20. 201726835-Bijlage 15 bij de motivering - Stikstofonderzoek
Tekst van het document
Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V. Vestigingen te Nijmegen, Rosmalen, Baexem en Voerendaal, Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen +31 (0)73 303 27 00
info@pouderoyentonnaer.nl
RAPPORTAGE Aan Datum Betreft Project
Gemeente Westervoort 10 maart 2026 Onderzoek stikstofeffecten Westervoort-Noord (Passende Beoordeling) POU250116
www.pouderoyentonnaer.nl KvK 14066614 BTW NL8104.81.996.B.01 Bankrekening 15.48.19.875 BIC RABONL2U IBAN NL29 RABO 0154 8198 75
Onderzoek naar stikstofeffecten Westervoort-Noord t.b.v. wijziging omgevingsplannen In opdracht van de gemeente Westervoort heeft Pouderoyen Tonnaer onderzoek verricht naar de stikstofeffecten die gepaard gaan met de ontwikkeling Westervoort Noord: de nieuwe woonwijk Westervoort Noord, op de huidige locatie van het sportcomplex (westelijk deel) en agrarische gronden (oostelijk deel), in combinatie met de ontwikkeling van een nieuw sportcomplex op het grondgebied van de gemeente Duiven. De uitgangspunten en resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in deze memo. Het stikstofonderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de wijziging van de omgevingsplannen, om daarmee de woningbouw en het nieuwe sportcomplex ruimtelijk juridisch mogelijk te maken. Bij de uitvoering van het stikstofonderzoek is gebruik gemaakt van onderzoeksresultaten van adviesbureau Goudappel (verkeersmodelberekeningen) en gegevens van de gemeente en adviesbureau SRO (stedenbouwkundig plan en programma). Het onderzoek naar de stikstofeffecten is nodig omdat het extra verkeer t.g.v.
de ontwikkelingen en de (tijdelijke) effecten die gepaard gaan met de aanlegfase (bouw van woningen en voorzieningen in de nieuwe woonwijk en de bouw van het nieuwe sportcomplex), gepaard kunnen gaan met een toename van de stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden in de omgeving (zie figuur 1).
POU250116.011/HUL, pagina 2 van 15
Figuur 1 Ligging Westervoort-Noord ten opzichte van Natura2000-gebieden in Nederland
Als op voorhand uitgesloten kan worden dat een plan significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden, dan is het in overeenstemming met de Omgevingswet. Wat betreft stikstofdepositie is daar sprake van als uit de stikstofberekeningen volgt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Of als uitgesloten kan worden dat toenames van stikstofdepositie significante (negatieve) gevolgen hebben voor Natura 2000gebieden. Wanneer significante gevolgen vooraf niet zijn uit te sluiten, dan is er een verplichting om een passende beoordeling op te stellen. Een plan kan dan alleen worden vastgesteld, als uit de passende beoordeling (al dan niet met inzet van mitigerende maatregelen) de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als aantasting van natuurlijke kenmerken vanwege het plan niet uitgesloten kan worden, dan kan het plan onder bepaalde voorwaarden alsnog vastgesteld worden (o.b.v. een ADC-toets).
POU250116.011/HUL, pagina 3 van 15
Onderzoek naar stikstofeffecten totaal ontwikkeling en deelontwikkelingen In dit onderzoek zijn de stikstofeffecten van de ontwikkeling van de ontwikkeling als geheel (woningbouw in het oostelijk en westelijk deel en het nieuwe sportcomplex) onderzocht. Daarnaast zijn de effecten van afzonderlijke deelontwikkelingen gepresenteerd, te weten: •
Woningbouw op de bestaande sportvelden (westelijk deel Westervoort-Noord, deelgebieden A, B en C in dit onderzoek) in combinatie met de ontwikkeling van de nieuw sportcomplex (deelgebied E in dit onderzoek).
•
Woningbouw in het oostelijk deel van het Westervoort-Noord, op de agrarische gronden (deelgebied D in dit onderzoek).
