CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 1 - Aandachtsvelden in het Sociaal Domein. Decentralisatie-integraliteit en transformatie (def).pdf

Raadsavond 26 januari 2021, gemeente DuivenBij agendapunt: Beleidsplan 'aandachtsvelden in het sociaal domein' Duiven15.216 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aandachtsvelden in het sociaal domein “decentralisatie, integraliteit en transformatie”

1

Inhoudsopgave

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.

Inleiding, aanleiding en leeswijzer Begrippenkader Analyse gemeente Beschrijving en analyse sociaal domein Specifieke groepen Gemaakte beleidskeuzes Huidige dienstverlening Beleidsdoelstellingen Aanbevelingen en indicatoren Bijlagen

pagina 3 pagina 5 pagina 6 pagina 10 pagina 15 pagina 22 pagina 27 pagina 30 pagina 32 pagina 37

2

1 Inleiding Dit document schetst een beeld van het sociaal domein in de gemeente Duiven, op basis van lokaal beschikbare gegevens. Bij het verzamelen van de gegevens is gebleken dat er enkel gegevens in de gemeentelijke systemen beschikbaar zijn rond de drie grote decentralisaties uit 2015 (Participatiewet, Wet Maatschappelijke Ondersteuning, Jeugdwet). Het betreft zowel een schets van de huidige situatie, alsook een blik op de toekomst. Welke beleidskeuzes zijn er tot nog toe gemaakt, welke doelen worden hierbij nagestreefd en welke dienstverlening is hiervoor ontwikkeld? En zijn de gestelde doelen en geboden dienstverlening in lijn met de wijze waarop het sociaal domein in Duiven zich ontwikkelt? Het overzicht dat hierdoor wordt verkregen helpt nieuwe beleidskeuzes te maken, waarbij indicatoren worden opgesteld die de voortgang van de resultaten van de nieuwe beleidskeuzes bewaken. Het eerder vastgestelde strategisch kader uit de dynamische transformatie agenda dient voor dit document als onderlegger. Aanleiding Bij de decentralisaties in 2015 is er destijds voor het gehele sociaal domein een opdracht tot transformeren geformuleerd. Immers, wanneer gemeenten zorg indiceren voor hun inwoners gebeurt dit dichter bij de inwoners, is de gedachte. In de eerste jaren na de decentralisatie lag de focus op transitie.

Sinds enige tijd is deze focus verschoven van transitie naar transformatie. Deze bestuurlijk en ambtelijk gedragen gedachte is de basis voor het schrijven van een transformatie plan. Daarnaast heeft de rekenkamer een rapport uitgebracht over de integraliteit in het sociaal domein in Duiven. De conclusie van het rekenkamerrapport luidt dat het beleid binnen het sociaal domein in Duiven integraal van aard is. Echter is dit beleid vervolgens slechts in beperkte mate uitgewerkt in uitvoeringsplannen en samenwerkingsconvenanten, en nog onvoldoende SMART geformuleerd. Tevens constateert de rekenkamer dat de basisinformatie nog beter verwerkt kan worden tot beleidsinformatie die zicht biedt op de integrale uitvoering en resultaten in het sociaal domein. Deze beleidsinformatie dient (deels) te worden teruggekoppeld naar de gemeenteraad zodat zij haar kader stellende taak goed uit kan voeren. Hiervoor heeft de rekenkamer aanbevelingen gedaan. Ten slotte is er door financiële ontwikkelingen en een toename in het volume van de ingezette zorg in het sociaal domein sprake van een toenemende behoefte en zelfs noodzaak om grip te krijgen op het sociaal domein. Wie zijn onze klanten, wat bieden wij hen en wat zijn hiervan het effect en de kosten, zijn vragen die dringend een antwoord behoeven.

De aanbevelingen van het rekenkamerrapport dragen zodanig bij aan de transformatie en het verkrijgen van grip op het sociaal domein dat er besloten is de verschillende opdrachten bijeen te voegen om te komen tot het document dat nu voor ligt. Relatie met andere documenten Het is inmiddels bekend dat ook de gemeente Duiven hard moet werken om grip te houden op het sociaal domein. Op diverse manieren wordt geprobeerd dit voor elkaar te krijgen. Zo is er het project “jeugdzorg in de hand”. Tevens is er een proces regisseur aangesteld met de opdracht om op proces niveau te kijken waar er verbeteringen kunnen worden aangebracht. Daarnaast is er een begroting met complementair daaraan bezuiniging voorstellen. En tot slot is er de reeds langer bestaande dynamische transformatie agenda. Dit document probeert aan al die initiatieven complementair te zijn. De aanbevelingen zijn bedoeld om in de komende jaren mee aan de slag te gaan, al naar gelang de urgentie die het onderwerp vraagt. In dat opzicht zal dit document een levend document zijn dat, op basis van nieuwe inzichten, steeds zal veranderen om input te leveren voor te ontwikkelen beleid. Rapportage over de voortgang kan dan plaatsvinden binnen de P&C cyclus en in de kwartaalrapportages. 3

Leeswijzer In dit document wordt allereerst, op basis van lokaal beschikbare gegevens, een beeld geschetst van de gemeente Duiven en specifiek het sociaal domein (hoofdstuk 3 en 4). Daarna worden, op basis van de gemaakte schetsen, aanvullende literatuur en ervaringen van de uitvoering doelgroepen gevormd, waarvoor per doelgroep risicofactoren worden onderscheiden (hoofdstuk 5). Vervolgens zal worden ingezoomd op de manier waarop tot nog toe beleidskeuzes zijn gemaakt (hoofdstuk 6). In hoofdstuk 7 wordt een overzicht gegeven van het huidige aanbod van voorzieningen, waarna dit gekoppeld wordt aan de risicofactoren en huidige staat van het sociaal domein. Hieruit volgen conclusies. Worden alle onderscheiden doelgroepen goed bediend met inachtneming van de risicofactoren? Ten slotte worden op basis van deze analyse de beleidsdoelstellingen SMART geformuleerd (met bijbehorende indicatoren, hoofdstuk 8) en worden aanbevelingen en bijbehorende indicatoren geformuleerd om beter aan te sluiten bij de doelgroepen en de beleidsdoelstellingen (hoofdstuk 9).

4

2 Begrippenkader Nulde lijn of algemene voorziening: Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die door iedereen waarvoor ze bedoeld zijn op eenvoudige wijze en zonder aanvraagprocedure of indicatie te verkrijgen zijn. Onder algemene voorzieningen verstaan we voorzieningen die de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner ondersteunen. Algemene voorzieningen zijn voorliggend aan maatwerkvoorzieningen en dat betekent dat, als er een geschikte algemene voorziening voorhanden is, er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Eerste lijn voorziening: Eerstelijnszorg is zorg waar de inwoner zelf, zonder verwijzing, naartoe kan gaan. Dit kan behandeling zijn door de huisarts, tandarts, fysiotherapeut, maatschappelijk werker of wijkverpleegkundige, maar ook ondersteuning door het lokale sociale team van de gemeente. Tweede lijn voorziening: In de tweede lijn werken zorgverleners die gespecialiseerd zijn. Als een inwoner zorg wil krijgen van een specialist moet de inwoner daar zelf naar vragen. Om in contact te komen met een specialist moet de inwoner eerst bij een eerste lijn zorgverlener zijn geweest, meestal is dat de huisarts, maar dat kan ook het Sociaal Loket. Multi probleem: Van Multi-probleem is sprake als er aanspraak wordt gemaakt op meer dan 2 voorzieningen die uit de verschillende wetten binnen het sociaal domein worden verstrekt.

Kwetsbaar: Kwetsbaar betekent hier dat er sprake is van een gebrek aan hulpbronnen in bijvoorbeeld inkomen, werk, opleiding, lichamelijk functioneren, psychisch functioneren of een beperkt netwerk. (definitie Sociaal Cultureel Planbureau) Integraal werken: Integraal werken betekent dat er samenhang is in de aanpak: een congruente aanpak. We kunnen daarbij twee aspecten onderscheiden: - vanuit het perspectief van de klant/inwoner: een samenhangende aanpak die aandacht heeft voor alle leefgebieden en alle vraagstukken waar de klant mee worstelt. - vanuit organisatorisch perspectief: professionals werken met elkaar samen en stemmen processen, werkwijze en expertise op elkaar af om tot een gezamenlijk plan voor de klant te komen.

