CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

3. 201718757 – Zienswijzennota Omgevingsplanwijziging “Geur- en spuitzonering Plakse Weide” (NN)

Raadsavond 24 februari 2026, gemeente DuivenBij agendapunt: Wijziging Omgevingsplan “Geur- en spuitzonering Plakse Weide” Gemeente Duiven3.249 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zienswijzennota Omgevingsplanwijziging “Geur- en spuitzonering Plakse Weide” Gemeente Duiven

Zaaknummer: Z2025-00001318 Documentnummer: D2025-00020421

1. Aanleiding Het ontwerpbesluit wijziging Omgevingsplan ten behoeve van ‘Geur- en spuitzonering Plakse Weide’ in de gemeente Duiven (hierna: Ontwerpbesluit) heeft van 14 november 2025 tot en met 29 december 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon iedereen schriftelijk of mondeling een zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar maken. De formele aankondiging (op 13 november 2025) van de ter inzagelegging van het ontwerpbesluit is gepubliceerd in het Gemeenteblad. 2. Zienswijzen De ingediende zienswijzen worden in deze nota voorzien van een reactie.

2.2 Ontvankelijkheid De zienswijzen zijn binnen de gestelde zienswijzentermijn van zes weken ingediend. Daarmee zijn alle zienswijze ontvankelijk. 2.3 Samenvatting van de zienswijze De zienswijzen zijn in deze paragraaf beknopt en zakelijk samengevat. Dit betekent niet dat onderdelen die in de samenvatting niet expliciet benoemd zijn, niet in de behandeling zijn betrokken, want de zienswijze is in het geheel beoordeeld. Voor de beantwoording van de zienswijzen en conclusies wordt verwezen naar (de relevante thema’s in) hoofdstuk 3. Indiener 1 2.3.1 Stichting leefbaarheid 3Wijken 1. Reclamanten zijn van mening dat het afwijken van eerder genomen besluiten (Geurverordening, Principebesluit en bestemmingsplan ‘Plakse Weide’) onbehoorlijk bestuur is; 2. Reclamanten stellen dat het participatieproces niet goed is verlopen; 3. Reclamanten stellen dat notitie opgesteld door Witteveen & Bos niet deugdelijk is; 4. Reclamanten stellen dat onderbouwing tot afwijking van geurnorm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet deugdelijk is; 5. Reclamanten stellen dat de gemeente in strijd handelt met artikel 8 van de EVRM. Indiener 2 2.3.2 Hooglander Advocaten 1. Reclamanten zijn van mening dat ontwerpplan ziet op dezelfde ontwikkeling als eerder vastgesteld bestemmingsplan ‘Plakse Weide’ en dat hiermee een herstel- en wijzigingsbesluit wordt genomen, die niet zonder meer mogelijk is; 2.

Reclamanten zijn van mening dat er onduidelijkheid bestaat met welke rechten er rekening is gehouden en/of met de maximale planologische mogelijkheden voor het aspect ‘geur’, die mogelijk de gedane toetsing niet zou dragen;

3. Reclamanten zijn van mening dat de opgelegde uitwaartse spuitvrije zone met gebruiksverbod op gewasbeschermingsmiddelen een onevenredige ingrijpende en onvoldoende gemotiveerde maatregel is; 4. Reclamanten stellen dat er feitelijk afbreuk wordt gedaan aan de agrarische bestemming, zonder dat sprake is van compensatie, overgangsrecht of een reëel alternatief gebruik. 3. Beoordeling zienwijzen In dit hoofdstuk worden de zienswijzen beantwoord. Indiener 1 2.3.1.1 De geldende Geurverordening is als randvoorwaarde aangemerkt in de vastgestelde kaders voor woningbouw, principebesluiten en in het eerder vastgestelde bestemmingsplan ‘Plakse Weide’. Voor vaststelling van deze eerdergenoemde besluiten en procedures is de geldende Geurverordening de leidende verordening op het gebied van geur geweest. Dit betekent echter niet dat er niet onderbouwd van de Geurverordening afgeweken mag worden in nieuwe procedures. Deze wijziging van het Omgevingsplan heeft als doel de huidige geur-emissies van een veehouderij in de omgeving in begrenzingen vast te leggen. Zodoende wordt hiermee wel gemotiveerd dat de toekomstige mogelijke wijziging van functie naar een gevoelige functie zoals bijvoorbeeld ‘Wonen’ een evenwichtige afweging is.