Er is door Pouderoyen Tonnaer geen onderzoek verricht naar mogelijke effecten op Natura2000gebieden, anders dan effecten t.g.v. stikstofdepositie. Gelet op de ligging van het plangebied en de aard van de ontwikkeling, zijn andere effecten zoals verstoring, vernietiging of verdroging van natuurwaarden in Natura2000-gebieden, ook niet aan de orde c.q. niet te verwachten. Dat blijkt ook uit het onderzoek “Voortoets Natura2000 Westervoort-Noord” van SWECO (rapport van 25 november 2025), waarin de effecten van de ontwikkeling van Westervoort-Noord m.b.t. verdroging en verzilting, vernatting en overstroming, verontreiniging, mechanische effecten, beweging en optische verstoring, trilling en geluid en licht op de instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten van het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn onderzocht. Stikstofeffecten in de gebruiks- en in de aanlegfase Er is onderzoek naar de stikstofeffecten in de aanlegfase (tijdelijke effecten) en in de gebruiksfase (permanente effecten) verricht. In de aanlegfase is er (tijdelijk) sprake van stikstofemissies door het gebruik van bouwwerktuigen en bouwverkeer voor de aan- en afvoer van materialen en personen.
In de gebruiksfase is er sprake van een verandering van de stikstofemissie door het extra verkeer en een afname van de stikstofemissie door het wegvallen van bemesting van agrarische percelen die een andere functie krijgen als onderdeel van de ontwikkeling van Westervoort-Noord. Omdat dit onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de wijziging van de (tijdelijke) omgevingsplannen van de gemeenten Westervoort en Duiven, zijn de stikstofeffecten (emissie van stikstof en de depositie van stikstof op Natura 2000 gebieden) ten gevolge van het voornemen beoordeeld en vergeleken met de feitelijke en legale situatie in het plangebied (inclusief interne saldering). De stikstofeffecten t.g.v., de ontwikkeling van Westervoort-Noord zijn vergeleken met de emissies ten gevolge van het agrarisch gebruik van gronden waar er nieuwe woningen worden ontwikkeld, waterberging en landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd (deelgebied D) en waar een nieuw sportcomplex (deelgebied E) wordt ontwikkeld.
POU250116.011/HUL, pagina 4 van 15
Het toekomstige verkeer als gevolg van de ontwikkeling van Westervoort-Noord is vergeleken met het toekomstige verkeer zonder deze ontwikkeling Verandering van verkeerstromen (verandering van intensiteiten en routes) zijn beschouwd als een integraal onderdeel van de gebiedsontwikkeling en daarmee als een “standaardonderdeel” van de ontwikkeling en niet als een vorm van interne saldering. Consequenties uitspraak Raad van State over intern salderen bij bestemmingsplannen Dit onderzoek is uitgevoerd ten t.b.v. de wijziging van omgevingsplannen (planspoor). Het effect t.g.v. de toename van het verkeer (gebruiksfase) en de verwachte tijdelijke effecten in de aanlegfase zijn vergeleken met feitelijke situatie in het plangebied, waaronder stikstofemissies t.g.v. aanwending van mest op agrarische percelen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deed de afgelopen jaren belangrijke uitspraken over intern salderen. De uitspraak van 14 januari 2026 (Pasgeld-West, gemeente Rijswijk) gaat over het intern salderen in het zogenaamde planspoor en is voor de wijziging van de omgevingsplannen t.b.v. Westervoort-Noord relevant. In een voortoets mogen alleen nog de gevolgen van het nieuwe plan op zichzelf, inclusief ‘standaardonderdelen’, beoordeeld worden, zonder intern salderen. Standaardonderdelen zijn onderdelen van het plan die inherent zijn aan de ontwikkeling.