5

3 Analyse gemeente Duiven Voor een goede schets van de gemeente Duiven zijn data geclusterd op onderwerp. Inwoneraantal en bevolkingsopbouw Het inwoneraantal van Duiven is 25.332. Het overgrote deel van de inwoners is autochtoon (85.6%). Van de overige groep zijn 8% van de migranten westers, slechts 6% van de inwoners van de gemeente Duiven is niet-westerse migrant. Het aantal inwoners is sinds 2014 licht gedaald (allecijfers.nl). De grootste leeftijdsgroep is die van 45 tot 65 jaar (8.576 inwoners). In totaal zijn er 13.228 mensen ouder dan 45 jaar. De bevolkingsprognose toont aan dat voor Duiven het percentage inwoners van 65 jaar en ouder met 33% zal groeien in 10 jaar, van 4800 naar 6900. Momenteel woont het grootste gedeelte van de 65+ers in Groessen. Daarentegen neemt de bevolking van 20-65 jaar af met 2000 inwoners, en daalt ook het aantal inwoners in de categorie 0-20 jarigen, van 5400 naar 4300. Deze laatste daling is al enkele jaren ingezet (CBS). Het beleid van de gemeente Duiven is er wel op gericht om deze daling een halt toe te roepen waardoor het inwoners aantal in de toekomst stabiel kan blijven. Op dit moment is er echter nog sprake van vergrijzing én ontgroening in Duiven. Tabel 1: Demografische gegevens Duiven

Bron: allecijfers.nl Figuur 1: Bevolkingsprognose Duiven

6

Volwassenen en ouderen Bouwen en wonen Het totaal aantal woningen in Duiven is 10.707. Een aanzienlijk deel hiervan bestaat uit koopwoningen (66%), er is slechts een kleine particuliere huursector. Het grootste gedeelte van de huizen is ouder dan 30 jaar, tevens is er een grote groep huizen 20-30 jaar oud. Slechts 11% van de huizen is na 2000 gebouwd (bron: allecijfers.nl). Wat betreft de sociale huurwoningen (27% van totaal) heeft Vivare 75% van de markt in handen. Figuur 2: Verdeling inwoners per wijk Duiven

Bron: allecijfers.nl De inwoners van gemeente Duiven wonen voornamelijk in Duiven Noord en Duiven Zuid. De dorpen Groessen en Loo zijn dunbevolkt (zie figuur 2).

7

Werk en inkomen Per 100 inwoners zijn er in de gemeente Duiven 25% meer banen dan gemiddeld in Nederland. Duiven is door zijn geografische ligging net voor/over de grens met Duitsland, en aan de belangrijke snelweg A12 een ideale tussenstop voor de transportsector. De meeste banen in Duiven hebben dan ook betrekking op zakelijke dienstverlening en handel. Tevens is het aantal bijstandsgerechtigden laag. Per 1000 inwoners zijn dit er 28, tegenover gemiddeld 40 in Nederland. Duiven lijkt te hebben geprofiteerd van de goede economische ontwikkeling in Nederland. Het percentage bijstandsgerechtigden is de laatste jaren licht gedaald. Tevens zijn er 45% minder lopende re-integratie voorzieningen dan het landelijk gemiddelde. Het gemiddeld inkomen per inwoner is 24.000 euro (uitsplitsing per wijk mogelijk op https://allecijfers.nl/gemeente/duiven/). Duiven zit hiermee boven ongeveer twee derde van de Gelderse gemeenten (grafiek 1). Het gemiddeld inkomen per inkomensontvanger ligt op 30.300 euro.

Grafiek 1: Inkomensvergelijking gemeenten in Gelderland

Mantelzorgers 16% van de bevolking in Duiven geeft aan mantelzorger te zijn. Gemiddeld is in Nederland 12% van alle volwassenen mantelzorger (Centraal Planbureau). Deze mantelzorgers spenderen gemiddeld 9,5 uur per week aan deze taken (bronzorg.nu). Dit betekent dat in Duiven 4050 mensen mantelzorger zijn (bron allecijfers.nl). Laaggeletterdheid Duiven kent 14% laaggeletterden, dat zijn 3.540 inwoners (bron www.geletterdheidinzicht.nl). Dit is bovengemiddeld. Armoede Het aantal gezinnen met een laag en langdurig laag inkomen en kinderen met armoede risico ligt op 5,4 % in Duiven. Jeugd en jongeren In Duiven zijn in totaal zo’n 7000 inwoners jonger dan 25 jaar, waarvan 3.792 inwoners onder de 15 jaar. Deze groep maakt iets boven het landelijk gemiddelde gebruik van jeugdhulpvoorzieningen (CBS.nl). Positief is dat veruit de meeste jeugdhulpvoorzieningen volgens planning worden 8

afgesloten (86%, allecijfers.nl). Minder positief is dat het effect van de hulpverlening over 2018 lager is beoordeeld dan over 2017 (Cliënt ervaringsonderzoek Jeugd). Ook de ervaren kwaliteit van de hulpverleners wordt onder het landelijke gemiddelde beoordeeld. De grootste verwijzer naar jeugdhulp is de huisarts (55%), en daarna de gemeentelijke toegang (35%). In Duiven groeien weinig kinderen op in een uitkeringsgezin, waardoor deze groep kwetsbare kinderen niet zo groot is (bron: CBS). Tevens zit het percentage voortijdig schoolverlaters, een kwetsbare groep jongeren, onder het landelijk gemiddelde. Wel zit Duiven iets boven het landelijk gemiddelde kinderen met een handicap. Conclusies schets gemeente Duiven Duiven is een gemeente waar zowel vergrijzing als ontgroening plaatsvindt. Duiven is grofweg verdeeld in twee gebieden, het centrum van Duiven en de omliggende dorpen als Groessen en Loo. De problematiek die speelt in deze twee gebieden verschilt enigszins van elkaar. Zo wonen er relatief veel ouderen in de omliggende dorpen, en speelt jeugdproblematiek zich voornamelijk af in het dorp Duiven zelf. De woningen in Duiven zijn veelal ouder dan 30 jaar en daardoor niet levensloopbestendig. Er zijn veel koopwoningen. Duiven kent relatief veel laaggeletterden. Het percentage werklozen in Duiven ligt onder het landelijk gemiddelde.

De jongeren in Duiven doen iets bovengemiddeld een beroep op jeugdhulp.

9

4 Beschrijving en analyse sociaal domein Sociaal domein; een afbakening Onder de term ‘sociaal domein’ verstaan we alle inspanningen die de gemeente verricht rond werk, participatie en zelfredzaamheid, zorg en jeugd, op basis van de WMO 2015, de Participatiewet, Jeugdwet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. In de ruime, integrale zin van het woord vallen onder ‘sociaal domein’ ook alle aanverwante taken. Zoals handhaving bij leerplicht, het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten, passend onderwijs, leerlingenvervoer, de reguliere en bijzondere bijstand, schuldhulpverlening, sport en cultuur en de (jeugd)gezondheidszorg. In dit document beperken wij ons tot de grootste opgaven in het sociaal domein: maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en participatie. Binnen deze terreinen zijn de vragen naar dienstverlening het grootst. Volwassenen Voorzieningen In Duiven bestaat veruit het grootste deel van de WMO-voorzieningen uit hulp bij het huishouden (grafiek 2). Waar de overige WMO-voorzieningen, zoals begeleiding, dagbesteding en vervoer over alle leeftijdsgroepen vanaf 20 jaar vrijwel gelijk blijft, stijgt het aantal mensen met hulp in het huishouden explosief vanaf de leeftijdsgroep 60-70 jaar. Grafiek 2: aantal unieke cliënten in 2019 met WMO-voorziening Duiven 350 300 250 200 hbh

150 100

begeleiding/dagbst/vervo er etc

50 0

Bron: eigen berekeningen Hoewel hulp bij het huishouden duur is voor de gemeente komt dit voornamelijk door de hoeveelheid mensen die dit ontvangen. De duurste cliënten blijken de cliënten die begeleiding ontvangen. Aan de vijf cliënten in de WMO waar de gemeente Duiven over 2019 het meest aan uitgaf kwamen de kosten in totaal op ongeveer 135.000 euro. Naast de WMO-voorzieningen wordt er in Duiven gebruik gemaakt van hulpmiddelen die onder de WMO vallen. Hieronder worden onder andere de rolstoelen, vervoersmiddelen als een scootmobiel en vervoerspassen verstaan. Het blijkt voor de gemeente lastig exact in te schatten wat de kosten voor vervoersvoorzieningen en rolstoelen zijn over een jaar. In 2019 is er op beide hulpmiddelen een tekort ontstaan op de begroting van zo’n 60.000 euro. Grafiek 3 laat zien dat ook hier de grootste 10

afnemers de groep 80 jaar en ouder is, waarbij dit aantal al toeneemt vanaf 60+. De kanttekening is daarbij dat vooral de vervoerspassen toenemen vanaf 60+, het aantal unieke cliënten met een rolstoel daalt weer vanaf 70+. Grafiek 3: aantal unieke cliënten met hulpmiddel op 21-02-20 Duiven 300 250 200 150

rolstoel vervoersmiddel

100

vervoerspas 50 0 tot 20 20 tot 30 tot 40 tot 50 tot 60 tot 70 tot 80 jaar jaar 30 jaar 40 jaar 50 jaar 60 jaar 70 jaar 80 jaar en ouder