Deze mogelijkheid is aanwezig in het bestemmingsplan ‘Plakse weide’ en kan gebruikt worden indien er wordt voldaan aan de gestelde voorwaardes, waaronder onder meer geur. Hiermee wordt gesteld dat de factor geur in ieder geval niet zal toenemen. Voor de mogelijke toekomstige wijziging naar een gevoelige functie wordt al wel aangegeven en gemotiveerd dat dit aspect voldoende is voor een dergelijke afweging. Hierbij meenemend de zwaarwegende maatschappelijke belangen , als ook de mogelijkheid, reeds toegestaan, tot afwijking van de geurnorm welke wordt geacht te leiden tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook wordt er gesteld dat de gemeente in de Toelichting bij het Bestemmingsplan “Plakse Weide” en in de Nota van beantwoording zienswijzen aangegeven heeft dat binnen 3 OUE/m3 geen sprake is van een "aanvaardbaar woon- en leefklimaat". Deze stellingname van de reclamant is onjuist, gezien enkel aangegeven wordt in de Nota beantwoording zienswijzen van dat bestemmingsplan (wat overigens een op zichzelf staand plan en procedure is), dat wanneer er voldaan wordt aan de Wet geurhinder en veehouderij, de gemeente in ieder geval van mening is dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 2.3.1.2 Er wordt gesteld dat het participatieproces niet deugdelijk verloopt.

Meermaals wordt er aangegeven dat voorgenomen wijziging van het omgevingsplan, het omzetten is van de functie ‘groen’ naar de functie ‘wonen’ en/of ‘verkeersverblijfsgebied’. Deze aanname is onjuist. De voorgestelde Omgevingsplanwijziging is een technische wijziging waarin de geurnormen van een bestaande veehouderij in de omgeving worden vastgelegd, en waarin spuitvrije zones worden vastgelegd. Er is hier geen sprake van een functiewijziging binnen Plakse Weide zelf. De voorgestelde omgevingsplanwijziging zorgt wel voor een invulling van een gedeelte van de voorwaardes uit de wijzigingsbevoegdheid die zijn gesteld in het Bestemmingsplan “Plakse Weide”. Het gaat om slechts een gedeelte van de voorwaardes, waarbij voor het proces van functiewijziging aan alle voorwaarden dient te worden voldaan. Dit zal op een later moment met een nieuwe procedure geregeld moeten worden.

De wettelijke eis over participatie is dat aangegeven moet worden in welke mate er participatie heeft plaatsgevonden. Aan deze eis is voldaan door aan te geven dat bij deze huidige ontwikkeling er geen verdere participatie heeft plaatsgevonden. Daarbij is tevens aangegeven dat in het verwante proces rondom bestemmingsplan ‘Plakse Weide’ er veelvuldig is geparticipeerd, waaronder ook over het onderwerp ‘geur’. Deze toevoeging als onderbouwing is hierin geen vereiste, maar er is besloten dit toe te voegen voor een volledig beeld van de situatie. 2.3.1.3 Er wordt gesteld dat de notitie opgesteld door Witteveen & Bos niet deugdelijk is en dat er te snel voorbij wordt gegaan aan de normeringen gegeven door de GGD betreffende de 2,0 ouE/m³ en de genoemde aantasting leefkwaliteit en gezondheidsrisico’s. Echter wordt er gemotiveerd om van gestelde normering af te mogen wijken, zoals aangegeven in ontwerp wijzigingstekst onder 3.1. Daarnaast is, zoals ook gesteld door de reclamant zelf, deze notitie verder niet verbonden met de motivering van de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan, en kan de zienswijze daarop dan ook niet zien.