In de Passende beoordeling moet bij de toepassing van intern salderen invulling worden gegeven aan de vergewisplicht: de gemeenteraad moet nagaan of uit openbaar raadpleegbare gegevens blijkt dat het bevoegd gezag voor het betrokken Natura 2000-gebied de wijziging of beëindiging van de situatie waarmee gesaldeerd wordt, nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Is dat niet het geval, dan kan er gesaldeerd worden en kan deze saldering worden betrokken in de Passende Beoordeling. Ten opzichte van een eerdere versie van dit onderzoeksrapport (rapportage van 3 december 2025) is in deze versie dit stikstofonderzoek aangemerkt als Passende Beoordeling en is invulling gegeven aan de vergewisplicht.
Uitgangspunten onderzoek stikstofeffecten gebruiksfase Emissies t.g.v. verwarming van gebouwen, gebruiksfase Omdat de nieuw te bouwen woningen niet worden aangesloten op het gasnet, is ervan uitgegaan dat er in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofemissies t.g.v. de verwarming van de nieuwe woningen en andere gebouwen. Er is in dit onderzoek geen rekening gehouden met het wegvallen van verwarming van bestaande gebouwen, zoals het gasgebruik van gebouwen op de huidige sportvelden.
POU250116.011/HUL, pagina 5 van 15
Bestaande sportvelden (referentiesituatie) en nieuw sportcomplex (plan) Er is geen rekening gehouden met het vervallen van lokaal verkeer (binnen het plangebied) van- en naar de bestaande sportvelden. Wel is rekening gehouden met de zogenaamde koude starts t.g.v. het huidige gebruik van de sportvelden (340 koude starts per etmaal, op basis van gegevens van SRO). Voor het nieuwe sportcomplex (deelgebied E) is rekening gehouden met de verkeergeneratie en koude starts behorende bij 250 parkeerplaatsen. Er is uitgegaan van 4 verkeersbewegingen per etmaal per parkeerplaats, in totaal 1000 motorvoertuigen per etmaal. Daarnaast is uitgegaan van 500 koude starts per etmaal. Het verkeer van- en naar het nieuwe sportcomplex is meegenomen tot de Rijksweg. Verkeer van- en naar het sportpark op overige delen van het wegennet zijn beschouwd als onderdeel van het heersende verkeersbeeld.
Verkeer binnen woongebieden A, B, C en D (plan) Voor het verkeer binnen de woonvlekken A, B, C en D en de daarbij behorende koude starts, is gebruik gemaakt van het stedenbouwkundig plan, het programma en de verkeersgeneratie o.b.v. CROW-kengetallen. Om effecten niet te onderschatten en om rekening te houden met eventuele aanpassingen van het programma, is de verkeersgeneratie op basis het programma en CROWkengetallen met 10% opgehoogd. Ook het aantal koude starts is opgehoogd. Zie figuur 2. Op basis van de CROW-kengetallen en het (opgehoogde) programma genereert een woning in WestervoortNoord gemiddeld 5,1 ritten per etmaal. Dat is zo’n 10% hoger dan de gemiddelde verkeersgeneratie uit de aangeleverde verkeersmodelberekeningen van Goudappel. Het verkeersmodel houdt o.a. rekening met de afstand tot station, de toegang tot goede fietsverbindingen en de drukte op het wegennet. Op basis van het verkeersmodel genereert een gemiddelde woning in Westervoort-Noord 4,6 ritten per etmaal. Vanwege de ophoging van het programma en de hoge verkeersgeneratie, is de berekening van de stikstofeffecten t.g.v. verkeer in het plangebied, te beschouwen als een worst-case inschatting.