Bron: eigen berekeningen

Dat ouder worden, naast een vermindering van het vermogen om het eigen huishouden te doen, ook leidt tot andere kwetsbaarheden bij ouderen blijkt uit de cijfers van Welzijnsstichting Mikado. Voor de groep 65+ers beantwoordt Mikado 80 hulpvragen per jaar voor informatie en advies en bedient zij 20 senioren per week voor collectieve activiteiten. Daarnaast voert Mikado activerende huisbezoeken uit. Begin 2019 liepen er bij Mikado 78 trajecten voor eenzame ouderen en kwamen er voor deze trajecten nog eens 20 nieuwe aanvragen binnen (komend via huisartsen, praktijk ondersteuner bij de huisartsen, thuiszorg, keten dementie). Aanbieders Voor alle voorzieningen, begeleiding en hulp in het huishouden zijn in Duiven in totaal 76 aanbieders. Zij verzorgden over 2019 samen 1836 voorzieningen, waarvan er liefst 1030 zijn afgegeven voor hulp in het huishouden. Gezien het feit dat hulp bij het huishouden, getuige grafiek 2, leeftijdsgebonden is, zal deze voorziening de komende jaren explosief toenemen. Ook het aantal afgegeven voorzieningen voor begeleiding ligt relatief hoog; 484. Dit blijkt echter niet leeftijdsgebonden, waardoor deze kosten ongeveer gelijk zullen blijven, of zelfs iets zullen afnemen gezien het iets dalende inwoneraantal de komende jaren. De relatief dure kostenpost vervoersdiensten is in 2019 99 keer afgegeven.

Werk en Inkomen De 569 klanten die de RSD in 2019 voor Duiven heeft gezien bestonden voornamelijk uit de twee subgroepen ‘Klanten Zorg en Ondersteuning’ (303) en ‘Klanten Unit Werk’ (253). De groep zorg en ondersteuning heeft betrekking op klanten waarvoor geen aanbod bestaat op de arbeidsmarkt, of waar pas op langere termijn aanbod voor komt. De groep Unit werk is wel op kortere termijn beschikbaar voor de arbeidsmarkt of te activeren. Over 2019 zijn 108 klanten in Duiven ingestroomd bij de RSD. Van deze 108 waren er 19 klanten die binnen 6 maanden terug instroomden nadat zij niet langer een klant van de RSD waren. De grootste 11

groep instromers betreft de groep die ontslag heeft gekregen, maar een bijna net zo grote groep klanten betreft indirecte terugstroom, door bijvoorbeeld een echtscheiding (44). Deze groep moet niet vergeten worden in het beleid, het gaat niet altijd om het ontslag op werk zelf, maar zeker ook over randzaken of veranderingen op andere levensdomeinen die zorgen voor instroom bij de RSD. Het klantenbestand van de unit werk (253 klanten) minus klanten in trede zes (niet werk fit) is over 2019 grotendeels opgepakt door de RSD. 85% van deze klanten is aan de slag met een actief traject. Over heel 2019 zijn er in totaal 81 klanten uitgestroomd naar betaald werk. Over 2018 ligt het percentage dat duurzaam uitstroomt op 78%. De verwachting is derhalve dat van de groep die uitstroomt een overgroot deel ook in 2019 duurzaam uitstroomt. Stapeling van voorzieningen In gezinnen waar sprake is van Multi-problematiek valt op dat er op het gebied van werk en inkomen, en op het gebied van jeugdhulp, vaak stapeling van voorzieningen plaatsvinden die zorgen dat er op één adres meerdere ondersteuningsvormen te vinden zijn binnen hetzelfde beleidsterrein. Wanneer er sprake is van schuldhulpverlening zit daar vaak ondersteuning vanuit de bijzondere bijstand of een participatietraject bij. Tussen beleidsterreinen zijn er koppelingen die vaker dan gemiddeld voorkomen.

Zo valt op dat er relatief vaak een stapeling is te vinden van voorzieningen op het gebied van werk en inkomen en WMO-ondersteuning. Jeugd In Duiven zijn in totaal 1064 unieke cliënten die enige vorm van een jeugdvoorziening ontvangen. Er is hierbij sprake van een toename over de afgelopen vijf jaar. Tevens zit het verbruik in Duiven boven gemeenten met een vergelijkbare grootte (zie grafiek 4). Verreweg de meeste van de jongeren (551) zijn in behandeling bij de Jeugd GGZ. Van deze groep komen de meeste kinderen uit de leeftijdscategorie 10 tot 16 jaar. Opvallend is ook het hoge aantal kinderen dat al bij de JGGZ loopt in de leeftijdsgroep 5 tot 10 jaar (119). Het aantal kinderen dat dagbesteding/begeleiding/behandeling ontvangt buiten JGGZ is 376. Ook hier is de grootste groep kinderen tussen de 10 en 16 jaar. Grafiek 4: Jongeren met jeugdhulp (in % van alle jongeren tot 18 jaar)

Bron: Kwartaalmonitor

12

In totaal zaten er in 2019 70 kinderen in verblijf, de voor de gemeente duurste vorm van Jeugdhulp. 67 kinderen krijgen ondersteuning van Jeugdbescherming. Logischerwijs lopen deze aantallen op per leeftijdscategorie. Bij deze trajecten gaat vaak de inzet van ondersteuning of JGGZ vooraf. De vijf ‘duurste’ jeugdigen, waarbij het voornamelijk om verblijfsproducten gaat, kosten de gemeente Duiven samen ruim een half miljoen euro. Van de top tien ‘duurste’ zorgaanbieders gaat het bij zowel de nummer een en twee om zorgaanbod met verblijfsproduct. Tabel 2: Aantal unieke cliënten in 2019 met Jeugd-voorziening Duiven leeftijdscategorie tot 5 jaar 5 tot 10 jaar 10 tot 16 jaar 16 jaar en ouder

begel/dagbst/behand 29 101 156 90 376

bescherming 2 10 26 29 67

GGZ 6 119 281 145 551

Verblijf 2 10 22 36 70

Het aantal cliënten met en aantal voorzieningen uit een PGB voor jeugd neemt jaarlijks af. Desondanks zijn de uitgaven in 2019 ongeveer gelijk aan die van 2018. Figuur 3: Cliënten en voorzieningen vanuit PGB 80

PGB jeugd

60 40

aantal unieke clienten

20

aantal voorzieningen

0

2017

2018

2019

Bron: Kwartaalmonitor Stapeling van voorzieningen In gezinnen waar sprake is van Multi-problematiek valt op dat er op het gebied van werk en inkomen, en op het gebied van jeugdhulp, vaak stapeling van voorzieningen plaatsvinden die zorgen dat er op één adres meerdere ondersteuningsvormen te vinden zijn binnen hetzelfde beleidskader. Wanneer er sprake is van jeugdhulp, gaat dit veelvuldig gepaard met psychiatrische inzet, of is dit gecombineerd met verblijf of ambulante hulpverlening. Positief is dat de inzet van jeugdhulp vaak beperkt blijft tot een stapeling van jeugdhulp producten, maar niet per definitie gekoppeld raakt aan WMO-voorzieningen of participatietrajecten. Dit betekent dat de inzet van jeugdhulp geen ontwrichtend effect lijkt te hebben op andere levensdomeinen waardoor het aantal voorzieningen op één adres toeneemt. Samenvattend Uit de analyse komen een aantal zaken naar voren. Deze zullen hier puntsgewijs worden opgesomd. Allereerst is er sprake van vergrijzing. Met de stijging in het absolute en procentuele aantal ouderen zal dit een belangrijk thema binnen het sociaal domein worden. Hulp in het huishouden blijkt een voorbeeld van ondersteuning die erg leeftijdsgebonden is. Hulp in het huishouden is vaak lastig te 13

ondervangen met een lichtere vorm van ondersteuning, er bestaat nog geen alternatief. Voor andere vormen van begeleiding en ondersteuning moet duidelijk worden of het aanbod dat nu al bestaat in de nulde- en eerste lijn voldoende is om het beroep op voorzieningen in de tweede lijn te ontlasten. Door de vergrijzing zullen het beroep dat hierop wordt gedaan waarschijnlijk toenemen. Ten tweede vallen twee zaken op rond de ontgroening. Ten eerste valt op dat er, ondanks de al ingezette ontgroening, geen daling zichtbaar is in de inzet van het aantal jeugdvoorzieningen. Uit de analyse blijkt juist dat er bij jeugdhulp veelal een stapeling plaatsvindt van jeugdvoorzieningen. Ten tweede zorgt de ontgroening voor een daling in het aantal mogelijke mantelzorgers. Dit wordt als indirecte risico factor later verder uitgelegd. De verwachting is dat dit zorgt voor een toename in het aantal hulpvragen in de eerste en tweede lijn. Een derde aandachtspunt is dat GGZ-problematiek binnen het Sociaal Domein over de gehele breedte wordt benoemd als meest voorkomend. In de lokale toegang wordt geconstateerd dat GGZproblematiek veelal onderliggend of bijkomend is aan andere problematiek. Zowel consulenten die een focus hebben op jeugd als WMO of cliëntondersteuning, melden dat zij veelvuldig met psychiatrische problematiek in aanraking komen in Duiven.

