CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

3. 201563747 - Toelichting en regels bestemmingsplan.pdf

Raadsavond 5 juli 2022, gemeente DuivenBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Helhoek ong. (naast Helhoek 17)19.044 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Helhoek ong. (naast Helhoek 17) Gemeente Duiven

COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Buro SRO:

Helhoek ong. (naast Helhoek 17) NL.IMRO.0226.BPBUITENGEBIED027-VS01 Vastgesteld 5 mei 2022 17.90.08

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Mevr. R. Thiemessen-Koning

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:

Dhr. M. Geerts Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.buro-sro.nl

2

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4

5 Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro Verslag zienswijzen

7 7 7 7 8 8 9 11 11 12 13 18 18 28 31 32 33 34 35 35 35 37 37 37 37 37

Bijlagen bij de toelichting

39

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

41 43 45 47 49

Verkennend bodemonderzoek Geluidcontourenkaart A15 en spoorlijn Akoestisch onderzoek Advies VGGM Quickscan Flora en Fauna

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

3

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15

51 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Agrarisch Tuin Wonen - 1 Waarde - Lage archeologische verwachting Waarde - Landschap Algemene regels Parkeren Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

53 53 57 59 59 61 61 64 66 67 67 67 67 67 68 70 71 71 71

Bijlagen bij de regels

73

Bijlage 1

75

Verbeelding

4

Handleiding voor erfinrichting

77

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Toelichting

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

5

6

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het bestemmingsplan

De initiatiefnemer heeft het voornemen om op een onbebouwd perceel aan de Helhoek, ten noorden van de woning aan de Helhoek 17, een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. Het bouwrecht voor de woning komt voort uit een gemeentelijke compensatieregeling van woningen die worden gesloopt in verband met het doortrekken van de A15. De ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Helhoek in het buitengebied aan de noordkant van het buurtschap Helhoek. Het plangebied betreft het kadastraal perceel bekend als 'Duiven - H - 2317'. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

Afbeelding 1: Ligging plangebied in de omgeving, plangebied rood omcirkeld (bron: openstreetmap)

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

7

Hoofdstuk 2

Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1

Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Helhoek, in het buitengebied ten westen van de kern Zevenaar. Aan de Helhoek zijn enkele agrarische bedrijven, burgerwoningen en niet-agrarische bedrijfslocaties gelegen. Deze bedrijven en woningen worden omgeven door landbouwgrond. Het gebied heeft een open en weids karakter. Op ca 100 m ten westen van het plangebied is het nieuwe deel van de rijksweg A15 voorzien, die verder noordwaarts aansluit op de A12. Het plangebied betreft een langgerekt perceel met een oppervlak van ca 3500 m 2 en is in de bestaande situatie in gebruik als akkerbouwgrond. Bebouwing ontbreekt. Langs de noordzijde van het perceel loop een watergang. Het plangebied wordt van de Helhoek gescheiden door een berm met een sloot en enkele voor het gebied kenmerkende knotwilgen. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de bestaande situatie.

Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

8

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Afbeelding 3: Zicht op plangebied (bron: googlemaps)

2.2

Toekomstige situatie

Voorliggend initiatief voorziet in één vrijstaande woning binnen het plangebied. Het bouwrecht voor de nieuwe woning komt voort uit de gemeentelijke compensatieregeling in verband met het doortrekken van de A15. Om de snelweg door te kunnen trekken worden er woningen gesloopt die elders in het buitengebied mogen worden teruggebouwd, zie verder paragraaf 3.3. Stedenbouwkundige uitgangspunten De gemeente Duiven heeft bij de start van de ontwikkeling enkele stedenbouwkundige randvoorwaarden gesteld. De voorwaarden zijn:  De woning staat op minimaal 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens;  De woning heeft 1 laag met kap, kap laag aangezet;  De woning heeft eenvoudige kapvorm; richting kan zowel haaks op als parallel met de straat;  Eigentijdse architectuur of aansluiting zoeken bij architectuur omliggende woningen;  Gebruik van natuurlijke materialen en kleuren. Het plan Op basis van de voorwaarden van de gemeente is een plan ontwikkeld. Het nieuwe woonperceel wordt stedenbouwkundig- en landschappelijk ingepast in lijn met de bebouwing en het landschap in de opmgeving. De bouwzone (toekomstige woonbestemming) komt op minimaal 15 m vanaf de Helhoek te liggen en loopt door richting het westen tot maximaal 75 m achter de voorste perceelsgrens.