2.3.1.4 Zoals aangegeven in het Bkl, en eerder gemotiveerd in het ontwerp-omgevingsplanwijziging onder 3.1 van motivering, wordt de mogelijkheid geboden om andere ‘waarden voor geur’ (immissienormen) en ‘afstandseisen’ vast te stellen als dat voor de realisatie van een maatschappelijk doel nodig is. In dit geval is dit de (urgente) behoefte aan woningbouw in de kern van Duiven. Alles overwegend dient er wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden bereikt. De GGD hanteert als advieswaarde voor de voorgrondbelasting een richtwaarde van 2,0 ouE/m3 en een bovenwaarde van 5,0 ouE/m3, zowel voor concentratiegebieden als niet-concentratiegebieden. Met de opgenomen ‘waarden voor geur’ van 3,5 tot maximaal 5,5 ouE/m3 concluderen we dat, ten aanzien van de advieswaarden van de GGD, ter plaatse van Plakse Weide fase II een behoorlijk hoog hinderniveau wordt toegestaan. Gezien de mogelijkheden in het Bkl zijn wij van mening dat deze waarde vanuit gezondheidskundig oogpunt niet onacceptabel is. Er zijn verschillende aspecten die hierbij relevant zijn: a. cumulatie van geur: zoals eerder benoemd blijkt uit het onderzoek van De Roever dat de achtergrondbelasting (c.q. cumulatie van geur) van maximaal 4,5 ouE/m3, lager is dan de voorgrondbelasting (c.q. individuele belasting) van maximaal 5,5 ouE/m3.

Dit komt doordat ter plaatse van het plangebied sprake is van geurhinder door één dominante veehouderij en er nauwelijks sprake is van cumulatie van meerdere veehouderijen of andere geur veroorzakende activiteiten. Voor wat betreft de achtergrondbelasting wordt voldaan aan de GGD-advieswaarde van 5,0 ouE/m3. b. afstandseis: 1. er geldt een afstandseis met het oog op het aspect geur, volgend uit artikel 5.116 van het Bkl. Deze is de voorliggende planregeling geborgd. Dit is de gevel-gevel afstandseis van 50 m. Aan deze afstandseis wordt ruimschoots voldaan. 2. er geldt tevens een GGD-advieswaarde van 250 m. Deze afstandseis geldt met het oog op hogere concentraties fijn stof, endotoxinen en markers voor de v-MRSA bacterie. Gesteld kan worden dat, vanuit andere overwegingen dan geur, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat er plaatse van Plakse Weide. De meest oostelijke bouwvlakken binnen het plangebied bevinden zich op circa 240 m afstand, wat bijna overeenkomt met de GGD-advieswaarde.

c. belemmering veehouderij: uit het onderzoek van De Roever blijkt dat de beoogde woningbouwontwikkeling geen (extra) belemmering betekent voor de exploitatie van de betreffende veehouderij. Bestaande woningen aan de Achterste Weide en gebruiksmogelijkheden van de buitenruimten van die woningen maken verdere uitbreiding van de veehouderij onmogelijk. Tot slot heeft de gemeente, door de vaststelling van een lokale geurverordening op basis van de Wgv, in het verleden (2008) voor andere woningbouwlocaties ook een hogere waarde (6,0 ouE/m3) als aanvaardbaar beoordeeld. De geurverordening heeft voor enkele specifieke gebieden – namelijk Loostraat 40/42, Loostraat 34 en Onder de Toren – (in afwijking van artikel 3, lid 1, Wgv) de waarde voor geur, door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, op een geurgevoelig object verruimd naar 6 ouE/m3 (in plaats van 3 ouE/m3) voor zover deze objecten zich in deze specifieke gebieden bevinden. Deze gezamenlijke afweging van factoren en belangen heeft ertoe gezorgd dat er - gemotiveerd afgeweken wordt van de eerder gestelde algemene waarde vanuit de verordening en advisering, waarbij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties behouden blijft. Dit ter notie bij een mogelijke toekomstige wijziging van functie naar een woongebied ter plaatse van ‘Plakse Weide II’.