POU250116.011/HUL, pagina 6 van 15
Figuur 2 Uitgangspunten verkeersgeneratie en koude starts, binnen deelgebieden A, B, C en D
Netwerkeffecten verkeer buiten plangebied, gebruiksfase (plan) Voor het extra verkeer op wegen buiten het plangebied (zogenaamde netwerkeffecten) is gebruik gemaakt van verkeersmodelberekeningen, aangeleverd door Goudappel. Deze cijfers betreffen de prognoses voor de referentie situatie en de plansituatie. De volgende situaties zijn door Goudappel in februari 2026 aangeleverd en door Pouderoyen Tonnaer verwerkt: •
•
•
Verkeer o.b.v. autonome ontwikkeling verkeer inclusief extra verkeer t.g.v. woningen en voorzieningen in deelgebieden A, B, C & D (plan) en verkeer o.b.v. autonome ontwikkeling zonder Westervoort-Noord (referentiesituatie verkeer totale ontwikkeling). Verkeer o.b.v. autonome ontwikkeling verkeer inclusief extra verkeer t.g.v. woningen en voorzieningen in deelgebieden A, B & C (plan, deelontwikkeling gemeente) en verkeer o.b.v. autonome ontwikkeling zonder Westervoort-Noord (referentie verkeer deelontwikkeling ABC). Verkeer o.b.v. autonome ontwikkeling verkeer inclusief extra verkeer t.g.v. woningen en voorzieningen in deelgebied D (plan, deelontwikkeling BPD/Nikkels) en verkeer o.b.v. autonome ontwikkeling zonder Westervoort-Noord (referentie verkeer deelontwikkeling D)).
De geleverde verkeerscijfers betreffen weekdaggemiddelde etmaalintensiteiten, onderverdeeld naar licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar vrachtverkeer. Daarnaast bevatten de gegevens informatie over het type weg en het percentage stagnatie.
POU250116.011/HUL, pagina 7 van 15
De totale weekdaggemiddelde intensiteiten zijn opgenomen in AERIUS berekeningen (AERIUS Calculator versie 2025.2, februari 2026), voor zowel de referentiesituatie (autonome ontwikkeling verkeer zonder plan) als voor plan-situatie (autonome verkeer met plan). Voor een nadere beschrijving van de uitgangspunten van het gehanteerde verkeersmodel wordt verwezen naar de rapportage over de verkeerseffecten van Westervoort-Noord. De stikstofdepositie is berekend binnen het gebied waar er sprake is van relevante wijzigingen in de verkeersomvang op bestaande wegen, de zogenaamde netwerkeffecten. Hierbij zijn de volgende wegvakken betrokken: •
Ontsluiting binnen plangebied, op basis van het stedenbouwkundig plan (zie figuur 2).
•
•
Wegvakken waarop de jaargemiddelde etmaalintensiteiten tenminste 250 motorvoertuigen per etmaal per rijrichting toe- of afnemen én een toe- dan wel afname van meer dan 3% ten opzichte van de referentiesituatie.1 De IJsseldijk vanwege de korte afstand van deze weg tot het Natura2000-gebied de Rijntakken.
•
Aangrenzende wegvakken aan deze selectie om een sluitend netwerk te verkrijgen.
In figuur 3 zijn de bestaande wegvakken en de gemodelleerde nieuwe ontsluiting binnen het plangebied die betrokken zijn in de onderzoek, weergegeven. Figuur 3 Betrokken wegvakken en agrarische percelen in het stikstofonderzoek
Figuur 3 Betrokken wegvakken en agrarische percelen in het stikstofonderzoek
Emissies t.g.v. agrarisch gebruik percelen, gebruiksfase (referentiesituatie)
1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft haar uitspraak van 10 september 2025 aangegeven dat een afkappercentage van 5% in het algemeen een goede grens is om te bepalen wanneer verkeer opgaat in het bestaande verkeersbeeld. In dit stikstofonderzoek is een ruimere selectie van wegvakken gehanteerd.