In bredere zin zien we in Nederland een stijging van het aantal mensen met verward gedrag. Overige onderwerpen waar de uitvoering veelvuldig mee in aanraking komt zijn problematiek in het autistisch spectrum, inwoners met niet aangeboren hersenletsel, problematiek als gevolg van een licht verstandelijke beperking en psychogeriatrische klachten zoals dementie. Pas daarna volgt een maatschappelijke kwestie als echtscheidingsproblematiek. De focus van de uitvoering ligt dus vooral op psychische en cognitieve kwesties. Het vierde aandachtspunt betreft een deel van het klantenbestand van de RSD. Waar in de media en politiek vaak uitgegaan wordt van enkelvoudige problematiek als het verliezen van een baan, blijkt uit de analyse dat bijna de helft van de instroom bij de RSD uit Duiven klanten zijn die instromen vanwege problematiek op andere leefdomeinen, zoals echtscheidingsproblematiek. Hier is in het kader van integraliteit vanuit werk en inkomen de verbinding met de WMO mogelijk, om deze kwetsbare groep passend te ondersteunen. Ten slotte blijkt uit de maatschappelijke ontwikkelingen dat er de komende jaren extra aandacht uit zal gaan naar statushouders. Met de nieuwe Wet Inburgering, die ingaat in 2021, wordt de gemeente verantwoordelijk voor de inburgering van de statushouders.

Dit biedt de gemeente de kans om nauwer in contact te komen met deze groep, veelal, kwetsbare inwoners. Uitvraag naar de behoeften van deze groep kan aanbod op maat betekenen en een snelle integratie in de samenleving.

14

5 Specifieke doelgroepen Voordat wordt overgegaan tot het benoemen van risicofactoren voor volwassenen en ouderen en jeugd is het belangrijk te nuanceren dat deze risicofactoren slechts inhouden dat de kans toeneemt dat een inwoner uit een doelgroep (uiteindelijk) in de ondersteuning of hulpverlening terechtkomt. Met het overgrote deel van de inwoners in Duiven gaat het goed. Het grote merendeel van de inwoners maakt geen gebruik van ondersteuning en is gelukkig in Duiven. Dit geldt zowel voor kinderen, jongvolwassenen, volwassenen en ouderen. Risicofactoren volwassenen en ouderen In onderstaande tabel zijn voor volwassenen en ouderen een groot aantal risicofactoren benoemd. Al deze factoren kunnen er toe leiden dat een inwoner moeilijker meedraait in de maatschappij, en mogelijk gebruik gaat maken van voorzieningen. De risicofactoren zijn uitgesplitst per levensfase + context en leefdomein. De gedefinieerde levensfasen zijn volwassen met kinderen alleenstaand (1), volwassen met kinderen samenwonend (2), volwassen zonder kinderen alleenstaand (3), volwassen zonder kinderen samenwonend (4), 70 plus alleenstaand (5) en 70 plus samenwonend (6). De leefdomeinen zijn uitgesplitst in geestelijk (1), lichamelijk (2), sociaal (3), inkomen (4) en huisvesting (5).

Deze leefdomeinen zijn bepaald op de kennis en caseload van consulenten in Duiven, en algemeen bekende leefdomeinen in het sociaal domein. Volwassen met kinderen alleenstaand Bij volwassenen met kinderen die alleenstaand zijn (eenoudergezin) spelen op psychisch/cognitief vlak enkele cognitieve zaken. Zo zijn LVB-problematiek en GGZ-problematiek risicofactoren. Verder zijn factoren als opvoedingsproblematiek, het gebruik van verdovende middelen en overbelasting zaken die hier terug komen. Indien aanwezig kan de geestelijke gesteldheid van een inwoner worden aangetast. In bredere zin kan de afwezigheid van voldoende mogelijkheden om zelf regie te voeren over het eigen leven worden beschouwd als risicofactor. Lichamelijke risico’s zijn een lichamelijke beperking, zwakke gezondheid, overgewicht en chronische aandoeningen. Ook wanneer iemand beschikt over een zwak sociaal netwerk en ervaart in een sociaal isolement te zitten brengt dit risico’s. Ten slotte zijn een lage SES, werkloosheid, armoede, slechte of afwezigheid van huisvesting en gebrek aan sociale cohesie en groenvoorzieningen in de wijk risicofactoren. Volwassen met kinderen samenwonend Veel van de genoemde risicofactoren gelden ook voor gezinnen met twee volwassenen. Echtscheidingsproblematiek kan worden toegevoegd aan de risicofactoren die op het psychisch/cognitief gestel van invloed zijn.

Uiteraard kan echtscheidingsproblematiek ook van invloed zijn op het sociaal contact, inkomen en huisvesting. De kans op een sociaal isolement is kleiner wanneer men samenwoont, vandaar wordt deze niet genoemd. Wat betreft de overige risicofactoren zijn deze hetzelfde als de risicofactoren bij volwassenen met kinderen in een eenoudergezin. Volwassen zonder kinderen alleenstaand Voor de volwassenen zonder kinderen en partner gelden alle eerder genoemde risicofactoren, met uitzondering van de echtscheidingsproblematiek. De kans op een sociaal isolement is echter groter, en derhalve een risicofactor. Volwassen zonder kinderen samenwonend 15

Voor volwassenen zonder kinderen, maar met inwonende partner, gelden alle bovengenoemde risicofactoren inclusief de echtscheidingsproblematiek, met uitzondering van het sociaal isolement. 70 plus en alleenstaand Wanneer inwoners eenmaal de leeftijd van 70 jaar gepasseerd zijn veranderen enkele van de grootste risicofactoren binnen de psychisch/cognitieve factor. Zo neemt de kans op een depressie, dementie, eenzaamheid en verwardheid toe. Ook de kans op het verlies van naasten groeit. Risicofactoren die blijven staan zijn middelengebruik en het beschikken over onvoldoende mogelijkheden voor het voeren van regie over het eigen leven. Ook lichamelijke risicofactoren veranderen. Op deze leeftijd komt de zelfredzaamheid in huis in het geding, wordt eten soms moeilijker, worden activiteiten buitenshuis beperkt (wat ook van invloed is op een isolement en vermindering van het sociaal netwerk). Het inkomen neemt vaak wat af, wat risico’s met zich meebrengt. In huis kunnen valpartijen plaatsvinden. Ook de sociale cohesie in de wijk bepaalt deels of iemand thuis kan blijven wonen. 70 plus en samenwonend Inwoners van 70 jaar of ouder die samenwonen hebben als voordeel dat de risico’s op eenzaamheid kleiner zijn. Verder zijn de risicofactoren overeenkomstig met inwoners van 70 jaar en ouder die alleenstaand zijn.