2.3.1.5 Gesteld wordt dat gemeente op grond van artikel 8 van het EVRM de plicht heeft om de leefomgeving op Plakse Weide te beschermen en zodoende de leefkwaliteit en de gezondheid te waarborgen. Dit zien wij als gewaarborgd voor de mogelijke toekomstige bewoners door middel van eerder verleende motivatie zowel geleverd in de motivering van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan, als onder 2.3.1.4 van deze Zienswijzennota. Dit ter notie bij een mogelijke toekomstige wijziging van functie naar een woongebied ter plaatse van ‘Plakse Weide II’. Indiener 2 2.3.2.1 Voorgestelde Omgevingsplanwijziging is een technische wijziging van het gemeentelijke ‘Omgevingsplan Duiven’ op de betreffende locatie, waarbij de geurnormen van een bestaande veehouderij in de omgeving worden vastgelegd, en waarin spuitvrije zones worden vastgelegd. Dit is een onafhankelijke procedure, die los staat van de eerdere procedure voor het Bestemmingsplan ‘Plakse Weide’. Hoewel deze wijziging wel ten behoeve van de mogelijke toekomstige functiewijziging naar ‘wonen’ is, staat deze omgevingsplanwijziging daar procedureel los van. Ook in het geval voorgenomen functiewijziging in andere voorgenomen plannen niet doorgaan worden de contouren vastgesteld en kunnen deze ook vastgelegd worden.

Voorgenomen Omgevingsplanwijziging is dus geen herstel- of wijzigingsbesluit op de lopende procedure ‘Bestemmingsplan Plakse Weide’, maar een losstaande procedure. 2.3.2.2 De vraag wordt gesteld of rekening is gehouden met de maximaal planologische situatie of de vergunning van de indiener van de zienswijze. Er is rekening gehouden met beide situaties. In artikel 20.96 lid 2 zijn de geurnormen vastgelegd die overeenkomen met de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu van het bedrijf van reclamant. Daarmee zijn de bestaande rechten van het bedrijf vastgelegd. Specifiek is bepaald dat de vergunde geurwaarden op de specifieke, in de vergunning genoemde coördinaten, als maximaal gelden.

Voor wat betreft de maximale planologische mogelijkheden het volgende. Ter plaatse van de woning aan de Plaksestraat 6, die ligt binnen de bebouwde kom, wordt de geurnorm van 3 ouE/m3 op dit moment al overschreden met 0,1 tot 1,5 ouE/m3. Als de varkenshouderij wordt uitgebreid richting het plangebied, zal de geurcontour ook bij deze woning verder verschuiven, waardoor de overschrijding van de norm toeneemt. Een uitbreiding van de varkenshouderij kan ook niet zonder gevolgen blijven voor de geurbelasting ter plaatse van de woning aan de Laarstraat 10, buiten de bebouwde kom. De (maximale) 14 ouE/m3-contour overlapt de woning al. Op basis van de feitelijke situatie is nieuwbouw die het bestemmingsplan ‘Plakse Weide’ mogelijk maakt geen extra belemmering vormt voor de bedrijfsvoering, aangezien deze al wordt beperkt door de bestaande omstandigheden. Het bouwvlak kan niet volledig worden benut, de reclamant reeds wordt beperkt door (onder andere) de bestaande woning aan de Plaksestraat 6. Hierdoor is een verdere uitbreiding van de varkenshouderij richting het plangebied niet mogelijk. Zoals eerder opgemerkt, wordt de geurnorm van 3 ouE/m3 bij deze woning al overschreden, en is het niet mogelijk om nog een stal met geuremissie te bouwen of emissiepunten dichter bij de zuidelijke rand van het bouwvlak te realiseren.

