CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

3. 201577733 – Toelichting bestemmingsplan Walcherenstraat d.d. 10-08-22.pdf

Raadsavond 8 november 2022, gemeente DuivenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Walcherenstraat 5, Duiven’10.795 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Duiven, Walcherenstraat 5

Gemeente Duiven

Datum: 10 augustus 2022 Projectnummer: 190270 ID: NL.IMRO.0226.BPDUIVENZUID010-VS01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 5

2

Het plan

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 8

3

Beleidskader

10

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

10 12 13

4

Milieu- en omgevingsaspecten

15

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

15 16 16 17 18 20 22 26 28 28 29

5

Wijze van bestemmen

31

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

31 32

6

Uitvoerbaarheid

34

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

34 34

Bijlagen        

Bijlage 1: Toets ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 6: Quick scan natuur Bijlage 7: Quick scan stikstofdepositie Bijlage 8: Nader onderzoek natuur

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De gronden aan de Walcherenstraat 5 in Duiven-Zuid zijn in het verleden gebruikt als basisschool. Inmiddels staat dit schoolgebouw leeg, waardoor met de sloop van dit gebouw een herontwikkelingslocatie kan ontstaan binnen de bebouwde kom van Duiven. Passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving bestaat nu het voornemen om de gronden ter plaatse te herontwikkelen ten behoeve van maximaal 16 grondgebonden woningen. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘Duiven-Zuid’, aangezien de bestemming ‘Maatschappelijk’ geen woningbouw mogelijk maakt. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Plangebied Het plangebied ligt te midden van de woonwijk ‘Duiven - Zuidoost’. Aan de westzijde loopt de Walcherenstraat en aan de noord- en oostzijde loopt een fietspad. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan Integraal Kind Centrum (IKC) het Klokhuis. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is op de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven.

Globale ligging plangebied (rode arcering) (bron: pdokviewer.pdok.nl).

3

Globale begrenzing plangebied (rode arcering) (bron: pdokviewer.pdok.nl).

1.3

Vigerend bestemmingsplan Op dit moment geldt voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Duiven-Zuid’, zoals vastgesteld op 31 mei 2010 door de gemeenteraad van Duiven. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming ‘Maatschappelijk. Door toedoen van het ‘Bestemmingsplan Archeologie’ geldt tevens de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’, inclusief gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting 5'.

Uitsnede uit verbeelding van vigerend bestemmingsplan ‘Duiven-Zuid’ met daarop het plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

4

Maatschappelijk De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. Dienstwoningen zij niet toegestaan. Gebouwen dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak en dienen te voldoen aan de aangegeven maximum goot- en bouwhoogte (hier respectievelijk 3 en 6 meter), alsmede het maximum bebouwingspercentage (hier: 100%). De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 meter, waarbij geldt dat speeltoestellen en fietsenstallingen maximaal 3 meter hoog mogen zijn. Waarde - Archeologie De voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Door de geldende gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting 5’ is met deze dubbelbestemming onder andere geregeld dat archeologisch onderzoek nood2 zakelijk is bij bodemingrepen met een oppervlakte die meer bedraagt dat 10.000 m , die dieper reiken dan 0,5 meter onder het maaiveld.

De beoogde woningbouwontwikkeling op het perceel aan de Walcherenstraat 5 past niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Daarmee is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.

1.4

Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de juridische opbouw van het plan (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6).

5

2 2.1

Het plan Huidige situatie Historie van de kern Duiven Duiven is ontstaan op een rivierduin (donk) op enige afstand van de toenmalige Rijnloop. De eerste bebouwingssporen dateren uit de IJzertijd, maar tot 1800 groeide de nederzetting niet noemenswaardig, en ook tot aan 1950 blijft de groei achter bij het Nederlands gemiddelde.

e

Historische kaart Duiven ca. eind 19 eeuw met aanduiding plangebied (groen kader) bron: topotijdreis.nl).