De woning wordt daardoor op enige afstand langs de weg gepositioneerd zodat het bebouwingspatroon met losliggende erven langs de Helhoek in noordelijke richting wordt doorgezet. Verder geldt een minimale afstand van 3 m tussen de woning en de zijdelingse perceelsgrens. De woning krijgt 1 bouwlaag met kap. In het plan dat voorligt staat de kaprichting haaks op de Helhoek, maar een richting parallel aan deze weg is ook mogelijk. De woning krijgt de uitstraling van een schuurwoning met een eigentijdse architectuur en natuurlijk materiaalgebruik. De woning sluit daarmee aan op de bestaande woningen aan de Helhoek. Achter de woning komt, op minimaal 5 m achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw, een bijgebouw van minimaal 75 m². De regeling uit het vigerende bestemmingsplan maakt een groter bijgebouw mogelijk indien niet gebruik wordt gemaakt van de maximale bouwmogelijkheden voor het hoofdgebouw. Deze regeling wordt in voorliggend plan overgenomen.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

9

Rondom de woning is voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van drie auto's. Daarmee kan er worden voldaan aan het gemeentelijke uitgangspunt om te parkeren binnen eigen terrein. Meer hierover volgt in paragraaf 4.4. De woning wordt via de huidige toegang ontsloten op de Helhoek, zie ook de afbeelding uit voorgaande paragraaf 2.1. Deze toegang is ca 4 meter breed en wordt in de bestaande situatie gebruikt door landbouwvoertuigen. Daarmee is de inrit ook breed genoeg voor de toekomstige personenvoertuigen. Door gebruik te maken van deze toegang wordt tevens voorkomen dat de toekomstige ontsluiting ten koste gaat van de drie bestaande knotwilgen. De knotwilgen staan op enige afstand tot de weg. Vanuit verkeerskundig oogpunt kan worden gesteld dat voor zowel weg over de Helhoek als de toekomstige bewoners is er sprake van goed zicht. De gronden achter het nieuwe woonperceel behouden de bestaande agrarische functie. De navolgende afbeelding geeft de toekomstige situatie weer.

Afbeelding 4: Impressie toekomstige situatie (bron: buro SRO)

Afbeelding 5: Referentieafbeelding van een schuurwoning (bron: initiatiefnemer)

10

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. Ladder duurzame verstedelijking Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

11

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen gebieden van de NOVI. Voorliggend initiatief heeft daarmee geen negatief effect op één of meer aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Ladder duurzame verstedelijking Met voorliggend initiatief worden er geen extra woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. De nieuwe woning betreft een 'compensatiewoning' voor een bestaande woning die wordt gesloopt in verband met het doortrekken van de A15.

Volgens de geldende jurisprudentie is een woningbouwontwikkeling pas aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling voorziet in 12 nieuwe woningen of meer. Voorliggend plan is daarmee niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het toetsen van dit initiatief aan de Ladder is dan ook niet aan de orde. Het rijksbeleid staat voorliggend initiatief niet in de weg.

3.2

Provinciaal beleid

Algemeen In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.

Deze ambities worden hieronder kort samengevat:  Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;  Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;  Een voortvarend en innovatief circulair beleid;  Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;  Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;  Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;  Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

12

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Omgevingsverordening Gelderland De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Ten aanzien van het thema wonen stelt de provincie dat er wordt gestreefd naar het in balans brengen en houden van vraag en aanbod op de woningmarkt: hoe kan de woningvoorraad kwantitatief en kwalitatief meegroeien met de veranderende vraag? De provincie ziet daarbij de volgende opgaven:  focus van nieuwbouw naar het benutten van de bestaande voorraad;  van aanbodgestuurd naar vraaggestuurd. De afspraken over de groei van de woningvoorraad worden vastgelegd in de 'kwantitatieve opgave t/m 2024'. In de provinciale Omgevingsverordening is de status van de kwantitatieve opgave vastgelegd (art. 2.2.1.1). Nieuwe woningen in bestemmingsplannen moeten passen in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde programmering. Vanwege demografische ontwikkelingen neemt de vraag naar nieuwe woningen geleidelijk af. De kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod op de woningmarkt vraagt echter steeds meer aandacht van alle betrokken partijen.

