3. Vragen BurgerBelangen Optimalisatie vergpr
Tekst van het document
Politieke Avond 14 januari 2025 Vierde optimalisatie vergaderpraktijk Duiven 2025 1. Waarom is op beperkte onderdelen het Reglement van Orde in lijn met de gemeentewet gebracht, maar zijn wijzigingen niet consequent getoetst? Wat is de vraag achter vraag? Wie wordt aangesproken? (1) De (leden van) werkgroep, die namens de raad is ingesteld en/of (2) de griffier die namens de raad is aangesteld en de werkgroep voorbereid en het concept raadsvoorstel redigeert? (1) De Werkgroep Veranderen Vergaderpraktijk is ingesteld per 20 april 2015. Op 10 mei 2022 is unaniem besloten om de werkgroep ook voor de periode 2022-2026 opdracht te geven om de BOB-systematiek en het Reglement van Orde steeds organisch aan te scherpen. De werkwijze van de optimalisatie is steevast geweest dat de griffie alle discussiepunten verzameld die zich in de loop van de tijd voordoen. Vervolgens wordt ruim voorafgaand aan de bijeenkomst van de werkgroep herhaaldelijk uitvraag gedaan onder raadsleden fractieassistenten naar discussiepunten waarover de werkgroep zich zou moeten buigen. Deze verzamelde en vooraf aangedragen punten worden door de griffie uitgewerkt en voorgelegd aan de werkgroep. De werkgroep, waarin alle fracties vertegenwoordigd (mogen) zijn, bespreekt deze constructief hetgeen leidt tot een concept raadsvoorstel.
Dit concept raadsvoorstel, dat door de griffier wordt opgesteld, wordt nogmaals per e-mail voorgelegd aan alle leden van de werkgroep. Vervolgens is het voorstel doorgeleid naar de Agendacommissie. (2) BB heeft zelf ook zitting de in de werkgroep. Indien zij nu, achteraf inconsistenties ziet, kunnen die door de werkgroep worden meegenomen in een vijfde optimalisatie van de vergaderpraktijk. Het actief aandragen van verbeterpunten wordt gewaardeerd en draagt bij aan het verstevigen van de vergaderpraktijk. Vooraf maar ook tot nog toe zijn inconsistenties niet aan de werkgroep geadresseerd of besproken. Vermeende inconsistenties zijn wel achteraf (na het doorgeleiden van de het raadsvoorstel naar de Agendacommissie) vanuit BB gedeeld met de griffier; tussen de fractie BB en de griffier bestaat een verschil van inzicht over de uitleg/toepassing van wetgeving, literatuur en doctrine. 2. Waarom mag de raadsvoorzitter wel het Over en Weer voorzitten? Of en waarom de raadsvoorzitter het Over en Weer mag voorzitten, is geen onderwerp van discussie geweest voor de werkgroep Veranderen Vergaderpraktijk. Artikel 82 lid 4 bepaalt dat enkel een raadslid voorzitter van een raadscommissie kan zijn. “Uit het feit dat raadscommissies intrinsiek raadswerk doen, vloeit naar het oordeel van de regering voort dat het voorzitterschap van een commissie ook in handen van een raadslid is”.
MvT, Kamerstukken II 2000/01 27751, 3, p.102. De term “raadscommissie” is dus gelinkt aan artikel 82 lid 1 Gemeentewet. Niet het woord “commissie” is bepalend, maar de missie c.q. opdracht die de raad aan het door hem ingestelde gremium verbindt. Als de gemeenteraad een gremium instelt die tot taak heeft a. besluiten van de raad voor te bereiden, en/of b. overleg te voeren met het college en de burgemeester, is dat gremium een commissie als bedoeld in artikel 82 lid 1 Gemeentewet. Ook al heet het gremium “politieke markt”,
“forum”, “sessie”, “raadsplein”, ronde c.q. ovale tafel”. Dus is en blijft het verplicht om bijeenkomsten van dit gremium te laten voorzitten door een lid van de gemeenteraad. Indien het Over en Weer wordt gekwalificeerd als “overleg te voeren met het college en de burgemeester” kan de raadsvoorzitter/burgemeester geen voorzitter zijn. Indien het Over en Weer zoals in Duiven expliciet wordt bepaalt als een “moment aan het begin van de raadsvergadering, waarin fractieassistenten en raadsleden mededelingen kunnen doen, vragen gesteld kunnen worden, de lijst ingekomen stukken en de lijst met toezeggingen worden behandeld” (een soort vragenuurtje), kan de raadsvoorzitter/burgemeester naar mening van de griffier prima voorzitter zijn. 3. Waarom is artikel 5 lid 3 niet geschrapt? Het regelement kent geen artikel 5, lid 3 maar uitsluitend artikel 5a, 5b en 5c. Het onderwerp is geen onderwerp van discussie geweest voor de werkgroep Veranderen Vergaderpraktijk. 4. Artikel 51 lid 2 welke commissie kan geheimhouding opleggen en hoe zit dat bij besloten vergaderingen? Betekent dat alleen de aanwezigen van een besloten bijeenkomst de geheimhouding kunnen opheffen en niet meer de gehele gemeenteraad? De huidige procedure, waarin soms een raadsbesluit nodig is om geheimhouding op te heffen, beperkt soms langer dan nodig de ‘beweegruimte’ van de raad.
Dit is eenvoudig op te lossen door de bevoegdheid te mandateren aan de raadsvoorzitter en griffier gezamenlijk. Zij kunnen alleen op voorstel van het college of de commissie die geheimhouding heeft opgelegd, gebruikmaken van dit mandaat. Artikel 51 krijgt hiertoe een lid 2. Het woord “commissie” is overgenomen uit de gemeentewet. Bedoelt wordt, dat als gekozen wordt voor een besloten/geheime politieke avond (ronde en/of debattafel), dat gremium kan besluiten om geheimhouding op te leggen. Indien de geheimhouding is opgelegd door een commissie, kan die verplichting ook worden opgeheven door het orgaan dat de commissie heeft ingesteld. Dit blijkt uit artikel 89, derde lid Gemeentewet. Oftewel: de raad kan door de ronde- debattafel opgelegde geheimhouding opheffen. 5. Waarom is de toelichting niet aangepast? De toelichting is daar waar nodig steeds aangepast (in rood) op de onderwerpen die door de werkgroep zijn behandeld/vastgesteld.