Vanaf de jaren ’70 zijn grotere wijken als Centrum-Zuid, Vergert, De Geer en Halfwegen ontstaan, allen min of meer rondom de oude kern van Duiven. In 1981 wordt Duiven, samen met Westervoort, aangewezen als groeikernen voor de regio Arnhem. Duiven-West is de eerste grote uitbreidingswijk en in 1989 wordt de sprong over het spoor Arnhem - Zevenaar gemaakt. Aan de overzijde van het spoor ontstaan aan weerszijden van de Eltensestraat respectievelijk Duiven-Zuidoost, waarvan onderhavig plangebied deel uitmaakt, en Duiven-Zuidwest. Na 1994 vervalt de status als groeikern, waardoor de groei van Duiven weer aanzienlijk afneemt. Duiven nu Anno 2022 heeft de gemeente Duiven meer dan 25.000 inwoners, waarvan het overgrote deel in de kern Duiven woonachtig is. Naast een groot aantal woonwijken is in het oorspronkelijke gedeelte van Duiven sprake van een centrumgebied. Het centrumgebied is in de loop der tijd geëvolueerd van dorpscentrum naar een modern winkelcentrum passend bij een kern als Duiven. Daarnaast is in de spoorzone een concentratie van cultuur, sportvoorzieningen, scholen en woon-werkfuncties. De spoorzone is aangewezen als ontwikkelingsgebied en kent een aantal versnipperde gebieden met weinig bebouwing. 6

Duiven-Zuidoost Voorliggend plangebied maakt deel uit van de planmatige uitbreidingswijk DuivenZuidoost. Deze woonwijk is eind jaren ’80 en begin jaren ’90 gerealiseerd. De structuur van de wijk is organisch en wordt vooral bepaald door de lus-vormige waterstructuur en de ringvormige hoofdweg (Zilverschoon/Bellefleur). De Walcherenstraat, waaraan het plangebied is gesitueerd, vormt het uiteinde van de lus-vormige waterstructuur. De wijk Duiven-Zuidoost maakt een groene indruk door de uitgebreide waterstructuur met bijbehorende groenstructuren en plantsoenen. Wat betreft bebouwing wordt de omgeving van het plangebied voornamelijk gekenmerkt door woningen bestaande uit twee lagen met een kap, verkaveld in open en halfgesloten blokken. De vormgeving van de woningen is divers en veelal per blok/enkele blokken verschillend. Er is veel variatie in kaprichting en kleurgebruik. De parkeersituatie omvat parkeerstroken, haakse parkeervakken aan de straat en parkeerruimte op het eigen terrein. Het plangebied In het verleden was basisschool De Timp gevestigd ter plaatse van het plangebied. Deze school is echter gesloten en sindsdien heeft het gebouw haar functie verloren. De gemeente Duiven ziet met de sloop van dit gebouw kansen voor de ontwikkeling van woningen. Navolgende afbeelding toont een impressie van de huidige situatie van het plangebied.

Impressie huidige situatie plangebied (bron: Google Maps).

7

2.2

Toekomstige situatie Binnen het plangebied is het schoolgebouw van basisschool De Timp in onbruik geraakt. Daarom is gezocht naar een passende invulling voor het plangebied. Passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving bestaat het voornemen om ter plaatse woningen te realiseren. Het gaat om maximaal 16 grondgebonden woningen, bestaande uit één laag met een symmetrisch zadeldak, zoals dat veelvuldig in de omgeving voorkomt. Het uitgangspunt daarbij is dat het om betaalbare woningen gaat in de sociale huur- dan wel betaalbare en middeldure koopsector. De woningen worden aardgasloos gebouwd. Daarnaast bestaat het voornemen dat een aantal woningen een levensloopbestendig karakter krijgen. Dit betekent dat de woningen in ieder geval beschikken over een slaap-, bad- en woonkamer op de begane grond. In het voorgenomen bouwplan zijn de woningen beoogd als rijwoningen, voorzien van 2 één laag met kap, met een gebruiksoppervlakte tussen de circa 77 en 110 m . De rijen bestaan uit twee keer vijf woningen en één keer zes woningen. De woningen zijn met hun voorgevels naar buiten toe georiënteerd en krijgen geen voortuin. In plaats daarvan worden de woningen ‘ingepakt’ in een openbare groenzone. Het groen rondom en de reeds aanwezige bomen vormen een prettige overgang van openbaar naar privé.