Oplossingen zijn in toenemende mate te vinden in het benutten van kansen in (het aanpassen van) de bestaande woningvoorraad. Planspecifiek De provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening stellen geen specifieke eisen aan voorliggende locatie. Het plangebied ligt buiten het Natuur Netwerk Gelderland. Geconcludeerd wordt dat het initiatief past binnen het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Ontwikkelingskader buitengebied Duiven In april 2012 heeft de gemeente Duiven het 'Ontwikkelkader buitengebied Duiven' gepubliceerd. Het ontwikkelkader is opgesteld vanwege de brede ruimtelijke opgaven die spelen in het buitengebied van Duiven. De schaalvergroting en modernisering van de agrarische- en tuinbouwsector zorgen voor nieuwe uitdagingen op het gebied van landschapsontwikkeling en functieverandering van voormalige agrarische bedrijfslocaties. Het ontwikkelkader is vooruitlopend op het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld en biedt een toetsingskader op hoofdlijnen voor de beoordeling van projecten die niet binnen het bestemmingsplan passen. Het duurzaam behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden en het beperken van de milieubelasting vormen de basisvoorwaarden voor medewerking van de gemeente.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

13

Afbeelding 6: Het plangebied (rode cirkel) ligt binnen de randen van Duiven (bron: Ontwikkelkader buitengebied Duiven)

Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het deelgebied 'Randen van Duiven'. Binnen de randen van Duiven wordt met name ingezet op functieverandering van agrarische bedrijven naar wonen. Nieuwe woningen in dit gebied kunnen passend zijn, indien deze de agrarische belangen in het gebied niet schaden. In hoofdstuk 4 is aangetoond dat het initiatief geen invloed heeft op de omliggende agrarische functies. Het initiatief past binnen het 'Ontwikkelingskader buitengebied Duiven'.

14

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan In de uitwerking van het vastgestelde Ontwikkelingskader Buitengebied heeft de gemeente Duiven een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld. In dit plan is de visie op gebied van natuur en landschap verder uitgewerkt en vertaald naar concrete uitvoeringsprojecten op het gebied van natuur en landschap. Daarnaast biedt het Landschapsontwikkelingsplan een toetsingskader voor initiatieven in het buitengebied. Het LOP is vastgesteld in 2014 en heeft een looptijd van 10 jaar. Het kommenlandschap - waarbinnen het plangebied is gelegen - is een open agrarisch landschap met een grote maat en schaal en een rechthoekige verkaveling. Het gebied heeft rechte wegen met bomenrijen of lanen, grootschalige boerderijen met erfbeplanting als eilandjes in de open ruimte, populierenbosjes en brede, rechte weteringen met op enkele plekken natuurvriendelijke oevers. De weteringen zijn de hoofdstructuurdragers van het gebied. De rechte wegen met bomenrijen vormen secundaire structuurdragers. Bijzonder is het zicht vanuit het Duivense Broek op de Veluwe. Het kommenlandschap aan de randen va Duiven is een meer gemengd gebied met als bijzondere eenheden de open Grossche Weide met karakteristieke slagenverkaveling, de op een zandopduiking gelegen buurtschap De Eng langs de Engschestraat (met de woningen op afstand van de weg) en het besloten Horsterpark.

In het LOP wordt aandacht besteed aan de beeldkwaliteit en de inpassing van bestaande en nieuwe erven. Erven maken een belangrijk deel uit van de landschappelijke kwaliteit van het plangebied. Uitgangspunt daarbij is dat erven in samenhang zijn met het omringende landschap. Het gaat vooral om een goede visuele relatie tussen de erven en het landschap. Het LOP bevat een verplichting tot de aanleg van erfbeplanting bij nieuwe erven (of de uitbreiding van bestaande erven). Hiermee wordt op lokaal niveau een bijdrage geleverd aan de versterking van de landschappelijke kwaliteit. Op de vorenstaande afbeelding is het plangebied (rode stip) opgenomen in het oeverwallenlandschap (lichtgroene kleur).