Risicofactoren die extra aandacht verdienen Het aantal mensen met dementie zal als gevolg van de vergrijzing in de toekomst explosief stijgen naar meer dan een half miljoen in 2040. Tot 2050 zal het aantal mensen met dementie verder oplopen naar ruim 620.000. Ook voor Duiven zal, gezien de bevolkingsopbouw, in toenemende mate sprake zijn van deze problematiek. Een prognose voor de gemeente Duiven geeft een stijging aan van 40% meer dementerenden, van 380 in 2020 naar 540 in 2030 (www.alzheimer.nl). Dementie is derhalve een risicofactor die aandacht verdient. Daarnaast wordt er een groep erkend die deels overlap heeft met de groep dementerenden. Dit zijn de inwoners met zogenaamd verward gedrag. Het landelijk schakelteam geeft voor deze groep de volgende definitie; ‘Het gaat om mensen die de grip op hun leven (dreigen te) verliezen, waardoor het risico aanwezig is dat zij zichzelf of anderen schade berokkenen. Mensen met vaak verschillende aandoeningen of beperkingen, veelal in combinatie met verschillende levensproblemen (schulden, dakloosheid, werkloosheid, verlies van dierbaren, gebrek aan participatie, onverzekerd zijn, illegaliteit, etc.)’. Door verschillende omstandigheden kan de situatie ontstaan dat zij eenmalig of chronisch in problemen komen, grip op hun leven verliezen en daardoor overlast veroorzaken of zelfs in het strafrechtelijk circuit belanden.

De politie registreerde landelijk in 2017 83.602 meldingen waarbij een verward persoon betrokken was. In 2018 waren dat er 90.205. Het aantal verwarde personen dat zijn plek zoekt in de maatschappij loopt dus op. Tot slot zijn er ook de kwetsbare ouderen. Als gevolg van de demografische ontwikkelingen is dit een groeiende groep mensen die een beroep zullen gaan doen op de gemeente om thuis te kunnen blijven functioneren. In de huidige bevolkingsopbouw van Duiven valt op dat vooral de groep bewoners van 45 tot 65 jaar groot is. Hierdoor neemt de komende jaren het aandeel 65 jaar en ouder toe. Vergelijken we dit met de rest van Nederland dan start de vergrijzing in Duiven iets eerder dan het gemiddelde van Nederland. Verwacht wordt dat Duiven dan ook eerder geconfronteerd wordt met kwetsbare ouderen die ondersteuning nodig hebben, dan de rest van Nederland. Indirecte risicofactor: daling in ondersteuning uit maatschappij De groep mantelzorgers en vrijwilligers wordt steeds kleiner en daardoor steeds zwaarder belast. Inwoners tussen de 55 en 75 jaar vormen een belangrijke groep mantelzorgers en vrijwilligers. Nu zijn er nog 31 potentiele mantelzorgers/vrijwilligers per 10 ouderen. In de komende jaren zal die 16

verhouding verschuiven en blijven er nog maar 13 over op iedere tien ouderen. Door de vergrijzing en het feit dat mensen langer zelfstandig blijven wonen zal de behoefte aan mantelzorgers en vrijwilligers de komende jaren alleen maar toenemen. Om ervoor te zorgen dat deze groep de aandacht krijgt die nodig is wordt deze groep als specifieke doelgroep benoemt.

17

Volwassen met kinderen alleenstaand

Volwassen met kinderen samenwonend

Volwassen zonder kinderen alleenstaand

Volwassen zonder kinderen samenwonend

70 plus alleenstaand

70 plus samenwonend

Psychisch/cognitief

Lichamelijk

Sociaal

Inkomen

Huisvesting

Licht verstandelijk beperkt, NAH, laaggeletterd, GGZ problematiek, opvoedingsproblematiek , onvoldoende mogelijkheden voor het voeren van regie over het eigen leven/risico op overbelasting, Alcohol en drugs Licht verstandelijk beperkt, laaggeletterd, GGZ problematiek, opvoedingsproblematiek , onvoldoende mogelijkheden voor het voeren van regie over het eigen leven, risico op overbelasting, echtscheidingsproblematiek, alcohol en drugs Licht verstandelijk beperkt, laaggeletterd, GGZ problematiek, risico op eenzaamheid, onvoldoende mogelijkheden voor het voeren van regie over het eigen leven, alcohol en drugs Licht verstandelijk beperkt, laaggeletterd, GGZ problematiek, onvoldoende mogelijkheden voor het voeren van regie over het eigen leven, echtscheidingsproblematiek, alcohol en drugs Risico op depressie, dementie, eenzaamheid, verwardheid, verlies van naasten, onvoldoende mogelijkheden voor het voeren van regie over het eigen leven, alcohol en drugs

Lichamelijke beperking, zwakke gezondheid, chronische aandoeningen, overgewicht

Zwak sociaal netwerk, onvoldoende geestelijke capaciteiten om een sociaal netwerk te onderhouden, sociaal isolement Zwak sociaal netwerk, onvoldoende geestelijke capaciteiten om een sociaal netwerk te onderhouden

Werkloosheid, laag inkomen, armoede, onvoldoende inkomen voor noodzakelijk onderhoud aan de woning/vervoer/sociale en culturele activiteiten, gezonde voeding, lage SES

Slechte huisvesting, gebrek aan sociale cohesie in de wijk, onvoldoende groen rondom de woning

Werkloosheid, laag inkomen, armoede, onvoldoende inkomen voor noodzakelijk onderhoud aan de woning/vervoer/sociale en culturele activiteiten, gezonde voeding, lage SES

Slechte huisvesting, gebrek aan sociale cohesie in de wijk, onvoldoende groen rondom de woning

Lichamelijke beperking, zwakke gezondheid, chronische aandoeningen, overgewicht

Zwak sociaal netwerk, onvoldoende geestelijke capaciteiten om een sociaal netwerk te onderhouden, sociaal isolement

Werkloosheid, laag inkomen, armoede, onvoldoende inkomen voor noodzakelijk onderhoud aan de woning/vervoer/sociale en culturele activiteiten, gezonde voeding, lage SES

Slechte huisvesting, gebrek aan sociale cohesie in de wijk, onvoldoende groen rondom de woning

Lichamelijke beperking, zwakke gezondheid, chronische aandoeningen, overgewicht

Zwak sociaal netwerk, onvoldoende geestelijke capaciteiten om een sociaal netwerk te onderhouden

Werkloosheid, laag inkomen, armoede, onvoldoende inkomen voor noodzakelijk onderhoud aan de woning/vervoer/sociale en culturele activiteiten, gezonde voeding, lage SES

Slechte huisvesting, gebrek aan sociale cohesie in de wijk, onvoldoende groen rondom de woning

Zelfredzaamheid in huis komt in het geding, beperkte mogelijkheden tot activiteiten buitenshuis, verslechterde voedingstoestand Zelfredzaamheid in huis komt in het geding, beperkte mogelijkheden tot activiteiten buitenshuis, verslechterde voedingstoestand

Onvoldoende geestelijke capaciteiten om een sociaal netwerk te onderhouden

Onvoldoende inkomen voor noodzakelijk onderhoud aan de woning/vervoer/sociale en culturele activiteiten/gezonde voeding

Valrisico, zelfstandig wonen, sociale cohesie in de wijk

Onvoldoende geestelijke capaciteiten om een sociaal netwerk te onderhouden

Onvoldoende inkomen voor noodzakelijk onderhoud aan de woning/vervoer/sociale en culturele activiteiten/gezonde voeding

Valrisico, zelfstandig wonen, sociale cohesie in de wijk

Risico op depressie, dementie, verwardheid, verlies van naaste, alcohol en drugs

Lichamelijke beperking, zwakke gezondheid, chronische aandoeningen, overgewicht

18

Risicofactoren Jeugd In onderstaande tabel zijn voor jeugdigen risicofactoren benoemd. Al deze factoren kunnen er toe leiden dat een kind moeilijker meedraait in de maatschappij, en zichzelf onvoldoende weet te ontplooien om als volwassene zelfstandig te kunnen meedoen. De risicofactoren zijn uitgesplitst per levensfase en context. De gedefinieerde levensfasen zijn zwangerschap (1), vroege kindertijd (2), basisschoolleeftijd (3), adolescentie (4) en jongvolwassen (5). De context is uitgesplitst in ouders/gezin (1), kind/jeugd (2), school (3) en wijk (4). Deze indeling is gebaseerd op informatie van het Nederlands Jeugdinstituut en het door de gemeente Rotterdam ontwikkelde factorenmodel (binnen het programma Rotterdam Groeit1). Het factorenmodel is opgesteld vanuit een combinatie van de ervaringen van de gemeente Rotterdam, en wetenschappelijke studies naar risicofactoren onder kinderen. Zwangerschap Tijdens de zwangerschap zijn er niet op alle contextuele vlakken risicofactoren te vinden. De grootste risicofactoren liggen in deze levensfase bij de ouders. Zo kan er een genetische afwijking zijn die wordt doorgegeven aan het kind, of kan er sprake zijn van middelengebruik bij de ouder(s), van een eenoudergezin, lage SES, groot kindertal, delinquentie van de ouder(s), instabiele geestelijke gesteldheid van de ouder(s), huiselijk geweld of anders taligheid van de ouder(s).