De woningen zijn voorzien van een achtertuin, waarbij voor iedere woning geldt dat er in de achtertuin een berging met een groendak is beoogd. De achtertuinen van de woningen zijn te bereiken via het binnenterrein, welke de entree heeft aan de westzijde van het plangebied. Bij de bouw van de woningen zal zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt worden. Verder zullen op de zonnige zijdes van de daken zonnepanelen geplaatst worden. Ook natuurinclusiviteit speelt een belangrijke rol binnen het plangebied. Door het behoud van het aanwezige groen, het plaatsen van mussen- en vleermuiskasten en het realiseren van wadi’s wordt bijgedragen aan klimaatadaptatie en biodiversiteit in het gebied. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de beoogde inrichting van het plangebied.

Impressie beoogde inrichting plangebied (bron: Orbis). 8

Impressie beoogde woningen (bron: LeClerc en Nikkels).

Het parkeren voor voorliggend plan vindt volledig binnen het plangebied plaats. Tussen de woningen is ruimte voor parkeren en ook aan de zuid- en westzijde van het plangebied wordt geparkeerd. Het gaat om negen parkeerplaatsen tussen de woningen en 21 parkeerplaatsen aan de zuidzijde. Aan de zuidzijde, grenzend aan IKC Het Klokhuis, zal door middel van een hoge haag het parkeren uit het zicht worden onttrokken. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de vrijgekomen inbreidingslocatie ingevuld met woningbouw, die qua aard en schaal aansluit bij de omgeving. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling ruimtelijk en functioneel gezien past binnen de kenmerken en karakteristieken zoals die in het plangebied en haar omgeving voorkomen.

9

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio's;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het plangebied centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. Een gunstige locatie in Duiven, met bebouwing welke haar functie heeft verloren, wordt herontwikkeld naar een aantrekkelijk woongebied met 16 grondgebonden woningen. Daarbij is aansluiting gezocht met de kenmerken en karakteristieken van de omgeving, zoals beschreven in paragraaf 2.2.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

10

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. SAB heeft een toets aan de Ladder voor duurzame 1 verstedelijking opgesteld. Uit deze toets wordt geconcludeerd dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Tevens is aangetoond dat deze ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor het verzorgingsgebied. Deze behoefte kan worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen. Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

1

SAB (2022). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Duiven, Walcherenstraat 5. Projectnummer: 190270. 15 februari 2022. 11

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld.  Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.  Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s:  Energietransitie: van fossiel naar duurzaam.  Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer.  Circulaire economie: sluiten van kringlopen.  Biodiversiteit: werken met de natuur.  Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.

 Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.  Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

12

Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied geen provinciale belangen raakt. In meer algemene zin geldt wel dat voorliggend plan een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. Met de voorgenomen woningbouwontwikkeling wordt immers zowel kwantitatief als kwalitatief gezien voorzien in een behoefte én wordt aardgasloos ontwikkeld. Deze ambities sluiten aan bij hetgeen gesteld in de Omgevingsvisie. In artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In paragraaf 2.2 zijn reeds een aantal duurzaamheidsmaatregelen opgesomd. Zo worden de woningen aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. De bergingen in de achtertuinen zullen een groendak krijgen. De daken zullen aan de zonkant worden voorzien van zonnepanelen. Het groen in de omgeving zal zoveel mogelijk behouden blijven en waar mogelijk uitgebreid worden, om een groenzone rondom de woningen te creëren. Hierin is ruimte gereserveerd voor de aanleg van wadi’s om zo de waterberging te bevorderen.

Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Duiven De gemeente Duiven streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Om dit te bereiken heeft de gemeente Duiven de Omgevingsvisie Duiven opgesteld. De inhoudelijke ambities en doelen voor de leefomgeving bestaan uit de volgende vijf thema’s: 1. Een duurzaam thuis; 2. Gezonde, sociale en veilige leefomgeving; 3. Vitale economie; 4. Bereikbaarheid; 5. Klaar voor de toekomst. Verder wordt in de omgevingsvisie de aanvullende woonbehoefte benadrukt. De komende jaren zullen passende en betaalbare woningen moeten worden gerealiseerd. Toetsing Onderhavig plan past binnen de kaders van voorgenoemde visie. De locatie is ook in de omgevingsvisie aangewezen als woningbouwlocatie. Een vrijgekomen inbreidingslocatie wordt voorzien van een functie die qua aard en schaal past bij de omgeving. De woningen worden opgericht in het sociale huur, dan wel het betaalbare en 13

middeldure koop segment. De ontwikkeling past hiermee binnen de gemeentelijke ambitie om voldoende te voorzien in betaalbare woningbouw. Ten slotte wordt voorzien in aardgasloze woningen, waarmee op dit punt wordt beantwoord aan de wettelijke eisen ten aanzien van duurzaamheid. Dit alles tezamen maakt dat de ontwikkeling in lijn is met het gestelde in de omgevingsvisie Duiven. 3.3.2

Woonvisie Duiven 2021-2030 In 2021 is de Woonvisie Duiven 2021-2030 vastgesteld. Hierin staan drie thema’s centraal. Het gaat op de eerste plaats om het verbeteren van de kwaliteit van bestaande woningen en de leefbaarheid van wijken en dorpen. Verder wordt gezorgd voor passende woonruimte voor diverse doelgroepen zoals starters, ouderen, zorgbehoevenden en overige groepen. En uiteraard gaat de visie ook over het toevoegen van woningen. In de gemeentelijke woonvisie van Duiven staat dat de juiste woningen gerealiseerd moeten worden rekening houdend met de geconstateerde woningbehoefte en met doorstroming uit de bestaande voorraad. De gemeente ziet ruimte om in de periode 2025 circa 300 woningen toe te voegen aan de werkvoorraad. De grootste opgave ligt in de kern Duiven. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 16 woningen op een inbreidingslocatie binnen de kern Duiven en maakt onderdeel uit van de gemeentelijke woningbouwprogrammering. Rondom de inbreidingslocatie is de woonfunctie heersend, waardoor het plan aansluit bij de omgeving. De woningen sluiten aan bij zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve woningbehoefte binnen de gemeente. Het gaat namelijk om sociale huurwoningen en enkele betaalbare of middeldure koopwoningen die geschikt zijn voor meerdere doelgroepen.

Geconcludeerd kan worden dat het plan niet in strijd is met de ambities uit de Woonvisie Duiven 2021-2030. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het gestelde in het gemeentelijk beleid.

14

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Het plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 16 nieuwe woningen binnen de bebouwde kom van Duiven. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. 2

Het totale plangebied is circa 4.200 m groot. Hiermee blijft het project ver onder de indicatieve drempelwaarden kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen:  de kenmerken van het project;  de plaats waar de activiteit plaatsvindt;  de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie 2 Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen negatief effect kan optreden. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

2

SAB (2022). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Duiven, Walcherenstraat 5. Projectnummer: 190270. 3 juni 2022. 15

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is door De Klinker Milieu een verkennend bodemon3 derzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat de bodem plaatselijk bestaat uit klei en sporen veen en roest. In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehaltes aangetroffen. Het grondwater is ten slotte licht verontreinigd met barium. De lichte verontreiniging vormt geen reden tot het doen van nader onderzoek. Het terrein is daarmee op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Er hoeft geen nadere beschouwing plaats te vinden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavige ontwikkeling.