Afbeelding 7: Uitsnede kaart 'visie op hoofdlijnen' (bron: Landschapsontwikkelingsplan Duiven)

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

15

Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de oprichting van een nieuw woonerf binnen het kommenlandschap. Het woonerf zal landschappelijk worden ingepast conform de uitgangspunten uit het LOP. De gemeente Duiven heeft de uitgangspunten uit het LOP voor nieuwe erven binnen het kommenlandschap doorvertaald in een handleiding voor erfinrichting. Deze is opgenomen als bijlage 1 bij de regels. Via een voorwaardelijke verplichting in de regels is geborgd dat de ingebruikname van de nieuwe woning als strijdig is aan te merken als de tuin en het erf van de woning niet zijn ingericht volgens de uitgangsprincipes uit de handleiding. Op die manier is bijvoorbeeld geborgd dat er geen coniferen als erfscheiding worden aangeplant. Het initiatief past binnen het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Duiven. 3.3.3 Regeling bouwrechten Helhoek Aanleiding De geplande doortrekking van de snelweg A15 doorsnijdt buurtschap 'De Helhoek' in de gemeente Duiven en zal een grote impact hebben op de landschappelijke structuur, de bebouwingsstructuur en de sociale cohesie in het buurtschap. Voor deze beoogde ontwikkeling zijn een zevental woningen in het buurtschap aangekocht en inmiddels gesloopt. In 2011 is, met deze ontwikkeling in het vooruitzicht, een motie aangenomen door de gemeenteraad van Duiven, getiteld 'Herbouw voor gedupeerde bewoners buitengebied t.g.v. doortrekking A15'.

Met deze motie zijn alle inwoners die gedwongen waren te vertrekken voor de aanleg van de A15 in de gelegenheid gesteld om elders in het buurtschap, dan wel elders in het buitengebied van de gemeente Duiven een woning terug te bouwen. Alle voormalige bewoners van het buurtschap hebben elders een woning gevonden, daarmee zijn de mogelijkheden tot herbouw in het buurtschap onbenut gebleven. Door het Bewonersoverleg A15 en een aantal bewoners uit de Helhoek is hiervoor bij de gemeente aandacht gevraagd. In samenhang met de ontwikkeling van de A15 en de sloop van de bewuste woningen is er een duidelijke behoefte aan een impuls aan het woon- en leefklimaat teneinde de leefbaarheid in het buurtschap te behouden, dan wel te verbeteren. Dit is door de gemeente onderkend, in de notitie woningbouwprogramma 2018-2027 is hier aandacht aan gegeven. Hierbij is vanuit de gemeente als voorwaarde gesteld dat de inwoners van het buurtschap zelf een toekomstvisie op moeten stellen. De inhoud van deze visie dient vanzelfsprekend aan te sluiten op de woonbehoeften en de manier waarop deze behoefte op een passende, kleinschalige wijze binnen de bestaande contouren van het buurtschap te integreren is. Toekomstvisie en uitwerkingsplan Na diverse bijeenkomsten met de inwoners van het buurtschap heeft dit geresulteerd in presentatie van een gedragen rapport 'Helhoek kijkt verder'.

Hierin zijn streefbeelden opgenomen die de bewoners voor het behoud/versterking van de leefbaarheid van belang vinden. Het plan is om de 7 woningen, die in het gehele buurtschap inmiddels gesloopt zijn, terug te plaatsen waardoor het aantal woningen in Helhoek gelijk blijft. Na deze presentatie heeft het buurtschap een onafhankelijke 'uitwerkingsgroep' samengesteld. De groep heeft zorgvuldig aandacht gegeven aan de mogelijkheden om te bouwen (zogenoemde woonwensen) wat vervolgens geresulteerd heeft in een uitwerkingsplan. Beide stukken zijn medio oktober 2020 aan het college en de gemeenteraad voorgelegd en geaccordeerd.

16

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Planspecifiek Voorliggende ontwikkeling vallen binnen de, in het uitwerkingsplan genoemde, categorie 3. Categorie 3 bestaat uit de kinderen van alle hoofdbewoners in het buurtschap, deze dragen bij aan de verjonging en daarmee aan de leefbaarheid van de Helhoek. Voor categorie 3 zijn drie bouwrechten gereserveerd en deze komen direct in aanmerking voor behandeling. Begin 2021 zijn de in totaal drie gegadigden van categorie 3 met de gemeente in gesprek gegaan over het vervolgtraject, waarvan het nu voorliggende bestemmingsplan een uitwerking is. 3.3.4 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Reparatieplan Buitengebied 2013', vastgesteld door de gemeente Duiven op 20 november 2018. Het reparatieplan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' uit juni 2015. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende planologische situatie van het plangebied.