POU250116.011/HUL, pagina 8 van 15
De beëindiging van het agrarisch grondgebruik op enkele percelen (zie figuur 3) is het rechtstreeks gevolg van de ontwikkeling van Westervoort-Noord. Het betreft agrarische percelen in deelgebied D en E. Het effect t.g.v. de toename van het verkeer (gebruiksfase) en de verwachte tijdelijke effecten in de aanlegfase zijn daarom in dit onderzoek/in deze Passende Beoordeling vergeleken met feitelijke situatie in het plangebied, met name stikstofemissies t.g.v. aanwending van mest op deze agrarische percelen. Er is dit onderzoek rekening gehouden met de aanscherping van de landelijke mestregelgeving vanaf 1 januari 2026. Ook is er rekening gehouden met mogelijke aanscherpingen daarna: bijstelling van landelijke regels die leiden tot lagere emissies t.g.v. aanwending van mest dan in de huidige situatie is toegestaan. Het betreft de gevolgen van aanscherpingen die nodig zijn om de doelen te halen die zijn opgenomen in de Europese nitraatrichtlijn. De aanscherping bestaat o.a. uit aanscherping van normen m.b.t. aanwending van dierlijke mest, verlaging van landelijke mestproductieplafonds, verplichte mestvrije bufferstroken langs waterlopen en verlaging van de stikstofgebruiksnormen in delen van Nederland. Om te voorkomen dat de emissies t.g.v. bemesting van agrarische percelen in dit stikstofonderzoek c.q.
deze Passende Beoordeling worden overschat en om rekening te houden met de gevolgen van de mogelijke aanscherping van de mestregelgeving na 2026, is gerekend met kengetallen voor de emissies uit (enkel) aanwending van dierlijke mest voor 2030 in gebieden waar er sprake is van een (extra) verlaging van de stikstofgebruiksnormen (bron: WUR, model INITIATOR). Er is in onderzoek geen rekening gehouden (niet gesaldeerd) met emissies t.g.v. aanwending van kunstmest, emissies t.g.v. beweiding, emissies t.g.v. gebruik van compost of emissies t.g.v. gewas-afrijping. Ook is geen rekening gehouden met het vervallen van emissies t.g.v. minder landbouwverkeer en gebruik van tractoren en werktuigen op de agrarische percelen. Voor grasland is in dit onderzoek uitgegaan van een ammoniakemissie t.g.v. bemesting van 17,7 kg NH3/hectare en voor bouwland met een ammoniakemissie t.g.v. bemesting van 6,9 kg NH3/hectare (WUR, Initiator, kengetallen 2030 voor gebieden met een extra verlaging stikstofgebruiksnormen). Er is dus gekozen voor een conservatieve/voorzichtige inschatting van de emissies die vervallen i.v.m. bemesting en het gebruik van agrarische percelen in het plangebied.
Uitgangspunten onderzoek stikstofeffecten aanlegfase De stikstofemissie in de aanlegfase is onder meer afhankelijk van de soort machines, de duur van de inzet van verschillende voor de bouw benodigde machines en het bouwverkeer. Het is nu nog niet in detail bekend hoe de inzet van machines in de aanlegfase er precies uit gaat zien, welk soort werktuig, stageklasse, brandstofverbruik, draaiuren ect. van toepassing is. Voor de aanlegfase is de inschatting van de stikstofemissie daarom gemaakt op basis van kengetallen voor vergelijkbare woningbouwprojecten en handreikingen.
POU250116.011/HUL, pagina 9 van 15
De kengetallen voor de bouw van woningen lopen ver uiteen en zijn afhankelijk van onder andere woningtype, aantal woningen en bouwwijze. Een gangbaar kengetal om mee te rekenen in onderzoeken voor de bouw van de woningen, waarbij de inzet van machines nog niet bekend is, is 3 kg NOx per woning. Daarnaast is gerekend met kengetallen voor de bouw van andere gebouwen. Bij mobiele werktuigen is er daarnaast sprake van een beperkte emissie van NH3, in het algemeen ongeveer 1% (in gewicht) van de NOx emissie (indien geen NOx emissie reducerend Adblue wordt toegevoegd aan de brandstof, hetgeen de verhouding NOx/NH3 wijzigt). Aan de stikstofemissie als NOx is er daarom 1% NH3 toegevoegd in de berekeningen. Deze berekeningen worden gezien als een realistische aanname voor de inschatting van de emissies tijdens de aanlegfase. Desondanks zijn de ramingen op basis van kengetallen opgehoogd met 10%, om zo rekening te houden met onzekerheden en te borgen dat effecten niet worden onderschat. In de berekeningen is uitgegaan van de maatgevende (piek)emissies in de aanlegfase per deelgebied (A, B, C, D en E) en dat deze maatgevende emissies allemaal in hetzelfde jaar optreden. Ook hierbij is dus uitgegaan van een worst-case/voorzichtige benadering om effecten niet te onderschatten.