Reclamant kan de geurruimte richting het plangebied van bestemmingsplan ‘Plakse Weide’ niet anders gebruiken dan in de vergunde situatie het geval is. Tevens uit het ‘Onderzoek geurhinder veehouderijen – Plakse Weide Duiven’ van de Roever (2023) (dat als bijlage I bij de motivering van de omgevingsplanwijziging is gevoegd) blijkt dat de 3 ouE/m3geurcontour langs de tuinen van de bestaande woningen aan de Achterste weide ligt. Het is mogelijk om vergunningvrij een aanbouw aan de achterzijde van de woning te bouwen. Daarnaast is het mogelijk om een bijbehorend bouwwerk te realiseren in de tuin, dat daarna als een mantelzorgwoning in gebruik kan worden genomen. Een mantelzorgwoning is op grond van artikel 5.91 Bkl aangemerkt als een geurgevoelig object. Omdat dit in de hele tuin mogelijk is, heeft het bedrijf geen mogelijkheid meer om uit te breiden. Om die reden is geen aanleiding om een berekening van de ‘omgekeerde werking’ uit te voeren. Naar aanleiding van deze zienswijze is in de regeling in artikel 20.96 lid 2 nog toegevoegd dat het gaat om de geur op een geurgevoelig gebouw, voor zover het gaat om de bestaande woning (met een daarbij behorende begripsbepaling). Daarmee is gezorgd dat die vergunde waarden niet gelden voor een eventuele toekomstige mantelzorgwoning in de tuin.

2.3.2.3 Reclamanten zijn van mening dat opgelegde uitwaartse spuitvrije zone met gebruiksverbod op gewasbeschermingsmiddelen een onevenredige ingrijpende en onvoldoende gemotiveerde maatregel is. Hierbij wordt aangedragen dat er niet is gebleken dat er gekeken is naar minder vergaande alternatieven. Hieronder wordt verstaan mogelijkheden tot inwaartse spuitzonering, danwel het gebruiken van mitigerende maatregelen of beperking in de te gebruiken technieken en middelen. Voor de mogelijkheid tot inwaartse spuitzonering is bewust niet gekozen. Het voornemen is voor de mogelijke toekomstige transformatie van ‘Plakse Weide fase II’ de gronden te gebruiken voor een gevoelige functies. Vanuit deze toekomstige te ontwikkelen gevoelige functie is deze zonering ook gemeten, hierbij is meegenomen in de belangenafweging: ∙ het belang van woningbouwontwikkeling gezien de woningbouwopgave en het belang van toekomstige bewoners bij een gezonde en veilige leefomgeving. ∙ het belang van de teler om landbouwgronden maximaal te kunnen benutten voor het telen van gewassen met het oog op het behalen van maximale gewasopbrengsten, en het belang van de grondeigenaar (in meeste gevallen is dit ook de teler, maar niet altijd) ten aanzien van beperkte gebruiksmogelijkheden en eventuele waardedaling van de grond;

Het woningbouwbelang in Duiven en het belang van de gezondheid van bewoners in Plakse Weide prevaleert boven het landbouwbelang en het belang van agrarisch gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de omliggende percelen waar voor een deel een spuitvrije zone wordt gesitueerd. Dit vanwege de beperkte omvang van de betreffende percelen van reclamanten de beperkte inkomensschade en gevolgen voor de grondeigenaren van deze regeling. De volledige en uitgebreide motivatie en onderbouwing kan gevonden worden in de ‘Notitie Spuitzone Plakse Weide’ van Pouderoyen en Tonnaer (2025) welke is toegevoegd als bijlage 2 bij de motivering bij de omgevingsplanwijziging. Voor wat betreft andere (mitigerende) maatregelen of specifiek gebruik van technieken wordt er verwezen naar onder meer de uitspraken van 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3160), waarin een voorwaardelijke verplichting werd aanvaard, en van 25 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:269), waarin de aanleg van een haag als mitigerende maatregel werd betrokken. Echter in de uitspraken op 19 oktober 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3023), 23 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3387) en 2 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2959) worden mogelijkheden tot locatie specifieke onderzoeken en maatregelen zoals voorgesteld door de RvS beoordeeld als onmogelijk. De hoofdlijn uit de jurisprudentie is dat er 50 meter afstand aangehouden moet worden.