Afbeelding 8: Uitsnede van de vigerende planologische situatie binnen het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch' zonder bouwvlak. Verder gelden over het hele plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Landschap' en 'Waarde - Lage archeologische verwachting'. Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan Binnen de vigerende bestemming 'Agrarisch' is de bouw van een woning niet toegestaan. Omdat de realisatie van een woning op deze locatie wel gepast is, en passend is binnen het overige beleid van de gemeente, de provincie en het Rijk, zal deze bestemming worden herzien.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

17

Hoofdstuk 4

Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1

Milieu

4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek Vanwege een functiewijziging van het plangebied naar een bodemgevoelige woonfunctie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat de aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater geen belemmering vormen voor het toekomstig gebruik van het plangebied als woonlocatie. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens.

De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

18

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt Rekenpunt ID 15566875 (aan de Oostsingel ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)

NO2 (stikstofdioxide) 17,9 µg/m3

PM10 (fijnstof) 17,4 µg/m3

PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 10,8 µg/m3

40 µg/m3

40 µg/m3

25 µg/m3

De gemeten concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief, bestaande uit één woning, van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:  woningen;  geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;  geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.

Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Als gevolg van voorliggend initiatief wordt er één nieuw geluidsgevoelig object (woning) binnen het plangebied mogelijk gemaakt.. Het is daarom van belang te kijken naar het effect van de geluidsbronnen uit de omgeving op de nieuwe woning. Voor dit initiatief zijn de Helhoek, toekomstige A15 en de spoorlijn Arnhem – Winterswijk relevant. Wegverkeer

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

19

De nieuwe woning ligt binnen de geluidzones van wegverkeer over de Helhoek en de toekomstige A15. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. In het vervolg van deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies verwerkt. Helhoek De nieuwe woning ligt binnen het onderzoeksgebied van de Helhoek, waar een maximum snelheid geldt van 60 km/u. Om het geluidseffect van wegverkeer over de Helhoek op de nieuwe woning te kunnen bepalen, is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Er zijn geen hogere waarden nodig. Wegverkeer over de Helhoek heeft geen negatief geluidseffect op de nieuwe woning tot gevolg. Er wordt voldaan aan het bepaalde uit de Wgh. Rijksweg A15 In het akoestisch onderzoek uit bijlage 3 is de conclusie opgenomen dat de geluidsbelasting door wegverkeer op de A15 na aftrek ex art 110-g Wgh op de westgevel ten hoogste 47 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daardoor niet overschreden. Er zijn geen hogere waarden nodig voor de geluidbelasting door wegverkeer op de A15. Wegverkeer over de Helhoek heeft geen negatief geluidseffect op de nieuwe woning tot gevolg. Er wordt voldaan aan het bepaalde uit de Wgh. Spoorweg Op ca 700 m ten zuiden van het plangebied ligt de spoorlijn 'Arnhem – Winterswijk'.

Deze spoorlijn is aangegeven op de geluidplafondkaart, waardoor een geluidzone aan de spoorlijn is toegekend. In het geluidregister spoor is op het dichtstbijzijnde geluidproductieplafond (GPP) een geluidbelasting van 59,2 dB vastgesteld. Op grond van de tabel uit artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder heeft deze geluidzone een breedte van 200 m (bij een geluidproductieplafon gelijk aan of groter dan 56 dB en kleiner dan 61 dB). De nieuwe woning uit voorliggend plan wordt op ca 700 m vanaf de spoorlijn opgericht. Daarmee komt de woning ruim buiten de geluidzone van de spoorlijn te liggen, waardoor op grond van de Wgh geen akoestisch onderzoek benodigd is. In aanvulling op voorgaande motivering is de 'geluidcontourenkaart van treinverkeer op de omgeving' van de gemeente Duiven toegevoegd als bijlage 2. Uit de kaart blijkt dat de geluidbelasting van treinverkeer ter plaatse van de nieuwe woning niet meer bedraagt dan 55 dB. Daarmee wordt, op grond van artikel 4.9 Bgh, de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor een woning in geval van spoorweglawaai niet overschreden. Treinverkeer leidt niet tot een negatief geluidseffect. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van spoorweglawaai. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geluid.