Ook de wijk brengt eventuele risico’s met zich mee. Zo is het ontbreken van stabiele huisvesting en armoede in de wijk een risicofactor. Vanuit school en het kind zelf zijn hier nog geen risicofactoren. Vroege kindertijd In de vroege kindertijd blijven de meeste risicofactoren vanuit de ouders relevant. Wat wordt toegevoegd aan de risicofactoren, gezien er nu actief voor het kind gezorgd moet worden, zijn de emotionele beschikbaarheid van de ouders, opvoedcompetenties en eventuele schulden- en LVBproblematiek van ouders. Ook kan het kind zelf in deze fase aanlopen tegen vroege trauma’s en hechtingsproblematiek, gezondheidsproblematiek en taalontwikkeling. Voor het kind is het daarnaast van belang dat er in de wijk sprake is van een voldoende en goed aanbod van zorgvoorzieningen. Basisschoolleeftijd Gedurende de basisschoolleeftijd komen de eerste risicofactoren op school naar voren. Zo is de afwezigheid van een positief en stimulerend schoolklimaat een risico, evenals (on)veiligheid, de kwaliteit van de docent en de betrokkenheid van ouders en school bij het kind. Tevens kunnen op deze leeftijd stoornissen bij het kind een belemmering gaan vormen om voldoende mee te komen, schoolprestaties tegenvallen, kan er overgewicht ontstaan, en is (de eventuele afwezigheid van) het probleem-oplossend vermogen van een kind voor het eerst goed zichtbaar.

In de wijk beginnen op deze leeftijd ook de afwezigheid van speelvoorzieningen, verkrijgbaarheid van softdrugs en eventuele werkloosheid risico’s te vormen voor het kind. De risicofactoren vanuit de ouders blijven ongewijzigd. Adolescentie In de adolescentie ontwikkeld het kind zijn eigen identiteit. Hier loopt het kind een risico wanneer deze identiteitsontwikkeling stokt, of een radicale afslag neemt. Ook middelengebruik, LVBproblematiek van het kind zelf en mentale en fysieke gezondheidsklachten zijn risicofactoren. Op school komen daar pestgedrag, spijbelen en criminele vrienden bij. Op wijkniveau spelen de sociale cohesie, discriminatie en werkloosheid een steeds grotere rol, naast eerder genoemde risicofactoren. Vanuit de ouders blijven de risicofactoren hier ongewijzigd. 1

Pag. 36. https://www.rotterdam.nl/wonen-leven/jeugd/RapportBeleidskaderJeugd.pdf

19

Jongvolwassen Dit verandert in de laatste fase; die van jongvolwassenheid. Hier hebben de risicofactoren die vanuit de ouders spelen grotendeels hun (blijvende) invloed gehad, maar kan het kind zich steeds meer loswerken van de ouderlijke situatie. Hier gaat het vooral om de keuzes die het kind zelf maakt, zoals een verkeerde studiekeuze en het hebben van criminele vrienden op school. Het kind kan kiezen zich weg te houden van participatie en burgerschap, schoolsucces of zelf in de gevangenis belanden. In de wijk worden criminaliteitscijfers in deze levensfase toegevoegd als risicofactor voor de jongere. Al deze risicofactoren zijn dus direct of indirect van invloed op het gezond, gelukkig en veilig opgroeien van een kind. Bij de aanwezigheid van een of enkele risicofactoren valt er vaak vanuit een andere hoek voldoende te corrigeren om toch te zorgen dat het kind zonder problemen groot wordt en mee kan in de maatschappij.

Maar wat gebeurt er als er meerdere risicofactoren tegelijk zijn en deze ook nog van invloed zijn op elkaar? Risicofactoren en Multi probleemgezinnen; invloed op het kind Een Multiprobleemgezin is een gezin met minstens één volwassene en minstens één kind van 0-18 jaar, die samenleven in een gezamenlijk huishouden waarin problemen bestaan in elk van de volgende kernprobleemgebieden: - problemen op sociaaleconomisch gebied - problemen op psychosociaal gebied bij de volwassene(n) - problemen op psychosociaal gebied bij de jeugdige(n) De problemen zijn chronisch, complex en met elkaar verweven en vaak intergenerationeel. Er is nog maar weinig bekend over specifieke factoren voor het ontstaan en voortbestaan van Multiprobleemgezinnen. Wel weten we dat er binnen Multiprobleemgezinnen sprake is van een groot aantal onderling verweven en langdurige risicofactoren die van de ene generatie op de volgende worden overgedragen en daarmee een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van de kinderen in het gezin. Als een kind te maken krijgt met minstens vier van deze risicofactoren, dan is de kans dat dit kind een probleem ontwikkelt meer dan 30 procent2. Deze relatie tussen het aantal risicofactoren en ongunstige ontwikkelingsuitkomsten is onder andere aangetoond voor psychische problemen, gedragsproblemen, intelligentieontwikkeling en delinquentie.

Beïnvloedbare factoren Binnen de risicofactoren kun je een onderscheid maken tussen beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare factoren. Laatste zijn factoren die vaststaan, die niet of nauwelijks te beïnvloeden zijn met behulp van een interventie. Het gaat hier bijvoorbeeld om erfelijke aanleg. Voor een professional die werkt met Multiprobleemgezinnen of een interventie wil ontwikkelen voor deze gezinnen, zijn vooral de beïnvloedbare factoren interessant. Drie belangrijke beïnvloedbare factoren zijn het functioneren van het gezin, de opvoedvaardigheden van ouders en de motivatie voor hulp. Deze factoren zijn bij wijze van spreken de knoppen waaraan een professional kan draaien om de problemen in Multiprobleemgezinnen te verminderen en daarmee het risico op problemen bij het kind te verkleinen.

2

Bron: NJI. https://www.nji.nl/Multiprobleemgezinnen-Probleemschets-Risicofactoren

20

Ouders/gezin Zwangerschap

Vroege kindertijd

Basisschoolleeftijd

Adolescentie

Jongvolwassen

Genen, middelengebruik, eenoudergezin, groot kindertal, delinquentie, geestelijke gesteldheid, huiselijk geweld, anderstalig, lage SES Middelengebruik, eenoudergezin, delinquentie, geestelijke gesteldheid, huiselijk geweld, LVB, armoede/schulden, emotionele beschikbaarheid, verwaarlozing, opvoedcompetenties, lage SES Middelengebruik, eenoudergezin, delinquentie, geestelijke gesteldheid, huiselijk geweld, LVB, armoede/schulden, emotionele beschikbaarheid, opvoedcompetenties, lage SES Middelengebruik, eenoudergezin, delinquentie, geestelijke gesteldheid, huiselijk geweld, armoede/schulden, emotionele beschikbaarheid, opvoedcompetenties, lage SES

Kind/jeugd

School

Wijk Huisvesting, armoede, werkloosheid

Vroege trauma’s en hechtingsproblematiek, mentale en fysieke gezondheid, taalontwikkeling

Huisvesting, armoede, toegang/kwaliteit zorgvoorzieningen, werkloosheid

Stoornissen, overgewicht, intelligentie, schoolprestaties, probleem-oplossend vermogen

Afwezigheid positief/stimulerend schoolklimaat, veiligheid, kwaliteit docent, betrokkenheid ouders/school

Huisvesting, armoede, speelvoorzieningen, werkloosheid, verkrijgbaarheid softdrugs

Identiteitsontwikkeling, LVB, middelengebruik, mentale en fysieke gezondheid

Pesten, spijbelen, betrokkenheid ouders/school, criminele vrienden

Huisvesting, armoede, verkrijgbaarheid softdrugs, sociale cohesie/isolement, discriminatie, werkloosheid

Delinquentie, sociale participatie en burgerschap, schoolsucces, werk, gezondheid

Verkeerde studiekeuze, criminele vrienden

Criminaliteit, sociale cohesie/isolement, huisvesting, armoede, werkloosheid, verkrijgbaarheid softdrugs

21

6 Gemaakte beleidskeuzes Historische context lokale toegang Bij de decentralisatie destijds is er in Duiven voor gekozen om de lokale toegang in te richten conform de tijd van voor de drie decentralisaties, het loket WWZ. Deze keuze is gemaakt vanuit de gedachte; eerst maar eens wennen aan de hulpvragen voordat we zaken gaan wijzigen. Dit betekende dat consulenten voor de Jeugdhulp, consulenten voor de WMO en schuldhulpverleners naast elkaar de hulpvragen van inwoners zijn gaan beantwoorden. Deze toegang is aangevuld met een sociaal team waarin professionals van verschillende maatschappelijke partners zitting hebben genomen. Dit sociaal team voerde regie op Multi probleem casussen. Met de komst van 1Stroom is de wens ontstaan om de toegang van Duiven en de toegang van Westervoort samen te voegen tot 1 lokale toegang met een meer geüniformeerde werkwijze. Op dit moment wordt er gebouwd aan dat team, het Sociaal Loket. In grote lijnen gaat dat er als volgt uit zien: Sociaal loket Om inwoners die vast lopen de juiste ondersteuning te bieden is er een lokale toegang tot zorg en ondersteuning ingericht. In Duiven heet deze toegang Het Sociaal Loket. In dit team is sprake van 3 taakgebieden: - Multi-probleem team - Consulenten WMO en consulenten Jeugd - Levenscoaches. Deze taken worden hieronder uitgesplitst. 1.