Alleen in specifieke, casuïstische situaties is een kleinere afstand ook aanvaardbaar. De gemeente is, gezien het grote belang van woningbouw op deze plek, dat hier prevaleert boven het agrarisch belang, van mening dat het aanhouden van 50 meter afstand hier de meest geschikte maatregel is. Dit , conform afwegingen gemaakt in ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2044, rechtsoverweging 19.4 en ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:807, rechtsoverweging 6.1. Voor wat betreft de niet aanwezige begripsomschrijving van gewasbeschermingsmiddel het volgende. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is in Bijlage I onder A een lijst met begrippen opgenomen, waaronder voor ‘gewasbeschermingsmiddelen’. Deze begrippen zijn ook van toepassing op het omgevingsplan, zoals bepaald in artikel 1.1. van het omgevingsplan. Deze begripsbepaling luidt: “gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Externe link:Richtlijnen 79/117/EEG en Externe link:91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);”. 2.3.2.4 De stelling dat er afbreuk wordt gedaan aan de ‘agrarische’ functie van (een gedeelte) van de aangegeven percelen is juist.

Dit omdat het onmogelijk wordt gemaakt bepaalde activiteiten te verrichten op gestelde locaties. De gemeente heeft hier een belangenafweging gemaakt en laat het urgente belang van woningbouw hier prevaleren boven het agrarisch belang. In de ‘Notitie Spuitzone Plakse Weide’ van Pouderoyen en Tonnaer (2025), die is toegevoegd als bijlage 2 bij de motivering bij de omgevingsplanwijziging, is ingegaan op welke mogelijke beperkingen er per perceel zijn, en de mogelijke (financiële) impact die de voorgenomen zonering heeft op deze specifieke percelen. Hierbij is rekening gehouden met de mogelijke worst case benadering op de financiële impact en wordt deze in de belangenafweging meegenomen. In deze analyse wordt ook meegenomen de mogelijkheden tot aanvragen nadeelcompensatie en de samenhang met het Normaal Maatschappelijk Risico (NMR) hieraan verbonden. De stelling dat er geen sprake is van (mogelijke) compensatie is dus niet correct. Voor wat betreft het ontbreken van een overgangsrecht: dit is in paragraaf 2.3.4. van de motivering bij de omgevingsplanwijziging gemotiveerd. Daar is aangegeven dat er inderdaad geen overgangsrecht is opgenomen - het is immers de bedoeling dat de mogelijkheden voor het gebruiken van chemische gewasbeschermingsmiddelen direct na vaststelling van deze omgevingsplanwijziging worden weggenomen met het oog op de mogelijke toekomstige ontwikkelingen.

Tot slot is een alternatief agrarisch gebruik van de gronden mogelijk. Het verbod is namelijk niet van toepassing op Skal-gecertificeerde teelten (tenzij daarbij paraffineoliën worden gebruikt). 4. Bijlagen In de bijlagen van de zienswijzenota treft u de volledige zienswijzen behorende bij deze beantwoording: Bijlage 1: Zienswijze indiener 1 Bijlage 2: Zienswijze indiener 2 5. Conclusie De zienswijzen op het Ontwerpbesluit geven aanleiding het ontwerpbesluit omgevingsplan op onderdelen te wijzigen. Hieronder staat beschreven op welke wijze het ontwerpbesluit wordt aangepast. Voorgesteld wordt de zienswijze van indiener 2 gegrond te verklaren en de zienswijzen van indieners 1 ongegrond. Aanpassingen plan naar aanleiding van zienswijzen: -

Artikel 20.100, lid 2. Er was al wel een begripsbepaling opgenomen voor Skalgecertificeerde teelten in bijlage III van het omgevingsplan, er was alleen nog geen directe link aangemaakt vanuit het artikel naar deze begripsbepaling. Dit is nu alsnog gedaan.

Bijlage 1 bij nota zienswijzen

Bijlage 2 bij Nota Zienswijzen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=d4418838-17bd-4c87-8105-17523ff47ff4