4.3

Geluid De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterrein. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies in de vorm van woningen. Daarom is door SAB een akoestisch onderzoek wegverkeersla4 waai uitgevoerd. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de geluidbelasting vanwege de Walcherenstraat, Bevelandstraat, Korenbloem, Golden Delicious, Paardenbloem en Heggewikke maximaal 48 dB is. Van elke individueel te onderscheiden weg is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Op basis van de resultaten wordt daarmee voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

3

De Klinker Milieu (2019). Verkennend bodemonderzoek. Walcherenstraat 5 Duiven. Rapportnummer: K192921B. 2 oktober 2019.

4

SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Duiven, De Timp. Projectnummer: 190270. 3 mei 2022. 16

4.4

Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.

Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

17

Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 16 woningen. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool en Atlas Leefomgeving hebben aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering.

Uitsneden luchtkwaliteit 2020 in en rondom Duiven waarbij het plangebied globaal met een ster is aangeduid. Hieruit volgt dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een dreigende overschrijding van de grenswaarden van 40,0 3

3

μg/m bij NO2 en PM10 en 25,0 μg/m bij PM2,5. (bron: Atlas Leefomgeving)

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie.

18

Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is 5 de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Onderhavig plangebied kan worden aangemerkt als een rustige woonwijk. Het plangebied ligt in de woonwijk ‘Duiven-Zuidoost’. In deze wijk komen vrijwel geen andere functies voor dan de woonfunctie.

Tevens ligt het plangebied niet direct aan hoofdinfrastructuur. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan leidt tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. In het plangebied worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Er hoeft daarom niet onderzocht te worden of de functie in het plangebied hinder veroorzaakt voor omliggende functies. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld. Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? In de directe omgeving is één hinderveroorzakende functie aanwezig, namelijk IKC het Klokhuis. De richtafstand van 30 meter (geluid) wordt niet behaald, daarom is een akoestisch onderzoek industrie6 lawaai uitgevoerd. Uit dit onderzoek volgt dat:  In totaliteit geen overschrijding van de grenswaarden vanuit het Activiteitenbesluit waarneembaar zijn voor wat betreft het langtijdgemiddelde geluidsniveau. Op basis van de resultaten wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.  Vanuit het perspectief vanuit een goede ruimtelijke ordening volgt dat de richtwaarde van stap-2 uit de VNG-publicatie voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau direct grenzend aan IKC Het Klokhuis wordt overschreden. De richtwaarden uit stap-3 worden niet overschreden.

 In voorliggende situatie bevat het Activiteitenbesluit geen grenswaarden voor de maximale geluidsbelastingen die horen bij de situatie van IKC Het Klokhuis.

5

VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009.

6

SAB (2022). Akoestisch onderzoek industrielawaai De Timp, Duiven. Projectnummer: 190270. 19 mei 2022. 19

 Vanuit het perspectief vanuit een goede ruimtelijke ordening volgt dat de richtwaarde van stap-2 en stap-3 uit de VNG-publicatie voor het maximale geluidsniveau op enkele plekken wordt overschreden.  Op basis van de onderzoeksresultaten vanuit het perspectief van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld in hoeverre maatregelen soelaas kunnen bieden om te kunnen voldoen aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie. Daaruit volgt dat:  Een overdrachtsmaatregel in de vorm van een scherm tussen IKC Het Klokhuis en de beoogde woningen soelaas kan bieden, mits het scherm minimaal 2,4 meter hoog is en een lengte heeft van circa 67 meter.  Een andere mogelijkheid is het treffen van bouwkundige maatregelen bij de woningen om de binnenwaarde te beperken tot een aanvaardbaar niveau. De karakteristieke geluidwering van de gevel dient daarmee minimaal 77 – 55 = 22 dB te bedragen.  Tot slot is het mogelijk om de overschrijdingen van de richtwaarden op te lossen door de gevels direct grenzend aan IKC Het Klokhuis als doof uit te voeren. Doof betekend in dit geval een gevel, veelal met ramen, zonder onderdelen die geopend kunnen worden met uitzondering van tijdelijke aard. Vanuit het gemeentelijk beleid volgt dat dove gevels alleen worden toepast aan de zijden waar geen buitenruimten zijn beoogd.  In totaliteit wordt geen grenswaarde van de indirecte hinder overschreden.