POU250116.011/HUL, pagina 10 van 15
De gehanteerde kengetallen en uitgangspunten m.b.t. fasering zijn hieronder weergegeven (tabel 1).
Algemeen
Woningen: totaal per deelgebied + 10% ophoging x 3 kg NOx per woning. Uitgaande van een realisatietermijn van 5 tot 10 jaar, 20% emissies van totaal in maatgevend jaar. 1% van NOx emissie in maatgevend jaar als Nh3 emissie Voorzieningen: 5,5 kg NOx/jaar per 100 m2 BVO. Realisatietermijn 1-3 jaar
A
168 woningen + 10% = 185 rekeneenheden. Maatgevend jaar: 111 kg NOx/jaar en 1,1 kg Nh3/jaar
B
25 woningen + 10% = 28 rekeneenheden. Maatgevend jaar: 17 kg NOx/jaar en 0,2 kg Nh3/jaar
C
181 woningen + 10% = 199 rekeneenheden. Maatgevend jaar woningen: 119 kg NOx/jaar en 1,2 kg Nh3/jaar Huisartsenpraktijk (200 m2 BVO) en basisschool (1200 m2 BVO) Maatgevend jaar 2/3 van 77 kg NOx = 51 kg NOx/jaar en 0,5 kg NH3
D
210 woningen + 10% = 231 rekeneenheden. Maatgevend jaar: 139 kg NOx/jaar en 1,4 kg Nh3/jaar
E
Sportcomplex (2250m2 BVO) Maatgevend jaar 2/3 van 124 kg NOx = 83 kg NOx/jaar en 0,8 kg NH3
Tabel 1: gehanteerde uitgangspunten emissies in maatgevend jaar per deelgebied, aanlegfase
POU250116.011/HUL, pagina 11 van 15
Resultaten stikstofberekeningen Gebruiksfase In onderstaande tabel 2 zijn de resultaten van de stikstofberekeningen voor de gebruiksfase samenvattend beschreven. Per Natura 2000-gebied is de maximale toe- of afname van de depositie in mol/ha/jaar weergegeven in de gebruiksfase, o.b.v. de beschreven uitgangspunten.
Effect (piek) in mol/ha/jaar
Rijntakken
Veluwe
Landgoederen Brummen
Totaal ABCDE met interne saldering Totaal ABCDE zonder interne saldering ABC&E met interne saldering ABC&E zonder interne saldering D met interne saldering D zonder interne saldering
-0,18 (afname)
-0,08 (afname)
-0,02 (afname)
Andere N2000gebieden geen
+0,09
+0,04
+0,01
geen
-0,09 (afname)
-0,06 (afname)
-0,01 (afname)
geen
+0,07
+0,03
geen
geen
-0,10 (afname)
-0,02 (afname)
geen
geen
+0,02
+0,01
geen
geen
Tabel 2: Resultaten stikstofberekeningen, gebruiksfase, AERIUS Calculator versie 2025.2
Aanlegfase In onderstaande tabel 3 zijn de resultaten van de stikstofberekeningen voor de aanlegfase (in een maatgevend jaar) samenvattend beschreven. Per Natura 2000-gebied is de maximale toe- of afname van de depositie in mol/ha/jaar weergegeven in de aanlegfase, o.b.v. de beschreven uitgangspunten.