Multi-probleem team Naast de lokale toegang is een Multi-probleem team werkzaam, dat de casusregie heeft op de Multiprobleem situaties. Er is specifieke kennis aanwezig van GGZ, van de Jeugdwet, Participatiewet, van autisme en mensen met verstandelijke beperking, welzijn en maatschappelijk werk en bemoeizorg. Al naar gelang de hulpvragen kan expertise aangevuld of afgestoten worden. Soms kan de casusregisseur in het begin wat meer tijd in een situatie werkzaam zijn om vertrouwen op te bouwen en een goed plan te maken. Op den duur voert de casusregisseur alleen de regie: hulpverlening inzetten, zorgen dat plan gevolgd wordt, Multi Disciplinaire Overleggen organiseren en hulpverlening afsluiten. De werkwijze: “één gezin, één plan” dient als uitgangspunt. 2. Consulenten met specialisatie WMO of Jeugdwet. In het lokale team zijn consulenten werkzaam met specifieke kennis van de jeugdwet of de WMO. Er is dus sprake van specialisatie Jeugdwet of WMO. De consulenten hebben als primaire taak om het gesprek te voeren met de inwoner, om de ondersteuningsvraag te bepalen en in te zetten. Zij kennen maatwerkvoorzieningen toe via de Jeugdwet of WMO en leggen waar nodig verbinding met voorliggende voorzieningen. Het gaat hierbij om enkelvoudige hulpvragen.

22

De consulenten zijn goed op de hoogte van de ontwikkelingen op het gebied van de Jeugdwet en de WMO en weten ook welke voorliggende voorzieningen in de verschillende gemeenten beschikbaar zijn en ingezet kunnen worden. 3. Levenscoaches In het lokale team is een aantal levenscoaches actief. Deze richten zich op inwoners ( jong en oud) met autisme, licht verstandelijke beperking of volwassenen met chronisch psychiatrische diagnose. Deze inwoners zijn vaak goed in staat zelfstandig te leven met ondersteuning van hun netwerk, maar bij sommige life-events hebben ze even korte professionele ondersteuning nodig om weer zelfstandig verder te kunnen. De levenscoach heeft de taak om de kortdurende ondersteuning te bieden op momenten dat deze inwoners en hun netwerk dit nodig hebben. Zij vormen als het ware een levenslange achterwacht en kunnen op een laagdrempelige manier, zonder indicatie, ondersteuning bieden. Als de situatie daarom vraagt kunnen zij, in overleg met de consulenten jeugd of WMO, maatwerkvoorzieningen inzetten. Verwijzing naar Jeugdhulp De verwijzing naar Jeugdhulp loopt via diverse verwijzers. Het gebeurt regelmatig dat verwijzing naar Jeugdhulp buiten het blikveld van de gemeente verloopt. Huisartsen, jeugdartsen, maar ook de rechterlijke macht mogen allen naar Jeugdhulp verwijzen.

Om de zorgketen met de huisartsen aan elkaar te verbinden is een praktijkondersteuner Jeugd (POH) ingezet die laagdrempelige ondersteuning biedt aan kinderen en verwijzingen naar jeugdhulp adviseert, al dan niet in overleg met de gemeente, waarna de huisarts kan verwijzen. Werkwijze Sociaal Loket Voor het verkennen van de ondersteuningsvraag wordt binnen het team de methode Levenskracht gebruikt. Levenskracht is een praktische en flexibele methode die een totaalbeeld van iemands leven geeft en voortdurend de balans opmaakt. Drie vragen staan daarbij centraal. Waar sta ik nu? Waar wil ik heen? En hoe kom ik daar? De professional leidt de inwoner door de drie modules met behulp van creatieve gespreksinstrumenten en een gebruiksvriendelijke ICT-omgeving. Alle gegevens worden direct opgeslagen in een database, zodat ze via laptop of tablet altijd en overal zijn in te zien. De denkwijze en visie die in “de Nieuwe Route” wordt beschreven is de basis om ook het netwerk van de inwoner te betrekken bij het verkennen van de ondersteuningsvraag, maar ook bij het vinden van oplossingen voor een ondersteuningsvraag. Steeds vaker lopen mensen vast in de huidige route naar ondersteuning in het sociaal domein. Met de beste bedoelingen worden er plannen gemaakt vóór mensen in plaats van mét de mensen die wakker liggen van de situatie.

Betrokkenen ervaren hierdoor niet dat de situatie nog van hen is. Het verlies aan eigenaarschap leidt tot verbroken verbindingen, afstand, wantrouwen en bureaucratie. Dit moet en kan anders. De Nieuwe Route zorgt voor hernieuwd eigenaarschap over de situatie en de oplossingen bij alle betrokkenen samen. Het is een kanteling in denken, organiseren en doen die leidt tot een gelijkwaardige samenwerking tussen cliënt en organisatie, inwoners en overheid, leefwereld en systeemwereld. Samenhang met beleid Het team van beleidsmakers haalt informatie op uit de samenleving, bij de maatschappelijk partners, zorgaanbieders en niet in de laatste plaats bij de lokale toegang. Om beleid te kunnen ontwikkelen zijn dit de vindplaatsen. Hiermee worden directe lijnen onderhouden. Het team gebruikt hiervoor de uitgangspunten van de transformatie zoals beschreven in het strategisch kader: 23

1. 2. 3. 4. 5. 6.

het beleid richt zich op iedereen, wij streven naar een inclusieve samenleving; meedoen op basis van wat men kan; elke inwoner krijgt de zorg die nodig is; dienstverlening dicht bij de inwoner/vindplaats; één gezin, één plan, één regisseur; financiering: integraal en resultaatgericht.

Daarnaast integreert de gemeente de volgende punten in haar werkwijze: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

van regelingen centraal naar mensen centraal; van afhankelijkheid naar zelfredzaamheid; van recht op een voorziening naar eigen kracht en zoveel mogelijk eigen regie; van producten en prestaties naar oplossingen en resultaten; van beheersen en controleren naar samen leren en ontwikkelen; van “zorgen voor” naar “zorgen dat”; van praten over inwoners naar praten met inwoners.

Het transformatie proces Vanaf 2017 is door de gemeente Duiven actief ingezet op de transformatie van het sociaal domein. Zoals aangegeven richt deze notitie zich vooral op een weergave van de stand van zaken m.b.t. de drie decentralisaties en niet zozeer op het proces van de transformatie van het sociaal domein. Om het proces van transformatie weer te geven volgt hier een opsomming van transformatie activiteiten. De opbrengst hiervan is weergegeven in de voorzieningenvelden. Middels het stimuleringsbeleid worden verenigingen op gebied van sport en cultuur en vrijwilligersorganisaties zoals de ouderenbonden en andere initiatieven, gestimuleerd om inwoners met een kwetsbaarheid mee te laten doen. Door samen te werken met inwoners, verenigingen en maatschappelijke partners ontstaan netwerken waarin men elkaar kent en waar gebruik gemaakt wordt van elkaars expertise en waarbij partners hun aanbod afstemmen op wat inwoners nodig hebben. Dit is een proces dat continu aandacht vraagt en ook leidt tot nieuwe subsidie-afspraken. Het basisteam heeft een aanjaagfunctie voor de transformatie in de praktijk. De deelnemers in dit team werken als verbinder en ontwikkelen samen met inwoners en maatschappelijke partners nieuwe ondersteuningsmogelijkheden die aansluiten bij wat inwoners nodig hebben.