Gekozen is om de maatregel van het realiseren van dove gevels aan de zijde van IKC Het Klokhuis. In lijn met het gemeentelijk geluidbeleid worden de dove gevels alleen aan deze zijden gerealiseerd en worden de kortstondige piekgeluiden op enkele andere geveldelen in de dagperiode als acceptabel geacht. Door middel van bouwkundige maatregelen kan de binnenwaarde worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau om zo een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (of-6 wel 10 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risi-6 co van 10 als grenswaarde.

20

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Raadpleging van de digitale risicokaart wijst uit dat er in een straal van één kilometer geen stationaire en/of mobiele risicobronnen aanwezig zijn. Wel bevinden zich op grotere afstand de risicobronnen A12 en de Betuweroute waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Dit geldt ook voor de toekomstige A15. Het plangebied ligt -6 niet binnen de PR-contour (10 ), de meest relevante zones van het groepsrisico (de 200 meter zone), plasbrandaandachtsgebied en veiligheidszone van deze risicobronnen. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van de risicobronnen. Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes moet daarom ingegaan worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit brengen.

Verantwoording groepsriscio en advies Veiligheidsregio Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van drie risicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg A12, de Betuweroute en de toekomstige snelweg A15. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) van 1 april 2022 (kenmerk: 2022-001504). Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de aanwezige voorzieningen. De VGGM is hiervoor voor advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van de bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.

21

Het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan:  Het plan ligt in het effect scenario toxische wolk. De kans daarop is klein. Wel wijzigt het aantal personen beperkt met dit plan. Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen, mits tijdig gewaarschuwd, zichzelf in veiligheid kunnen brengen;  Wel adviseert de VGGM, ter verbetering van de zelfredzaamheid, de (toekomstige) bewoners te informeren over de risico’s in hun omgeving en mogelijke handelingsperspectieven (risicocommunicatie). Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL-Alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan te ontvluchten via de ‘Walcherenstraat’. Gezien dit en de afstand tot de risicobron en het handelingsperspectief in het toxisch scenario binnenshuis schuilen is acht de gemeente het niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant en enkel ter verbetering. Conclusie Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de snelweg A12, de Betuweroute en toekomstige snelweg A15.

Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

4.7

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:  Nederland blijft de veiligste delta in de wereld.  Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater.  Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.  Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement.  Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen.

22

De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid - Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld.

De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en 3 industrie, groter dan 150.000 m /jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus.

Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Waterschapbeleid - Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel In het waterbeheerplan beschrijft het waterschap Rijn en IJssel op welke wijze de volgende thema’s in de periode 2021-2027 uitgevoerd worden: creëren en onderhouden

23

van een klimaatrobuust en veilig gebied, bijdragen aan een circulaire economie en de energietransitie en het creëren van een gezondere leefomgeving. Het waterbeheerplan zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2021-2027 beschreven voor de kerntaken van het waterschap:  het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater;  het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen;  het transporteren en zuiveren van afvalwater;  het verbeteren van de waterkwaliteit;  de vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast is het veerkrachtiger maken van het gebied tegen klimaatverandering een belangrijk speerpunt. Watervisie 2030 waterschap Rijn en IJssel De Watervisie geeft aan hoe het waterschap aankijkt tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het beheersgebied, om de wateropgaven waarvoor ze staan duurzaam op te lossen.

Er moet daartoe een betere afstemming worden gevonden tussen de waterwensen van de verschillende grondgebruiksvormen en het watersysteem zelf. Omdat ruimtelijke oplossingen op langere termijn duurzamer zijn, krijgen deze de voorkeur boven technische oplossingen. Bij het zoeken naar ruimtelijke oplossingen geldt het natuurlijk watersysteem als ideaalbeeld. Een dergelijk watersysteem heeft onder meer de mogelijkheid om (in geval van veel neerslag) voldoende water op te vangen en water (in geval van te zware belasting) voldoende te reinigen. Water moet richtinggevend zijn bij toekomstige stedelijke uitbreiding. Bij overschot wordt regenwater in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater geleid. Het waterschap streeft ernaar regenwater niet meer via de riolering af te voeren. Het rioleringsstelsel wordt aldus minder zwaar belast, waardoor de kans op overstorten van rioolwater op oppervlaktewater kleiner wordt. Toetsing Om de waterhuishoudkundige gevolgen van onderhavig plan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de watertoets. Voor de watertoets is de Standaard Waterparagraaf van het Waterschap Rijn en IJssel aangewend. Deze waterparagraaf is onderdeel van, en hangt samen met, een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen.