POU250116.011/HUL, pagina 12 van 15
Effect (piek) in mol/ha/jaar
Rijntakken
Veluwe
Landgoederen Brummen
Totaal ABCDE met interne saldering Totaal ABCDE zonder interne saldering ABC&E met interne saldering ABC&E zonder interne saldering D met interne saldering D zonder interne saldering
-0,22 (afname)
-0,09 (afname)
-0,01 (afname)
Andere N2000gebieden geen
+0,05
+0,03
+0,01
geen
-0,11 (afname)
-0,06 (afname)
-0,01 (afname)
geen
+0,03
+0,02
geen
geen
-0,10 (afname)
-0,03 (afname)
geen
geen
+0,01
+0,01
geen
geen
Tabel 3: Resultaten stikstofberekeningen, aanlegfase, AERIUS Calculator 2025.2
Invulling vergewisplicht intern salderen Uit de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Veluwe en Landgoederen Brummen, uit de Gelderse Maatregelen Stikstof, uit de maatregelen die de provincie Gelderland in voorbereiding heeft (aanvullende emissie-eisen in zones van maximaal 500 meter aan rondom de Veluwe, de Landgoederen Brummen en mogelijk gebieden bij Winterswijk) blijkt nergens dat het beëindigen van bemesting op de percelen binnen Westervoort-Noord (agrarische percelen in deelgebieden D en E) als een instandhoudingsmaatregel of als passende maatregel is aangewezen of wordt overwogen. Dat geldt ook voor het beëindigen van de koude starts op de sportvelden in deelgebieden ABC. Ook uit de landelijke maatregelen (veelal vrijwillige regelingen, zoals beëindigingsregelingen voor veehouderijen) blijkt nergens uit dat beëindigen van bemesting op deze percelen of het beëindigen van koude starts ter plaatse van de huidige sportvelden als instandhoudingsmaatregel of als een passende maatregel is aangewezen of als zodanig wordt overwogen. In de berekeningen m.b.t. interne saldering is rekening gehouden met lagere emissies t.g.v. agrarische gebruik van percelen die betrokken zijn bij de interne saldering. Dit in verband met mogelijke toekomstige aanscherping van de mestregelgeving t.b.v. bodem- en waterkwaliteit. De reducties t.a.v.
emissie- en depositie van stikstofbelasting ten gevolge deze mogelijke aanscherping is niet als instandhoudings- of passende maatregel aangewezen door provincie en rijk, maar hier is bij het bepalen van de stikstofruimte in de referentiesituatie voorzichtigheidshalve wel rekening mee gehouden.
POU250116.011/HUL, pagina 13 van 15
Daarnaast is er niet gesaldeerd met andere emissies t.g.v. het agrarisch gebruik van deze percelen, zoals emissies t.g.v. aanwending van kunstmest, emissies t.g.v. beweiding, emissies t.g.v. gebruik van compost, emissies t.g.v. gewas-afrijping en emissies t.g.v. landbouwmachines en landbouwverkeer. Natura 2000-gebied Rijntakken Het plangebied ligt op korte afstand van het Natura 2000-gebied Rijntakken (minder dan 1 kilometer, de agrarische percelen liggen op een afstand van minimaal 450 meter). Uit de Natuurdoelanalyse (NDA) voor de Rijntakken (mei 2023, provincie Gelderland) blijkt dat de stikstofbelasting geen groot knelpunt is voor de Rijntakken. Uit de NDA blijkt dat voor bijna alle habitattypen de uitgevoerde en geprogrammeerde maatregelen zorgen voor het tegengaan van verslechtering van habitattypen en leefgebieden én borgen dat het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (voor zover het uitbreiding of verbetering betreft) binnen bereik is en blijft. Alleen voor het habitattype H9120 Beuken- eikenbossen met hulst is dat niet met zekerheid geconcludeerd in de NDA, omdat er te weinig informatie is over de trend en voor dit habitattype geen specifieke maatregelen zijn opgenomen. Dit habitattype komt zeer lokaal voor, met name langs de IJssel en is niet relevant voor Westervoort-Noord: er is geen sprake van depositie dit habitattype.
