom 3)
Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onderc, van dit besluit (kolom 4)
Aanleg, wijziging of uitbreiding
Het omgevingsplan
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat het uitvoeren van een M.e.r geen noodzaak is. Wel is de M.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing. Hierdoor dient nagegaan te worden of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. In de beoordeling worden milieueffecten aangehaald, die kunnen ontstaan als gevolg van het voorgenomen project. Hierbij moet aandacht worden besteed aan alle criteria, die zijn opgenomen in Europese richtlijn 2011/92/EU (Bijlage III). Deze criteria zijn in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van dit rapport per paragraaf uitgewerkt. De criteria zijn in hoofdlijnen opgedeeld in ‘kenmerken van het project’, ‘locatie van het project’ en ‘soort en kenmerken van het potentiële effect’, welke in deze paragraaf nader behandeld worden. De nadruk wordt in de onderstaande beoordeling gelegd op de milieuaspecten welke relevant zijn voor het plan.
Pagina 42
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Kenmerken van het project Cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Door rekening te houden met cumulatie van effecten wordt beoogd te voorkomen dat een opeenstapeling van effecten uiteindelijk leidt tot aanzienlijke effecten. Om die reden moeten effecten van activiteiten beoordeeld worden in combinatie met andere projecten of handelingen van bijvoorbeeld al in uitvoering zijnde of te verwachten, (nagenoeg) reeds vergunde activiteiten. Om te bepalen of er in de relevante omgeving nog andere activiteiten zijn, die tot cumulatie van de milieueffecten kunnen leiden, zijn de recent door de gemeente Duiven gepubliceerde besluiten beoordeeld. Hieruit blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen recente besluiten zijn genomen met betrekking tot ruimtelijke plannen, waarbij cumulatie kan optreden met het voorliggende initiatief. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt tijdens de bouw en het gebruik van de functies. Het betreft hier natuurlijke hulpbronnen, als energie, water en grondstoffen. Dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De gevolgen hiervan zijn dusdanig beperkt van omvang, dat hierdoor geen beslag wordt gelegd op natuurlijke hulpbronnen. Door het gebruik van duurzame energie wordt tijdens de gebruiksfase het gebruik van natuurlijke hulpbronnen beperkt.
Wat betreft dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport. Productie van afvalstoffen Het ontstaan van afval tijdens de bouw is vanzelfsprekend. Het bouwafval wordt zoveel mogelijk hergebruikt of afgevoerd naar een erkende verwerker. Het afval van de toekomstige bewoners zal volgens de geldende regelgeving worden gerecycled/verwerkt. Dit zou op elke locatie het geval zijn. Er is geen aanleiding om dit aspect nader te onderzoeken. Verontreiniging en hinder Op basis van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG (2009) kan vooraf een inschatting worden gemaakt van de te verwachten milieuhinder. Deze wordt in de handreiking uitgedrukt in minimale gestandaardiseerde richtafstanden tot gevoelige functies, zoals woningen. Voor de beoogde woningen gelden geen richtafstanden, er is geen hinder naar de omgeving te verwachten. Bodem(kwaliteit) Door de realisatie en het gebruik van woningen is geen sprake van bodembedreigende activiteiten. (Afval)water Bij de bouw van het plan wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Als gevolg van het plan ontstaat voornamelijk huishoudelijk afvalwater, afkomstig uit de woningen, dit zou op elke planlocatie het geval zijn. Verkeer en vervoer In paragraaf 5.4 is de verkeersaantrekkende werking van het initiatief uitgewerkt.
In de beoogde situatie is er voor beide plandelen een beperkte stijging van de verkeersgeneratie te zien. Omdat binnen het plan ook seniorenwoningen beoogd zijn, zullen de verkeerscijfers in werkelijkheid lager uitpakken. Beide wegen zijn voldoende gedimensioneerd om de relatief lage stijging van verkeersbewegingen op te vangen.
Pagina 43
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Lucht Binnen het plangebied worden 40 nieuwe woningen gerealiseerd. Met dit aantal woningen valt het bouwplan binnen het criterium voor de categorie woningbouwlocaties (de grens ligt op 1.500 woningen, bij één ontsluitingsweg). Met andere woorden, de realisatie van de woningen draag niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate. Op basis van voorgaande is er geen aanleiding om dit aspect nader te laten onderzoeken in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport. Geluid Door de ontwikkeling ontstaat geen relevante geluidhinder naar de omgeving. Hoogstens de verkeersaantrekkende werking van het plan (zie paragraaf ‘verkeer- en vervoer’) leidt tot een toename van de geluidbelasting. Het verkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld, waardoor de geluidbelasting verwaarloosbaar is. Geur Er vinden bij de voorgenomen activiteiten in de bouw- en gebruiksfase geen relevante geur veroorzakende werkzaamheden plaats. Trillingen Tijdens de nieuwbouw kunnen trillingen ontstaan. Dit zou op elke willekeurige locatie het geval zijn. De gevolgen zijn dusdanig beperkt door de kleinschalige omvang van het initiatief, dat de effecten van de trillingen verwaarloosbaar zijn. Risico van zware ongevallen en/of rampen Met de ontwikkeling wordt geen functie gerealiseerd, waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of worden gebruikt.