4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimum afstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in: maximaal toegestane

20

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

concentratiegebied binnen bebouwde kom concentratiegebied buiten bebouwde kom niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom

geurbelasting (odour units per m3 lucht) 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m³ 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:  binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;  buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimum afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat. Planspecifiek Met het initiatief wordt een nieuwe geurgevoelig object (woning) gerealiseerd buiten de bebouwde kom. Aan de Helhoek 30d, op 60 m ten noordoosten van het plangebied, is een rundveebedrijf actief. Dit is een bedrijf met vaste afstandsdieren. Om het geureffect van het bedrijf op de nieuwe woning te kunnen beoordelen, kan er daarom getoetst met een afstand van 50 m tussen de nieuwe woning en het dichtstbij gelegen emissiepunt. De dichtstbij gelegen stal staat op ca 100 m tot de nieuwe woonbestemming. Daarmee wordt er voldaan aan de minimumafstand van 50 m.

In de omgeving zijn geen veehouderijen gelegen met een geuremissiefactor die het woon- en leefklimaat van de nieuwe woning kunnen beïnvloeden. Ter plaatse van de nieuwe woning is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat vanuit het aspect geur. Voor alle agrarische bedrijven in de omgeving geldt dat deze bedrijven in de bestaande situatie al rekening dienen te houden met nabijgelegen woningen (geurgevoelige objecten). De nieuwe woning uit voorliggend plan wordt niet dichter op een agrarisch bedrijf gerealiseerd dan de bestaande woningen rondom de agrarische bedrijven. Voorliggend plan heeft daardoor geen belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven tot gevolg. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur. 4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming.

Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

21

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Door voorliggend initiatief wordt er één milieugevoelig object mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Het is daarom van belang te kijken naar het milieueffect van bedrijven uit de omgeving op het woon- en leefklimaat van de nieuwe woning. Ook dient te worden beoordeeld of bedrijven uit de omgeving worden gehinderd in hun bedrijfsmogelijkheden als gevolg van voorliggend plan. Woonklimaat ter plaatse van het plangebied Aan de zuidkant van het plangebied is aan de Helhoek 17 een opslagbedrijf gevestigd.

In het vigerende bestemmingsplan 'Veegplan Duiven 2017' is op basis van de 'bijlage 2: niet agrarische bedrijfsactiviteiten' bepaald dat op het adres een opslag is toegestaan tot aan milieucategorie 2, met een maximale richtafstand van 30 m op basis van geluid. Het opslaggebouw staat op 40 m tot de grens van het plangebied en de oprichting van het opslag dichter bij het plangebied is niet toegestaan. Negatieve milieueffecten als gevolg van het opslagbedrijf kunnen nu en in de toekomst worden uitgesloten. Daarnaast zijn de gronden van de bedrijfslocatie (hele bedrijfsbestemming) aan de Helhoek 17 bestemd voor agrarisch medegebruik (milieucategorie 3.1, maximale richtafstand van 50 m op basis van geluid). In de bestaande situatie worden er echter geen activiteiten in het kader van agrarisch medegebruik uitgevoerd aan de Helhoek 17. De bestaande inrichting maakt vanwege de brede groene bosschage en bestaande bebouwing agrarisch medegebruik in de buurt van de nieuwe woning in de toekomst ook niet mogelijk. Aan de zuidkant van de bedrijfslocatie Helhoek 17 is wel ontwikkelruimte aanwezig, maar deze gronden liggen op ruime afstand van het plangebied (minimaal 70 m, richtafstand 50 m). Ook in de toekomstige situatie kunnen nadelige milieueffecten als gevolg van bedrijfsactiviteiten aan de Helhoek 17 op de nieuwe woning binnen het plangebied worden uitgesloten.

Aan de noordoostkant van het plangebied ligt een agrarisch rundveebedrijf (Helhoek 30d). In paragraaf 4.1.4 is reeds ingegaan op het geureffect van het bedrijf op de nieuwe woning. Voor wat betreft de overige milieueffecten van een rundveebedrijf (o.a. geluid, stof) geldt op basis van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' een maximale richtafstand van 30 m. De afstand tussen het plangebied en het agrarisch bouwvlak bedraagt minimaal 80 m, waardoor ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand. Direct ten noorden van het rundveebedrijf staat een nutsvoorziening. In bijlage 2 van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' is opgenomen dat elektriciteitsdistributiebedrijven zijn toegestaan tot maximaal milieucategorie 2, met een maximale richtafstand van 30 m. De bedrijfsbestemming waarbinnen de nutsvoorziening is toegestaan ligt op minimaal 90 m afstand tot het plangebied. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Op basis van voorgaande motivering kan worden geconcludeerd dat de bedrijven en inrichtingen uit de omgeving geen negatief milieueffect op de nieuwe woning tot gevolg hebben. Op basis van het aspect milieuzonering is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