Ook uit AERIUS Monitor 2025 blijkt dat de stikstofbelasting op het Natura 2000-gebied Rijntakken geen drukfactor is. Er zijn momenteel ook nauwelijks overschrijdingen van de kritische depositiewaarde. De provincie Gelderland heeft geen stikstofreductiegebied in- en rondom de Rijntakken aangewezen of in voorbereiding. Het beëindigen van bemesting op deze percelen of het beëindigen van koude starts ter plaatse van de huidige sportvelden als instandhoudingsmaatregel of als een passende maatregel is daarom niet aan de orde. Natura 2000-gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 3 kilometer van het Natura 2000-gebied Veluwe; de agrarische percelen liggen op een afstand van minimaal 4200 meter. De afstand tot het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen is circa 17 kilometer. Voor deze Natura 2000-gebieden is stikstof wel een belangrijke drukfactor. Het stikstofbeleid van de provincie Gelderland waarbij er “dwingende maatregelen” worden genomen richt zich op een zone van maximaal 500 meter rondom stikstofgevoelige habitats op de Veluwe en de Landgoederen Brummen. In deze stroken én in die natuurgebieden, die samen het zogenoemde stikstofreductiegebied vormen, moet de uitstoot de komende 10 jaar flink dalen.
Voor deze gebieden is door de provincie Gelderland gekozen, omdat blijkt dat dichtbij kwetsbare natuur stikstofvermindering het meest effectief is. In het beleid staan maatregelen voor de verschillende sectoren die hiervoor moeten zorgen. Het plangebied ligt ver buiten het stikstofreductiegebied van de provincie Gelderland.
POU250116.011/HUL, pagina 14 van 15
Conclusie vergewisplicht Het beëindigen van het agrarisch gebruik op de percelen in deelgebieden D en E en het beëindigen van koude starts ter plaatse van de huidige sportvelden is inherent aan de ontwikkeling van de woongebieden in de deelgebieden A, B, C en D en de ontwikkeling van een nieuw sportpark in deelgebied E. Uit openbaar raadpleegbare gegevens blijkt niet dat de provincie of het rijk de beëindiging van het agrarisch gebruik (waaronder aanwending van mest) in deelgebieden D & E en het wegvallen van de koude starts ter plaatse van de huidige sportvelden (deelgebied ABC) nodig acht als instandhoudings- of passende maatregel. Omdat dit niet het geval is, kan er gesaldeerd worden en kan deze saldering worden betrokken in de Passende Beoordeling. Conclusie (Passende Beoordeling) stikstof Zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase is er per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie op de omliggende Natura2000-gebieden Rijntakken, Veluwe en deels ook op het Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen. Er is geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in Nederland of in Duitsland. De stikstofeffecten t.g.v. het wegvallen van bemesting op agrarische percelen zijn groter dan de stikstofeffecten t.g.v. het extra verkeer in de gebruiksfase en in de ingeschatte maximale (tijdelijke) stikstofeffecten in de aanlegfase.
Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen op Natura2000-gebieden vanwege stikstofeffecten zijn uit te sluiten. Dat geldt zowel voor de ontwikkeling van het totaal als voor de onderzochte deelgebieden.
POU250116.011/HUL, pagina 15 van 15
Bijlagen met AERIUS-berekeningen, AERIUS Calculator versie 2025.2 (febr. 2026)
Bijlage 1 Gebruiksfase •
1A: Effecten gebruiksfase Westervoort-Noord totaal (ABCDE) inclusief saldering
•
1B: Effecten gebruiksfase Westervoort-Noord deelontwikkeling ABC&E inclusief saldering
•
1C: Effecten gebruiksfase Westervoort-Noord deelontwikkeling D inclusief saldering
Bijlage 2 Aanlegfase • •
2A: Effecten aanlegfase Westervoort-Noord totaal (ABCDE) inclusief saldering 2B: Effecten aanlegfase Westervoort-Noord deelontwikkeling ABC&E inclusief saldering
•
2C: Effecten aanlegfase Westervoort-Noord deelontwikkeling D inclusief saldering
BIJLAGE 1A
BIJLAGE 1B
BIJLAGE 1C
BIJLAGE 2A
BIJLAGE 2B
BIJLAGE 2C