Als op één of meer vragen per waterthema ‘ja’ wordt geantwoord dan is het waterthema relevant. Die waterthema’s worden toegelicht.

24

Thema

Toetsvraag

Relevant

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of

Nee

HOOFDTHEMA’S Veiligheid

regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

Nee

Riolering en Afvalwa-

1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?

Ja

terketen

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?

Nee

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)

Nee

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?

Nee

2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?

Ja

3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast

Nee

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

Nee

2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel? 3. Is in het plangebied sprake van kwel?

Nee Nee

4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit

Nee

1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?

Nee

2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

Nee

3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich

van een drinkwateronttrekking?

Nee Nee

overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?

Nee

2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?

Natte natuur

Nee Nee

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?

Nee

2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?

25

Nee

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?

Nee

2. Heeft het planherinrichting van watergangen tot doel?

Nee

AANDACHTSTHEMA’S Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

Nee

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

*

Nee

als op één of meer vragen per waterthema Ja wordt geantwoord dan is het thema relevant en zal de toelichting bij het kopje 3 ingevuld en toegevoegd moeten worden in de ruimtelijke onderbouwing.

Uit voorgaande toetsing van de watertoetstabel blijkt dat er met voorliggend plan sprake kan zijn van een toename aan afvalwater en wateroverlast (oppervlaktewater) in het plangebied. Voor het afvalwater kan aangesloten worden op het bestaande rioolstelsel. Van het hemelwater dat op de toekomstige kavels valt wordt 40 mm he2 melwater per m verhard oppervlak vastgehouden. Hiervoor is een systeem van kolken, hemelwaterriool en wadi’s ontworpen. Mocht deze berging van 40 mm bereikt zijn, dan stort het overtollige hemelwater middels een overstort via de parkeerplaats naar de singel. Het water van de bergingen wordt opgevangen in infiltratiekratten en tussen de afvoer wordt een regenton geplaatst. Bij de verdere uitwerking van een bouwplan voor het plangebied zal het watersysteem verder uitgewerkt worden. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing 7 SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de

7

SAB (2020). Quick scan natuur. Duiven, Walcherenstraat 5. Projectnummer: 190270. 15 mei 2020. 26

ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Rijntakken ligt in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Rijntakken is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te 8 sluiten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.

In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat direct rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Daarom is hier nader 9 onderzoek naar uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen essentiële elementen voor vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied. Met essentiële elementen wordt onder andere verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied bedoeld. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is hierdoor niet benodigd. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig.

De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.

8

SAB (2022). Onderzoek stikstofdepositie. Duiven, Walcherenstraat 5. Projectnummer: 190270. 3 juni 2022.

9

SAB (2020). Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Duiven, Walcherenstraat 5. Projectnummer: 190270.01. 11 november 2020. 27

Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.9

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing De gemeente Duiven heeft specifiek archeologiebeleid in de vorm van het ‘Bestemmingsplan Archeologie’, zoals vastgesteld door de gemeente Duiven op 31 mei 2009. Op basis van dat plan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’, inclusief gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting 5’. Dit betekent dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemin2 grepen groter dan 10.000 m en die dieper reiken dan 0,5 meter. De bodemingrepen voor voorliggend plan zijn kleinschaliger, waarmee archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. De aanwezigheid van archeologische vondsten kan echter nooit geheel worden uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=31e4d0b5-7943-4d49-8124-e853568596c6