22

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Omgekeerde werking De nieuwe woning binnen het plangebied wordt de dichtstbijzijnde woning van de bedrijfslocatie aan de Helhoek 17. Het uitoefenen van de hoofdfunctie (opslag) binnen de bedrijfslocatie is enkel toegestaan binnen een bestaand bedrijfsgebouw. Uitbreiding of verplaatsing van dit bedrijfsgebouw in de richting van het plangebied is niet toegestaan. In de huidige situatie vinden er daarbij maar beperkt bedrijfsactiviteiten plaats aan de Helhoek 17. Het opslaggebouw wordt ontsloten door een eigen inrit op de Helhoek. Het opslaggebouw en de inrit (en de bijbehorende beperkte transportbewegingen van bedrijfsverkeer) liggen op minimaal 50 m vanaf het plangebied en 60 m vanaf de plek van de beoogde woning. Door deze ruime afstanden worden de grenswaarden uit het activiteitenbesluit niet overschreden en wordt het opslagbedrijf niet belemmerd in de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten. Naast de opslagfunctie mogen de gronden ter plaatse van de bedrijfsbestemming worden gebruikt voor agrarisch medegebruik (uitoefenen van in bedrijfsmatig opzicht ondergeschikt agrarische activiteiten, al dan niet met een recreatief karakter). In de bestaande situatie worden er geen bedrijfsactiviteiten in het kader van agrarisch medegebruik uitgeoefend aan de Helhoek 17.

Gelet op de bestaande inrichting van de bedrijfslocatie biedt het noordelijk deel van de bedrijfslocatie daar ook geen mogelijkheden voor. Ter plaatse van die gronden ligt een brede groene bosschage van 20 m, opgevolgd door de bestaande bebouwing waaronder de bedrijfswoning, het opslaggebouw en enkele ondergeschikte gebouwen. Voorbij deze gebouwen liggen, op minimaal 60 m vanaf het plangebied, voldoende mogelijkheden binnen de bedrijfslocatie om desgewenst de bedrijfsactiviteiten uit te kunnen breiden met ondergeschikte agrarische activiteiten. Het bedrijf aan de Helhoek 17 wordt daardoor niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. Conclusie Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van het aspect milieuzonering en bedrijven uit de omgeving worden niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

23

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Door voorliggend initiatief wordt één kwetsbaar object binnen het plangebied toegevoegd. Via de risicokaart is daarom bekeken of er in de omgeving van het plangebied inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

Afbeelding 9: Risicokaart met de groen gemarkeerde locatie van het plangebied (Bron: risicokaart.nl)

Buisleidingen Op voorgaande risicokaart is zichtbaar dat de er een drietal buisleidingen ter behoeve van aardgas transport zijn gelegen ten westen van het plangebied. De minimale afstand tussen de leidingen en de nieuwe woning bedraagt 240 m meter. Het invloedsgebied van de leidingen ligt over het plangebied. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

24

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

A12 & A15 De rijksweg A12 ligt op circa 1,6 km ten noorden van het plangebied. Op circa 150 m ten oosten van het plangebied is de nieuwe A15 voorzien. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren (10-6) van beide wegen. Het invloedsgebied van de rijkswegen (4.000 m) liggen wel over het plangebied. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Betuweroute Op ca 1,2 km ten zuiden van het plangebied ligt de Betuweroute, die gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour (30 m) en buiten de meest relevante zone voor het groepsrisico (de 200 meter zone). Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied (4.000 m) van deze transportroute. Daarom kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op basis van voorgaande motivatie blijkt dat de afstand tussen het plangebied en de Betuweroute en A12 meer dan 200 m bedraagt. De wetgever heeft bepaald dat het groepsrisico in het kader van transport gevaarlijke stoffen over weg en spoor alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Ook voor aardgastransportleidingen is alleen een beperkte verantwoording nodig omdat het plangebied buiten de 100% letaalzone ligt. En ook voor de A15 gaat het enkel om een beperkte verantwoording omdat het groepsrisico niet met 10% toeneemt.