Ook worden zware ongevallen niet verwacht door de ontwikkeling. Het plaatsgebonden risico vormt om die reden geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Risico’s voor de menselijke gezondheid De risico’s voor de menselijke gezondheid, als gevolg van de voorgenomen activiteit, zijn van beperkte omvang. De ontwikkeling betreft geen risicovolle inrichting. Bij een ongeval, als brand, ontstaan naast ‘reguliere’ rookgassen geen (zeer) gevaarlijke verbrandingsproducten die de gezondheid van omwonenden in gevaar kan brengen. De normale voorzorgsmaatregelen (ramen en deuren van woningen dicht) zijn afdoende ter bescherming van de gezondheid. Locatie van het project Relatieve rijkdom natuurlijke hulpbronnen Omdat het gehele plangebied bebouwd en in agrarisch gebruik is, is weinig tot geen sprake van rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Dit aspect is daarom ook niet relevant. Opnamevermogen van het natuurlijke milieu Wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden Doordat in de directe omgeving van het plangebied geen wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden zijn, is er geen sprake van invloed op het opnamevermogen.
Pagina 44
SPA WNP ingenieurs
2300577.2200.r04
Natuurreservaten- en parken, vogel- en habitatrichtlijnen In paragraaf 5.5 ‘Flora en Fauna’ zijn de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming nader uitgewerkt. Hieruit blijkt dat het aspect flora en fauna, met inachtneming van de aanbevelingen uit het uitgevoerde onderzoek, geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Landschappen van historische, cultureel of archeologisch belang In paragraaf 5.9 ‘Archeologie, cultuurhistorie en landschap’ is een nadere uitwerking gegeven aan het voorgenoemde aspect. Hieruit blijkt dat het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling, met inachtneming van de aan de vergunning gekoppelde voorwaarde om vervolgonderzoek uit te voeren. Soort en kenmerken van het potentiële effect De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten Het bereik van de milieuaspecten (geografisch en naar grootte van de bevolking gemeten) is lokaal van aard en beperkt. De effecten zijn van een gangbare omvang. Er is geen aanleiding het bereik van het effect, in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport, nader te onderzoeken. De aard van het effect De aard van de effecten zijn in het voorgaande omschreven en zijn zodanig gering dat aanzienlijke milieueffecten zijn uit te sluiten.
In een nader onderzoek naar de aard van de effecten, in het kader van een milieueffectrapport, zien wij geen toegevoegde waarde. Grensoverschrijdende karakter van het effect Gezien de ligging van het plangebied en de effectafstanden is geen sprake van een grensoverschrijdend karakter. Intensiteit en complexiteit van het effect Voor zover beoordeeld kan worden, zijn er geen complexe, onoverzichtelijke effecten te verwachten. De intensiteit en complexiteit van de effecten zijn beperkt en worden voldoende ondervangen. Waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is zeer waarschijnlijk. De effecten tijdens de realisatiefase zijn tijdelijk van aard. De andere effecten treden op bij het gebruik van de woningen en de daarbij gepaard gaande verkeersgeneratie. Deze effecten zijn niet onomkeerbaar, maar wel marginaal. Aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De initiatiefnemer is voornemens in 2025 te starten met het bouwen van het initiatief, om deze voor onbepaalde tijd te gebruiken. Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Zoals beschreven, zijn de verwachte effecten verwaarloosbaar. Er is geen aanleiding mogelijkheden te onderzoeken om effecten doeltreffend te verminderen. Conclusie Het aspect milieueffectenrapportage vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 45
SPA WNP ingenieurs
6
FINANCIËLE UITVOERBAARHEID
6.1
Kostenverhaal
2300577.2200.r04
Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente en de ontwikkelende partij sluiten een anterieure overeenkomst om afspraken, in geval van eventuele kosten, vast te leggen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd. 6.2
Nadeelcompensatie Voor iedere buitenplanse omgevingsplan activiteit wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4.5 Awb.
Pagina 46
SPA WNP ingenieurs
7
2300577.2200.r04
AFWEGING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Lithos Projecten B.V. is voornemens in het zuiden van Groessen aan de Tempelstraat en de Kerkakkers, de woonontwikkeling ‘Bloesemgaarde’ te realiseren bestaande uit 40 woningen. De plannen passen niet binnen het van toepassing zijnde omgevingsplan. Om die reden wordt een vergunning voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. Onderliggende motivering behoort bij de omgevingsvergunning. In dit document is toegelicht op welke wijze het plan zich verhoudt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Uit deze motivering blijkt dat: · de ontwikkeling in lijn is met het Rijks, provinciaal- en gemeentelijk beleid; · de functie passend is in de omgeving en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; · op basis van toetsing aan de omgevingsaspecten het plan geen nadelige effecten heeft voor het milieu en wordt er voldaan aan de instructieregels zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Er zijn om die reden geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
SPA WNP ingenieurs
Pagina 47
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466