De ondersteuning in de eerste lijn is versterkt, zodat minder snel maatwerkvoorzieningen ingezet hoeven te worden. Voorbeelden hiervan zijn de praktijkondersteuner jeugd GGZ, de ontwikkeling en versterking van clientondersteuning door de inzet van de levenscoach, het positioneren van maatschappelijk werk en het aantrekken van een gedragsdeskundige in het Sociaal Loket. Essentieel hierbij zijn de werkafspraken tussen de netwerkpartners om werkzaamheden en ondersteuning rond de inwoner goed op elkaar af te stemmen en waar mogelijk weer over te dragen aan initiatieven van de inwoner zelf. Daarnaast kunnen verenigingen en initiatieven uit de nulde lijn een beroep doen op de ondersteuning vanuit de eerste lijn als zij daar behoefte aan hebben, Van netwerkpartners wordt verwacht dat zij deze vragen ondersteunen. Het activerend werk maakt de koppeling tussen de Participatiewet en de WMO. Iedere inwoner met een indicatie voor activerend werk komt in aanmerking voor dagbesteding in een werksetting. Alleen wanneer dit niet mogelijk is wordt een andere vorm van dagbesteding gezocht in het reguliere aanbod. Tot slot wordt ook in regionaal verband gewerkt aan de transformatie. Voor jeugdhulp is een transformatieagenda opgesteld die wordt uitgewerkt.

Bij de regionale aanbesteding die per 1 Juli is afgerond, wordt in de nieuwe product omschrijvingen nadrukkelijk ruimte geboden om mee te werken aan de transformatie van het sociaal domein. 24

Netwerken Naast dat de gemeente een gesprekspartner is voor de vele verenigingen participeert de gemeente ook in diverse netwerken. In deze netwerken is zij één van de deelnemers. De netwerken vormen een essentieel onderdeel van het werk in het sociaal domein. Dit vanuit de overtuiging dat er alleen samen met de maatschappelijke partners gewerkt kan worden aan een vitale samenleving. De eerder genoemde uitgangspunten en werkwijze zijn ook in deze netwerken leidend voor de inzet van de gemeente. Enkele voorbeelden: CJG overleg (Centrum voor Jeugd en gezin) Overleg met alle jeugdverpleegkundigen en maatschappelijk werkers die aanwezig zijn op voorschoolse en schoolse voorzieningen. Doel van het overleg is sturen op methodiek en inhoud en delen van ontwikkelingen. Onderwijs-zorg overleg Het onderwijs-zorg overleg is een tweejaarlijks overleg tussen de gemeente en het onderwijs. Dit overleg wordt georganiseerd door beleidsmedewerkers en brengt consulenten van het Sociaal Loket en directieleden en Intern Begeleiders van scholen samen. Samen worden de ervaren knelpunten besproken en worden hierop acties uitgezet. Werkgroep Passend Onderwijs PO De werkgroep passend onderwijs is een overleg tussen de Liemerse gemeenten, de gemeente Montferland, het Samenwerkingsverband PO en een vertegenwoordiger van het voortgezet- en een vertegenwoordiger van het primair onderwijs.

Dit om de aansluiting tussen PO en VO te waarborgen. Een onafhankelijke partij zit voor. Tijdens deze werkgroep worden ervaren knelpunten, trends en toekomstplannen besproken. Uit de werkgroep is een uitvoeringsdocument ontstaan, waaraan alle partijen zich hebben gecommitteerd. Werkgroep Passend Onderwijs VO Sinds eind 2019 is het voortgezet onderwijs ondergebracht bij het Samenwerkingsverband Arnhem. Derhalve neemt de gemeente Duiven sindsdien ook deel aan deze werkgroep. De werkgroep is vergelijkbaar met de Werkgroep Passend Onderwijs PO, maar neemt hierin deel met meer gemeenten dan de werkgroep Passend Onderwijs PO. Kerngroep Taalhuis In de kerngroep Taalhuis komen de Liemerse gemeenten samen met organisatie Kunstwerk, welzijnsstichting Mikado, een afgevaardigde van de RSD, Stichting Lezen en Schrijven en aanbieders van taaltrajecten als RijnIJssel en IVIO. Het doel van dit netwerk is het bespreken van trends op het gebied van aanbod voor en de aanpak van (digitale) laaggeletterdheid. De kerngroep heeft een uitvoeringsdocument opgesteld, waarin de doelen en wensen in de strijd tegen laaggeletterdheid terugkomen. 12 plus netwerk Dit is een regulier overleg van partners die werkzaam zijn rondom kinderen tussen 12 en 18 jaar. Het doel is onderlinge afstemming en elkaar kennen en elkaar bijpraten over ontwikkelingen.

Doordat de partners elkaar kennen wordt er sneller verbinding gelegd tussen professionals als deze elkaar nodig hebben. Het integrale werken wordt versterkt. Ook worden signalen doorgegeven waarop dan actie ondernomen wordt. 12min netwerk Het 12min netwerk heeft als doel de samenwerking in het voorliggende veld te bevorderen, hieruit signalen te verzamelen en samen te zoeken naar mogelijke oplossingen en het delen van ontwikkelingen. De deelnemers zijn alle voorschoolse voorzieningen, JGZ, een afvaardiging van het 25

Sociaal Loket, een afvaardiging van het basisonderwijs, Integrale vroeghulp, een afvaardiging van het AMW, het Observatie en Advies Centrum en beleidsmedewerker(s) van de gemeente. Huisartsenoverleg In het huisartsenoverleg voert de gemeente Duiven gesprekken met een afvaardiging van jeugdartsen, huisartsen en de praktijkondersteuner om ontwikkelingen en knelpunten te bespreken. Netwerk voor lokale sluitende aanpak voor personen met verward gedrag Om de juiste zorg te kunnen geven, is het nodig dat de netwerkpartners van elkaar weten wat zij doen en hoe ze elkaar kunnen bereiken om samen te werken. Door rondom de persoon met verward gedrag een (sociaal) netwerk te bouwen (familie, buren, hulpverleners) kunnen in een vroegtijdig stadium signalen worden opvangen en de juiste mensen/organisaties worden ingeschakeld waardoor de hulpverlening zo licht en zo kort mogelijk gehouden kan worden. Daarnaast is er sprake van een regionale component, b.v. ambulancevervoer, keten breed meld- en adviespunt en telefonische meldkamer . Doel is om zowel regionaal als lokaal op elkaar aan te laten sluiten zodat er daadwerkelijk een sluitende aanpak ontstaat. Basisnetwerk In 2017 is de gemeente Duiven gestart met het basisteam, een samenwerkingsverband van het RIBW, MEE-Oost, Maatschappelijk Werk, Mikado, VGGM Jeugdgezondheidszorg en de gemeente.

Het doel van het basisteam is het aanjagen van de transformatie van het sociaal domein door in de praktijk naar slimme en concrete en innovatieve oplossingen te zoeken voor vraagstukken die zich voordoen in het sociaal domein. Met behulp van de Srum methode wordt laagdrempelig zorgaanbod ontwikkeld waarbij wordt geprobeerd de effecten van deze ondersteuning in beeld te krijgen. Voorbeelden hiervan zijn; laagdrempelige opvoedondersteuning, ontmoeting en lotgenoten contact, activiteiten voor een specifieke groep Licht verstandelijk beperkten. De opbrengst is terug te vinden in de voorzieningenvelden in de bijlage.

26

7 Dienstverlening Op basis van eerder genoemde uitgangspunten is dienstverlening ontwikkeld. Dit betreft de zogenaamde algemene voorzieningen of nulde lijn, de eerste lijn voorzieningen en de maatwerkvoorzieningen in de tweede lijn. De transformatie gedachte is hierin leidend geweest; het omkeren van de zorg Pyramide en zoveel mogelijk inwoners met een behoefte aan ondersteuning de mogelijkheid geven om van een voorliggende voorziening gebruik te maken. De dienstverlening is vanuit een breed beschreven doel ontwikkeld, daarom zijn concrete meetbare resultaten nauwelijks op te leveren. Verbinding met risicofactoren; volwassenen en ouderen Bijlage 1 geeft een overzicht van alle dienstverlening die in Duiven bestaat om volwassenen en ouderen te ondersteunen in hun zelfredzaamheid. Dit is een breed scala aan voorzieningen, die zowel in nulde, eerste en tweedelijns aanbod voorziet. Op basis van een koppeling met risicofactoren, zoals geformuleerd in hoofdstuk 5, is het vervolgens interessant te zien of het aanbod van voorzieningen grotendeels aansluit op deze risicofactoren. Vallen er bijvoorbeeld contextuele factoren buiten de boot in Duiven? De volgende zaken vallen op: - Voorliggende of algemene voorzieningen zijn opgezet voor brede doelgroepen en daardoor breed inzetbaar. Er zijn bijvoorbeeld veel mogelijkheden voor ontmoeting. - De algemene voorzieningen zijn breed opgezet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=8913ee8c-332f-4786-a6f6-a757f2d4ae9c