Hierdoor kan voor alle risicobronnen volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op 18 augustus 2021 heeft de Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA) een beperkte verantwoording groepsrisico opgesteld: Beperkte verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van de Betuweroute, de snelweg A12, de toekomstige snelweg A15 en drietal aardgastransportleidingen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de transportroutes (onderdeel c en d) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) artikel 12 vanwege een drietal aardgastransportleidingen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruikgemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 11 augustus 2021 (kenmerk 2021004853, zie bijlage 4). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten. A. Personendichtheid Het plangebied voorziet in de realisatie van één nieuwe woning (2,4 personen per woning).

De toename van het aantal personen zal daarom op 2,4 personen uitkomen in zowel de dag als nachtperiode. B. Hoogte groepsrisico Het aantal personen in het invloedsgebied neemt toe met 2,4 personen. Gelet op de beperkte toename en dat de ontwikkeling buiten de 100% letaal zone is gelegen heeft dit geen gevolgen voor het groepsrisico. C. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De VGGM is hiervoor voor advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

25

D. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.  Het plan ligt binnen de effectafstand van het scenario fakkelbrand en toxisch. De kans daarop is klein. Bij deze scenario’s is naar verwachting schuilen het te adviseren handelingsperspectief. Hierbij zijn bepaalde aspecten wel afhankelijk van het verloop van het incident en de brandwerendheid van het gebouw. Het plan leidt tot een beperkte toename van het aantal aanwezigen. Het ligt in de lijn der verwachting dat de aanwezigen zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd.  De VGGM adviseert ter verbetering van de zelfredzaamheid rekening te houden met de ontvluchtbaarheid van het gebied op planniveau en aandacht te hebben voor risicocommunicatie, ook bij werkzaamheden aan de aardgastransportleiding. Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL-Alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan via de openbare weg ‘Helhoek’ per auto en voet te ontvluchten.

Gezien het geadviseerde van de VGGM enkel ter verbetering is, acht de gemeente het niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant. Conclusie Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A12, de toekomstige snelweg A15 en een drietal aardgastransportleidingen. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het geadviseerde van de VGGM was enkel ter verbetering. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid. 4.1.7 Gewasbeschermingsmiddelen Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten.

Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (Afdeling 3.5 van het Activiteitenbesluit), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de bestemmingsplanpraktijk word daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits dit gemotiveerd kan worden. Deze praktijk wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De volgende aandachtspunten zijn van belang: 1. wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en); 2. wat is het huidige gebruik van de gronden / welke teelten vinden plaats; 3. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en welke spuitmethode wordt gebruikt; 4. wat zijn de effecten van driftreducerende middelen (vaak hagen en bomenrijen); 5. wat is de overheersende windrichting. Met name bij boomgaarden en boomkwekerijen hebben gewasbeschermingsmiddelen invloed op het woonen leefklimaat. Bij overige gewassen is het risico op aantasting van het woon- en leefklimaat beperkt.

26

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

Planspecifiek Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn in de huidige situatie geen (fruit)boomgaarden aanwezig waar bedrijfsmatige gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Het oprichten van dergelijke gaarden is zonder omgevingsvergunning niet mogelijk, nieuwe boom/fruitgaarden niet zijn toegestaan binnen een straal van 50 meter tot gevoelige objecten (zoals woningen) zonder een locatiespecifiek onderzoek. Een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan dan ook gegarandeerd worden. Voorliggend plan is uitvoerbaar op basis van het aspect gewasbeschermingsmiddelen. 4.1.8 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven.

Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:  in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;  een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;  op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:  als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;  als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Planspecifiek Onderhavig plan omvat geen grote ruimtelijke ingrepen die m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn volgens onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing dat als gevolg van voorliggend initiatief wordt toegevoegd aan het perceel is beperkt. Volgens geldende jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Uitspraak 202000755/1/R2 en 202000837/1/R2) is de ontwikkeling van één nieuwe woning op een onbebouwd agrarisch perceel in het buitengebied ook niet aan te wijzen als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling is dus niet nodig. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de belangrijkste milieuaspecten beschreven (zie hoofdstuk 4). Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu.

Helhoek ong. (naast Helhoek 17)

27

4.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=ee6ed2e2-a8b0-43f7-8473-65a2f502fc26